Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Profeteer tegen Gog
1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hoofdstuk 38 en 39 zijn twee verwante toespraken over Gog.
Hoofdstuk 38 beschrijft zijn opmars en Yahweh’s ingrijpen; hoofdstuk 39 zijn ondergang en wat daarna komt.
2„Mensenkind, richt je gezicht op Gog, in het land Magog, de vorst van Rosj, Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
שִׂ֤ים
(sim)
zet
פָּנֶ֨יךָ֙
(paneikha)
je gezicht
אֶל
(el)
naar
גּוֹג֙
(gog)
Gog
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
הַמָּג֔וֹג
(hamagog)
Magog
נְשִׂ֕יא
(nesi)
vorst van
רֹ֖אשׁ
(rosh)
Rosj
מֶ֣שֶׁךְ
(meshekh)
Mesech
וְתֻבָ֑ל
(vetuval)
en Tubal
וְהִנָּבֵ֖א
(vehinave)
en profeteer
עָלָֽיו
(alav)
tegen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גּוֹג (Gog): een naam die verder in de Hebreeuwse Bijbel nauwelijks voorkomt (zie 1 Kron. 5:4 voor een andere Gog).
De tekst noemt hem een vorst; wie hij was of is, zegt de tekst niet.
Wij laten dat open.
מָגוֹג (Magog): in Gen. 10:2 een zoon van Jafet. Hier is het blijkbaar het land van Gog; de ligging is onzeker.
נְשִׂיא רֹאשׁ מֶשֶׁךְ וְתֻבָל (nesi rosh meshech vetuval): ‘vorst van Rosj, Mesech en Tubal’. Het woord רֹאשׁ (rosh) kan ook ‘hoofd, opperste’ betekenen; dan staat er ‘opperste vorst van Mesech en Tubal’. Mesech en Tubal zijn volken in het noorden (zie Ezech. 27:13).
4Ik draai je om en doe haken in je kaken. Ik leid je uit, jou en heel je leger: paarden en ruiters, allen volledig uitgerust. Het is een grote menigte met grote en kleine schilden, allen met zwaarden in de hand.
וְשׁ֣וֹבַבְתִּ֔יךָ
(veshovavtikha)
en Ik zal je omkeren
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal doen
חַחִ֖ים
(chachim)
haken
בִּלְחָיֶ֑יךָ
(bilchayeikha)
in je kaken
וְהוֹצֵאתִי֩
(vehotseti)
en Ik zal uitleiden
אוֹתְךָ֨
(otekha)
jou
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
חֵילֶ֜ךָ
(cheilekha)
je leger
סוּסִ֣ים
(susim)
paarden
וּפָרָשִׁ֗ים
(ufarashim)
en ruiters
לְבֻשֵׁ֤י
(levushei)
gekleed
מִכְלוֹל֙
(mikhlol)
in volle uitrusting
כֻּלָּ֔ם
(kulam)
allen
קָהָ֥ל
(qahal)
een menigte
רָב֙
(rav)
grote
צִנָּ֣ה
(tsina)
grote schilden
וּמָגֵ֔ן
(umagen)
en kleine schilden
תֹּפְשֵׂ֥י
(tofesei)
grijpend
חֲרָב֖וֹת
(charavot)
zwaarden
כֻּלָּֽם
(kulam)
allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַחִים בִּלְחָיֶיךָ (chachim bil’chayekha), ‘haken in je kaken’: Gog wordt als een wild dier teruggetrokken en meegevoerd.
Het is Yahweh die hem laat optrekken.
Vergelijk Ezech. 29:4.
שׁוֹבַבְתִּיךָ (shovavtikha), ‘Ik draai je om’: het werkwoord kan ook ‘terugbrengen’ of ‘verleiden’ betekenen; de betekenis is hier niet helemaal zeker.
מִכְלוֹל (mikhlol), ‘volledig uitgerust’: het woord komt ook voor in Ezech. 23:12.
צִנָּה (tsinnah) en מָגֵן (magen): twee soorten schilden, een grote en een kleine.
8Na vele dagen word je ontboden. In de laatste jaren kom je in een land dat hersteld is van het zwaard. Het is bijeengebracht uit vele volken, op de bergen van Israël die voortdurend een ruïne waren. Zij is uit de volken geleid en zij wonen allen veilig.
מִיָּמִ֣ים
(miyamim)
na dagen
רַבִּים֮
(rabim)
vele
תִּפָּקֵד֒
(tipaqed)
word je ontboden
בְּאַחֲרִ֨ית
(beacharit)
in het einde van
הַשָּׁנִ֜ים
(hashanim)
de jaren
תָּב֣וֹא
(tavo)
kom je
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land
מְשׁוֹבֶ֣בֶת
(meshovevet)
hersteld
מֵחֶ֗רֶב
(mecherev)
van het zwaard
מְקֻבֶּ֨צֶת֙
(mequbetset)
bijeengebracht
מֵעַמִּ֣ים
(meamim)
uit volken
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
עַ֚ל
(al)
op
הָרֵ֣י
(harei)
de bergen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָי֥וּ
(hayu)
waren
לְחָרְבָּ֖ה
(lecharba)
tot een ruïne
תָּמִ֑יד
(tamid)
voortdurend
וְהִיא֙
(vehi)
en zij
מֵעַמִּ֣ים
(meamim)
uit de volken
הוּצָ֔אָה
(hutsaa)
is uitgeleid
וְיָשְׁב֥וּ
(veyashevu)
en zij wonen
לָבֶ֖טַח
(lavetach)
veilig
כֻּלָּֽם
(kulam)
allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּפָּקֵד (tippaqed), ‘word je ontboden’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘opmerken, ontbieden, bezoeken’.
Hier gaat het om een oproep die Yahweh richt.
אַחֲרִית הַשָּׁנִים (acharit hashanim), ‘de laatste jaren’: de toekomst, na de terugkeer uit de volken.
מְשׁוֹבֶבֶת מֵחֶרֶב (meshovevet mecherev): het land is ‘hersteld’ of ‘teruggebracht’ van het zwaard. Het werkwoord שׁוּב (shuv) is hetzelfde als in vers 4, maar met een andere vorm.
מְקֻבֶּצֶת (mequbbetset), ‘bijeengebracht’: het gaat om het volk, dat uit de volken is verzameld.
11Je zegt: ‘Ik trek op tegen een land van open dorpen. Ik val de rustigen aan, die veilig wonen, allen wonend zonder muur, zonder grendel en zonder deuren,
וְאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
en je zult zeggen
אֶֽעֱלֶה֙
(eele)
ik zal optrekken
עַל
(al)
tegen
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land van
פְּרָז֔וֹת
(perazot)
open dorpen
אָבוֹא֙
(avo)
ik zal komen
הַשֹּׁ֣קְטִ֔ים
(hashoqetim)
de rustigen
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
wonend
לָבֶ֑טַח
(lavetach)
veilig
כֻּלָּ֗ם
(kulam)
allen
יֹֽשְׁבִים֙
(yoshevim)
wonend
בְּאֵ֣ין
(beein)
zonder
חוֹמָ֔ה
(choma)
muur
וּבְרִ֥יחַ
(uveriach)
en grendel
וּדְלָתַ֖יִם
(udelatayim)
en deuren
אֵ֥ין
(ein)
niet
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּרָזוֹת (perazot), ‘open dorpen’: plaatsen zonder muur.
12om buit te roven en roof te plegen. Ik keer mijn hand tegen puinhopen die weer bewoond zijn, en tegen een volk dat uit de volken is verzameld. Het heeft vee en bezit verworven en woont op de navel van de aarde.’
לִשְׁלֹ֥ל
(lishlol)
om te roven
שָׁלָ֖ל
(shalal)
roof
וְלָבֹ֣ז
(velavoz)
en om te plunderen
בַּ֑ז
(baz)
plundering
לְהָשִׁ֨יב
(lehashiv)
om te keren
יָדְךָ֜
(yadekha)
je hand
עַל
(al)
tegen
חֳרָב֣וֹת
(choravot)
puinhopen
נוֹשָׁבֹ֗ת
(noshavot)
bewoond
וְאֶל
(veel)
en tegen
עַם֙
(am)
een volk
מְאֻסָּ֣ף
(meusaf)
verzameld
מִגּוֹיִ֔ם
(migoyim)
uit de volken
עֹשֶׂה֙
(ose)
dat gemaakt heeft
מִקְנֶ֣ה
(miqne)
vee
וְקִנְיָ֔ן
(veqinyan)
en bezit
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
bewoners van
עַל
(al)
op
טַבּ֥וּר
(tabur)
de navel van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טַבּוּר הָאָרֶץ (tabbur ha’arets), ‘de navel van de aarde’: het midden van de aarde.
Dit staat ook in Richt. 9:37; hier is het het land Israël.
De betekenis van het beeld is niet helemaal duidelijk.
חֳרָבוֹת נוֹשָׁבֹת (charavot noshavet), ‘puinhopen die weer bewoond zijn’: het land dat eerst woest was en nu weer gevuld is met mensen.
13Sjeba, Dedan en de kooplieden van Tarsis met al zijn jonge leeuwen zeggen tegen je: ‘Kom je om buit te roven? Heb je je menigte verzameld om roof te plegen? Wil je zilver en goud wegdragen, vee en bezit nemen en grote buit roven?’
שְׁבָ֡א
(sheva)
Sjeba
וּ֠דְדָן
(udedan)
en Dedan
וְסֹחֲרֵ֨י
(vesocharei)
en kooplieden van
תַרְשִׁ֤ישׁ
(tarshish)
Tarsis
וְכָל
(vekhal)
en al
כְּפִרֶ֨יהָ֙
(kefireiha)
zijn jonge leeuwen
יֹאמְר֣וּ
(yomru)
zullen zeggen
לְךָ֔
(lekha)
tot jou
הֲלִשְׁלֹ֤ל
(halishlol)
om te roven
שָׁלָל֙
(shalal)
roof
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
בָ֔א
(ba)
komend
הֲלָבֹ֥ז
(halavoz)
om te plunderen
בַּ֖ז
(baz)
plundering
הִקְהַ֣לְתָּ
(hiqhalta)
heb je verzameld
קְהָלֶ֑ךָ
(qehalekha)
je menigte
לָשֵׂ֣את
(laset)
om weg te dragen
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֗ב
(vezahav)
en goud
לָקַ֨חַת֙
(laqachat)
om te nemen
מִקְנֶ֣ה
(miqne)
vee
וְקִנְיָ֔ן
(veqinyan)
en bezit
לִשְׁלֹ֖ל
(lishlol)
om te roven
שָׁלָ֥ל
(shalal)
roof
גָּדֽוֹל
(gadol)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute.
Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.
Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.
Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.
Uitleg
שְׁבָא (Sheva), ‘Sjeba’; דְּדָן (Dedan); תַרְשִׁישׁ (Tarshish), ‘Tarsis’: handelsvolken en handelsplaatsen, zoals in Ezech. 27:12, 15, 20, 22.
Zij vragen of Gog soms om buit komt.
Of dit uit bezorgdheid of uit eigenbelang gebeurt, zegt de tekst niet.
כְּפִירֶיהָ (kefireyha), ‘zijn jonge leeuwen’: het woord betekent ook ‘dorpen’ (van כָּפָר, kefar). Wij nemen hier ‘jonge leeuwen’ als beeld van de machtigen van Tarsis.
16Je trekt op tegen Mijn volk Israël als een wolk die het land bedekt. In de laatste dagen zal het gebeuren: Ik breng je tegen Mijn land. Zo leren de volken Mij kennen, wanneer Ik Mij voor hun ogen door jou als heilig laat zien, Gog.
וְעָלִ֨יתָ֙
(vealita)
en je zult optrekken
עַל
(al)
tegen
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כֶּֽעָנָ֖ן
(keanan)
als een wolk
לְכַסּ֣וֹת
(lekhasot)
om te bedekken
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
בְּאַחֲרִ֨ית
(beacharit)
in het einde van
הַיָּמִ֜ים
(hayamim)
de dagen
תִּֽהְיֶ֗ה
(tihye)
zal het zijn
וַהֲבִאוֹתִ֨יךָ֙
(vahaviotikha)
en Ik zal je brengen
עַל
(al)
tegen
אַרְצִ֔י
(artsi)
Mijn land
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
דַּ֨עַת
(daat)
kennen
הַגּוֹיִ֜ם
(hagoyim)
de volken
אֹתִ֗י
(oti)
Mij
בְּהִקָּדְשִׁ֥י
(behiqadeshi)
bij Mijn heilig worden
בְךָ֛
(bekha)
door jou
לְעֵינֵיהֶ֖ם
(leeineihem)
voor hun ogen
גּֽוֹג
(gog)
Gog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de toekomst die nog komt, zoals in Hos. 3:5.
בְּהִקָּדְשִׁי בְךָ (behiqqadshi vekha), ‘wanneer Ik Mij door jou als heilig laat zien’: Yahweh laat Zijn heiligheid zien door wat Hij met Gog doet.
17Zo zegt Heer Yahweh: Ben jij het over wie Ik in vroegere dagen heb gesproken door Mijn knechten, de profeten van Israël? In die dagen profeteerden zij jarenlang dat Ik je tegen hen zou brengen.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הַֽאַתָּה
(haata)
ben jij
ה֨וּא
(hu)
hij
אֲשֶׁר
(asher)
die
דִּבַּ֜רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
בְּיָמִ֣ים
(beyamim)
in dagen
קַדְמוֹנִ֗ים
(qadmonim)
vroegere
בְּיַד֙
(beyad)
door de hand van
עֲבָדַי֙
(avaday)
Mijn knechten
נְבִיאֵ֣י
(neviei)
profeten van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַֽנִּבְּאִ֛ים
(hanibeim)
die profeteerden
בַּיָּמִ֥ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֖ם
(hahem)
die
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaren
לְהָבִ֥יא
(lehavi)
om te brengen
אֹתְךָ֖
(otekha)
jou
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De vraag is moeilijk.
Het Hebreeuws heeft ‘Ben jij het over wie Ik heb gesproken?’, en daarna ‘in die dagen, jaren, om je te brengen’.
Een directe profetie over Gog is niet te vinden.
Sommigen denken aan oudere profetieën over een vijand uit het noorden, zoals in Jer. 4–6.
18Op die dag zal het gebeuren, op de dag dat Gog komt tegen het land van Israël, godsspraak van Heer Yahweh. Dan stijgt Mijn grimmigheid op in Mijn toorn.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
בְּי֨וֹם
(beyom)
op de dag
בּ֥וֹא
(bo)
komen van
גוֹג֙
(gog)
Gog
עַל
(al)
tegen
אַדְמַ֣ת
(admat)
het land van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
תַּעֲלֶ֥ה
(taale)
zal opstijgen
חֲמָתִ֖י
(chamati)
Mijn grimmigheid
בְּאַפִּֽי
(beapi)
in Mijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Voor Mijn aangezicht beven de vissen van de zee, de vogels van de hemel en de dieren van het veld. Ook beven al het gedierte dat over de grond kruipt en alle mensen op het aardoppervlak. De bergen worden afgebroken, de steile hellingen vallen en elke muur stort neer op de grond.
וְרָעֲשׁ֣וּ
(veraashu)
en zullen beven
מִפָּנַ֡י
(mipanay)
voor Mijn aangezicht
דְּגֵ֣י
(degei)
vissen van
הַיָּם֩
(hayam)
de zee
וְע֨וֹף
(veof)
en vogel van
הַשָּׁמַ֜יִם
(hashamayim)
de hemel
וְחַיַּ֣ת
(vechayat)
en dier van
הַשָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָרֶ֨מֶשׂ֙
(haremes)
gedierte
הָרֹמֵ֣שׂ
(haromes)
dat kruipt
עַל
(al)
op
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
וְכֹל֙
(vekhol)
en alle
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
mens
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
וְנֶהֶרְס֣וּ
(venehersu)
en zullen worden afgebroken
הֶהָרִ֗ים
(heharim)
de bergen
וְנָֽפְלוּ֙
(venafelu)
en zullen vallen
הַמַּדְרֵג֔וֹת
(hamadregot)
de steile hellingen
וְכָל
(vekhal)
en elke
חוֹמָ֖ה
(choma)
muur
לָאָ֥רֶץ
(laarets)
op de grond
תִּפּֽוֹל
(tipol)
zal vallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמַּדְרֵגוֹת (hammadregot), ‘de steile hellingen’: het woord komt nog voor in Hoogl. 2:14.
De betekenis is niet zeker: ook ‘terrassen’ of ‘trappen’.
22Ik voer het gericht tegen hem uit met pest en bloed. Een stortregen, hagelstenen, vuur en zwavel laat Ik regenen over hem, over zijn legerscharen en over de vele volken die bij hem zijn.
וְנִשְׁפַּטְתִּ֥י
(venishpatti)
en Ik zal gericht voeren
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בְּדֶ֣בֶר
(bedever)
met pest
וּבְדָ֑ם
(uvedam)
en met bloed
וְגֶ֣שֶׁם
(vegeshem)
en regen
שׁוֹטֵף֩
(shotef)
overstromende
וְאַבְנֵ֨י
(veavnei)
en stenen van
אֶלְגָּבִ֜ישׁ
(elgavish)
hagel
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
וְגָפְרִ֗ית
(vegaferit)
en zwavel
אַמְטִ֤יר
(amtir)
zal Ik laten regenen
עָלָיו֙
(alav)
over hem
וְעַל
(veal)
en over
אֲגַפָּ֔יו
(agapav)
zijn legerscharen
וְעַל
(veal)
en over
עַמִּ֥ים
(amim)
volken
רַבִּ֖ים
(rabim)
vele
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶלְגָּבִישׁ (elgavish), ‘hagelstenen’: letterlijk ‘hagelsteen’ of ‘stenen van hagel’.
Het woord komt ook voor in Ezech. 13:11, 13.
גָּפְרִית (gofrit), ‘zwavel’: zoals bij Sodom en Gomorra (Gen. 19:24).