Elohim Bijbel

Jozua 10

123456789101112131415161718192021222324

De zon staat stil, de vijf koningen vallen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De koningen van het zuiden trekken tegen Gibeon

1Adoni-Sedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en met de ban had geslagen. Hij had met Ai en haar koning gedaan wat hij met Jericho en haar koning had gedaan. Ook hoorde hij dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël hadden gesloten en onder hen waren.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כִשְׁמֹ֨עַ
(kishmoa)
bij het horen van
אֲדֹֽנִי
(adoni)
Adoni
צֶ֜דֶק
(tsedeq)
Sedek
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
כִּֽי
(ki)
dat
לָכַ֨ד
(lakhad)
had ingenomen
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
הָעַי֮
(haay)
Ai
וַיַּחֲרִימָהּ֒
(vayacharimah)
en haar met de ban had geslagen
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֤ה
(asa)
hij had gedaan
לִֽירִיחוֹ֙
(liricho)
met Jericho
וּלְמַלְכָּ֔הּ
(ulemalkah)
en met haar koning
כֵּן
(ken)
zo
עָשָׂ֥ה
(asa)
had hij gedaan
לָעַ֖י
(laay)
met Ai
וּלְמַלְכָּ֑הּ
(ulemalkah)
en met haar koning
וְכִ֨י
(vekhi)
en dat
הִשְׁלִ֜ימוּ
(hishlimu)
vrede hadden gesloten
יֹשְׁבֵ֤י
(yoshevei)
de inwoners van
גִבְעוֹן֙
(givon)
Gibeon
אֶת
(et)
met
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּֽהְי֖וּ
(vayihyu)
en zij waren
בְּקִרְבָּֽם
(beqirbam)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jeruzalem was toen een stad van de Jebusieten.

Ai ligt volgens de overlevering bij et-Tell, ten oosten van Betel, in de Westelijke Jordaanoever.

Anderen denken aan Khirbet el-Maqatir.

De ligging is onzeker.

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

Uitleg

אֲדֹנִי־צֶדֶק (Adoni-tsedeq), ‘mijn heer is gerechtigheid’ of ‘heer van gerechtigheid’.

Ook Melchisedek, de koning van Salem, droeg een naam met ‘gerechtigheid’ (Gen. 14:18).

Aanvullend

Jasher 88:55–56 bevestigt dit.

2Hij en zijn volk werden zeer bang. Want Gibeon was een grote stad, als een van de koningssteden. Zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren krijgers.
וַיִּֽירְא֣וּ
(vayireu)
en zij werden bang
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
כִּ֣י
(ki)
want
עִ֤יר
(ir)
een stad
גְּדוֹלָה֙
(gedola)
grote
גִּבְע֔וֹן
(givon)
Gibeon
כְּאַחַ֖ת
(keachat)
zoals één van
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
הַמַּמְלָכָ֑ה
(hamamlakha)
het koninkrijk
וְכִ֨י
(vekhi)
en dat
הִ֤יא
(hi)
zij
גְדוֹלָה֙
(gedola)
groter
מִן
(min)
dan
הָעַ֔י
(haay)
Ai
וְכָל
(vekhal)
en al
אֲנָשֶׁ֖יהָ
(anasheiha)
haar mannen
גִּבֹּרִֽים
(giborim)
krijgers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

עָרֵי הַמַּמְלָכָה (arei hammamlakhah), ‘steden van het koninkrijk’: steden met een eigen koning, dus koningssteden.

Het werkwoord ‘zij werden bang’ staat in het Hebreeuws in het meervoud. Wij vullen aan: de koning en zijn volk.

3Adoni-Sedek, de koning van Jeruzalem, stuurde een boodschap naar Hoham, de koning van Hebron, naar Piram, de koning van Jarmut, naar Jafia, de koning van Lachis, en naar Debir, de koning van Eglon. Hij liet zeggen:
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en hij zond
אֲדֹנִי
(adoni)
Adoni
צֶ֜דֶק
(tsedeq)
Sedek
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֶל
(el)
naar
הוֹהָ֣ם
(hoham)
Hoham
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
חֶ֠בְרוֹן
(chevron)
Hebron
וְאֶל
(veel)
en naar
פִּרְאָ֨ם
(piram)
Piram
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יַרְמ֜וּת
(yarmut)
Jarmut
וְאֶל
(veel)
en naar
יָפִ֧יעַ
(yafia)
Jafia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
לָכִ֛ישׁ
(lakhish)
Lachis
וְאֶל
(veel)
en naar
דְּבִ֥יר
(devir)
Debir
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
עֶגְל֖וֹן
(eglon)
Eglon
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron is het huidige al-Khalil in de Westelijke Jordaanoever.

Jarmut ligt waarschijnlijk bij Khirbet Jarmuk, ten westen van Hebron (Israël).

Lachis is Tel Lakisj (Israël).

Eglon is onzeker; men denkt aan Tell Aitun of Tell el-Hesi.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron.

Dit is niet geheel zeker.

4„Trek naar mij op en help mij. Laten wij Gibeon verslaan, want het heeft vrede gesloten met Jozua en met de zonen van Israël.”
עֲלֽוּ
(alu)
kom op
אֵלַ֣י
(elay)
naar mij
וְעִזְרֻ֔נִי
(veizruni)
en help mij
וְנַכֶּ֖ה
(venake)
en laten wij verslaan
אֶת
(et)
(obj.)
גִּבְע֑וֹן
(givon)
Gibeon
כִּֽי
(ki)
want
הִשְׁלִ֥ימָה
(hishlima)
het heeft vrede gesloten
אֶת
(et)
met
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
וְאֶת
(veet)
en met
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

5De vijf koningen van de Amorieten kwamen bijeen en trokken op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lachis en de koning van Eglon, zij met al hun legers. Zij legerden zich tegen Gibeon en streden tegen de stad.
וַיֵּאָסְפ֨וּ
(vayeasefu)
en zij verzamelden zich
וַֽיַּעֲל֜וּ
(vayaalu)
en zij trokken op
חֲמֵ֣שֶׁת
(chameshet)
vijf
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
הָאֱמֹרִ֗י
(haemori)
de Amoriet
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
חֶבְר֤וֹן
(chevron)
Hebron
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
יַרְמוּת֙
(yarmut)
Jarmut
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
לָכִ֣ישׁ
(lakhish)
Lachis
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
עֶגְל֔וֹן
(eglon)
Eglon
הֵ֖ם
(hem)
zij
וְכָל
(vekhal)
en al
מַֽחֲנֵיהֶ֑ם
(machaneihem)
hun legers
וַֽיַּחֲנוּ֙
(vayachanu)
en zij legerden zich
עַל
(al)
tegen
גִּבְע֔וֹן
(givon)
Gibeon
וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ
(vayilachamu)
en zij streden
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Jarmut: Jarmut wordt gezocht bij Khirbet Jarmuk, in de Sefela.

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Zie Eglon (ligging onzeker): Eglon lag in de Sefela.

Tell Aitun en Tell el-Hesi zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

Gibeon vraagt om hulp

6De mannen van Gibeon stuurden bericht naar Jozua, naar het kamp bij Gilgal: „Laat uw dienaren niet in de steek. Kom snel naar ons op, red ons en help ons. Want alle koningen van de Amorieten die in het bergland wonen, hebben zich tegen ons verzameld.”
וַיִּשְׁלְח֣וּ
(vayishlechu)
en zij zonden
אַנְשֵׁי֩
(anshei)
de mannen van
גִבְע֨וֹן
(givon)
Gibeon
אֶל
(el)
naar
יְהוֹשֻׁ֤עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶה֙
(hamachane)
het kamp
הַגִּלְגָּ֣לָה
(hagilgala)
Gilgal
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אַל
(al)
niet
תֶּ֥רֶף
(teref)
laat los
יָדֶ֖יךָ
(yadeikha)
uw handen
מֵֽעֲבָדֶ֑יךָ
(meavadeikha)
van uw dienaren
עֲלֵ֧ה
(ale)
kom op
אֵלֵ֣ינוּ
(eleinu)
naar ons
מְהֵרָ֗ה
(mehera)
snel
וְהוֹשִׁ֤יעָה
(vehoshia)
en red
לָּ֨נוּ֙
(lanu)
ons
וְעָזְרֵ֔נוּ
(veazerenu)
en help ons
כִּ֚י
(ki)
want
נִקְבְּצ֣וּ
(niqbetsu)
zij hebben zich verzameld
אֵלֵ֔ינוּ
(eleinu)
tegen ons
כָּל
(kal)
alle
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amoriet
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
die wonen in
הָהָֽר
(hahar)
het bergland
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

אַל־תֶּרֶף יָדֶיךָ (al teref jadecha), letterlijk ‘laat uw handen niet zakken’: laat ons niet in de steek.

7Jozua trok op uit Gilgal, hij en heel het krijgsvolk met hem, alle dappere helden.
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en hij trok op
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
מִן
(min)
uit
הַגִּלְגָּ֗ל
(hagilgal)
Gilgal
ה֚וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
עַ֤ם
(am)
het volk van
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de oorlog
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
גִּבּוֹרֵ֥י
(giborei)
helden van
הֶחָֽיִל
(hechayil)
de strijdkracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

גִּבּוֹרֵי הַחַיִל (gibborei hachayil), ‘dappere helden’: de beste krijgers.

De strijd bij Gibeon

8Yahweh zei tegen Jozua: „Wees niet bang voor hen. Want Ik heb hen in je hand gegeven. Niemand van hen zal voor je standhouden.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
אַל
(al)
niet
תִּירָ֣א
(tira)
wees bang
מֵהֶ֔ם
(mehem)
voor hen
כִּ֥י
(ki)
want
בְיָדְךָ֖
(beyadekha)
in je hand
נְתַתִּ֑ים
(netatim)
Ik heb hen gegeven
לֹֽא
(lo)
niet
יַעֲמֹ֥ד
(yaamod)
zal standhouden
אִ֛ישׁ
(ish)
een man
מֵהֶ֖ם
(mehem)
van hen
בְּפָנֶֽיךָ
(befaneikha)
voor je aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Jozua kwam plotseling bij hen aan. Hij was de hele nacht opgetrokken vanuit Gilgal.
וַיָּבֹ֧א
(vayavo)
en hij kwam
אֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
bij hen
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
פִּתְאֹ֑ם
(pitom)
plotseling
כָּל
(kal)
heel
הַלַּ֕יְלָה
(halayla)
de nacht
עָלָ֖ה
(ala)
was hij opgetrokken
מִן
(min)
uit
הַגִּלְגָּֽל
(hagilgal)
Gilgal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

10Yahweh bracht hen in verwarring voor Israël. Jozua versloeg hen met een grote slag bij Gibeon. Hij achtervolgde hen op de weg die omhoog loopt naar Bet-Choron en versloeg hen tot aan Azeka en tot aan Makkeda.
וַיְהֻמֵּ֤ם
(vayhumem)
en Hij bracht in verwarring
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיַּכֵּ֥ם
(vayakem)
en hij versloeg hen
מַכָּֽה
(maka)
een slag
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
grote
בְּגִבְע֑וֹן
(begivon)
bij Gibeon
וַֽיִּרְדְּפֵ֗ם
(vayirdefem)
en hij achtervolgde hen
דֶּ֚רֶךְ
(derekh)
de weg van
מַעֲלֵ֣ה
(maale)
de opgang naar
בֵית
(beit)
Bet
חוֹרֹ֔ן
(choron)
Choron
וַיַּכֵּ֥ם
(vayakem)
en hij versloeg hen
עַד
(ad)
tot
עֲזֵקָ֖ה
(azeqa)
Azeka
וְעַד
(vead)
en tot
מַקֵּדָֽה
(maqeda)
Makkeda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Choron ligt op de weg van Gibeon naar het westen, bij Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur al-Tahta (Westelijke Jordaanoever).

Azeka is Tel Zakariya (Israël).

Makkeda is onzeker; men denkt aan Khirbet el-Qom of Tell el-Judeideh.

Lezing

Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij versloeg hen’.

Wij nemen Jozua als onderwerp, omdat Yahweh in vers 11 opnieuw met zijn naam wordt genoemd.

Aanvullend

Jasher 88:59–60 bevestigt dit.

11Terwijl zij voor Israël vluchtten, op de afdaling van Bet-Choron, wierp Yahweh grote stenen uit de hemel op hen, tot aan Azeka. Velen stierven. Er stierven er meer door de hagelstenen dan de zonen van Israël met het zwaard hadden gedood.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
בְּנֻסָ֣ם
(benusam)
toen zij vluchtten
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הֵ֞ם
(hem)
zij
בְּמוֹרַ֤ד
(bemorad)
op de afdaling van
בֵּית
(beit)
Bet
חוֹרֹן֙
(choron)
Choron
וַֽיהוָ֡ה
(vaYahweh)
en Yahweh
הִשְׁלִ֣יךְ
(hishlikh)
wierp
עֲלֵיהֶם֩
(aleihem)
op hen
אֲבָנִ֨ים
(avanim)
stenen
גְּדֹל֧וֹת
(gedolot)
grote
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמַ֛יִם
(hashamayim)
de hemel
עַד
(ad)
tot
עֲזֵקָ֖ה
(azeqa)
Azeka
וַיָּמֻ֑תוּ
(vayamutu)
en zij stierven
רַבִּ֗ים
(rabim)
velen
אֲשֶׁר
(asher)
die
מֵ֨תוּ֙
(metu)
stierven
בְּאַבְנֵ֣י
(beavnei)
door de stenen van
הַבָּרָ֔ד
(habarad)
de hagel
מֵאֲשֶׁ֥ר
(measher)
meer dan
הָרְג֛וּ
(haregu)
doodden
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בֶּחָֽרֶב
(becharev)
met het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bet-Choron: Boven- en Neder-Bet-Choron lagen aan de weg van Gibeon naar Ajalon, bij Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur al-Tahta, ten noordwesten van Jeruzalem.

Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela.

Uitleg

Met ‘stenen’ zijn hagelstenen bedoeld; het Hebreeuws noemt ze daarna ‘stenen van de hagel’.

Aanvullend

Jasher 88:61 bevestigt dit.

De zon en de maan staan stil

12Toen sprak Jozua tot Yahweh, op de dag dat Yahweh de Amorieten overgaf aan de zonen van Israël. Voor de ogen van Israël zei hij: „Zon, sta stil boven Gibeon, en maan, in het dal van Ajalon.”
אָ֣ז
(az)
toen
יְדַבֵּ֤ר
(yedaber)
sprak
יְהוֹשֻׁעַ֙
(yehoshua)
Jozua
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
tot Yahweh
בְּי֗וֹם
(beyom)
op de dag
תֵּ֤ת
(tet)
dat gaf
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְעֵינֵ֣י
(leeinei)
voor de ogen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
שֶׁ֚מֶשׁ
(shemesh)
zon
בְּגִבְע֣וֹן
(begivon)
in Gibeon
דּ֔וֹם
(dom)
sta stil
וְיָרֵ֖חַ
(veyareach)
en maan
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in het dal van
אַיָּלֽוֹן
(ayalon)
Ajalon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het dal van Ajalon ligt ten westen van Gibeon (Merj Ibn Omeir, Westelijke Jordaanoever en Israël).

Uitleg

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘zon, in Gibeon sta stil’.

Wij vertalen ‘boven Gibeon’, omdat de zon aan de hemel staat.

Vers 12b–13a is een dichtregel.

Aanvullend

Jasher 88:63 geeft dezelfde woorden van Jozua.

13De zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijanden had gewroken. Staat dit niet geschreven in het Boek van Jasher? De zon bleef midden aan de hemel staan. Zij haastte zich niet om onder te gaan, ongeveer een hele dag lang.
וַיִּדֹּ֨ם
(vayidom)
en zij stond stil
הַשֶּׁ֜מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
וְיָרֵ֣חַ
(veyareach)
en de maan
עָמָ֗ד
(amad)
bleef staan
עַד
(ad)
totdat
יִקֹּ֥ם
(yiqom)
zich wreekte
גּוֹי֙
(goy)
het volk
אֹֽיְבָ֔יו
(oyevav)
op zijn vijanden
הֲלֹא
(halo)
is dit niet
הִ֥יא
(hi)
het
כְתוּבָ֖ה
(ketuva)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֣פֶר
(sefer)
het boek
הַיָּשָׁ֑ר
(hayashar)
van Jasher
וַיַּעֲמֹ֤ד
(vayaamod)
en zij bleef staan
הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙
(hashemesh)
de zon
בַּחֲצִ֣י
(bachatsi)
in het midden van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְלֹא
(velo)
en niet
אָ֥ץ
(ats)
haastte zij zich
לָב֖וֹא
(lavo)
om onder te gaan
כְּי֥וֹם
(keyom)
ongeveer een dag
תָּמִֽים
(tamim)
hele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר הַיָּשָׁר (sefer hajashar), ‘Boek van Jasher’: ‘het boek van de oprechte’.

Het wordt ook genoemd in 2 Sam. 1:18.

De letters כְּ in כְּיוֹם תָּמִים (keyom tamim) betekenen ‘zoals, ongeveer’: ongeveer een hele dag.

Aanvullend

Jasher 88:64–65 beschrijft dezelfde gebeurtenis.

14Er is nooit een dag geweest als die dag, ervoor of erna, waarop Yahweh naar de stem van een man luisterde. Want Yahweh streed voor Israël.
וְלֹ֨א
(velo)
en niet
הָיָ֜ה
(haya)
was
כַּיּ֤וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
לְפָנָ֣יו
(lefanav)
vóór hem
וְאַחֲרָ֔יו
(veacharav)
en na hem
לִשְׁמֹ֥עַ
(lishmoa)
dat luisterde
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
אִ֑ישׁ
(ish)
een man
כִּ֣י
(ki)
want
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נִלְחָ֖ם
(nilcham)
streed
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
voor Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 88:65 zegt hetzelfde: er was geen dag zoals die.

15Jozua keerde met heel Israël terug naar het kamp bij Gilgal.
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het kamp
הַגִּלְגָּֽלָה
(hagilgala)
Gilgal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Lezing

Dit vers is bijna gelijk aan vers 43.

Wij nemen beide over, zoals in de Masoretische tekst.

De vijf koningen in de grot

16Deze vijf koningen vluchtten en verborgen zich in de grot bij Makkeda.
וַיָּנֻ֕סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
חֲמֵ֖שֶׁת
(chameshet)
vijf
הַמְּלָכִ֣ים
(hamelakhim)
de koningen
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיֵּחָבְא֥וּ
(vayechaveu)
en zij verborgen zich
בַמְּעָרָ֖ה
(bameara)
in de grot
בְּמַקֵּדָֽה
(bemaqeda)
bij Makkeda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela.

Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

17Aan Jozua werd gemeld: „De vijf koningen zijn gevonden. Zij hebben zich verborgen in de grot bij Makkeda.”
וַיֻּגַּ֖ד
(vayugad)
en het werd gemeld
לִיהוֹשֻׁ֣עַ
(lihoshua)
aan Jozua
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
נִמְצְאוּ֙
(nimtseu)
zijn gevonden
חֲמֵ֣שֶׁת
(chameshet)
vijf
הַמְּלָכִ֔ים
(hamelakhim)
de koningen
נֶחְבְּאִ֥ים
(nechbeim)
die zich verborgen
בַּמְּעָרָ֖ה
(bameara)
in de grot
בְּמַקֵּדָֽה
(bemaqeda)
bij Makkeda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela.

Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

18Jozua zei: „Rol grote stenen voor de ingang van de grot en stel er mannen bij aan om hen te bewaken.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
גֹּ֛לּוּ
(golu)
rol
אֲבָנִ֥ים
(avanim)
stenen
גְּדֹל֖וֹת
(gedolot)
grote
אֶל
(el)
naar
פִּ֣י
(pi)
de ingang van
הַמְּעָרָ֑ה
(hameara)
de grot
וְהַפְקִ֧ידוּ
(vehafqidu)
en stel aan
עָלֶ֛יהָ
(aleiha)
erbij
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mannen
לְשָׁמְרָֽם
(leshameram)
om hen te bewaken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Maar jullie, blijf niet staan. Achtervolg jullie vijanden en val hun achterhoede aan. Laat hen hun steden niet binnengaan, want Yahweh, jullie Elohim, heeft hen in jullie hand gegeven.”
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲמֹ֔דוּ
(taamodu)
blijf staan
רִדְפוּ֙
(ridfu)
achtervolg
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אֹֽיְבֵיכֶ֔ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
וְזִנַּבְתֶּ֖ם
(vezinavtem)
en val de achterhoede aan
אוֹתָ֑ם
(otam)
hen
אַֽל
(al)
niet
תִּתְּנ֗וּם
(titenum)
laat hen
לָבוֹא֙
(lavo)
binnengaan
אֶל
(el)
naar
עָ֣רֵיהֶ֔ם
(areihem)
hun steden
כִּ֧י
(ki)
want
נְתָנָ֛ם
(netanam)
heeft hen gegeven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
בְּיֶדְכֶֽם
(beyedkhem)
in jullie hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְזִנַּבְתֶּם (vezinnavtem), ‘val de achterhoede aan’: van זָנָב (zanav), ‘staart’.

Het leger zet de vluchtenden in de rug na.

20Jozua en de zonen van Israël hadden hen met een zeer grote slag verslagen, tot zij ten einde waren. De overlevenden die waren ontkomen, bereikten de versterkte steden.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כְּכַלּ֨וֹת
(kekhalot)
toen klaar waren
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לְהַכּוֹתָ֛ם
(lehakotam)
hen te slaan
מַכָּ֥ה
(maka)
een slag
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
עַד
(ad)
totdat
תֻּמָּ֑ם
(tumam)
zij ten einde waren
וְהַשְּׂרִידִים֙
(vehaseridim)
en de overlevenden
שָׂרְד֣וּ
(saredu)
waren ontkomen
מֵהֶ֔ם
(mehem)
van hen
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
עָרֵ֥י
(arei)
de steden van
הַמִּבְצָֽר
(hamivtsar)
de vesting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Heel het volk keerde ongedeerd terug naar het kamp, naar Jozua bij Makkeda. Niemand durfde een woord tegen de zonen van Israël te zeggen.
וַיָּשֻׁבוּ֩
(vayashuvu)
en keerde terug
כָל
(kal)
heel
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
naar
הַמַּחֲנֶ֧ה
(hamachane)
het kamp
אֶל
(el)
naar
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
מַקֵּדָ֖ה
(maqeda)
Makkeda
בְּשָׁל֑וֹם
(beshalom)
in vrede
לֹֽא
(lo)
niet
חָרַ֞ץ
(charats)
bewoog
לִבְנֵ֧י
(livnei)
tegen de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
לְאִ֖ישׁ
(leish)
iemand
אֶת
(et)
(obj.)
לְשֹׁנֽוֹ
(leshono)
zijn tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela.

Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

Uitleg

לֹא חָרַץ ...

לְשֹׁנוֹ (lo charats ... leshono), letterlijk ‘niemand scherpte zijn tong’: niemand roerde zich of sprak een woord.

De koningen onder de voeten van Israël

22Jozua zei: „Open de ingang van de grot en breng die vijf koningen uit de grot naar mij.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
פִּתְח֖וּ
(pitchu)
open
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֣י
(pi)
de ingang van
הַמְּעָרָ֑ה
(hameara)
de grot
וְהוֹצִ֣יאוּ
(vehotsiu)
en breng uit
אֵלַ֗י
(elay)
naar mij
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמֵ֛שֶׁת
(chameshet)
vijf
הַמְּלָכִ֥ים
(hamelakhim)
de koningen
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
מִן
(min)
uit
הַמְּעָרָֽה
(hameara)
de grot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Zij deden dat en brachten die vijf koningen uit de grot naar hem toe: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lachis en de koning van Eglon.
וַיַּ֣עֲשׂוּ
(vayaasu)
en zij deden
כֵ֔ן
(ken)
zo
וַיֹּצִ֣יאוּ
(vayotsiu)
en zij brachten uit
אֵלָ֗יו
(elav)
naar hem
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמֵ֛שֶׁת
(chameshet)
vijf
הַמְּלָכִ֥ים
(hamelakhim)
de koningen
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
מִן
(min)
uit
הַמְּעָרָ֑ה
(hameara)
de grot
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֤לֶךְ
(melekh)
de koning van
חֶבְרוֹן֙
(chevron)
Hebron
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
יַרְמ֔וּת
(yarmut)
Jarmut
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
לָכִ֖ישׁ
(lakhish)
Lachis
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
עֶגְלֽוֹן
(eglon)
Eglon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Jarmut: Jarmut wordt gezocht bij Khirbet Jarmuk, in de Sefela.

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Zie Eglon (ligging onzeker): Eglon lag in de Sefela.

Tell Aitun en Tell el-Hesi zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

24Toen zij deze koningen bij Jozua hadden gebracht, riep Jozua alle mannen van Israël bij zich. Hij zei tegen de bevelhebbers van de krijgers die met hem waren meegegaan: „Kom dichterbij en zet jullie voeten op de nekken van deze koningen.” Zij kwamen dichterbij en zetten hun voeten op hun nekken.
וַ֠יְהִי
(vayhi)
en het was
כְּֽהוֹצִיאָ֞ם
(kehotsiam)
toen zij hadden uitgebracht
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּלָכִ֣ים
(hamelakhim)
de koningen
הָאֵלֶּה֮
(haele)
deze
אֶל
(el)
naar
יְהוֹשֻׁעַ֒
(yehoshua)
Jozua
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en riep
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
alle
אִ֣ישׁ
(ish)
mannen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tegen
קְצִינֵ֞י
(qetsinei)
de bevelhebbers van
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
de mannen van
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de oorlog
הֶהָלְכ֣וּא
(hehalekhu)
die waren meegegaan
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
קִרְב֗וּ
(qirvu)
kom dichterbij
שִׂ֚ימוּ
(simu)
zet
אֶת
(et)
(obj.)
רַגְלֵיכֶ֔ם
(ragleikhem)
jullie voeten
עַֽל
(al)
op
צַוְּארֵ֖י
(tsaverei)
de nekken van
הַמְּלָכִ֣ים
(hamelakhim)
de koningen
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַֽיִּקְרְב֔וּ
(vayiqrevu)
en zij kwamen dichterbij
וַיָּשִׂ֥ימוּ
(vayasimu)
en zij zetten
אֶת
(et)
(obj.)
רַגְלֵיהֶ֖ם
(ragleihem)
hun voeten
עַל
(al)
op
צַוְּארֵיהֶֽם
(tsavereihem)
hun nekken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De voeten op de nekken van de koningen zetten is een teken van volledige overwinning.

Aanvullend

Jasher 89:27 bevestigt dit.

25Jozua zei tegen hen: „Wees niet bang en wees niet ontmoedigd. Wees sterk en moedig. Want zo zal Yahweh doen met al jullie vijanden tegen wie jullie strijden.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tegen hen
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֖וּ
(tireu)
wees bang
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּחָ֑תּוּ
(techatu)
wees ontmoedigd
חִזְק֣וּ
(chizqu)
wees sterk
וְאִמְצ֔וּ
(veimtsu)
en moedig
כִּ֣י
(ki)
want
כָ֗כָה
(kakha)
zo
יַעֲשֶׂ֤ה
(yaase)
zal doen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְכָל
(lekhal)
met al
אֹ֣יְבֵיכֶ֔ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
tegen wie
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
נִלְחָמִ֥ים
(nilchamim)
strijden
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Daarna versloeg Jozua hen en doodde hen. Hij hing hen aan vijf bomen. Zij bleven aan de bomen hangen tot de avond.
וַיַּכֵּ֨ם
(vayakem)
en hij versloeg hen
יְהוֹשֻׁ֤עַ
(yehoshua)
Jozua
אַֽחֲרֵי
(acharei)
daarna
כֵן֙
(ken)
zo
וַיְמִיתֵ֔ם
(vaymitem)
en hij doodde hen
וַיִּתְלֵ֕ם
(vayitlem)
en hij hing hen op
עַ֖ל
(al)
aan
חֲמִשָּׁ֣ה
(chamisha)
vijf
עֵצִ֑ים
(etsim)
bomen
וַיִּֽהְי֛וּ
(vayihyu)
en zij waren
תְּלוּיִ֥ם
(teluyim)
hangend
עַל
(al)
aan
הָעֵצִ֖ים
(haetsim)
de bomen
עַד
(ad)
tot
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵץ (ets), ‘boom’ of ‘paal’: het gaat om ophangen na het doden, zoals in Deut. 21:22–23.

27Bij zonsondergang gaf Jozua een bevel. Men haalde hen van de bomen en wierp hen in de grot waar zij zich hadden verborgen. Op de ingang van de grot legden zij grote stenen. Die liggen er tot op de dag van vandaag.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
לְעֵ֣ת
(leet)
bij de tijd van
בּ֣וֹא
(bo)
het ondergaan van
הַשֶּׁ֗מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
צִוָּ֤ה
(tsiva)
gebood
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
וַיֹּֽרִידוּם֙
(vayoridum)
en zij haalden hen neer
מֵעַ֣ל
(meal)
van
הָעֵצִ֔ים
(haetsim)
de bomen
וַיַּ֨שְׁלִכֻ֔ם
(vayashlikhum)
en zij wierpen hen
אֶל
(el)
in
הַמְּעָרָ֖ה
(hameara)
de grot
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarin
נֶחְבְּאוּ
(nechbeu)
zij zich hadden verborgen
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וַיָּשִׂ֜מוּ
(vayasimu)
en zij legden
אֲבָנִ֤ים
(avanim)
stenen
גְּדֹלוֹת֙
(gedolot)
grote
עַל
(al)
op
פִּ֣י
(pi)
de ingang van
הַמְּעָרָ֔ה
(hameara)
de grot
עַד
(ad)
tot
עֶ֖צֶם
(etsem)
het bot van
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Volgens Deut. 21:23 moet een opgehangene dezelfde dag worden begraven.

Dat gebeurt hier bij zonsondergang.

Aanvullend

Jasher 89:28 bevestigt dit.

Makkeda en de steden van het zuiden

28Op die dag nam Jozua ook Makkeda in. Hij sloeg haar en haar koning met de scherpte van het zwaard. Hij sloeg hen met de ban, ook alle personen die erin waren. Hij liet niemand over. Met de koning van Makkeda deed hij wat hij met de koning van Jericho had gedaan.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַקֵּדָה֩
(maqeda)
Makkeda
לָכַ֨ד
(lakhad)
nam in
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
וַיַּכֶּ֣הָ
(vayakeha)
en hij sloeg
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶרֶב֮
(cherev)
het zwaard
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכָּהּ֒
(malkah)
haar koning
הֶחֱרִ֣ם
(hecherim)
hij sloeg met de ban
אוֹתָ֗ם
(otam)
hen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּ֨פֶשׁ֙
(hanefesh)
de persoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֔הּ
(bah)
daarin
לֹ֥א
(lo)
niet
הִשְׁאִ֖יר
(hishir)
hij liet over
שָׂרִ֑יד
(sarid)
een overlevende
וַיַּ֨עַשׂ֙
(vayaas)
en hij deed
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
met de koning van
מַקֵּדָ֔ה
(maqeda)
Makkeda
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij had gedaan
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
met de koning van
יְרִיחֽוֹ
(yericho)
Jericho
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Makkeda: de ligging is onzeker (Khirbet el-Qom of Tell el-Judeideh, Israël).

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Aanvullend

Jasher 89:29–30 bevestigt dit.

29Jozua trok met heel Israël van Makkeda naar Libna en streed tegen Libna.
וַיַּעֲבֹ֣ר
(vayaavor)
en hij trok verder
יְ֠הוֹשֻׁעַ
(yehoshua)
Jozua
וְכָֽל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
עִמּ֛וֹ
(imo)
met hem
מִמַּקֵּדָ֖ה
(mimaqeda)
van Makkeda
לִבְנָ֑ה
(livna)
naar Libna
וַיִּלָּ֖חֶם
(vayilachem)
en hij streed
עִם
(im)
tegen
לִבְנָֽה
(livna)
Libna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Libna ligt waarschijnlijk bij Tel Burna (Israël).

De ligging is onzeker.

Zie Makkeda (ligging onzeker): Makkeda lag in de Sefela.

Khirbet el-Qom en Tell el-Judeideh zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

Aanvullend

Jasher 89:31 bevestigt dit.

30Ook haar gaf Yahweh in de hand van Israël, met haar koning. Hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, met alle personen die erin waren. Hij liet er niemand over. Met haar koning deed hij wat hij met de koning van Jericho had gedaan.
וַיִּתֵּן֩
(vayiten)
en gaf
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
גַּם
(gam)
ook
אוֹתָ֜הּ
(otah)
haar
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
יִשְׂרָאֵ֘ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכָּהּ֒
(malkah)
haar koning
וַיַּכֶּ֣הָ
(vayakeha)
en hij sloeg
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֗רֶב
(cherev)
het zwaard
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּ֨פֶשׁ֙
(hanefesh)
de persoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֔הּ
(bah)
daarin
לֹֽא
(lo)
niet
הִשְׁאִ֥יר
(hishir)
hij liet over
בָּ֖הּ
(bah)
daarin
שָׂרִ֑יד
(sarid)
een overlevende
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
לְמַלְכָּ֔הּ
(lemalkah)
met haar koning
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij had gedaan
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
met de koning van
יְרִיחֽוֹ
(yericho)
Jericho
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

31Jozua trok met heel Israël van Libna naar Lachis. Hij legerde zich tegen haar en streed tegen haar.
וַיַּעֲבֹ֣ר
(vayaavor)
en hij trok verder
יְ֠הוֹשֻׁעַ
(yehoshua)
Jozua
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
עִמּ֛וֹ
(imo)
met hem
מִלִּבְנָ֖ה
(milivna)
van Libna
לָכִ֑ישָׁה
(lakhisha)
naar Lachis
וַיִּ֣חַן
(vayichan)
en hij legerde zich
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
tegen haar
וַיִּלָּ֖חֶם
(vayilachem)
en hij streed
בָּֽהּ
(bah)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela.

Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker.

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

32Yahweh gaf Lachis in de hand van Israël. Hij nam haar op de tweede dag in. Hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, met alle personen die erin waren, net zoals hij met Libna had gedaan.
וַיִּתֵּן֩
(vayiten)
en gaf
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
לָכִ֜ישׁ
(lakhish)
Lachis
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַֽיִּלְכְּדָהּ֙
(vayilkedah)
en hij nam haar in
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
tweede
וַיַּכֶּ֣הָ
(vayakeha)
en hij sloeg
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֔רֶב
(cherev)
het zwaard
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּ֖פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֑הּ
(bah)
daarin
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
net zoals alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij had gedaan
לְלִבְנָֽה
(lelivna)
met Libna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela.

Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker.

33Toen trok Horam, de koning van Gezer, op om Lachis te helpen. Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat er niemand van hen overbleef.
אָ֣ז
(az)
toen
עָלָ֗ה
(ala)
trok op
הֹרָם֙
(horam)
Horam
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
גֶּ֔זֶר
(gezer)
Gezer
לַעְזֹ֖ר
(lazor)
om te helpen
אֶת
(et)
(obj.)
לָכִ֑ישׁ
(lakhish)
Lachis
וַיַּכֵּ֤הוּ
(vayakehu)
en hij sloeg hem
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמּ֔וֹ
(amo)
zijn volk
עַד
(ad)
totdat
בִּלְתִּ֥י
(bilti)
niet
הִשְׁאִֽיר
(hishir)
hij liet over
ל֖וֹ
(lo)
hem
שָׂרִֽיד
(sarid)
een overlevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gezer is Tel Gezer, in het huidige Israël.

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Aanvullend

Jasher 89:32 noemt Horam, de koning van Gezer, ook.

34Jozua trok met heel Israël van Lachis naar Eglon. Zij legerden zich tegen haar en streden tegen haar.
וַיַּעֲבֹ֣ר
(vayaavor)
en hij trok verder
יְ֠הוֹשֻׁעַ
(yehoshua)
Jozua
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
עִמּ֛וֹ
(imo)
met hem
מִלָּכִ֖ישׁ
(milakhish)
van Lachis
עֶגְלֹ֑נָה
(eglona)
naar Eglon
וַיַּחֲנ֣וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
tegen haar
וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ
(vayilachamu)
en zij streden
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Zie Eglon (ligging onzeker): Eglon lag in de Sefela.

Tell Aitun en Tell el-Hesi zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

35Zij namen haar op die dag in en sloegen haar met de scherpte van het zwaard. Alle personen die erin waren, sloeg hij op die dag met de ban, net zoals hij met Lachis had gedaan.
וַֽיִּלְכְּד֜וּהָ
(vayilkeduha)
en zij namen haar in
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
וַיַּכּ֣וּהָ
(vayakuha)
en zij sloegen haar
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֔רֶב
(cherev)
het zwaard
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּ֣פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֔הּ
(bah)
daarin
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
הֶחֱרִ֑ים
(hecherim)
hij sloeg met de ban
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
net zoals alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij had gedaan
לְלָכִֽישׁ
(lelakhish)
met Lachis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Aanvullend

Jasher 89:34 bevestigt dit.

36Jozua trok met heel Israël van Eglon op naar Hebron. Zij streden tegen haar.
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en hij trok op
יְ֠הוֹשֻׁעַ
(yehoshua)
Jozua
וְכָֽל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
עִמּ֛וֹ
(imo)
met hem
מֵעֶגְל֖וֹנָה
(meeglona)
van Eglon
חֶבְר֑וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ
(vayilachamu)
en zij streden
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

37Zij namen haar in en sloegen haar met de scherpte van het zwaard. Dat deden zij ook met haar koning, met al haar steden en met alle personen die erin waren. Hij liet niemand over, net zoals hij met Eglon had gedaan. Hij sloeg haar met de ban, met alle personen die erin waren.
וַיִּלְכְּד֣וּהָ
(vayilkeduha)
en zij namen haar in
וַיַּכּֽוּהָ
(vayakuha)
en zij sloegen haar
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֠רֶב
(cherev)
het zwaard
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכָּ֨הּ
(malkah)
haar koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
עָרֶ֜יהָ
(areiha)
haar steden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּ֤פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּהּ֙
(bah)
daarin
לֹֽא
(lo)
niet
הִשְׁאִ֣יר
(hishir)
hij liet over
שָׂרִ֔יד
(sarid)
een overlevende
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
net zoals alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij had gedaan
לְעֶגְל֑וֹן
(leeglon)
met Eglon
וַיַּחֲרֵ֣ם
(vayacharem)
en hij sloeg met de ban
אוֹתָ֔הּ
(otah)
haar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּ֖פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 89:35 bevestigt dit.

Zie ookJas 89:35
38Daarna wendde Jozua zich met heel Israël naar Debir. Hij streed tegen haar.
וַיָּ֧שָׁב
(vayashav)
en hij wendde zich
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
דְּבִ֑רָה
(devira)
naar Debir
וַיִּלָּ֖חֶם
(vayilachem)
en hij streed
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron.

Dit is niet geheel zeker.

39Hij nam haar in, met haar koning en al haar steden. Zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard. Zij sloegen alle personen die erin waren met de ban. Niemand bleef over. Zoals hij met Hebron had gedaan, zo deed hij met Debir en haar koning, en zoals hij met Libna en haar koning had gedaan.
וַֽיִּלְכְּדָ֞הּ
(vayilkedah)
en hij nam haar in
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכָּ֤הּ
(malkah)
haar koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
עָרֶ֨יהָ֙
(areiha)
haar steden
וַיַּכּ֣וּם
(vayakum)
en zij sloegen hen
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֔רֶב
(cherev)
het zwaard
וַֽיַּחֲרִ֨ימוּ֙
(vayacharimu)
en zij sloegen met de ban
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
persoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֔הּ
(bah)
daarin
לֹ֥א
(lo)
niet
הִשְׁאִ֖יר
(hishir)
hij liet over
שָׂרִ֑יד
(sarid)
een overlevende
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֜ה
(asa)
hij had gedaan
לְחֶבְר֗וֹן
(lechevron)
met Hebron
כֵּן
(ken)
zo
עָשָׂ֤ה
(asa)
deed hij
לִדְבִ֨רָה֙
(lidvira)
met Debir
וּלְמַלְכָּ֔הּ
(ulemalkah)
en met haar koning
וְכַאֲשֶׁ֥ר
(vekhaasher)
en zoals
עָשָׂ֛ה
(asa)
hij had gedaan
לְלִבְנָ֖ה
(lelivna)
met Libna
וּלְמַלְכָּֽהּ
(ulemalkah)
en met haar koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron.

Dit is niet geheel zeker.

Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela.

Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker.

Aanvullend

Jasher 89:35–36 bevestigt dit.

Het hele zuiden is ingenomen

40Jozua sloeg het hele land: het bergland, de Negev, de Sefela en de berghellingen, met al hun koningen. Hij liet niemand over. Alles wat adem had, sloeg hij met de ban, zoals Yahweh, de Elohim van Israël, had geboden.
וַיַּכֶּ֣ה
(vayake)
en hij sloeg
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֡רֶץ
(haarets)
het land
הָהָר֩
(hahar)
het bergland
וְהַנֶּ֨גֶב
(vehanegev)
en de Negev
וְהַשְּׁפֵלָ֜ה
(vehashefela)
en de Sefela
וְהָאֲשֵׁד֗וֹת
(vehaashedot)
en de berghellingen
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
מַלְכֵיהֶ֔ם
(malkheihem)
hun koningen
לֹ֥א
(lo)
niet
הִשְׁאִ֖יר
(hishir)
hij liet over
שָׂרִ֑יד
(sarid)
een overlevende
וְאֵ֤ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
הַנְּשָׁמָה֙
(haneshama)
wat adem had
הֶחֱרִ֔ים
(hecherim)
hij sloeg met de ban
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֔ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda.

Uitleg

הָאֲשֵׁדוֹת (ha'ashedot), ‘de berghellingen’: de hellingen aan de rand van het bergland (vergelijk Deut. 3:17).

41Jozua sloeg hen van Kades-Barnea tot Gaza, en heel het land Gosen tot Gibeon.
וַיַּכֵּ֧ם
(vayakem)
en hij sloeg hen
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
מִקָּדֵ֥שׁ
(miqadesh)
van Kades
בַּרְנֵ֖עַ
(barnea)
Barnea
וְעַד
(vead)
en tot
עַזָּ֑ה
(aza)
Gaza
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land
גֹּ֖שֶׁן
(goshen)
Gosen
וְעַד
(vead)
en tot
גִּבְעֽוֹן
(givon)
Gibeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kades-Barnea ligt bij Ain el-Qudeirat in de Negev (Israël).

Gaza ligt aan de kust (Palestijnse gebieden).

Het land Gosen is hier een streek in het zuiden van Juda.

Het is niet het Gosen in Egypte.

De ligging is onzeker.

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

Aanvullend

Jasher 89:37 bevestigt dit.

42Al deze koningen en hun land nam Jozua in één keer in. Want Yahweh, de Elohim van Israël, streed voor Israël.
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
הַמְּלָכִ֤ים
(hamelakhim)
de koningen
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַרְצָ֔ם
(artsam)
hun land
לָכַ֥ד
(lakhad)
nam in
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
פַּ֣עַם
(paam)
keer
אֶחָ֑ת
(echat)
één
כִּ֗י
(ki)
want
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
נִלְחָ֖ם
(nilcham)
streed
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
voor Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 89:37 zegt ook dat Yahweh voor Israël streed.

43Jozua keerde met heel Israël terug naar het kamp bij Gilgal.
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het kamp
הַגִּלְגָּֽלָה
(hagilgala)
Gilgal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.