Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het lied van Hanna
1Hanna bad en zei: „Mijn hart jubelt in Yahweh, mijn hoorn is verheven in Yahweh. Mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden, want ik verheug mij over Uw redding.
וַתִּתְפַּלֵּ֤ל
(vatitpalel)
en zij bad
חַנָּה֙
(chana)
Hanna
וַתֹּאמַ֔ר
(vatomar)
en zij zei
עָלַ֤ץ
(alats)
jubelt
לִבִּי֙
(libi)
mijn hart
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
in Yahweh
רָ֥מָה
(rama)
is verheven
קַרְנִ֖י
(qarni)
mijn hoorn
בַּֽיהוָ֑ה
(baYahweh)
in Yahweh
רָ֤חַב
(rachav)
is wijd
פִּי֙
(pi)
mijn mond
עַל
(al)
over
א֣וֹיְבַ֔י
(oyevay)
mijn vijanden
כִּ֥י
(ki)
want
שָׂמַ֖חְתִּי
(samachti)
ik verheug mij
בִּישׁוּעָתֶֽךָ
(bishuatekha)
in Uw redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: het opgeheven hoofd van een sterk dier.
‘Mijn hoorn is verheven’ betekent: ik sta sterk en heb eer.
Hanna’s lied loopt van vers 1 tot en met vers 10. Vergelijk het lied van Maria in Luk. 1:46–55.
5Wie verzadigd waren, hebben zich voor brood verhuurd. Wie honger hadden, zijn opgehouden. Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gebaard. Wie veel zonen had, kwijnt weg.
שְׂבֵעִ֤ים
(seveim)
verzadigden
בַּלֶּ֨חֶם֙
(balechem)
voor brood
נִשְׂכָּ֔רוּ
(niskaru)
hebben zich verhuurd
וּרְעֵבִ֖ים
(ureevim)
en hongerigen
חָדֵ֑לּוּ
(chadelu)
zijn opgehouden
עַד
(ad)
zelfs
עֲקָרָה֙
(aqara)
onvruchtbare
יָלְדָ֣ה
(yaleda)
heeft gebaard
שִׁבְעָ֔ה
(shiva)
zeven
וְרַבַּ֥ת
(verabat)
en rijk aan
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
אֻמְלָֽלָה
(umlala)
kwijnt weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het getal zeven kan een volle kring van kinderen aanduiden.
Hanna krijgt na Samuël nog drie zonen en twee dochters (2:21).
8Hij richt de geringe op uit het stof. Uit de asbelt verheft Hij de arme, om hem te laten zitten bij de edelen. Een troon van eer geeft Hij hun als erfdeel. Want aan Yahweh behoren de zuilen van de aarde. Hij heeft de wereld erop gezet.
מֵקִ֨ים
(meqim)
richt op
מֵעָפָ֜ר
(meafar)
uit stof
דָּ֗ל
(dal)
geringe
מֵֽאַשְׁפֹּת֙
(meashpot)
uit de asbelt
יָרִ֣ים
(yarim)
verheft
אֶבְי֔וֹן
(evyon)
arme
לְהוֹשִׁיב֙
(lehoshiv)
om te laten zitten
עִם
(im)
bij
נְדִיבִ֔ים
(nedivim)
edelen
וְכִסֵּ֥א
(vekhise)
en troon van
כָב֖וֹד
(kavod)
eer
יַנְחִלֵ֑ם
(yanchilem)
geeft hen als erfdeel
כִּ֤י
(ki)
want
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
מְצֻ֣קֵי
(metsuqei)
zuilen van
אֶ֔רֶץ
(erets)
de aarde
וַיָּ֥שֶׁת
(vayashet)
en Hij zette
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
op hen
תֵּבֵֽל
(tevel)
de wereld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַשְׁפֹּת (ashpot), ‘asbelt’: de plaats waar as en afval werden gestort.
מְצֻקֵי אֶרֶץ (metsuqe erets), ‘de zuilen van de aarde’: de steunen waarop de wereld rust.
10Zij die met Yahweh twisten, worden gebroken. Over hen laat Hij het in de hemel donderen. Yahweh richt de einden van de aarde. Hij geeft kracht aan Zijn koning en verheft de hoorn van Zijn gezalfde.”
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
יֵחַ֣תּוּ
(yechatu)
worden gebroken
מְרִיבָ֗יו
(merivav)
Zijn tegenstanders
עָלָיו֙
(alav)
over hem
בַּשָּׁמַ֣יִם
(bashamayim)
in de hemel
יַרְעֵ֔ם
(yarem)
Hij laat donderen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יָדִ֣ין
(yadin)
Hij zal richten
אַפְסֵי
(afsei)
einden van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
וְיִתֶּן
(veyiten)
en Hij zal geven
עֹ֣ז
(oz)
kracht
לְמַלְכּ֔וֹ
(lemalko)
aan Zijn koning
וְיָרֵ֖ם
(veyarem)
en Hij zal verheffen
קֶ֥רֶן
(qeren)
hoorn van
מְשִׁיחֽוֹ
(meshicho)
Zijn gezalfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָשִׁיחַ (mashiach), ‘gezalfde’: iemand die met olie is gezalfd voor een taak van Yahweh.
In de wet is dat de gezalfde priester (Lev. 4:3).
Hier is het de koning, terwijl Israël nog geen koning heeft (Richt. 21:25).
Zie ook 2:35.
Lezing
In het geschreven woord (ketiv) staan מריבו (enkelvoud, ‘Zijn tegenstander’) en עלו.
De te lezen vormen (qere) zijn מריביו (‘Zijn tegenstanders’) en עליו (‘over hem’).
13Dit was de gewoonte van de priesters tegenover het volk. Telkens als iemand een slachtoffer bracht, kwam de jongen van de priester. Het vlees was dan aan het koken. Hij had een vork met drie tanden in zijn hand.
וּמִשְׁפַּ֥ט
(umishpat)
en gewoonte van
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
אֶת
(et)
tegenover
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
כָּל
(kal)
elke
אִ֞ישׁ
(ish)
man
זֹבֵ֣חַ
(zoveach)
offerend
זֶ֗בַח
(zevach)
slachtoffer
וּבָ֨א
(uva)
en kwam
נַ֤עַר
(naar)
jongen van
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
כְּבַשֵּׁ֣ל
(kevashel)
als kookte
הַבָּשָׂ֔ר
(habasar)
het vlees
וְהַמַּזְלֵ֛ג
(vehamazleg)
en de vork
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie van
הַשִּׁנַּ֖יִם
(hashinayim)
de tanden
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁפָּט (mishpat) betekent meestal ‘recht’.
Hier gaat het om wat de priesters gewoon waren te doen.
Wij vertalen ‘gewoonte’.
Vergelijk Deut. 18:3, waar de wet zegt wat de priester van een slachtoffer mag krijgen.
מִזְלָג (mizlag), ‘vork’: een vork met drie tanden.
14Hij stak hem in het bekken, de pot, de ketel of de kookpot. Alles wat de vork omhoogbracht, nam de priester daarmee voor zichzelf. Zo deden zij bij heel Israël dat daar in Silo kwam.
וְהִכָּ֨ה
(vehika)
en hij stak
בַכִּיּ֜וֹר
(bakiyor)
in het bekken
א֣וֹ
(o)
of
בַדּ֗וּד
(badud)
in de pot
א֤וֹ
(o)
of
בַקַּלַּ֨חַת֙
(baqalachat)
in de ketel
א֣וֹ
(o)
of
בַפָּר֔וּר
(baparur)
in de kookpot
כֹּ֚ל
(kol)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
omhoogbracht
הַמַּזְלֵ֔ג
(hamazleg)
de vork
יִקַּ֥ח
(yiqach)
nam
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
בּ֑וֹ
(bo)
daarmee
כָּ֚כָה
(kakha)
zo
יַעֲשׂ֣וּ
(yaasu)
zij deden
לְכָל
(lekhal)
met heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַבָּאִ֥ים
(habaim)
die kwamen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בְּשִׁלֹֽה
(beshilo)
in Silo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
De vier vaten (כִּיּוֹר, דּוּד, קַלַּחַת en פָּרוּר) zijn soorten bekkens en potten.
15Zelfs voordat zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de jongen van de priester. Hij zei tegen de man die het slachtoffer bracht: „Geef vlees om te braden voor de priester. Hij neemt van jou geen gekookt vlees aan, alleen rauw.”
גַּם֮
(gam)
ook
בְּטֶרֶם֮
(beterem)
voordat
יַקְטִר֣וּן
(yaqtirun)
zij in rook lieten opgaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֵלֶב֒
(hachelev)
het vet
וּבָ֣א
(uva)
en kwam
נַ֣עַר
(naar)
jongen van
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְאָמַר֙
(veamar)
en zei
לָאִ֣ישׁ
(laish)
tegen de man
הַזֹּבֵ֔חַ
(hazoveach)
die slachtofferde
תְּנָ֣ה
(tena)
geef
בָשָׂ֔ר
(basar)
vlees
לִצְל֖וֹת
(litslot)
om te braden
לַכֹּהֵ֑ן
(lakohen)
voor de priester
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִקַּ֧ח
(yiqach)
zal nemen
מִמְּךָ֛
(mimekha)
van jou
בָּשָׂ֥ר
(basar)
vlees
מְבֻשָּׁ֖ל
(mevushal)
gekookt
כִּ֥י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
חָֽי
(chay)
rauw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִקְטִיר (hiqtir), ‘in rook laten opgaan’: het vet van het slachtoffer werd eerst op het altaar verbrand.
Al het vet is voor Yahweh (Lev. 3:16; 7:31).
De jongen van de priester wil het vlees nog vóór dat gebeurt.
16Als de man tegen hem zei: „Laat hen het vet eerst meteen in rook laten opgaan. Neem dan voor jezelf zoveel als je verlangt”, dan zei hij: „Nee, nu moet je het geven. Anders neem ik het met geweld.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
הָאִ֗ישׁ
(haish)
de man
קַטֵּ֨ר
(qater)
in rook laten opgaan
יַקְטִיר֤וּן
(yaqtirun)
zij zullen laten opgaan
כַּיּוֹם֙
(kayom)
meteen
הַחֵ֔לֶב
(hachelev)
het vet
וְקַ֨ח
(veqach)
en neem
לְךָ֔
(lekha)
voor jezelf
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
תְּאַוֶּ֖ה
(teave)
verlangt
נַפְשֶׁ֑ךָ
(nafshekha)
je ziel
וְאָמַ֥ר
(veamar)
en hij zei
לֹא֙
(lo)
nee
כִּ֚י
(ki)
maar
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
תִתֵּ֔ן
(titen)
je moet geven
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֖א
(lo)
niet
לָקַ֥חְתִּי
(laqachti)
ik neem
בְחָזְקָֽה
(bechazeqa)
met geweld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כַּיּוֹם (kayyom), letterlijk ‘zoals de dag’: ‘meteen’ of ‘zoals altijd’.
Wij vertalen ‘meteen’.
Het Hebreeuws zegt ‘de man zei’ en ‘hij zei’ zonder voorwaarde. Wij lezen het als iets wat telkens gebeurde.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is לו (lo), ‘aan hem’.
19Zijn moeder maakte hem elk jaar een kleine mantel en bracht die naar hem toe. Dat deed zij wanneer zij met haar man omhoogging om het jaarlijkse slachtoffer te brengen.
וּמְעִ֤יל
(umeil)
en mantel
קָטֹן֙
(qaton)
klein
תַּעֲשֶׂה
(taase)
zij maakte
לּ֣וֹ
(lo)
voor hem
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
וְהַעַלְתָ֥ה
(vehaalta)
en zij bracht omhoog
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
מִיָּמִ֣ים
(miyamim)
van dagen
יָמִ֑ימָה
(yamima)
naar dagen
בַּֽעֲלוֹתָהּ֙
(baalotah)
als zij omhoogging
אֶת
(et)
met
אִישָׁ֔הּ
(ishah)
haar man
לִזְבֹּ֖חַ
(lizboach)
om te slachtofferen
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֥בַח
(zevach)
slachtoffer van
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְעִיל (me’il), ‘mantel’: een los bovenkleed.
Hetzelfde woord staat voor de mantel van de efod in Exod. 28:31.
מִיָּמִים יָמִימָה (miyyamim yamimah), ‘elk jaar’, zoals bij 1:3.
20Eli zegende Elkana en zijn vrouw en zei: „Moge Yahweh je nageslacht geven uit deze vrouw, in de plaats van wat aan Yahweh is uitgeleend.” Daarna gingen zij naar hun plaats.
וּבֵרַ֨ךְ
(uverakh)
en zegende
עֵלִ֜י
(eli)
Eli
אֶת
(et)
(obj.)
אֶלְקָנָ֣ה
(elqana)
Elkana
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִשְׁתּ֗וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְאָמַר֙
(veamar)
en zei
יָשֵׂם֩
(yasem)
moge zetten
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
לְךָ֥
(lekha)
voor jou
זֶ֨רַע֙
(zera)
nageslacht
מִן
(min)
van
הָאִשָּׁ֣ה
(haisha)
de vrouw
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
תַּ֚חַת
(tachat)
in plaats van
הַשְּׁאֵלָ֔ה
(hasheela)
het uitgeleende
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שָׁאַ֖ל
(shaal)
is uitgeleend
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְהָלְכ֖וּ
(vehalekhu)
en zij gingen
לִמְקֹמֽוֹ
(limqomo)
naar hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַשְּׁאֵלָה (hasshe’elah), ‘het uitgeleende’: dezelfde stam als in 1:20 en 1:28 (שָׁאַל, sha’al).
22Eli was zeer oud. Hij hoorde alles wat zijn zonen met heel Israël deden. Hij hoorde ook dat zij sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van samenkomst.
וְעֵלִ֖י
(veeli)
en Eli
זָקֵ֣ן
(zaqen)
oud
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וְשָׁמַ֗ע
(veshama)
en hij hoorde
אֵת֩
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יַעֲשׂ֤וּן
(yaasun)
zij deden
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
לְכָל
(lekhal)
met heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאֵ֤ת
(veet)
en (obj.)
אֲשֶֽׁר
(asher)
wat
יִשְׁכְּבוּן֙
(yishkevun)
zij sliepen
אֶת
(et)
met
הַנָּשִׁ֔ים
(hanashim)
de vrouwen
הַצֹּ֣בְא֔וֹת
(hatsoveot)
die dienst deden
פֶּ֖תַח
(petach)
ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַצֹּבְאוֹת (hatsov’ot), ‘de vrouwen die dienst deden’: dezelfde vrouwen als in Exod. 38:8, bij de ingang van de tent van samenkomst.
25Als iemand tegen een ander zondigt, komt Elohim tussenbeide. Maar als iemand tegen Yahweh zondigt, wie kan dan voor hem bidden?” Zij luisterden niet naar de stem van hun vader. Want Yahweh wilde hen doden.
אִם
(im)
als
יֶחֱטָ֨א
(yecheta)
zondigt
אִ֤ישׁ
(ish)
iemand
לְאִישׁ֙
(leish)
tegen iemand
וּפִֽלְל֣וֹ
(ufillo)
en komt tussenbeide
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
וְאִ֤ם
(veim)
maar als
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
tegen Yahweh
יֶֽחֱטָא
(yecheta)
zondigt
אִ֔ישׁ
(ish)
iemand
מִ֖י
(mi)
wie
יִתְפַּלֶּל
(yitpalel)
zal bidden
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִשְׁמְעוּ֙
(yishmeu)
zij luisterden
לְק֣וֹל
(leqol)
naar de stem van
אֲבִיהֶ֔ם
(avihem)
hun vader
כִּֽי
(ki)
want
חָפֵ֥ץ
(chafets)
wilde
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לַהֲמִיתָֽם
(lahamitam)
hen te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Er kwam een man van Elohim bij Eli. Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Heb Ik Mij duidelijk bekendgemaakt aan het huis van je vader, toen zij in Egypte waren? Zij waren daar in het huis van de farao.
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
אִישׁ
(ish)
man van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
עֵלִ֑י
(eli)
Eli
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֲנִגְלֹ֤ה
(haniglo)
heb Ik Mij
נִגְלֵ֨יתִי֙
(nigleiti)
duidelijk bekendgemaakt
אֶל
(el)
aan
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
בִּֽהְיוֹתָ֥ם
(bihyotam)
toen zij waren
בְּמִצְרַ֖יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
לְבֵ֥ית
(leveit)
in het huis van
פַּרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
אִישׁ אֱלֹהִים (ish Elohim), ‘man van Elohim’: een profeet.
Zijn naam wordt niet genoemd.
Hij geeft een woord van Yahweh door.
Wij zetten de woorden van Yahweh tussen enkele aanhalingstekens en laten ze zwart, omdat een mens ze doorgeeft.
הֲנִגְלֹה נִגְלֵיתִי (hanigloh nigleiti), ‘heb Ik Mij duidelijk bekendgemaakt?’: een vraag waarop het antwoord ‘ja’ is.
Het huis van je vader is het huis van Aäron (Exod. 28:1).
28Ik koos hem uit alle stammen van Israël voor Mij als priester. Hij moest op Mijn altaar omhoog gaan, reukwerk in rook laten opgaan en een efod dragen voor Mijn aangezicht. Ik gaf aan het huis van je vader alle vuuroffers van de zonen van Israël.
וּבָחֹ֣ר
(uvachor)
en kiezen
אֹ֠תוֹ
(oto)
hem
מִכָּל
(mikal)
uit alle
שִׁבְטֵ֨י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
לִי֙
(li)
voor Mij
לְכֹהֵ֔ן
(lekhohen)
tot priester
לַעֲל֣וֹת
(laalot)
om omhoog te gaan
עַֽל
(al)
op
מִזְבְּחִ֗י
(mizbechi)
Mijn altaar
לְהַקְטִ֥יר
(lehaqtir)
om in rook te laten opgaan
קְטֹ֛רֶת
(qetoret)
reukwerk
לָשֵׂ֥את
(laset)
om te dragen
אֵפ֖וֹד
(efod)
efod
לְפָנָ֑י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
וָֽאֶתְּנָה֙
(vaetena)
en Ik gaf
לְבֵ֣ית
(leveit)
aan het huis van
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
אִשֵּׁ֖י
(ishei)
vuuroffers van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִשֵּׁי (ishshe), ‘vuuroffers’.
De priesters mochten reukwerk branden (Exod. 30:7) en kregen een deel van de offers (Lev. 7:34).
29Waarom trappen jullie op Mijn slachtoffer en Mijn offergave, die Ik voor Mijn woning heb geboden? Waarom eer jij je zonen meer dan Mij, zodat jullie jezelf vetmesten met het beste van elke offergave van Israël, Mijn volk?
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
תִבְעֲט֗וּ
(tivatu)
trap je
בְּזִבְחִי֙
(bezivchi)
op Mijn slachtoffer
וּבְמִנְחָתִ֔י
(uveminchati)
en op Mijn offergave
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוִּ֖יתִי
(tsiviti)
Ik heb geboden
מָע֑וֹן
(maon)
woning
וַתְּכַבֵּ֤ד
(vatekhabed)
en je eert
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנֶ֨יךָ֙
(baneikha)
je zonen
מִמֶּ֔נִּי
(mimeni)
boven Mij
לְהַבְרִֽיאֲכֶ֗ם
(lehavriakhem)
om vet te maken
מֵרֵאשִׁ֛ית
(mereshit)
uit het beste van
כָּל
(kal)
elke
מִנְחַ֥ת
(minchat)
offergave van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְעַמִּֽי
(leami)
Mijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּעַט (ba’at), ‘trappen’: met minachting behandelen.
Lezing
מָעוֹן (ma’on), ‘woning’: de woorden ‘die Ik voor Mijn woning heb geboden’ zijn moeilijk en de tekst is hier mogelijk beschadigd.
30Daarom spreekt Yahweh, de Elohim van Israël. Ik heb wel gezegd dat jouw huis en het huis van je vader voor altijd voor Mijn aangezicht zouden wandelen. Maar nu, spreekt Yahweh: dat nooit! Want wie Mij eren, zal Ik eren. Wie Mij verachten, zullen gering worden geacht.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
נְאֻם
(neum)
spreekt
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
אָמ֣וֹר
(amor)
wel gezegd
אָמַ֔רְתִּי
(amarti)
Ik heb gezegd
בֵּֽיתְךָ֙
(beitekha)
jouw huis
וּבֵ֣ית
(uveit)
en huis van
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
יִתְהַלְּכ֥וּ
(yithalekhu)
zouden wandelen
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
וְעַתָּ֤ה
(veata)
en nu
נְאֻם
(neum)
spreekt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
חָלִ֣ילָה
(chalila)
het is ver
לִּ֔י
(li)
van Mij
כִּֽי
(ki)
want
מְכַבְּדַ֥י
(mekhabeday)
wie Mij eren
אֲכַבֵּ֖ד
(akhabed)
zal Ik eren
וּבֹזַ֥י
(uvozay)
en wie Mij verachten
יֵקָֽלּוּ
(yeqalu)
zullen gering worden geacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘spreekt Yahweh’: de formule van een profetisch woord.
Zie ook Num. 14:28.
חָלִילָה לִּי (chalilah li), letterlijk ‘ver zij het van Mij’: dat nooit.
יִתְהַלְּכוּ לְפָנַי (yithallechu lefanay), ‘zij zouden wandelen voor Mijn aangezicht’: de dienst van de priester voor Yahweh. Zie ook Gen. 17:1.
33Een man van de jouwen zal Ik niet van Mijn altaar afsnijden. Dat zal je ogen doen versmachten en je ziel doen kwijnen. Al je nakomelingen zullen als mannen sterven.
וְאִ֗ישׁ
(veish)
en een man
לֹֽא
(lo)
niet
אַכְרִ֤ית
(akhrit)
Ik zal afsnijden
לְךָ֙
(lekha)
van jou
מֵעִ֣ם
(meim)
van
מִזְבְּחִ֔י
(mizbechi)
Mijn altaar
לְכַלּ֥וֹת
(lekhalot)
om te doen versmachten
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינֶ֖יךָ
(eineikha)
je ogen
וְלַאֲדִ֣יב
(velaadiv)
en om te doen kwijnen
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֶׁ֑ךָ
(nafshekha)
je ziel
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַרְבִּ֥ית
(marbit)
aanwas van
בֵּיתְךָ֖
(beitekha)
je huis
יָמ֥וּתוּ
(yamutu)
zullen sterven
אֲנָשִֽׁים
(anashim)
als mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְאַדִּיב (le’addiv), ‘doen kwijnen’, komt alleen hier voor.
מַרְבִּית (marbit), ‘aanwas’: de nakomelingen.
Lezing
אֲנָשִׁים (anashim), ‘mannen’, in ‘zullen als mannen sterven’ is onzeker.
Het kan ‘in de kracht van hun leven’ of ‘door mensenhand’ betekenen.
35Ik zal Mij een betrouwbare priester doen opstaan. Hij zal doen wat in Mijn hart en in Mijn ziel is. Ik zal voor hem een betrouwbaar huis bouwen. Hij zal al de dagen wandelen voor het aangezicht van Mijn gezalfde.
וַהֲקִימֹתִ֥י
(vahaqimoti)
en Ik zal doen opstaan
לִי֙
(li)
voor Mij
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
priester
נֶאֱמָ֔ן
(neeman)
betrouwbaar
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
בִּלְבָבִ֥י
(bilvavi)
in Mijn hart
וּבְנַפְשִׁ֖י
(uvenafshi)
en in Mijn ziel
יַעֲשֶׂ֑ה
(yaase)
hij zal doen
וּבָנִ֤יתִי
(uvaniti)
en Ik zal bouwen
לוֹ֙
(lo)
voor hem
בַּ֣יִת
(bayit)
huis
נֶאֱמָ֔ן
(neeman)
betrouwbaar
וְהִתְהַלֵּ֥ךְ
(vehithalekh)
en hij zal wandelen
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor het aangezicht van
מְשִׁיחִ֖י
(meshichi)
Mijn gezalfde
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֹּהֵן נֶאֱמָן (kohen ne’eman), ‘betrouwbare priester’: een priester die doet wat Yahweh wil.
Volgens 1 Kon. 2:27 wordt Abjatar afgezet om het woord van Yahweh over het huis van Eli te vervullen.
Volgens 1 Kon. 2:35 komt Zadok in zijn plaats.
מְשִׁיחִי (meshichi), ‘Mijn gezalfde’: de koning. Zie ook 2:10.
36Wie van je huis overblijft, zal komen om zich voor hem neer te buigen, voor een stukje zilver en een brood. Hij zal zeggen: Neem mij toch aan bij een van de priesterdiensten, om een stuk brood te eten.’”
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָּל
(kal)
ieder
הַנּוֹתָר֙
(hanotar)
overblijvende
בְּבֵ֣יתְךָ֔
(beveitekha)
in je huis
יָבוֹא֙
(yavo)
zal komen
לְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
לַאֲג֥וֹרַת
(laagorat)
voor een stukje van
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
וְכִכַּר
(vekhikar)
en een brood
לָ֑חֶם
(lachem)
brood
וְאָמַ֗ר
(veamar)
en hij zal zeggen
סְפָחֵ֥נִי
(sefacheni)
voeg mij toe
נָ֛א
(na)
toch
אֶל
(el)
bij
אַחַ֥ת
(achat)
een van
הַכְּהֻנּ֖וֹת
(hakehunot)
de priesterdiensten
לֶאֱכֹ֥ל
(leekhol)
om te eten
פַּת
(pat)
een stuk
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲגוֹרָה (agorah), ‘stukje’, komt alleen hier voor: een klein stukje zilver.
סְפָחֵנִי (sapacheni), ‘voeg mij toe’: neem mij aan om te helpen bij een priesterdienst.