1 Petrus 2
De levende steen en het heilig volk; onderschikking; het voorbeeld van de Messias
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Verlangen naar de melk van het woord
κακία (kakia), ‘slechtheid’; ὑπόκρισις (hypokrisis), ‘huichelarij’; καταλαλιά (katalalia), ‘kwaadsprekerij’: dezelfde stam als καταλαλέω in Jak. 4:11.
Het Grieks begint met een deelwoord (‘afgelegd hebbend’); wij geven het als opdracht.
Bij ‘huichelarijen’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jak. 4:11.
ἀρτιγέννητος (artigennetos), ‘pasgeboren’: net geboren. λογικός (logikos), ‘redelijk’: het woord hangt samen met λόγος (logos), ‘woord’ of ‘verstand’.
Het kan ook ‘geestelijk’ of ‘bij het woord horend’ betekenen; zo vertalen wij ook in Rom. 12:1 ‘redelijke eredienst’. ἄδολος (adolos), ‘onvervalst’: zonder δόλος (dolos), ‘bedrog’, het woord uit vers 1.
Bij ‘tot redding’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Rom. 12:1.
χρηστός (chrestos), ‘goed’: vriendelijk, goedgunstig.
De zin lijkt op Ps. 34:9 (in de Nederlandse telling 34:8): ‘Proef en zie dat Yahweh goed is.’
Vers 4 gaat verder met ‘tot wie’, dus ‘de Heer’ is hier Yeshua; het Grieks gebruikt voor Hem woorden die in de psalm over Yahweh gaan.
Bij ‘als’ (εἰ) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ps. 34:9.
De levende steen en het heilige volk
λίθος ζῶν (lithos zon), ‘levende steen’. ἀποδοκιμάζω (apodokimazo), ‘verwerpen’: na onderzoek afkeuren. ἔντιμος (entimos), ‘kostbaar’: van grote waarde.
De steen is bij mensen verworpen, bij Elohim uitverkoren; zie de aanhalingen in vers 6–8.
Zie ook Ps. 118:22; Jes. 28:16.
οἰκοδομεῖσθε (oikodomeisthe), ‘worden opgebouwd’: de vorm kan ook een opdracht zijn: ‘laat jullie opbouwen’. πνευματικός (pneumatikos), ‘geestelijk’: bepaald door de Geest. ἱεράτευμα (hierateuma), ‘priesterschap’: een groep priesters; zie vers 9. θυσία (thysia), ‘offer’.
Bij ‘tot’ en bij ‘welkome’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Exod. 19:6.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda; de berg Sion wordt van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Let op: in Hebreeën 12:22 en Openbaring 3:12 en 21 gaat het om het hemelse of nieuwe Jeruzalem; het kaartpunt is het aardse Jeruzalem.
Het citaat is Jes. 28:16.
Daar spreekt Yahweh in de eerste persoon (‘Ik ben het die in Sion een steen legt’); daarom staat het rood.
Ons Hebreeuws heeft: ‘een beproefde steen, een kostbare hoeksteen, een hecht fundament.
Wie gelooft, zal zich niet haasten.’
De Griekse tekst heeft: ‘een uitverkoren, kostbare hoeksteen’ en ‘zal beslist niet beschaamd worden’. ἀκρογωνιαῖος (akrogoniaios), ‘hoeksteen’: de steen in de hoek die het gebouw draagt. οὐ μή (ou me), ‘beslist niet’.
Bij ‘in’ en bij ‘hoeksteen, uitverkoren’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jes. 28:16; Rom. 9:33.
τιμή (time), ‘kostbaarheid’: ook ‘eer’ of ‘waarde’; dezelfde stam als ἔντιμος in vers 4 en 6.
In het Grieks staat alleen ‘de kostbaarheid’; ‘Hij’ (de steen) vullen wij aan. ἀπιστέω (apisteo), ‘niet geloven’: ook ‘ongehoorzaam zijn’.
Het citaat is Ps. 118:22; het Grieks zegt letterlijk ‘tot hoofd van de hoek’, wij houden ‘hoeksteen’ zoals in Ps. 118:22 in ons bestand.
Het citaat is een woord van een psalmdichter en staat zwart.
Bij ‘voor wie niet geloven’ en bij ‘steen’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ps. 118:22; Matt. 21:42; Mark. 12:10; Luc. 20:17; Hand. 4:11.
Het citaat is Jes. 8:14.
Daar staat: ‘Hij zal een heiligdom zijn, een steen om aan te stoten en een rots om over te struikelen.’
In de aangehaalde woorden komt geen ‘Ik’ voor, daarom staat het zwart. πρόσκομμα (proskomma), ‘aanstoot’ en σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’. τῷ λόγῳ (to logo), ‘aan het woord’: de datief kan bij ‘zich stoten’ horen (‘zij stoten zich aan het woord’) of bij ‘ongehoorzaam’ (‘ongehoorzaam aan het woord’). εἰς ὃ καὶ ἐτέθησαν (eis ho kai etethesan), ‘daartoe zijn zij ook gesteld’: het Grieks zegt niet of ‘daartoe’ het struikelen of het ongehoorzaam zijn is.
Zie ook Jes. 8:14; Rom. 9:33.
Dit vers neemt woorden uit Exod. 19:5–6 over (ons Hebreeuws: ‘een koninkrijk van priesters en een heilig volk’; het Grieks heeft βασίλειον ἱεράτευμα, ‘koninklijk priesterschap’) en uit Jes. 43:20–21.
Het Grieks heeft twee woorden voor ‘volk’: ἔθνος (ethnos) bij ‘heilig volk’ en λαός (laos) bij ‘volk tot eigendom’. περιποίησις (peripoiesis), ‘eigendom’: wat iemand voor zichzelf houdt. ἀρετή (arete), ‘deugd’: voortreffelijkheid.
In Jes. 43:21 staat daar ‘Mijn lof’.
Hetzelfde woord staat in 2 Petr. 1:3 en 1:5.
Zie ook Exod. 19:5–6; Jes. 43:20–21.
Dit vers verwijst naar Hosea: het kind ‘Lo-Ammi’ (‘niet Mijn volk’) en ‘Lo-Ruchama’ (‘niet ontfermd’), en de belofte dat zij weer ‘Mijn volk’ en ‘ontfermd’ zullen heten. ἐλεέω (eleeo), ‘ontferming ontvangen’.
Zie ook Hos. 1:6; Hos. 1:9; Hos. 2:25 (in de Nederlandse telling 2:23); Rom. 9:25–26.
Een goede levenswandel onder de volken
πάροικος (paroikos), ‘bijwoner’: iemand die ergens woont zonder burgerrecht, en παρεπίδημος (parepidemos), ‘vreemdelingen’ (zie 1:1).
Vergelijk Gen. 23:4 en Ps. 39:13. στρατεύομαι (strateuomai), ‘strijd voeren’: als een soldaat te velde trekken. σαρκικός (sarkikos), ‘vleselijk’: bepaald door het ‘vlees’; zie Gal. 5:16–17. ψυχή (psyche), ‘ziel’: het eigen leven.
Zie ook Gen. 23:4; Ps. 39:13; Gal. 5:16–17; Jak. 4:1.
ἔθνη (ethne), ‘de volken’: de mensen die niet tot het volk van de verbondsgelovigen behoren. ἐπισκοπή (episkope), ‘bezoek’: de dag waarop Elohim naar mensen omkijkt; vergelijk Luc. 19:44, ‘het tijdstip van je bezoek’, met hetzelfde woord.
Het Grieks laat open of het bezoek tot heil of tot oordeel is. ἐποπτεύω (epopteuo), ‘aanschouwen’: nauwkeurig toekijken.
De zin is lang; wij hebben hem gedeeld en de volgorde omgezet.
Bij ‘goed’ (καλήν) en bij ‘aanschouwend’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Luc. 19:44.
Onderschikking aan het gezag
ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderschikken’: zoals in Ef. 5:21. κτίσις (ktisis), ‘instelling’: letterlijk ‘schepping’; ἀνθρωπίνη κτίσις is wat door mensen is ingesteld of tot stand gebracht. ὑπερέχω (hyperecho), ‘hoger staan’.
‘De Heer’ is hier Yeshua.
Het Grieks noemt ‘de koning’; wie hij is zegt de tekst niet.
Bij ‘onderschik jullie’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Rom. 13:1–7; Spr. 24:21.
ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: een door de koning of keizer gestuurde bestuurder, zoals in Hand. 23:24. ἐκδίκησις (ekdikesis), ‘straf’: het uitvoeren van het recht.
‘Door hem’ wijst terug naar de koning van vers 13.
Zie ook Rom. 13:3–4; Hand. 23:24.
φιμόω (fimoo), ‘de mond snoeren’: letterlijk een muilband aanleggen. ἀγνωσία (agnosia), ‘onwetendheid’: het niet-kennen; ἄφρων (afron), ‘onverstandig’.
ἐπικάλυμμα (epikalymma), ‘dekmantel’: een bedekking die iets verbergt. ἐλευθερία (eleutheria), ‘vrijheid’; vergelijk Gal. 5:13.
Zowel ‘vrij’ als ‘knecht van Elohim’ (δοῦλος) staat in de zin.
Bij ‘Elohim’ en ‘knechten’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Gal. 5:13.
De vier opdrachten staan kort achter elkaar. τιμάω (timao), ‘eren’, φοβέομαι (fobeomai), ‘vrezen’: ‘vrezen’ geldt alleen voor Elohim. ἀδελφότης (adelfotes), ‘broederschap’: de gemeenschap van de broers (en zusters) in het geloof; zie ook 5:9.
Vergelijk Spr. 24:21: ‘Vrees Yahweh, mijn zoon, en de koning’.
Bij ‘heb lief’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Spr. 24:21.
Huisknechten
οἰκέτης (oiketes), ‘huisknecht’: iemand die in het huis dient. δεσπότης (despotes), ‘heer’: een meester met volledig gezag. σκολιός (skolios), ‘onrechtvaardig’: letterlijk ‘krom, verdraaid’. ἐπιεικής (epieikes), ‘mild’: redelijk, vriendelijk.
De brief richt zich tot de huisknechten; er staat hier geen opdracht aan de heren.
Zie ook Ef. 6:5–8; Kol. 3:22.
χάρις (charis), ‘dank’: hier niet ‘genade’ maar wat dank of waardering verdient; vergelijk Luc. 6:32–34, waar wij ‘dank’ hebben. συνείδησις θεοῦ (syneidesis theou), ‘geweten van Elohim’: de genitief kan betekenen ‘het geweten tegenover Elohim’ of ‘het bewustzijn van Elohim’.
Wij schrijven ‘geweten voor Elohim’. λύπη (lype), ‘smart’.
Zie ook Luc. 6:32–34.
Het voorbeeld van de Messias
ὑπογραμμός (hypogrammos), ‘voorbeeld’: een model om na te volgen. ἴχνος (ichnos), ‘voetspoor’.
Bij ‘voor jullie’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
De woorden komen uit Jes. 53:9.
Ons Hebreeuws heeft daar: ‘Toch had hij geen geweld gedaan, en er was geen bedrog in zijn mond.’
Het Grieks heeft hier ‘geen zonde’ in plaats van ‘geen geweld’.
Zie ook Jes. 53:9.
λοιδορέω (loidoreo), ‘uitschelden’; ἀπειλέω (apeileo), ‘dreigen’; παραδίδωμι (paradidomi), ‘overgeven’.
Het Grieks noemt geen voorwerp: wij schrijven ‘het’.
Vergelijk Jes. 53:7.
Zie ook Jes. 53:7.
ἀναφέρω (anafero), ‘dragen’: letterlijk ‘omhoog brengen’, ook ‘offeren op het altaar’; zo staat het in Jak. 2:21.
Ons Hebreeuws heeft in Jes. 53:12 ‘Hij heeft de zonde van velen gedragen’ (vergelijk 53:4). ξύλον (xylon), ‘hout’: ook ‘boom’ of ‘paal’; vergelijk Deut. 21:23, Hand. 5:30 en Gal. 3:13. ἀπογίνομαι (apoginomai), ‘afsterven aan’: er niets meer mee te maken hebben. μώλωψ (molops), ‘striem’: in het Grieks enkelvoud; ons Hebreeuws heeft in Jes. 53:5 ‘striemen’.
Met ‘jullie’ spreekt het Grieks weer de lezers aan.
Bij ‘striem’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jes. 53:4–5; Jes. 53:12; Deut. 21:23; Hand. 5:30; Gal. 3:13.
De woorden doen denken aan Jes. 53:6: ‘Wij allen dwaalden af als schapen.’ ποιμήν (poimen), ‘herder’; ἐπίσκοπος (episkopos), ‘opziener’: iemand die toeziet; zie Hand. 20:28.
‘De herder en opziener van jullie zielen’ is hier Yeshua.
Bij ‘dwalend’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jes. 53:6; Hand. 20:28.