Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David wordt sterker
1De oorlog tussen het huis van Saul en het huis van David duurde lang. David werd steeds sterker, maar het huis van Saul werd steeds zwakker.
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en was
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de oorlog
אֲרֻכָּ֔ה
(aruka)
lang
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וְדָוִד֙
(vedavid)
en David
הֹלֵ֣ךְ
(holekh)
ging
וְחָזֵ֔ק
(vechazeq)
en werd sterk
וּבֵ֥ית
(uveit)
en het huis van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
הֹלְכִ֥ים
(holekhim)
gingen
וְדַלִּֽים
(vedalim)
en werden zwak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3De tweede was Kileab, van Abigaïl, de vrouw van Nabal uit Karmel. De derde was Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning van Gesur.
וּמִשְׁנֵ֣הוּ
(umishnehu)
en zijn tweede
כִלְאָ֔ב
(kilav)
Kileab
לַאֲֽבִיגַ֕יִל
(laavigayil)
van Abigaïl
אֵ֖שֶׁת
(eshet)
vrouw van
נָבָ֣ל
(naval)
Nabal
הַֽכַּרְמְלִ֑י
(hakarmeli)
de Karmeliet
וְהַשְּׁלִשִׁי֙
(vehashelishi)
en de derde
אַבְשָׁל֣וֹם
(avshalom)
Absalom
בֶּֽן
(ben)
zoon van
מַעֲכָ֔ה
(maakha)
Maächa
בַּת
(bat)
dochter van
תַּלְמַ֖י
(talmay)
Talmai
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
גְּשֽׁוּר
(geshur)
Gesur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gesur was een klein koninkrijk ten oosten van de Jordaan, bij de Golan.
Het ligt in het huidige Syrië of Israël.
De grenzen zijn niet precies bekend.
Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron.
Uitleg
De geschreven tekst heeft hier een iets andere spelling van Abigaïl.
8Abner werd zeer kwaad over de woorden van Is-Bosjet. Hij zei: „Ben ik een hondenkop van Juda? Vandaag bewijs ik trouw aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broers en aan zijn vrienden. Ik heb u niet in de hand van David laten belanden. En toch legt u mij vandaag de schuld van deze vrouw ten laste?
וַיִּחַר֩
(vayichar)
en werd kwaad
לְאַבְנֵ֨ר
(leavner)
voor Abner
מְאֹ֜ד
(meod)
zeer
עַל
(al)
over
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
אִֽישׁ
(ish)
Is
בֹּ֗שֶׁת
(boshet)
Bosjet
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הֲרֹ֨אשׁ
(harosh)
het hoofd van
כֶּ֥לֶב
(kelev)
hond
אָנֹ֘כִי֮
(anokhi)
ben ik
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לִֽיהוּדָה֒
(lihuda)
van Juda
הַיּ֨וֹם
(hayom)
vandaag
אֶֽעֱשֶׂה
(eese)
bewijs ik
חֶ֜סֶד
(chesed)
trouw
עִם
(im)
met
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
אָבִ֗יךָ
(avikha)
je vader
אֶל
(el)
aan
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
וְאֶל
(veel)
en aan
מֵ֣רֵעֵ֔הוּ
(mereehu)
zijn vrienden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הִמְצִיתִ֖ךָ
(himtsitikha)
heb ik je laten vinden
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַתִּפְקֹ֥ד
(vatifqod)
en je legt ten laste
עָלַ֛י
(alay)
mij
עֲוֺ֥ן
(avon)
schuld
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
van de vrouw
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֹאשׁ כֶּלֶב (rosh keleb), ‘hondenkop’: een scheldwoord voor een verachtelijk mens.
De zin ‘van Juda’ is niet helder.
Abner vraagt: ben ik iemand van Juda, een vijand van het huis van Saul?
11Hij kon Abner geen woord meer antwoorden, uit angst voor hem.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָכֹ֣ל
(yakhol)
kon hij
ע֔וֹד
(od)
meer
לְהָשִׁ֥יב
(lehashiv)
antwoorden
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֖ר
(avner)
Abner
דָּבָ֑ר
(davar)
een woord
מִיִּרְאָת֖וֹ
(miyirato)
uit angst voor hem
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Abner sluit zich aan bij David
12Abner stuurde namens zichzelf boden naar David om te zeggen: „Van wie is het land?” Hij liet erbij zeggen: „Sluit een verbond met mij. Zie, mijn hand is met u, om heel Israël naar u toe te brengen.”
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en zond
אַבְנֵ֨ר
(avner)
Abner
מַלְאָכִ֧ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֛ד
(david)
David
תַּחְתָּ֥יו
(tachtav)
namens zichzelf
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
לְמִי
(lemi)
van wie
אָ֑רֶץ
(arets)
het land
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כָּרְתָ֤ה
(kareta)
sluit
בְרִֽיתְךָ֙
(beritekha)
je verbond
אִתִּ֔י
(iti)
met mij
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
יָדִ֣י
(yadi)
mijn hand
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met jou
לְהָסֵ֥ב
(lehasev)
om terug te brengen
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot jou
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
תַּחְתָּיו (tachtav), ‘namens zichzelf’: het Hebreeuws zegt letterlijk ‘onder hem’.
De betekenis is onzeker.
Het kan ook ‘ter plekke’ of ‘in zijn plaats’ betekenen.
13David zei: „Goed. Ik zal een verbond met je sluiten. Maar één ding vraag ik van je. Je zult mijn gezicht niet zien, tenzij je eerst Michal, de dochter van Saul, meebrengt wanneer je komt om mijn gezicht te zien.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ט֔וֹב
(tov)
goed
אֲנִ֕י
(ani)
ik
אֶכְרֹ֥ת
(ekhrot)
zal sluiten
אִתְּךָ֖
(itekha)
met jou
בְּרִ֑ית
(berit)
verbond
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
דָּבָ֣ר
(davar)
zaak
אֶחָ֡ד
(echad)
één
אָנֹכִי֩
(anokhi)
ik
שֹׁאֵ֨ל
(shoel)
vraag
מֵאִתְּךָ֤
(meitekha)
van jou
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
תִרְאֶ֣ה
(tire)
zul je zien
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנַ֔י
(panay)
mijn gezicht
כִּ֣י
(ki)
tenzij
אִם
(im)
indien
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
eerst
הֱבִיאֲךָ֗
(heviakha)
je brengt
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מִיכַ֣ל
(mikhal)
Michal
בַּת
(bat)
dochter van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
בְּבֹאֲךָ֖
(bevoakha)
bij je komen
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנָֽי
(panay)
mijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Michal was de dochter van Saul en eerder Davids vrouw.
14David stuurde boden naar Is-Bosjet, de zoon van Saul. Hij liet zeggen: „Geef mij mijn vrouw Michal, met wie ik mij verloofd heb voor 100 voorhuiden van de Filistijnen.”
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en zond
דָּוִד֙
(david)
David
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
tot
אִֽישׁ
(ish)
Is
בֹּ֥שֶׁת
(boshet)
Bosjet
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
תְּנָ֤ה
(tena)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתִּי֙
(ishti)
mijn vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
מִיכַ֔ל
(mikhal)
Michal
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
אֵרַ֣שְׂתִּי
(erasti)
ik heb mij verloofd
לִ֔י
(li)
voor mij
בְּמֵאָ֖ה
(bemea)
met honderd
עָרְל֥וֹת
(arelot)
voorhuiden van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
עָרְלוֹת (orlot), ‘voorhuiden’: Saul vroeg 100 voorhuiden van Filistijnen als bruidsprijs voor Michal.
17Abner sprak met de oudsten van Israël. Hij zei: „Al gisteren en eergisteren zochten jullie David als koning over jullie.
וּדְבַר
(udevar)
en het woord van
אַבְנֵ֣ר
(avner)
Abner
הָיָ֔ה
(haya)
was
עִם
(im)
met
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
גַּם
(gam)
ook
תְּמוֹל֙
(temol)
gisteren
גַּם
(gam)
ook
שִׁלְשֹׁ֔ם
(shilshom)
eergisteren
הֱיִיתֶ֞ם
(heyitem)
waren jullie
מְבַקְשִׁ֧ים
(mevaqshim)
zoekende
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֛ד
(david)
David
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
over jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Gisteren en eergisteren’ is een Hebreeuws gezegde voor ‘al enige tijd’.
18Doe het nu. Want Yahweh heeft tegen David gezegd: ‘Door de hand van David, Mijn dienaar, zal Ik Mijn volk Israël redden. Ik zal het redden uit de hand van de Filistijnen en uit de hand van al hun vijanden.’”
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
עֲשׂ֑וּ
(asu)
doe
כִּ֣י
(ki)
want
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אָמַ֤ר
(amar)
heeft gezegd
אֶל
(el)
tot
דָּוִד֙
(david)
David
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
דָּוִ֣ד
(david)
David
עַבְדִּ֗י
(avdi)
Mijn dienaar
הוֹשִׁ֜יעַ
(hoshia)
redden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֤י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וּמִיַּ֖ד
(umiyad)
en uit de hand van
כָּל
(kal)
alle
אֹיְבֵיהֶֽם
(oyeveihem)
hun vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
Abner haalt Yahweh aan.
Dit woord van Yahweh staat niet eerder in ons Bijbelboek.
Omdat het in de mond van Abner staat, is het niet rood maar zwart, met enkele aanhalingstekens.
21Abner zei tegen David: „Laat mij opstaan en gaan, en heel Israël bijeenbrengen bij mijn heer, de koning. Dan zullen zij een verbond met u sluiten. U zult koning zijn over alles waar uw ziel naar verlangt.” Toen liet David Abner gaan, en hij ging in vrede.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אַבְנֵ֣ר
(avner)
Abner
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֡ד
(david)
David
אָק֣וּמָה
(aquma)
laat mij opstaan
וְֽאֵלֵ֡כָה
(veelekha)
en laat mij gaan
וְאֶקְבְּצָה֩
(veeqbetsa)
en laat mij verzamelen
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֨י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְיִכְרְת֤וּ
(veyikhretu)
en zij zullen sluiten
אִתְּךָ֙
(itekha)
met u
בְּרִ֔ית
(berit)
verbond
וּמָ֣לַכְתָּ֔
(umalakhta)
en u zult koning zijn
בְּכֹ֥ל
(bekhol)
over alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תְּאַוֶּ֖ה
(teave)
verlangt
נַפְשֶׁ֑ךָ
(nafshekha)
uw ziel
וַיְּשַׁלַּ֥ח
(vayeshalach)
en liet gaan
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֖ר
(avner)
Abner
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Zie, de dienaren van David en Joab kwamen terug van een plundertocht. Zij brachten veel buit mee. Abner was niet meer bij David in Hebron, want David had hem laten gaan en hij was in vrede vertrokken.
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
עַבְדֵ֨י
(avdei)
dienaren van
דָוִ֤ד
(david)
David
וְיוֹאָב֙
(veyoav)
en Joab
בָּ֣א
(ba)
kwam
מֵֽהַגְּד֔וּד
(mehagedud)
van de plundertocht
וְשָׁלָ֥ל
(veshalal)
en buit
רָ֖ב
(rav)
veel
עִמָּ֣ם
(imam)
met hen
הֵבִ֑יאוּ
(heviu)
brachten zij
וְאַבְנֵ֗ר
(veavner)
en Abner
אֵינֶ֤נּוּ
(einenu)
was niet
עִם
(im)
bij
דָּוִד֙
(david)
David
בְּחֶבְר֔וֹן
(bechevron)
in Hebron
כִּ֥י
(ki)
want
שִׁלְּח֖וֹ
(shilecho)
hij had hem laten gaan
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
גְּדוּד (gedud), ‘plundertocht’: een tocht van een groep strijders om buit te halen.
23Toen Joab en heel het leger dat bij hem was, aankwamen, vertelde men Joab: „Abner, de zoon van Ner, is bij de koning gekomen. Hij heeft hem laten gaan en Abner is in vrede vertrokken.”
וְיוֹאָ֛ב
(veyoav)
en Joab
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַצָּבָ֥א
(hatsava)
het leger
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בָּ֑אוּ
(bau)
kwamen
וַיַּגִּ֤דוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
לְיוֹאָב֙
(leyoav)
aan Joab
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בָּֽא
(ba)
is gekomen
אַבְנֵ֤ר
(avner)
Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵר֙
(ner)
Ner
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַֽיְשַׁלְּחֵ֖הוּ
(vayshalechehu)
en hij liet hem gaan
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Joab ging naar de koning en zei: „Wat hebt u gedaan? Zie, Abner is bij u gekomen. Waarom hebt u hem laten gaan? Hij is nu helemaal weg.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשִׂ֑יתָה
(asita)
hebt u gedaan
הִנֵּה
(hine)
zie
בָ֤א
(ba)
is gekomen
אַבְנֵר֙
(avner)
Abner
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot u
לָמָּה
(lama)
waarom
זֶּ֥ה
(ze)
dit
שִׁלַּחְתּ֖וֹ
(shilachto)
hebt u hem laten gaan
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij is gegaan
הָלֽוֹךְ
(halokh)
volkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25U kent Abner, de zoon van Ner. Hij is gekomen om u te misleiden. Hij wilde weten waar u uitgaat en waar u binnenkomt. Hij wilde alles weten wat u doet.”
יָדַ֨עְתָּ֙
(yadata)
u kent
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֣ר
(avner)
Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֔ר
(ner)
Ner
כִּ֥י
(ki)
dat
לְפַתֹּתְךָ֖
(lefatotekha)
om u te misleiden
בָּ֑א
(ba)
is hij gekomen
וְלָדַ֜עַת
(veladaat)
en om te weten
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹצָֽאֲךָ֙
(motsaakha)
uw uitgaan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מ֣וֹבָאֶ֔ךָ
(movaekha)
uw ingaan
וְלָדַ֕עַת
(veladaat)
en om te weten
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
אַתָּ֖ה
(ata)
u
עֹשֶֽׂה
(ose)
doet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּתָה (patah), ‘misleiden’: iemand verleiden of bedriegen.
27Toen Abner naar Hebron terugkwam, nam Joab hem opzij, midden in de poort, om rustig met hem te spreken. Daar stak hij hem in de buik, en Abner stierf. Dat was om het bloed van Asaël, zijn broer.
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
אַבְנֵר֙
(avner)
Abner
חֶבְר֔וֹן
(chevron)
naar Hebron
וַיַּטֵּ֤הוּ
(vayatehu)
en nam hem opzij
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
naar
תּ֣וֹךְ
(tokh)
het midden van
הַשַּׁ֔עַר
(hashaar)
de poort
לְדַבֵּ֥ר
(ledaber)
om te spreken
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בַּשֶּׁ֑לִי
(basheli)
rustig
וַיַּכֵּ֤הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
שָׁם֙
(sham)
daar
הַחֹ֔מֶשׁ
(hachomesh)
in de buik
וַיָּ֕מָת
(vayamat)
en hij stierf
בְּדַ֖ם
(bedam)
om het bloed van
עֲשָׂה
(asa)
Asa
אֵ֥ל
(el)
ël
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Hebron was een vrijstad (Joz. 20:7).
Joab doodt Abner midden in de poort van de stad.
Uitleg
הַחֹמֶשׁ (hachomesh), ‘de buik’: zoals in 2 Sam. 2:23.
בְּשֶׁלִי (beshelî), ‘rustig’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘in stilte’ of ‘in het geheim’ zijn.
Bloedwraak: Num. 35:19–21. Abner had Asaël gedood in een gevecht (2 Sam. 2:23).
29Moge het neerkomen op het hoofd van Joab en op heel het huis van zijn vader. Moge uit het huis van Joab nooit worden afgesneden wie een vloeiing heeft of huidziekte. Moge niet worden afgesneden wie zich aan de spil vasthoudt, wie door het zwaard valt en wie gebrek aan brood heeft.”
יָחֻ֨לוּ֙
(yachulu)
moge het neerkomen
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וְאֶ֖ל
(veel)
en op
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וְֽאַל
(veal)
en niet
יִכָּרֵ֣ת
(yikaret)
worde afgesneden
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
יוֹאָ֡ב
(yoav)
Joab
זָ֠ב
(zav)
een met vloeiing
וּמְצֹרָ֞ע
(umetsora)
en een met huidziekte
וּמַחֲזִ֥יק
(umachaziq)
en een die zich vasthoudt
בַּפֶּ֛לֶךְ
(bapelekh)
aan de spil
וְנֹפֵ֥ל
(venofel)
en een die valt
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
וַחֲסַר
(vachasar)
en een die gebrek heeft aan
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De vloek noemt vijf soorten ellende.
זָב (zav), ‘vloeiing’: een lichamelijke uitvloeiing die onrein maakt (Lev. 15:2).
צָרוּעַ (tsarua), ‘huidziekte’: zie Lev. 13.
פֶּלֶךְ (peleq), ‘spil’: of een kruk of een spinspil; de betekenis is onzeker.
יִכָּרֵת (yikkaret), ‘worden afgesneden’: de vloek wenst dat het huis van Joab nooit zonder zulke mensen is.
31David zei tegen Joab en tegen heel het volk dat bij hem was: „Scheur jullie kleren, doe een rouwkleed om en rouw voor Abner uit.” En koning David liep achter de baar.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
דָּוִ֨ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֜ב
(yoav)
Joab
וְאֶל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
קִרְע֤וּ
(qiru)
scheur
בִגְדֵיכֶם֙
(bigdeikhem)
jullie kleren
וְחִגְר֣וּ
(vechigru)
en omgord
שַׂקִּ֔ים
(saqim)
rouwkleden
וְסִפְד֖וּ
(vesifdu)
en rouw
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אַבְנֵ֑ר
(avner)
Abner
וְהַמֶּ֣לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
דָּוִ֔ד
(david)
David
הֹלֵ֖ךְ
(holekh)
ging
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
הַמִּטָּֽה
(hamita)
de baar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂקִּים (sakkim), ‘rouwkleden’: ruwe kleding, tegelijk een teken van rouw.
Zie ook Gen. 37:34.
מִטָּה (mitta), ‘baar’: het bed waarop de dode werd gedragen.
34Je handen waren niet gebonden, je voeten niet in koperen boeien gelegd. Zoals iemand valt voor de zonen van onrecht, zo ben jij gevallen.” Heel het volk huilde opnieuw om hem.
יָדֶ֣ךָ
(yadekha)
je handen
לֹֽא
(lo)
niet
אֲסֻר֗וֹת
(asurot)
gebonden
וְרַגְלֶ֨יךָ֙
(veragleikha)
en je voeten
לֹא
(lo)
niet
לִנְחֻשְׁתַּ֣יִם
(linchushtayim)
in koperen boeien
הֻגָּ֔שׁוּ
(hugashu)
werden gelegd
כִּנְפ֛וֹל
(kinfol)
zoals vallen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עַוְלָ֖ה
(avla)
onrecht
נָפָ֑לְתָּ
(nafalta)
ben je gevallen
וַיֹּסִ֥פוּ
(vayosifu)
en voegden toe
כָל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לִבְכּ֥וֹת
(livkot)
om te huilen
עָלָֽיו
(alav)
om hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Heel het volk kwam om David brood te laten eten, terwijl het nog dag was. Maar David zwoer: „Zo moge Elohim mij doen en zo moge Hij eraan toevoegen: als ik, voordat de zon ondergaat, brood of iets anders proef.”
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
כָל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
לְהַבְר֧וֹת
(lehavrot)
om te laten eten
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֛ד
(david)
David
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
בְּע֣וֹד
(beod)
terwijl
הַיּ֑וֹם
(hayom)
de dag
וַיִּשָּׁבַ֨ע
(vayishava)
en zwoer
דָּוִ֜ד
(david)
David
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יַעֲשֶׂה
(yaase)
moge doen
לִּ֤י
(li)
mij
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
וְכֹ֣ה
(vekho)
en zo
יֹסִ֔יף
(yosif)
moge toevoegen
כִּ֣י
(ki)
dat
אִם
(im)
indien
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voordat
בֽוֹא
(bo)
ondergaat
הַשֶּׁ֛מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
אֶטְעַם
(etam)
ik proef
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
א֥וֹ
(o)
of
כָל
(kal)
iets
מְאֽוּמָה
(meuma)
anders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zin ‘Zo moge Elohim mij doen… als ik… proef’ is een eed, zoals in vers 9.
David zwoer dat hij tot zonsondergang niets zou eten.
De eed is in het Hebreeuws zonder ontkenning gesteld (‘als ik proef…’), maar bedoelt: ik zal niet eten.
39Ik ben vandaag nog zwak, hoewel ik tot koning gezalfd ben. Deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn te hard voor mij. Moge Yahweh de man die het kwaad doet, vergelden naar zijn kwaad.”
וְאָנֹכִ֨י
(veanokhi)
en ik
הַיּ֥וֹם
(hayom)
vandaag
רַךְ֙
(rakh)
zwak
וּמָשׁ֣וּחַ
(umashuach)
en gezalfd
מֶ֔לֶךְ
(melekh)
koning
וְהָאֲנָשִׁ֥ים
(vehaanashim)
en de mannen
הָאֵ֛לֶּה
(haele)
deze
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
צְרוּיָ֖ה
(tseruya)
Zeruja
קָשִׁ֣ים
(qashim)
hard
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
voor mij
יְשַׁלֵּ֧ם
(yeshalem)
moge vergelden
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעֹשֵׂ֥ה
(leose)
aan wie doet
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het kwaad
כְּרָעָתֽוֹ
(keraato)
naar zijn kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)