Elohim Bijbel

Job 16

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Job: mijn getuige is in de hemel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zwakke troosters

1Job antwoordde en zei:
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
אִיּ֗וֹב
(iyov)
Job
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Zulke dingen heb ik vaak gehoord. Zwakke troosters zijn jullie allemaal.
שָׁמַ֣עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
כְאֵ֣לֶּה
(keele)
zulke dingen
רַבּ֑וֹת
(rabot)
veel
מְנַחֲמֵ֖י
(menachamei)
troosters van
עָמָ֣ל
(amal)
moeite
כֻּלְּכֶֽם
(kulekhem)
jullie allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Komt er een einde aan windpraatjes? Of wat zet jou aan om te antwoorden?
הֲקֵ֥ץ
(haqets)
is er een einde
לְדִבְרֵי
(ledivrei)
aan woorden van
ר֑וּחַ
(ruach)
wind
א֥וֹ
(o)
of
מַה
(ma)
wat
יַּ֝מְרִֽיצְךָ֗
(yamritsekha)
brengt je ertoe
כִּ֣י
(ki)
dat
תַעֲנֶֽה
(taane)
je antwoordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּבְרֵי־רוּחַ (divre-ruach), ‘woorden van wind’: lege woorden.

Job gebruikt Elifaz’ eigen uitdrukking (15:2) tegen hem.

4Ook ik zou kunnen spreken zoals jullie, als jullie in mijn plaats waren. Ik zou woorden tegen jullie aaneenrijgen en mijn hoofd tegen jullie schudden.
גַּ֤ם
(gam)
ook
אָנֹכִי֮
(anokhi)
ik
כָּכֶ֪ם
(kakhem)
zoals jullie
אֲדַ֫בֵּ֥רָה
(adabera)
zou spreken
ל֤וּ
(lu)
als
יֵ֪שׁ
(yesh)
waren
נַפְשְׁכֶ֡ם
(nafshekhem)
jullie ziel
תַּ֤חַת
(tachat)
in plaats van
נַפְשִׁ֗י
(nafshi)
mijn ziel
אַחְבִּ֣ירָה
(achbira)
ik zou aaneenrijgen
עֲלֵיכֶ֣ם
(aleikhem)
tegen jullie
בְּמִלִּ֑ים
(bemilim)
woorden
וְאָנִ֥יעָה
(veania)
en schudden
עֲ֝לֵיכֶ֗ם
(aleikhem)
tegen jullie
בְּמ֣וֹ
(bemo)
met
רֹאשִֽׁי
(roshi)
mijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job zegt: ik kan ook zulke dingen zeggen, als wij van plaats zouden ruilen.

Het gaat hem niet om de woorden maar om medeleven.

5Ik zou jullie sterken met mijn mond, en het bewegen van mijn lippen zou verlichting brengen.
אֲאַמִּצְכֶ֥ם
(aamitskhem)
ik zou jullie sterken
בְּמוֹ
(bemo)
met
פִ֑י
(pi)
mijn mond
וְנִ֖יד
(venid)
en het bewegen van
שְׂפָתַ֣י
(sefatay)
mijn lippen
יַחְשֹֽׂךְ
(yachsokh)
zou sparen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Als ik spreek, wordt mijn pijn niet verlicht. Als ik zwijg, wat gaat er dan van mij weg?
אִֽם
(im)
indien
אֲ֭דַבְּרָה
(adabera)
ik spreek
לֹא
(lo)
niet
יֵחָשֵׂ֣ךְ
(yechasekh)
wordt gespaard
כְּאֵבִ֑י
(keevi)
mijn pijn
וְ֝אַחְדְּלָ֗ה
(veachdela)
en laat ik af
מַה
(ma)
wat
מִנִּ֥י
(mini)
van mij
יַהֲלֹֽךְ
(yahalokh)
gaat weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Eloah is mijn vijand geworden

7Maar nu heeft Hij mij uitgeput. U hebt heel mijn kring verwoest.
אַךְ
(akh)
maar
עַתָּ֥ה
(ata)
nu
הֶלְאָ֑נִי
(helani)
heeft Hij mij uitgeput
הֲ֝שִׁמּ֗וֹתָ
(hashimota)
U hebt verwoest
כָּל
(kal)
heel
עֲדָתִֽי
(adati)
mijn kring
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8U hebt mij vastgegrepen, het is een getuige geworden. Mijn magerheid staat tegen mij op en getuigt mij recht in het gezicht.
וַֽ֭תִּקְמְטֵנִי
(vatiqmeteni)
en U grijpt mij
לְעֵ֣ד
(leed)
tot getuige
הָיָ֑ה
(haya)
is het geworden
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en staat op
בִּ֥י
(bi)
tegen mij
כַ֝חֲשִׁ֗י
(kachashi)
mijn magerheid
בְּפָנַ֥י
(befanay)
in mijn gezicht
יַעֲנֶֽה
(yaane)
getuigt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּחַשׁ (kachash), ‘magerheid’ (letterlijk ‘leugen’ of ‘verval’), staat hier als getuige tegen Job: zijn verwoeste lichaam lijkt zijn schuld te bewijzen.

9Zijn toorn verscheurt en vervolgt mij. Hij knarsetandt tegen mij. Mijn vijand slijpt zijn ogen op mij.
אַפּ֤וֹ
(apo)
Zijn toorn
טָרַ֨ף
(taraf)
verscheurt
וַֽיִּשְׂטְמֵ֗נִי
(vayistemeni)
en vervolgt mij
חָרַ֣ק
(charaq)
knarst
עָלַ֣י
(alay)
tegen mij
בְּשִׁנָּ֑יו
(beshinav)
met Zijn tanden
צָרִ֓י
(tsari)
mijn vijand
יִלְט֖וֹשׁ
(yiltosh)
slijpt
עֵינָ֣יו
(einav)
zijn ogen
לִֽי
(li)
op mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier wordt Eloah beschreven als een dier of krijger die Job aanvalt: Hij verscheurt, knarsetandt, schiet pijlen (vers 12–13).

10Ze sperren hun mond tegen mij open, ze slaan mij smadelijk op de wangen, samen verdringen ze zich tegen mij.
פָּעֲר֬וּ
(paaru)
sperren open
עָלַ֨י
(alay)
tegen mij
בְּפִיהֶ֗ם
(befihem)
hun mond
בְּ֭חֶרְפָּה
(becherpa)
met smaad
הִכּ֣וּ
(hiku)
slaan
לְחָיָ֑י
(lechayay)
mijn wangen
יַ֝֗חַד
(yachad)
samen
עָלַ֥י
(alay)
tegen mij
יִתְמַלָּאֽוּן
(yitmalaun)
verzamelen zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11El levert mij over aan de onrechtvaardige en stort mij neer in de handen van goddelozen.
יַסְגִּירֵ֣נִי
(yasgireni)
levert mij over
אֵ֭ל
(el)
El
אֶ֣ל
(el)
aan
עֲוִ֑יל
(avil)
de onrechtvaardige
וְעַל
(veal)
en in
יְדֵ֖י
(yedei)
handen van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
יִרְטֵֽנִי
(yirteni)
stort mij neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲוִיל (avil), ‘onrechtvaardige’, kan ook ‘jongen’ betekenen (19:18; 21:11); wij volgen de eerste lezing, omdat ‘goddelozen’ er parallel aan staat.

12Ik leefde in vrede en Hij heeft mij verbrijzeld. Hij greep mij bij de nek en sloeg mij stuk, en stelde mij op als Zijn doelwit.
שָׁ֘לֵ֤ו
(shalev)
in vrede
הָיִ֨יתִי
(hayiti)
was ik
וַֽיְפַרְפְּרֵ֗נִי
(vayfarpereni)
en Hij verbrijzelde mij
וְאָחַ֣ז
(veachaz)
en greep
בְּ֭עָרְפִּי
(bearpi)
bij mijn nek
וַֽיְפַצְפְּצֵ֑נִי
(vayfatspetseni)
en sloeg mij stuk
וַיְקִימֵ֥נִי
(vayqimeni)
en stelde mij op
ל֝֗וֹ
(lo)
voor zich
לְמַטָּרָֽה
(lematara)
als doelwit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zijn schutters omringen mij. Hij doorboort mijn nieren zonder medelijden. Hij giet mijn gal uit op de grond.
יָ֘סֹ֤בּוּ
(yasobu)
omringen
עָלַ֨י
(alay)
mij
רַבָּ֗יו
(rabav)
Zijn schutters
יְפַלַּ֣ח
(yefalach)
Hij doorboort
כִּ֭לְיוֹתַי
(kilyotay)
mijn nieren
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַחְמ֑וֹל
(yachmol)
spaart
יִשְׁפֹּ֥ךְ
(yishpokh)
Hij giet uit
לָ֝אָ֗רֶץ
(laarets)
op de grond
מְרֵרָֽתִי
(mererati)
mijn gal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hij breekt mij open, bres na bres. Hij rent op mij af als een held.
יִפְרְצֵ֣נִי
(yifretseni)
Hij breekt mij open
פֶ֭רֶץ
(perets)
bres
עַל
(al)
op
פְּנֵי
(penei)
gezicht van
פָ֑רֶץ
(parets)
bres
יָרֻ֖ץ
(yaruts)
Hij rent
עָלַ֣י
(alay)
op mij
כְּגִבּֽוֹר
(kegibor)
als een held
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Ik heb een rouwkleed om mijn huid genaaid en mijn kracht in het stof gestoken.
שַׂ֣ק
(saq)
rouwkleed
תָּ֭פַרְתִּי
(tafarti)
naaide ik
עֲלֵ֣י
(alei)
over
גִלְדִּ֑י
(gildi)
mijn huid
וְעֹלַ֖לְתִּי
(veolalti)
en stak
בֶעָפָ֣ר
(beafar)
in het stof
קַרְנִֽי
(qarni)
mijn hoorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קַרְנִי (qarni), ‘mijn hoorn’, is het beeld van kracht en waardigheid.

Job steekt die in het stof, een gebaar van diepe vernedering.

16Mijn gezicht is rood van het huilen, en over mijn oogleden ligt diepe schaduw,
פָּנַ֣י
(panay)
mijn gezicht
חֳ֭מַרְמְרוּ
(chomarmeru)
is rood
מִנִּי
(mini)
van
בֶ֑כִי
(bekhi)
huilen
וְעַ֖ל
(veal)
en over
עַפְעַפַּ֣י
(afapay)
mijn oogleden
צַלְמָֽוֶת
(tsalmavet)
diepe schaduw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17hoewel er geen geweld in mijn handen is en mijn gebed zuiver is.
עַ֭ל
(al)
hoewel
לֹא
(lo)
niet
חָמָ֣ס
(chamas)
geweld
בְּכַפָּ֑י
(bekhapay)
in mijn handen
וּֽתְפִלָּתִ֥י
(utefilati)
en mijn gebed
זַכָּֽה
(zaka)
zuiver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mijn getuige is in de hemel

18Aarde, bedek mijn bloed niet, en laat er geen plaats zijn voor mijn roep!
אֶ֭רֶץ
(erets)
aarde
אַל
(al)
niet
תְּכַסִּ֣י
(tekhasi)
bedek
דָמִ֑י
(dami)
mijn bloed
וְֽאַל
(veal)
en niet
יְהִ֥י
(yehi)
zij
מָ֝ק֗וֹם
(maqom)
plaats
לְזַעֲקָתִֽי
(lezaaqati)
voor mijn roep
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Aarde, bedek mijn bloed niet’ verwijst naar Gen. 4:10 en Ezech. 24:7–8: bloed dat onbedekt blijft, roept om recht.

Job vraagt dat zijn kreet niet wordt gesmoord.

19Zie, ook nu is mijn getuige in de hemel, en degene die voor mij instaat in de hoogte.
גַּם
(gam)
ook
עַ֭תָּה
(ata)
nu
הִנֵּה
(hine)
zie
בַשָּׁמַ֣יִם
(bashamayim)
in de hemel
עֵדִ֑י
(edi)
mijn getuige
וְ֝שָׂהֲדִ֗י
(vesahadi)
en mijn borg
בַּמְּרוֹמִֽים
(bameromim)
in de hoogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵד (ed), ‘getuige’, en שָׂהֵד (sahed), ‘borg’ of ‘getuige’, zijn hier iemand in de hemel die voor Job opkomt, tegenover Eloah die Job aanvalt.

Wie het is, blijft open.

Vergelijk 9:33 (‘scheidsrechter’) en 19:25 (‘losser’).

20Mijn vrienden bespotten mij, maar tot Eloah druipt mijn oog.
מְלִיצַ֥י
(melitsay)
mijn bespotters
רֵעָ֑י
(reay)
mijn vrienden
אֶל
(el)
tot
אֱ֝ל֗וֹהַ
(eloha)
Eloah
דָּלְפָ֥ה
(dalefa)
druipt
עֵינִֽי
(eini)
mijn oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מְלִיצַי רֵעָי (melitsay re’ay) kan ‘mijn vrienden bespotten mij’ zijn (van לִיץ, ‘spotten’) of ‘mijn tolk is mijn vriend’ (van מֵלִיץ, ‘tolk’, ‘bemiddelaar’).

Wij kiezen de eerste lezing, omdat de vrienden hier verwijten krijgen.

21Moge Hij een man recht verschaffen bij Eloah, zoals een mensenzoon dat voor zijn vriend doet.
וְיוֹכַ֣ח
(veyokhach)
en moge Hij recht verschaffen
לְגֶ֣בֶר
(legever)
voor een man
עִם
(im)
bij
אֱל֑וֹהַּ
(eloha)
Eloah
וּֽבֶן
(uven)
en zoals een zoon van
אָדָ֥ם
(adam)
mens
לְרֵעֵֽהוּ
(lereehu)
voor zijn vriend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Want de jaren die gerekend zijn, komen, en dan ga ik het pad waarvan ik niet terugkeer.”
כִּֽי
(ki)
want
שְׁנ֣וֹת
(shenot)
jaren van
מִסְפָּ֣ר
(mispar)
getal
יֶאֱתָ֑יוּ
(yeetayu)
komen
וְאֹ֖רַח
(veorach)
en het pad
לֹא
(lo)
niet
אָשׁ֣וּב
(ashuv)
keer ik terug
אֶהֱלֹֽךְ
(ehelokh)
zal ik gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Het pad waarvan ik niet terugkeer’ is het pad naar de dood.

Zie ook 10:21.