Elohim Bijbel

2 Samuël 2

123456789101112131415161718192021222324

David koning over Juda, de strijd bij Gibeon

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David wordt koning over Juda

1Daarna vroeg David aan Yahweh: „Zal ik omhoog gaan naar een van de steden van Juda?” Yahweh zei tegen hem: „Ga omhoog.” David zei: „Waarheen zal ik omhoog gaan?” Hij zei: „Naar Hebron.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֗ן
(ken)
dit
וַיִּשְׁאַל֩
(vayishal)
en vroeg
דָּוִ֨ד
(david)
David
בַּֽיהוָ֤ה
(baYahweh)
aan Yahweh
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggende
הַאֶעֱלֶ֗ה
(haeele)
zal ik omhoog gaan
בְּאַחַת֙
(beachat)
naar een
עָרֵ֣י
(arei)
van de steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
עֲלֵ֑ה
(ale)
ga omhoog
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֛ד
(david)
David
אָ֥נָה
(ana)
waarheen
אֶעֱלֶ֖ה
(eele)
zal ik omhoog gaan
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
חֶבְרֹֽנָה
(chevrona)
naar Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, in de Westelijke Jordaanoever.

Uitleg

David vraagt Yahweh om raad, zoals eerder in 1 Sam. 30:7–8.

Het antwoord staat in rood: Yahweh zelf spreekt.

In de tweede helft van het vers is het onderwerp van ‘en Hij zei’ niet genoemd.

Het is Yahweh, omdat Hij antwoord geeft.

2David ging daarheen omhoog, en ook zijn twee vrouwen: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vrouw van Nabal uit Karmel.
וַיַּ֤עַל
(vayaal)
en ging omhoog
שָׁם֙
(sham)
daarheen
דָּוִ֔ד
(david)
David
וְגַ֖ם
(vegam)
en ook
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
נָשָׁ֑יו
(nashav)
zijn vrouwen
אֲחִינֹ֨עַם֙
(achinoam)
Achinoam
הַיִּזְרְעֵלִ֔ית
(hayizreelit)
de Jizreëlitische
וַאֲבִיגַ֕יִל
(vaavigayil)
en Abigaïl
אֵ֖שֶׁת
(eshet)
vrouw van
נָבָ֥ל
(naval)
Nabal
הַֽכַּרְמְלִֽי
(hakarmeli)
de Karmeliet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dit Jizreël ligt in het bergland van Juda, in het zuiden.

Het is niet het Jizreël in het noorden, bij Gilboa.

Zie ook Joz. 15:56; 1 Sam. 25:43.

Karmel ligt ten zuiden van Hebron (1 Sam. 25:2).

3Ook zijn mannen die bij hem waren, liet David omhoog gaan, ieder met zijn huisgezin. Zij gingen wonen in de steden van Hebron.
וַאֲנָשָׁ֧יו
(vaanashav)
en zijn mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עִמּ֛וֹ
(imo)
met hem
הֶעֱלָ֥ה
(heela)
liet omhoog gaan
דָוִ֖ד
(david)
David
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וּבֵית֑וֹ
(uveito)
en zijn huis
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zij gingen wonen
בְּעָרֵ֥י
(bearei)
in de steden van
חֶבְרֽוֹן
(chevron)
Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

David en de mannen van Jabes in Gilead

4De mannen van Juda kwamen en zalfden daar David tot koning over het huis van Juda. Men vertelde David: „De mannen van Jabes in Gilead hebben Saul begraven.”
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij kwamen
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַיִּמְשְׁחוּ
(vayimshechu)
en zij zalfden
שָׁ֧ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֛ד
(david)
David
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיַּגִּ֤דוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
לְדָוִד֙
(ledavid)
aan David
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אַנְשֵׁי֙
(anshei)
mannen van
יָבֵ֣ישׁ
(yaveish)
Jabes
גִּלְעָ֔ד
(gilad)
Gilead
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
קָבְר֖וּ
(qaveru)
begroeven
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.

De plek is niet zeker; Tell Maqlub wordt voorgesteld.

Zie ook 1 Sam. 31:11–13.

5David stuurde boden naar de mannen van Jabes in Gilead. Hij zei tegen hen: „Gezegend zijn jullie voor Yahweh, omdat jullie deze trouw hebben bewezen aan jullie heer, aan Saul, en hem hebben begraven.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en zond
דָּוִד֙
(david)
David
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
tot
אַנְשֵׁ֖י
(anshei)
mannen van
יָבֵ֣ישׁ
(yaveish)
Jabes
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
בְּרֻכִ֤ים
(berukhim)
gezegend
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עֲשִׂיתֶ֜ם
(asitem)
jullie hebben gedaan
הַחֶ֣סֶד
(hachesed)
de trouw
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
עִם
(im)
met
אֲדֹֽנֵיכֶם֙
(adoneikhem)
jullie heer
עִם
(im)
met
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַֽתִּקְבְּר֖וּ
(vatiqberu)
en jullie begroeven
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.

Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: trouwe liefde die een ander niet in de steek laat.

Zie ook 1 Sam. 31:11–13.

6Nu, moge Yahweh jullie trouw en waarheid bewijzen. Ook ik zal jullie dit goede doen, omdat jullie deze daad hebben gedaan.
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
יַֽעַשׂ
(yaas)
moge doen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּכֶ֖ם
(imakhem)
met jullie
חֶ֣סֶד
(chesed)
trouw
וֶאֱמֶ֑ת
(veemet)
en waarheid
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
אֶעֱשֶׂ֤ה
(eese)
zal doen
אִתְּכֶם֙
(itekhem)
met jullie
הַטּוֹבָ֣ה
(hatova)
het goede
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עֲשִׂיתֶ֖ם
(asitem)
jullie hebben gedaan
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de daad
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Nu, laat jullie handen sterk zijn en wees dappere mannen. Want Saul, jullie heer, is gestorven. Ook mij heeft het huis van Juda gezalfd tot koning over hen.”
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
תֶּחֱזַ֣קְנָה
(techezaqna)
laat sterk zijn
יְדֵיכֶ֗ם
(yedeikhem)
jullie handen
וִֽהְיוּ֙
(vihyu)
en wees
לִבְנֵי
(livnei)
tot zonen van
חַ֔יִל
(chayil)
kracht
כִּי
(ki)
want
מֵ֖ת
(met)
is gestorven
אֲדֹנֵיכֶ֣ם
(adoneikhem)
jullie heer
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וְגַם
(vegam)
en ook
אֹתִ֗י
(oti)
mij
מָשְׁח֧וּ
(mashechu)
zij hebben gezalfd
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Is-Bosjet wordt koning over Israël

8Abner, de zoon van Ner, de aanvoerder van het leger van Saul, nam Is-Bosjet, de zoon van Saul, en bracht hem over naar Machanajim.
וְאַבְנֵ֣ר
(veavner)
en Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֔ר
(ner)
Ner
שַׂר
(sar)
aanvoerder van
צָבָ֖א
(tsava)
het leger
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לְשָׁא֑וּל
(leshaul)
van Saul
לָקַ֗ח
(laqach)
nam
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֥ישׁ
(ish)
Is
בֹּ֨שֶׁת֙
(boshet)
Bosjet
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיַּעֲבִרֵ֖הוּ
(vayaavirehu)
en bracht hem over
מַחֲנָֽיִם
(machanayim)
Machanajim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Machanajim lag ten oosten van de Jordaan, in Gilead, in het huidige Jordanië.

De juiste plek is niet zeker; Tell edh-Dhahab el-Gharbi wordt voorgesteld.

Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

אִישׁ בֹּשֶׁת (Ish-Bosjet), ‘man van schande’: in 1 Kron. 8:33 heet hij Esbaäl.

Het woord bosjet, ‘schande’, kan later in de plaats van Baäl zijn gekomen.

9Hij maakte hem koning over Gilead, over de Asjurieten, over Jizreël, over Efraïm, over Benjamin en over heel Israël.
וַיַּמְלִכֵ֨הוּ֙
(vayamlikhehu)
en hij maakte hem koning
אֶל
(el)
over
הַגִּלְעָ֔ד
(hagilad)
het Gilead
וְאֶל
(veel)
en over
הָאֲשׁוּרִ֖י
(haashuri)
de Asjuriet
וְאֶֽל
(veel)
en over
יִזְרְעֶ֑אל
(yizreel)
Jizreël
וְעַל
(veal)
en over
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
וְעַל
(veal)
en over
בִּנְיָמִ֔ן
(binyamin)
Benjamin
וְעַל
(veal)
en over
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כֻּלֹּֽה
(kulo)
geheel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.

Lezing

הָאֲשׁוּרִי (haashuri), ‘de Asjurieten’.

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘Gesurieten’ of een andere naam.

Wij volgen de Masoretische tekst.

De plek is onzeker.

10Is-Bosjet, de zoon van Saul, was 40 jaar oud toen hij koning werd over Israël. Hij regeerde 2 jaar. Alleen het huis van Juda volgde David.
בֶּן
(ben)
zoon van
אַרְבָּעִ֨ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֜ה
(shana)
jaar
אִֽישׁ
(ish)
Is
בֹּ֣שֶׁת
(boshet)
Bosjet
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
בְּמָלְכוֹ֙
(bemalekho)
toen hij koning werd
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּשְׁתַּ֥יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaar
מָלָ֑ךְ
(malakh)
regeerde hij
אַ֚ךְ
(akh)
alleen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הָי֖וּ
(hayu)
waren
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
דָוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Is-Bosjet regeerde 2 jaar over Israël.

David was 7 jaar en 6 maanden koning in Hebron (vers 11).

Het verschil tussen 2 jaar en ruim 7 jaar is niet met zekerheid te verklaren.

Zie ook2 Sam 2:11
11Het aantal dagen dat David koning was in Hebron over het huis van Juda: 7 jaar en 6 maanden.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
מִסְפַּ֣ר
(mispar)
het aantal van
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
הָיָ֨ה
(haya)
was
דָוִ֥ד
(david)
David
מֶ֛לֶךְ
(melekh)
koning
בְּחֶבְר֖וֹן
(bechevron)
in Hebron
עַל
(al)
over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaar
וְשִׁשָּׁ֥ה
(veshisha)
en zes
חֳדָשִֽׁים
(chodashim)
maanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

De strijd bij de vijver van Gibeon

12Abner, de zoon van Ner, trok met de dienaren van Is-Bosjet, de zoon van Saul, uit Machanajim naar Gibeon.
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en ging uit
אַבְנֵ֣ר
(avner)
Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֔ר
(ner)
Ner
וְעַבְדֵ֖י
(veavdei)
en dienaren van
אִֽישׁ
(ish)
Is
בֹּ֣שֶׁת
(boshet)
Bosjet
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
מִֽמַּחֲנַ֖יִם
(mimachanayim)
uit Machanajim
גִּבְעֽוֹנָה
(givona)
naar Gibeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

13Ook Joab, de zoon van Zeruja, en de dienaren van David trokken eropuit. Zij ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon, samen. De ene groep ging zitten aan de ene kant van de vijver, de andere groep aan de andere kant.
וְיוֹאָ֨ב
(veyoav)
en Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֜ה
(tseruya)
Zeruja
וְעַבְדֵ֤י
(veavdei)
en dienaren van
דָוִד֙
(david)
David
יָֽצְא֔וּ
(yatseu)
gingen uit
וַֽיִּפְגְּשׁ֛וּם
(vayifgeshum)
en zij ontmoetten hen
עַל
(al)
bij
בְּרֵכַ֥ת
(berekhat)
de vijver van
גִּבְע֖וֹן
(givon)
Gibeon
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
וַיֵּ֨שְׁב֜וּ
(vayeshevu)
en zij gingen zitten
אֵ֤לֶּה
(ele)
dezen
עַל
(al)
bij
הַבְּרֵכָה֙
(haberekha)
de vijver
מִזֶּ֔ה
(mize)
aan deze kant
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
en dezen
עַל
(al)
bij
הַבְּרֵכָ֖ה
(haberekha)
de vijver
מִזֶּֽה
(mize)
aan gene kant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De vijver van Gibeon ligt bij el-Jib, ongeveer 10 kilometer ten noordwesten van Jeruzalem, in de Westelijke Jordaanoever.

14Abner zei tegen Joab: „Laten de jongens toch opstaan en voor ons spelen.” Joab zei: „Laten zij opstaan.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אַבְנֵר֙
(avner)
Abner
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
יָק֤וּמוּ
(yaqumu)
laten opstaan
נָא֙
(na)
toch
הַנְּעָרִ֔ים
(hanearim)
de jongens
וִֽישַׂחֲק֖וּ
(visachaqu)
en laten spelen
לְפָנֵ֑ינוּ
(lefaneinu)
voor ons
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
יָקֻֽמוּ
(yaqumu)
laten opstaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂחַק (sachaq), ‘spelen’: hier gaat het om een strijdspel tussen twee groepen.

Het loopt uit op een gevecht op leven en dood (vers 16).

15Zij stonden op en gingen naar voren, op getal. Er waren 12 voor Benjamin en voor Is-Bosjet, de zoon van Saul, en 12 van de dienaren van David.
וַיָּקֻ֖מוּ
(vayaqumu)
en zij stonden op
וַיַּעַבְר֣וּ
(vayaavru)
en zij trokken over
בְמִסְפָּ֑ר
(bemispar)
in getal
שְׁנֵ֧ים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֣ר
(asar)
tien
לְבִנְיָמִ֗ן
(levinyamin)
voor Benjamin
וּלְאִ֥ישׁ
(uleish)
en voor Is
בֹּ֨שֶׁת֙
(boshet)
Bosjet
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וּשְׁנֵ֥ים
(usheneim)
en twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
מֵעַבְדֵ֥י
(meavdei)
van de dienaren van
דָוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Ieder greep de ander bij het hoofd, met zijn zwaard in de zij van de ander. Zo vielen zij samen. Men noemde die plaats Chelkat-Hatsurim. Zij ligt bij Gibeon.
וַֽיַּחֲזִ֜קוּ
(vayachaziqu)
en zij grepen vast
אִ֣ישׁ
(ish)
man
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
bij het hoofd van
רֵעֵ֗הוּ
(reehu)
zijn naaste
וְחַרְבּוֹ֙
(vecharbo)
en zijn zwaard
בְּצַ֣ד
(betsad)
in de zij van
רֵעֵ֔הוּ
(reehu)
zijn naaste
וַֽיִּפְּל֖וּ
(vayipelu)
en zij vielen
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en men noemde
לַמָּק֣וֹם
(lamaqom)
de plaats
הַה֔וּא
(hahu)
die
חֶלְקַ֥ת
(chelqat)
Chelkat
הַצֻּרִ֖ים
(hatsurim)
Hatsurim
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּגִבְעֽוֹן
(begivon)
bij Gibeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chelkat-Hatsurim lag bij Gibeon.

De plek is niet bekend.

Uitleg

חֶלְקַת הַצֻּרִים (chelqat hatsurim), ‘Chelkat-Hatsurim’: waarschijnlijk ‘het veld van de rotsen’ of ‘het veld van de scherpe zwaarden’.

De betekenis is onzeker.

17Die dag was de strijd zeer zwaar. Abner en de mannen van Israël werden verslagen door de dienaren van David.
וַתְּהִ֧י
(vatehi)
en was
הַמִּלְחָמָ֛ה
(hamilchama)
de strijd
קָשָׁ֥ה
(qasha)
hard
עַד
(ad)
tot
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַיִּנָּ֤גֶף
(vayinagef)
en werd verslagen
אַבְנֵר֙
(avner)
Abner
וְאַנְשֵׁ֣י
(veanshei)
en mannen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
עַבְדֵ֥י
(avdei)
dienaren van
דָוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ook2 Sam 3:1

Asaël achtervolgt Abner

18De drie zonen van Zeruja waren daar: Joab, Abisai en Asaël. Asaël was snel op zijn voeten, als een van de gazellen in het veld.
וַיִּֽהְיוּ
(vayihyu)
en waren
שָׁ֗ם
(sham)
daar
שְׁלֹשָׁה֙
(shelosha)
drie
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
צְרוּיָ֔ה
(tseruya)
Zeruja
יוֹאָ֥ב
(yoav)
Joab
וַאֲבִישַׁ֖י
(vaavishay)
en Abisai
וַעֲשָׂהאֵ֑ל
(vaasahel)
en Asaël
וַעֲשָׂהאֵל֙
(vaasahel)
en Asaël
קַ֣ל
(qal)
licht
בְּרַגְלָ֔יו
(beraglav)
op zijn voeten
כְּאַחַ֥ד
(keachad)
als een
הַצְּבָיִ֖ם
(hatsevayim)
van de gazellen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בַּשָּׂדֶֽה
(basade)
in het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zeruja was een zuster van David (1 Kron. 2:16).

Haar drie zonen waren dus neven van David.

19Asaël achtervolgde Abner. Hij week niet af naar rechts of naar links, weg van Abner.
וַיִּרְדֹּ֥ף
(vayirdof)
en achtervolgde
עֲשָׂהאֵ֖ל
(asahel)
Asaël
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אַבְנֵ֑ר
(avner)
Abner
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נָטָ֣ה
(nata)
week af
לָלֶ֗כֶת
(lalekhet)
om te gaan
עַל
(al)
naar
הַיָּמִין֙
(hayamin)
rechts
וְעַֽל
(veal)
en naar
הַשְּׂמֹ֔אול
(hasemovl)
links
מֵאַחֲרֵ֖י
(meacharei)
van achter
אַבְנֵֽר
(avner)
Abner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Abner keek achterom en zei: „Ben jij dat, Asaël?” Hij zei: „Ik ben het.”
וַיִּ֤פֶן
(vayifen)
en keerde zich om
אַבְנֵר֙
(avner)
Abner
אַֽחֲרָ֔יו
(acharav)
achter hem
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
הַאַתָּ֥ה
(haata)
ben jij
זֶ֖ה
(ze)
dit
עֲשָׂהאֵ֑ל
(asahel)
Asaël
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָנֹֽכִי
(anokhi)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Abner zei tegen hem: „Wijk af naar rechts of naar links. Grijp een van de jongens en neem zijn wapenrusting.” Maar Asaël wilde niet van hem afwijken.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
אַבְנֵ֗ר
(avner)
Abner
נְטֵ֤ה
(nete)
wijk af
לְךָ֙
(lekha)
voor jezelf
עַל
(al)
naar
יְמִֽינְךָ֙
(yeminekha)
je rechterhand
א֣וֹ
(o)
of
עַל
(al)
naar
שְׂמֹאלֶ֔ךָ
(semolekha)
je linkerhand
וֶאֱחֹ֣ז
(veechoz)
en grijp
לְךָ֗
(lekha)
voor jezelf
אֶחָד֙
(echad)
een
מֵֽהַנְּעָרִ֔ים
(mehanearim)
van de jongens
וְקַח
(veqach)
en neem
לְךָ֖
(lekha)
voor jezelf
אֶת
(et)
(obj.)
חֲלִצָת֑וֹ
(chalitsato)
zijn wapenrusting
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָבָ֣ה
(ava)
wilde
עֲשָׂהאֵ֔ל
(asahel)
Asaël
לָס֖וּר
(lasur)
om af te wijken
מֵאַחֲרָֽיו
(meacharav)
van achter hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookRe 14:19
22Abner zei nogmaals tegen Asaël: „Wijk van mij af. Waarom zou ik je tegen de grond slaan? Hoe zou ik dan mijn gezicht kunnen opheffen tegenover Joab, je broer?”
וַיֹּ֧סֶף
(vayosef)
en voegde toe
ע֣וֹד
(od)
nogmaals
אַבְנֵ֗ר
(avner)
Abner
לֵאמֹר֙
(lemor)
om te zeggen
אֶל
(el)
tot
עֲשָׂהאֵ֔ל
(asahel)
Asaël
ס֥וּר
(sur)
wijk af
לְךָ֖
(lekha)
voor jezelf
מֵאַֽחֲרָ֑י
(meacharay)
van achter mij
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
אַכֶּ֨כָּה֙
(akeka)
zou ik slaan
אַ֔רְצָה
(artsa)
ter aarde
וְאֵיךְ֙
(veeikh)
en hoe
אֶשָּׂ֣א
(esa)
zal ik opheffen
פָנַ֔י
(panay)
mijn gezicht
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
אָחִֽיךָ
(achikha)
je broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Maar hij weigerde af te wijken. Toen stak Abner hem met het achtereinde van de speer in de buik. De speer kwam aan zijn rug uit. Asaël viel daar neer en stierf ter plekke. Ieder die kwam op de plaats waar Asaël gevallen en gestorven was, bleef staan.
וַיְמָאֵ֣ן
(vaymaen)
en weigerde
לָס֗וּר
(lasur)
om af te wijken
וַיַּכֵּ֣הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
אַבְנֵר֩
(avner)
Abner
בְּאַחֲרֵ֨י
(beacharei)
met het achtereinde van
הַחֲנִ֜ית
(hachanit)
de speer
אֶל
(el)
in
הַחֹ֗מֶשׁ
(hachomesh)
de buik
וַתֵּצֵ֤א
(vatetse)
en kwam uit
הַֽחֲנִית֙
(hachanit)
de speer
מֵאַחֲרָ֔יו
(meacharav)
van achter hem
וַיִּפָּל
(vayipal)
en hij viel
שָׁ֖ם
(sham)
daar
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
תַּחְתָּ֑יו
(tachtav)
ter plekke
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כָּל
(kal)
ieder
הַבָּ֣א
(haba)
die kwam
אֶֽל
(el)
naar
הַמָּקוֹם֩
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
נָ֨פַל
(nafal)
was gevallen
שָׁ֧ם
(sham)
daar
עֲשָׂהאֵ֛ל
(asahel)
Asaël
וַיָּמֹ֖ת
(vayamot)
en was gestorven
וַֽיַּעֲמֹֽדוּ
(vayaamodu)
en zij bleven staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַחֹמֶשׁ (hachomesh), ‘de buik’: de betekenis van dit woord is onzeker.

Het kan ook ‘de onderbuik’ of ‘de vijfde rib’ zijn.

Wij vertalen overal ‘de buik’.

Het woord staat ook in 2 Sam. 3:27 en 4:6.

Abner en Joab houden op met vechten

24Joab en Abisai achtervolgden Abner. De zon ging onder toen zij bij de heuvel Amma kwamen, die tegenover Giach ligt, aan de weg naar de woestijn van Gibeon.
וַֽיִּרְדְּפ֛וּ
(vayirdefu)
en achtervolgden
יוֹאָ֥ב
(yoav)
Joab
וַאֲבִישַׁ֖י
(vaavishay)
en Abisai
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אַבְנֵ֑ר
(avner)
Abner
וְהַשֶּׁ֣מֶשׁ
(vehashemesh)
en de zon
בָּ֔אָה
(baa)
ging onder
וְהֵ֗מָּה
(vehema)
en zij
בָּ֚אוּ
(bau)
kwamen
עַד
(ad)
tot
גִּבְעַ֣ת
(givat)
de heuvel van
אַמָּ֔ה
(ama)
Amma
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
tegenover
פְּנֵי
(penei)
het gezicht van
גִ֔יחַ
(giach)
Giach
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
weg van
מִדְבַּ֥ר
(midbar)
de woestijn van
גִּבְעֽוֹן
(givon)
Gibeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Amma en Giach zijn onbekend.

Ze lagen aan de weg naar de woestijn van Gibeon.

Zie Heuvel Amma en Giach (ligging onzeker): De heuvel Amma en Giach lagen aan de weg naar de woestijn van Gibeon.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Woestijn van Gibeon: De woestijn van Gibeon is het steppegebied ten oosten van Gibeon, richting het Jordaandal.

25De zonen van Benjamin verzamelden zich achter Abner. Zij werden één groep en bleven staan op de top van een heuvel.
וַיִּֽתְקַבְּצ֤וּ
(vayitqabetsu)
en verzamelden zich
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
בִנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אַבְנֵ֔ר
(avner)
Abner
וַיִּהְי֖וּ
(vayihyu)
en werden
לַאֲגֻדָּ֣ה
(laaguda)
tot een groep
אֶחָ֑ת
(echat)
één
וַיַּ֣עַמְד֔וּ
(vayaamdu)
en bleven staan
עַ֥ל
(al)
op
רֹאשׁ
(rosh)
de top van
גִּבְעָ֖ה
(giva)
een heuvel
אֶחָֽת
(echat)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Abner riep Joab toe en zei: „Moet het zwaard voor altijd verslinden? Weet je niet dat het uiteindelijk bitter zal zijn? Hoe lang nog zeg je het volk niet dat het moet ophouden hun broers te achtervolgen?”
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en riep
אַבְנֵ֜ר
(avner)
Abner
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
הֲלָנֶ֨צַח֙
(halanetsach)
voor altijd
תֹּ֣אכַל
(tokhal)
zal verslinden
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
יָדַ֔עְתָּה
(yadata)
weet je
כִּֽי
(ki)
dat
מָרָ֥ה
(mara)
bitterheid
תִהְיֶ֖ה
(tihye)
zal zijn
בָּאַחֲרוֹנָ֑ה
(baacharona)
aan het einde
וְעַד
(vead)
en tot
מָתַי֙
(matay)
wanneer
לֹֽא
(lo)
niet
תֹאמַ֣ר
(tomar)
zul je zeggen
לָעָ֔ם
(laam)
tegen het volk
לָשׁ֖וּב
(lashuv)
om terug te keren
מֵאַחֲרֵ֥י
(meacharei)
van achter
אֲחֵיהֶֽם
(acheihem)
hun broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin ‘Hoe lang nog zeg je het volk niet…’ is een verwijt.

Abner vraagt Joab dit gevecht te stoppen.

27Joab zei: „Zo waar Elohim leeft: als jij niet gesproken had, dan zou het volk al vanmorgen zijn weggetrokken. Niemand zou nog zijn broer hebben achtervolgd.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
חַ֚י
(chay)
levend
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
כִּ֥י
(ki)
dat
לוּלֵ֖א
(lule)
als niet
דִּבַּ֑רְתָּ
(dibarta)
je had gesproken
כִּ֣י
(ki)
dat
אָ֤ז
(az)
dan
מֵֽהַבֹּ֨קֶר֙
(mehaboqer)
van de morgen
נַעֲלָ֣ה
(naala)
zou zijn weggetrokken
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אִ֖ישׁ
(ish)
man
מֵאַחֲרֵ֥י
(meacharei)
van achter
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws is kort: ‘vanaf de morgen’.

Dat kan ‘al vanmorgen’ betekenen, maar ook ‘morgenochtend’.

Wij vertalen ‘al vanmorgen’.

28Joab blies op de ramshoorn en heel het volk bleef staan. Zij achtervolgden Israël niet meer en zetten de strijd niet meer voort.
וַיִּתְקַ֤ע
(vayitqa)
en blies
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
בַּשּׁוֹפָ֔ר
(bashofar)
op de ramshoorn
וַיַּֽעַמְדוּ֙
(vayaamdu)
en bleven staan
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִרְדְּפ֥וּ
(yirdefu)
achtervolgden zij
ע֖וֹד
(od)
meer
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָסְפ֥וּ
(yasefu)
zetten zij voort
ע֖וֹד
(od)
meer
לְהִלָּחֵֽם
(lehilachem)
om te strijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Abner en zijn mannen liepen die hele nacht door de Araba. Zij staken de Jordaan over, trokken door heel Bitron en kwamen in Machanajim.
וְאַבְנֵ֣ר
(veavner)
en Abner
וַֽאֲנָשָׁ֗יו
(vaanashav)
en zijn mannen
הָֽלְכוּ֙
(halekhu)
gingen
בָּֽעֲרָבָ֔ה
(baarava)
door de Araba
כֹּ֖ל
(kol)
heel
הַלַּ֣יְלָה
(halayla)
de nacht
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַיַּעַבְר֣וּ
(vayaavru)
en zij staken over
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֗ן
(hayarden)
de Jordaan
וַיֵּֽלְכוּ֙
(vayelekhu)
en zij gingen
כָּל
(kal)
heel
הַבִּתְר֔וֹן
(habitron)
de Bitron
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
מַחֲנָֽיִם
(machanayim)
Machanajim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bitron is een onbekend gebied, vermoedelijk ten oosten van de Jordaan, op de weg naar Machanajim.

De Araba is hier de diepe vallei van de Jordaan.

Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok.

De precieze plaats is niet zeker.

30Joab keerde terug van het achtervolgen van Abner en verzamelde het hele volk. Van de dienaren van David ontbraken 19 man en Asaël.
וְיוֹאָ֗ב
(veyoav)
en Joab
שָׁ֚ב
(shav)
keerde terug
מֵאַחֲרֵ֣י
(meacharei)
van achter
אַבְנֵ֔ר
(avner)
Abner
וַיִּקְבֹּ֖ץ
(vayiqbots)
en verzamelde
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיִּפָּ֨קְד֜וּ
(vayipaqedu)
en werden gemist
מֵעַבְדֵ֥י
(meavdei)
van de dienaren van
דָוִ֛ד
(david)
David
תִּשְׁעָֽה
(tisha)
negen
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
אִ֖ישׁ
(ish)
man
וַעֲשָׂה
(vaasa)
en Asa
אֵֽל
(el)
ël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt: ‘19 man en Asaël’.

Dat kan betekenen: 19 man naast Asaël.

31De dienaren van David hadden van Benjamin en van de mannen van Abner 360 man verslagen. Die waren gestorven.
וְעַבְדֵ֣י
(veavdei)
en dienaren van
דָוִ֗ד
(david)
David
הִכּוּ֙
(hiku)
hadden geslagen
מִבִּנְיָמִ֔ן
(mibinyamin)
van Benjamin
וּבְאַנְשֵׁ֖י
(uveanshei)
en onder de mannen van
אַבְנֵ֑ר
(avner)
Abner
שְׁלֹשׁ
(shelosh)
drie
מֵא֧וֹת
(meot)
honderd
וְשִׁשִּׁ֛ים
(veshishim)
en zestig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
מֵֽתוּ
(metu)
zij zijn gestorven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Zij namen Asaël op en begroeven hem in het graf van zijn vader in Betlehem. Joab en zijn mannen liepen de hele nacht door. Toen het licht werd, waren zij in Hebron.
וַיִּשְׂאוּ֙
(vayisu)
en zij droegen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲשָׂהאֵ֔ל
(asahel)
Asaël
וַֽיִּקְבְּרֻ֨הוּ֙
(vayiqberuhu)
en begroeven hem
בְּקֶ֣בֶר
(beqever)
in het graf van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
בֵּ֣ית
(beit)
in Bet
לָ֑חֶם
(lachem)
Lechem
וַיֵּלְכ֣וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
כָל
(kal)
heel
הַלַּ֗יְלָה
(halayla)
de nacht
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
וַֽאֲנָשָׁ֔יו
(vaanashav)
en zijn mannen
וַיֵּאֹ֥ר
(vayeor)
en werd licht
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
בְּחֶבְרֽוֹן
(bechevron)
in Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betlehem ligt ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, in de Westelijke Jordaanoever.

Zie ook Rut 1:1.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.