Zacharia 10
Yahweh verzamelt Zijn kudde en brengt hen terug
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Vraag Yahweh om regen
מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘de late regen’: de regen van het voorjaar, in maart en april, vlak voor de oogst.
Hij is nodig om het graan te laten rijpen.
Zie Deut. 11:14.
חֲזִיזִים (chazizim), ‘bliksemflitsen’: het woord komt alleen voor in Job 28:26, 38:25 en hier. Het is onzeker of het ‘bliksem’ of ‘stormwolken’ betekent.
Dit vers is een oproep van de profeet, in zwart. Yahweh wordt in de derde persoon genoemd.
הַתְּרָפִים (terafim): voorwerpen die als huisgoden werden gebruikt om de wil van de goden te vragen, zoals in Gen. 31:19 en Hos. 3:4.
Ze spreken geen waarheid.
וְהַקּוֹסְמִים (haqqosemim), ‘de waarzeggers’: wie de toekomst voorzegt, zoals in Jes. 3:2.
אָוֶן (aven), ‘onrecht’: ook ‘onheil’ of ‘nietigheid’.
יְנַחֵמוּן (yenachamun), ‘zij troosten’: de troost is leeg (hevel, ‘ijdelheid’, letterlijk ‘damp’).
יַעֲנוּ (ya’anu), ‘zij lijden ellende’: het werkwoord is onzeker; het kan ook ‘zij antwoorden’ betekenen. Wij volgen ‘ellende lijden’, vanwege de volgende zin.
Het beeld van de herder en de kudde loopt door in de volgende verzen.
Yahweh ziet om naar Zijn kudde
הָרֹעִים (haro’im), ‘de herders’: de leiders van het volk; hier geen echte herders maar de rampzalige leiders.
הָעַתּוּדִים (ha’attudim), ‘de bokken’: ook zij zijn leiders, de voorlopers van de kudde.
פָקַד (paqad), ‘omzien naar’: het werkwoord betekent zowel ‘straf’ (‘zal Ik straffen’, de bokken) als ‘omzien naar’, ‘zorgen voor’ (Zijn kudde). Hetzelfde woord, twee betekenissen.
כְּסוּס הוֹדוֹ (kesus hodo), ‘een paard van Zijn pracht’: een prachtig paard, een strijdros. Yahweh maakt de kudde tot een krijgsmacht.
De zin over Yahweh in de derde persoon blijft in dezelfde toespraak; daarom blijft het rood.
Yahweh van de legermachten: zie de Uitleg bij Zach. 1:3.
מִמֶּנּוּ (mimmenu), ‘uit hem’: de verwijzing is naar Juda, het huis van vers 3.
Uit Juda komen de leiders, de steunen en de wapens.
פִנָּה (pinnah), ‘hoeksteen’: het woord is ook ‘hoek’ of ‘hoofd’, en wordt beeldend gebruikt voor een leider (Richt. 20:2 spreekt over de ‘hoeken’ van het volk).
יָתֵד (yated), ‘tentpin’: de pin die de tent vasthoudt.
נוֹגֵשׂ (noges), ‘heerser’: hetzelfde woord als ‘onderdrukker’ in 9:8; hier bedoelt het een aanvoerder die gezag voert.
בְּטִיט חוּצוֹת (batit chutsot), ‘in de modder van de straten’: de krijgers lopen over hun vijanden heen als over modder, zoals in Mi. 7:10.
רֹכְבֵי סוּסִים (rokhevei susim), ‘de ruiters op paarden’: de vijand met zijn ruiterij. Zij zullen beschaamd worden, omdat Yahweh met Zijn volk is.
Ik zal hen sterk maken
בֵּית יְהוּדָה (bet Yehudah), ‘het huis van Juda’, en בֵּית יוֹסֵף (bet Yosef), ‘het huis van Jozef’: het zuidelijke en het noordelijke rijk.
Jozef staat voor Efraïm en het noorden.
וְהוֹשְׁבוֹתִים (vehoshivotim), ‘Ik zal hen weer laten wonen’: dit komt van het werkwoord יָשַׁב (yashav), ‘wonen’. Sommige oude vertalingen lezen een vorm van שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’. Ook in vers 10 staat ‘terugbrengen’.
רִחַמְתִּים (rachamtim), ‘Ik heb Mij ontfermd over hen’: het werkwoord רִחַם (richam) hoort bij ‘ontferming’, zoals in Hos. 2:25 (NL 2:23; Lo-Ruchama).
זְנַחְתִּים (zenachtim), ‘Ik hen had verstoten’: verwerpen of afwijzen. Yahweh keert de verwerping om.
כְגִבּוֹר אֶפְרַיִם (kigvor Efrayim), ‘als een held, Efraïm’: Efraïm, het noordelijke volk, wordt een held.
וְשָׂמַח לִבָּם כְּמוֹ יָיִן (vesamach libbam kemo yayin), ‘hun hart zal zich verheugen als van wijn’: wijn staat hier voor blijdschap, niet voor dronkenschap.
בַּיהוָה (baYahweh), ‘in Yahweh’: ook ‘over Yahweh’. De blijdschap heeft Yahweh als grond.
Ik zal hen verzamelen
אֶשְׁרְקָה (ashreqah), ‘Ik zal fluiten’: een herder fluit zijn kudde bijeen.
Het beeld past bij de kudde van vers 3.
פְדִיתִים (fediytim), ‘Ik heb hen vrijgekocht’: het werkwoord פָּדָה (padah) betekent ‘vrijkopen’, zoals in Deut. 7:8. De vrijkoping heeft al plaatsgevonden.
וְאֶזְרָעֵם (ve’ezra’em), ‘Ik zal hen zaaien’: Yahweh verspreidt hen over de volken als zaad.
Zaad komt later op: uit de verstrooiing groeit nieuw leven (‘zij zullen leven’).
יִזְכְּרוּנִי (yizkeruni), ‘zij zullen aan Mij denken’: in de verre landen blijven zij zich Yahweh herinneren.
אֶת בְּנֵיהֶם (et beneihem), ‘met hun zonen’: het Hebreeuws heeft hier het woordje et, dat ook ‘met’ kan betekenen.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם וּמֵאַשּׁוּר (me’erets Mitsrayim umeAshur), ‘uit het land Egypte en uit Assyrië’: de twee grote landen van de ballingschap.
Egypte staat voor het zuiden, Assyrië voor het noorden en oosten.
וְאֶל אֶרֶץ גִּלְעָד וּלְבָנוֹן (erets Gil’ad uLevanon), ‘het land Gilead en Libanon’: de noordelijke en oostelijke grenzen van het oude land. Zo breed zal het land worden.
וְלֹא יִמָּצֵא לָהֶם (velo yimmatse lahem), ‘er zal niet genoeg ruimte voor hen zijn’: het Hebreeuws zegt letterlijk ‘en er zal niet gevonden worden voor hen’. ‘Ruimte’ is aangevuld uit de samenhang.
Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.
Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
וְעָבַר בַּיָּם צָרָה וְהִכָּה בַיָּם גַּלִּים (ve’avar bayam tsarah), ‘Hij zal door de zee trekken, de benauwdheid’: het Hebreeuws is kort en moeilijk.
‘Benauwdheid’ kan het beeld van de Rode Zee zijn, waar het volk doorheen trok (Exod. 14).
Wie ‘Hij’ is, zegt de tekst niet; in de samenhang is het Yahweh.
Sommige oude vertalingen lezen anders.
יְאֹר (ye’or), ‘de Nijl’: het Hebreeuwse woord voor de Nijl. מְצוּלוֹת (metsulot), ‘diepten’.
וְהֹבִישׁוּ (vehivishu), ‘zullen opdrogen’: het werkwoord hoort bij ‘droog zijn’ (יָבֵשׁ, yavesh). In vers 5 betekent dezelfde schrijfwijze ‘beschamen’. De betekenis volgt de samenhang.
וְשֵׁבֶט (shevet), ‘scepter’: het teken van gezag.
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten, zie de Uitleg bij Zach. 1:3.
Ze staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood.
וְגִבַּרְתִּים (vegibbartim), ‘Ik zal hen sterk maken’: hetzelfde werkwoord als in vers 6. Het hoofdstuk eindigt met de belofte dat zij ‘in Zijn naam’ zullen leven.