Klacht van de profeet, vertrouwen op Yahweh en de lofzang op Zijn vergeving
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wee mij
1Wee mij! Want ik ben geworden als bij het inzamelen van het zomerfruit, als bij de nalezing van de druivenoogst. Er is geen tros om te eten, geen eerste vijg waar mijn ziel naar verlangt.
אַ֣לְלַי
(allay)
wee
לִ֗י
(li)
mij
כִּ֤י
(ki)
want
הָיִ֨יתִי֙
(hayiti)
ben ik geworden
כְּאָסְפֵּי
(keaspei)
als bij het inzamelen van
קַ֔יִץ
(qayits)
zomerfruit
כְּעֹלְלֹ֖ת
(keolelot)
als bij de nalezing van
בָּצִ֑יר
(batsir)
de druivenoogst
אֵין
(ein)
er is geen
אֶשְׁכּ֣וֹל
(eshkol)
tros
לֶאֱכ֔וֹל
(leekhol)
om te eten
בִּכּוּרָ֖ה
(bikura)
eerste vijg
אִוְּתָ֥ה
(iveta)
verlangt
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קַיִץ (qayits), ‘zomerfruit’: zie ook Amos 8:1.
De spreker is als iemand die na de oogst door de wijngaard gaat en niets meer vindt.
בִּכּוּרָה (bikkurah), ‘eerste vijg’: een vijg die als eerste rijp wordt. Dit is een lekkernij.
2De trouwe is uit het land verloren gegaan, en er is geen oprechte meer onder de mensen. Allen liggen op de loer voor bloed. Ieder jaagt op zijn broer met een net.
אָבַ֤ד
(avad)
is verloren gegaan
חָסִיד֙
(chasid)
de trouwe
מִן
(min)
uit
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְיָשָׁ֥ר
(veyashar)
en oprechte
בָּאָדָ֖ם
(baadam)
onder de mensen
אָ֑יִן
(ayin)
er is geen
כֻּלָּם֙
(kulam)
allen
לְדָמִ֣ים
(ledamim)
op bloed
יֶאֱרֹ֔בוּ
(yeerovu)
liggen op de loer
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אָחִ֖יהוּ
(achihu)
zijn broer
יָצ֥וּדוּ
(yatsudu)
jagen zij
חֵֽרֶם
(cherem)
met een net
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָסִיד (chasid), ‘de trouwe’: iemand die trouw (חֶסֶד, chesed) toont aan Yahweh en aan zijn naaste.
חֵרֶם (cherem), ‘net’: hier is het een jachtnet. Elders is het woord ‘ban’ (zie 4:13).
3Hun handen zijn op het kwaad gericht, om het goed uit te voeren. De vorst eist, en de rechter oordeelt tegen betaling. De grote, hijzelf, spreekt de begeerte van zijn ziel uit, en zij vlechten het ineen.
עַל
(al)
op
הָרַ֤ע
(hara)
het kwaad
כַּפַּ֨יִם֙
(kapayim)
handen
לְהֵיטִ֔יב
(leheitiv)
om goed te doen
הַשַּׂ֣ר
(hasar)
de vorst
שֹׁאֵ֔ל
(shoel)
eist
וְהַשֹּׁפֵ֖ט
(vehashofet)
en de rechter
בַּשִׁלּ֑וּם
(bashilum)
tegen betaling
וְהַגָּד֗וֹל
(vehagadol)
en de grote
דֹּבֵ֨ר
(dover)
spreekt
הַוַּ֥ת
(havat)
de begeerte van
נַפְשׁ֛וֹ
(nafsho)
zijn ziel
ה֖וּא
(hu)
hij
וַֽיְעַבְּתֽוּהָ
(vayabetuha)
en zij vlechten het ineen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk en de betekenis is niet zeker.
Het gaat om machthebbers die samen onrecht doen.
בְּשִׁלּוּם (beshillum), ‘tegen betaling’: het Hebreeuws heeft ‘in vrede’ of ‘voor een beloning’. Wij lezen omkoping. Dat is onzeker.
הַוַּת נַפְשׁוֹ (havvat nafsho), ‘de begeerte van zijn ziel’: wat hij wil hebben, ook als het onrecht is.
4Hun beste is als een doornstruik, de oprechtste is erger dan een doornhaag. De dag van je wachters, je bestraffing, is gekomen. Nu zal hun verwarring er zijn.
טוֹבָ֣ם
(tovam)
hun beste
כְּחֵ֔דֶק
(kechedeq)
als een doornstruik
יָשָׁ֖ר
(yashar)
de oprechte
מִמְּסוּכָ֑ה
(mimesukha)
dan een doornhaag
י֤וֹם
(yom)
de dag van
מְצַפֶּ֨יךָ֙
(metsapeikha)
je wachters
פְּקֻדָּתְךָ֣
(pequdatekha)
je bestraffing
בָ֔אָה
(baa)
is gekomen
עַתָּ֥ה
(ata)
nu
תִהְיֶ֖ה
(tihye)
zal zijn
מְבוּכָתָֽם
(mevukhatam)
hun verwarring
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶדֶק (chedeq), ‘doornstruik’, en מְסוּכָה (mesukhah), ‘doornhaag’: stekelige planten.
Het beeld is dat zelfs de beste mensen pijn doen.
מְצַפֶּיךָ (metsappeykha), ‘je wachters’: de profeten, die Israël waarschuwen. Hun dag is de dag van het oordeel.
פְּקֻדָּה (peqquddah), ‘bestraffing’: zo ook Hos. 9:7.
6Want de zoon veracht zijn vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder. De vijanden van een man zijn de mannen van zijn eigen huis.
כִּֽי
(ki)
want
בֵן֙
(ben)
zoon
מְנַבֵּ֣ל
(menabel)
veracht
אָ֔ב
(av)
vader
בַּ֚ת
(bat)
dochter
קָמָ֣ה
(qama)
staat op
בְאִמָּ֔הּ
(beimah)
tegen haar moeder
כַּלָּ֖ה
(kala)
schoondochter
בַּחֲמֹתָ֑הּ
(bachamotah)
tegen haar schoonmoeder
אֹיְבֵ֥י
(oyevei)
vijanden van
אִ֖ישׁ
(ish)
man
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
בֵיתֽוֹ
(beito)
zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De gramschap van Yahweh moet ik dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd, totdat Hij mijn rechtszaak voert en mijn recht doet. Hij brengt mij uit naar het licht. Ik zal Zijn gerechtigheid zien.
זַ֤עַף
(zaaf)
de gramschap van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶשָּׂ֔א
(esa)
zal ik dragen
כִּ֥י
(ki)
want
חָטָ֖אתִי
(chatati)
ik heb gezondigd
ל֑וֹ
(lo)
tegen Hem
עַד֩
(ad)
totdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יָרִ֤יב
(yariv)
Hij voert
רִיבִי֙
(rivi)
mijn rechtszaak
וְעָשָׂ֣ה
(veasa)
en Hij doet
מִשְׁפָּטִ֔י
(mishpati)
mijn recht
יוֹצִיאֵ֣נִי
(yotsieni)
Hij brengt mij uit
לָא֔וֹר
(laor)
naar het licht
אֶרְאֶ֖ה
(ere)
zal ik zien
בְּצִדְקָתֽוֹ
(betsidqato)
Zijn gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זַעַף (za’af), ‘gramschap’: de verontwaardiging van Yahweh.
De spreker, de profeet namens het volk, neemt de schuld op zich en wacht op Zijn recht.
בִּצְדָקָתוֹ (bitsdaqato), ‘Zijn gerechtigheid’: Yahweh herstelt het recht en brengt het volk uit het donker naar het licht.
10Mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken, zij die tegen mij zei: „Waar is Yahweh, je Elohim?” Mijn ogen zullen naar haar kijken. Nu wordt zij vertrapt als modder op de straten.
וְתֵרֶ֤א
(vetere)
en zal zien
אֹיַ֨בְתִּי֙
(oyavti)
mijn vijandin
וּתְכַסֶּ֣הָ
(utekhaseha)
en zal bedekken
בוּשָׁ֔ה
(busha)
schaamte
הָאֹמְרָ֣ה
(haomera)
zij die zei
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
אַיּ֖וֹ
(ayo)
waar is
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑יִךְ
(elohayikh)
je Elohim
עֵינַי֙
(einay)
mijn ogen
תִּרְאֶ֣ינָּה
(tireina)
zullen kijken
בָּ֔הּ
(bah)
naar haar
עַתָּ֛ה
(ata)
nu
תִּֽהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zij zijn
לְמִרְמָ֖ס
(lemirmas)
tot vertrapping
כְּטִ֥יט
(ketit)
als modder van
חוּצֽוֹת
(chutsot)
de straten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַיּוֹ (ayyo), ‘waar is’: de spottende vraag van de vijanden, zoals in Ps. 42:4 en Ps. 79:10.
14Weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfdeel, die alleen woont in het woud, midden in Karmel. Laat hen weiden in Basan en Gilead, zoals in de dagen van lang geleden.
רְעֵ֧ה
(ree)
weid
עַמְּךָ֣
(amekha)
Uw volk
בְשִׁבְטֶ֗ךָ
(beshivtekha)
met Uw staf
צֹ֚אן
(tson)
de kudde van
נַֽחֲלָתֶ֔ךָ
(nachalatekha)
Uw erfdeel
שֹׁכְנִ֣י
(shokheni)
die woont
לְבָדָ֔ד
(levadad)
alleen
יַ֖עַר
(yaar)
in het woud
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
כַּרְמֶ֑ל
(karmel)
Karmel
יִרְע֥וּ
(yiru)
laat hen weiden
בָשָׁ֛ן
(bashan)
in Basan
וְגִלְעָ֖ד
(vegilad)
en Gilead
כִּימֵ֥י
(kimei)
zoals de dagen van
עוֹלָֽם
(olam)
lang geleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Karmel (ligging onzeker): Met het woud midden in Karmel is waarschijnlijk de Karmel bij Haifa bedoeld, of een vruchtbare boomgaard in het algemeen.
Dit is niet zeker.
Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
רְעֵה (re’eh), ‘weid’: de profeet vraagt Yahweh om als herder voor Zijn volk te zorgen.
Zie ook 5:3.
כַּרְמֶל (Karmel): het woord betekent ook ‘boomgaard’ of ‘vruchtbaar land’. Het kan hier de berg zijn of een vruchtbare streek.
בָּשָׁן (Bashan) en גִּלְעָד (Gil’ad): vruchtbare weidestreken ten oosten van de Jordaan.
17Zij likken stof als een slang, als kruipend gedierte van de aarde. Zij beven uit hun burchten. Naar Yahweh, onze Elohim, komen zij sidderend, en voor U zijn zij bang.
יְלַחֲכ֤וּ
(yelachakhu)
zij zullen likken
עָפָר֙
(afar)
stof
כַּנָּחָ֔שׁ
(kanachash)
als een slang
כְּזֹחֲלֵ֣י
(kezochalei)
als kruipende dieren van
אֶ֔רֶץ
(erets)
de aarde
יִרְגְּז֖וּ
(yirgezu)
zij zullen beven
מִמִּסְגְּרֹֽתֵיהֶ֑ם
(mimisgeroteihem)
uit hun burchten
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
יִפְחָ֔דוּ
(yifchadu)
zij zullen sidderen
וְיִֽרְא֖וּ
(veyiru)
en zij zullen vrezen
מִמֶּֽךָּ
(mimeka)
voor U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Stof likken’ is een beeld van onderwerping, zoals de slang in Gen. 3:14.
מִסְגְּרוֹתֵיהֶם (misgerotehem), ‘hun burchten’: schuilplaatsen waar zij zich veilig voelden.
18Wie is een El als U, Die schuld vergeeft en voorbijgaat aan de overtreding van de overgeblevenen van Zijn erfdeel? Hij houdt Zijn toorn niet voor altijd vast, want Hij heeft behagen in trouw.
מִי
(mi)
wie
אֵ֣ל
(el)
een El
כָּמ֗וֹךָ
(kamokha)
als U
נֹשֵׂ֤א
(nose)
Die vergeeft
עָוֺן֙
(avon)
schuld
וְעֹבֵ֣ר
(veover)
en gaat voorbij
עַל
(al)
aan
פֶּ֔שַׁע
(pesha)
overtreding van
לִשְׁאֵרִ֖ית
(lisherit)
de overgeblevenen van
נַחֲלָת֑וֹ
(nachalato)
Zijn erfdeel
לֹא
(lo)
niet
הֶחֱזִ֤יק
(hecheziq)
houdt vast
לָעַד֙
(laad)
voor altijd
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
כִּֽי
(ki)
want
חָפֵ֥ץ
(chafets)
heeft behagen
חֶ֖סֶד
(chesed)
trouw
הֽוּא
(hu)
Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִי־אֵל כָּמוֹךָ (mi El kamokha), ‘wie is een El als U’: een lofzang op Yahweh.
In het Hebreeuws is het ook een woordspel op de naam Micha (מִיכָה, ‘wie is zoals Yah’).
נֹשֵׂא עָוֺן (nose avon), ‘Die schuld vergeeft’: het werkwoord נָשָׂא (nasa) betekent ‘dragen’. Wij vertalen hier ‘vergeven’, zoals in Exod. 34:7.