Elohim Bijbel

2 Samuël 3

123456789101112131415161718192021222324

Abner gaat naar David over en wordt gedood

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David wordt sterker

1De oorlog tussen het huis van Saul en het huis van David duurde lang. David werd steeds sterker, maar het huis van Saul werd steeds zwakker.
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en was
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de oorlog
אֲרֻכָּ֔ה
(aruka)
lang
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וְדָוִד֙
(vedavid)
en David
הֹלֵ֣ךְ
(holekh)
ging
וְחָזֵ֔ק
(vechazeq)
en werd sterk
וּבֵ֥ית
(uveit)
en het huis van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
הֹלְכִ֥ים
(holekhim)
gingen
וְדַלִּֽים
(vedalim)
en werden zwak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zonen van David in Hebron

2In Hebron werden zonen aan David geboren. Zijn eerstgeborene was Amnon, van Achinoam uit Jizreël.
וַיִּוָּלְד֧וּ
(vayivaledu)
en werden geboren
לְדָוִ֛ד
(ledavid)
aan David
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
בְּחֶבְר֑וֹן
(bechevron)
in Hebron
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en was
בְכוֹרוֹ֙
(bekhoro)
zijn eerstgeborene
אַמְנ֔וֹן
(amnon)
Amnon
לַאֲחִינֹ֖עַם
(laachinoam)
van Achinoam
הַיִּזְרְעֵאלִֽת
(hayizreelit)
de Jizreëlitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dit Jizreël ligt in het bergland van Juda (Joz. 15:56).

Zie ook 2 Sam. 2:2.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

De lijst van Davids zonen in Hebron staat ook in 1 Kron. 3:1–4.

3De tweede was Kileab, van Abigaïl, de vrouw van Nabal uit Karmel. De derde was Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning van Gesur.
וּמִשְׁנֵ֣הוּ
(umishnehu)
en zijn tweede
כִלְאָ֔ב
(kilav)
Kileab
לַאֲֽבִיגַ֕יִל
(laavigayil)
van Abigaïl
אֵ֖שֶׁת
(eshet)
vrouw van
נָבָ֣ל
(naval)
Nabal
הַֽכַּרְמְלִ֑י
(hakarmeli)
de Karmeliet
וְהַשְּׁלִשִׁי֙
(vehashelishi)
en de derde
אַבְשָׁל֣וֹם
(avshalom)
Absalom
בֶּֽן
(ben)
zoon van
מַעֲכָ֔ה
(maakha)
Maächa
בַּת
(bat)
dochter van
תַּלְמַ֖י
(talmay)
Talmai
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
גְּשֽׁוּר
(geshur)
Gesur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gesur was een klein koninkrijk ten oosten van de Jordaan, bij de Golan.

Het ligt in het huidige Syrië of Israël.

De grenzen zijn niet precies bekend.

Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron.

Uitleg

De geschreven tekst heeft hier een iets andere spelling van Abigaïl.

Wij volgen de gelezen tekst.

4De vierde was Adonia, de zoon van Chagit. De vijfde was Sefatja, de zoon van Abital.
וְהָרְבִיעִ֖י
(veharevii)
en de vierde
אֲדֹנִיָּ֣ה
(adoniya)
Adonia
בֶן
(ben)
zoon van
חַגִּ֑ית
(chagit)
Chagit
וְהַחֲמִישִׁ֖י
(vehachamishi)
en de vijfde
שְׁפַטְיָ֥ה
(shefatya)
Sefatja
בֶן
(ben)
zoon van
אֲבִיטָֽל
(avital)
Abital
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5De zesde was Jitream, van Egla, de vrouw van David. Dezen werden aan David geboren in Hebron.
וְהַשִּׁשִּׁ֣י
(vehashishi)
en de zesde
יִתְרְעָ֔ם
(yitream)
Jitream
לְעֶגְלָ֖ה
(leegla)
van Egla
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
דָּוִ֑ד
(david)
David
אֵ֛לֶּה
(ele)
dezen
יֻלְּד֥וּ
(yuledu)
werden geboren
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
aan David
בְּחֶבְרֽוֹן
(bechevron)
in Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Abner en Is-Bosjet

6Zolang de oorlog duurde tussen het huis van Saul en het huis van David, maakte Abner zich sterk in het huis van Saul.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּֽהְיוֹת֙
(bihyot)
toen er was
הַמִּלְחָמָ֔ה
(hamilchama)
de oorlog
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וְאַבְנֵ֛ר
(veavner)
en Abner
הָיָ֥ה
(haya)
was
מִתְחַזֵּ֖ק
(mitchazeq)
maakte zich sterk
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Saul had een bijvrouw, die Rizpa heette, een dochter van Aja. Hij zei tegen Abner: „Waarom ben je naar de bijvrouw van mijn vader gegaan?”
וּלְשָׁא֣וּל
(uleshaul)
en voor Saul
פִּלֶ֔גֶשׁ
(pilegesh)
bijvrouw
וּשְׁמָ֖הּ
(ushemah)
en haar naam
רִצְפָּ֣ה
(ritspa)
Rizpa
בַת
(bat)
dochter van
אַיָּ֑ה
(aya)
Aja
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
אַבְנֵ֔ר
(avner)
Abner
מַדּ֥וּעַ
(madua)
waarom
בָּ֖אתָה
(bata)
ben je gekomen
אֶל
(el)
tot
פִּילֶ֥גֶשׁ
(pilegesh)
de bijvrouw van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֹּא אֶל (bo el), ‘gaan naar’: dit betekent hier met een vrouw samenzijn.

Zie ook Lev. 18:8.

Een bijvrouw van de vorige koning nemen was een aanspraak op de troon.

Zie ook 2 Sam. 16:21–22.

Lezing

In de zin staat niet wie spreekt.

Uit vers 8 blijkt dat het Is-Bosjet is: Abner wordt kwaad over ‘de woorden van Is-Bosjet’.

8Abner werd zeer kwaad over de woorden van Is-Bosjet. Hij zei: „Ben ik een hondenkop van Juda? Vandaag bewijs ik trouw aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broers en aan zijn vrienden. Ik heb u niet in de hand van David laten belanden. En toch legt u mij vandaag de schuld van deze vrouw ten laste?
וַיִּחַר֩
(vayichar)
en werd kwaad
לְאַבְנֵ֨ר
(leavner)
voor Abner
מְאֹ֜ד
(meod)
zeer
עַל
(al)
over
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
אִֽישׁ
(ish)
Is
בֹּ֗שֶׁת
(boshet)
Bosjet
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הֲרֹ֨אשׁ
(harosh)
het hoofd van
כֶּ֥לֶב
(kelev)
hond
אָנֹ֘כִי֮
(anokhi)
ben ik
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לִֽיהוּדָה֒
(lihuda)
van Juda
הַיּ֨וֹם
(hayom)
vandaag
אֶֽעֱשֶׂה
(eese)
bewijs ik
חֶ֜סֶד
(chesed)
trouw
עִם
(im)
met
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
אָבִ֗יךָ
(avikha)
je vader
אֶל
(el)
aan
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
וְאֶל
(veel)
en aan
מֵ֣רֵעֵ֔הוּ
(mereehu)
zijn vrienden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הִמְצִיתִ֖ךָ
(himtsitikha)
heb ik je laten vinden
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַתִּפְקֹ֥ד
(vatifqod)
en je legt ten laste
עָלַ֛י
(alay)
mij
עֲוֺ֥ן
(avon)
schuld
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
van de vrouw
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹאשׁ כֶּלֶב (rosh keleb), ‘hondenkop’: een scheldwoord voor een verachtelijk mens.

De zin ‘van Juda’ is niet helder.

Abner vraagt: ben ik iemand van Juda, een vijand van het huis van Saul?

Lezing

Wij vertalen het Hebreeuws letterlijk.

De betekenis van de eerste vraag is onzeker.

9Zo moge Elohim Abner doen en zo moge Hij eraan toevoegen: zoals Yahweh aan David gezworen heeft, zo zal ik voor hem doen.
כֹּֽה
(ko)
zo
יַעֲשֶׂ֤ה
(yaase)
moge doen
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
לְאַבְנֵ֔ר
(leavner)
aan Abner
וְכֹ֖ה
(vekho)
en zo
יֹסִ֣יף
(yosif)
moge toevoegen
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
כִּ֗י
(ki)
dat
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
נִשְׁבַּ֤ע
(nishba)
zwoer
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
aan David
כִּֽי
(ki)
dat
כֵ֖ן
(ken)
zo
אֶֽעֱשֶׂה
(eese)
zal ik doen
לּֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin ‘Zo moge Elohim doen… en zo moge Hij eraan toevoegen’ is een eed.

Wie zweert, vraagt Elohim om straf als hij zijn woord niet houdt.

Zie ook Rut 1:17 en 1 Sam. 3:17.

10Ik zal het koningschap van het huis van Saul laten overgaan. Ik zal de troon van David oprichten over Israël en over Juda, van Dan tot Beër-Sjeba.”
לְהַֽעֲבִ֥יר
(lehaavir)
om over te brengen
הַמַּמְלָכָ֖ה
(hamamlakha)
het koningschap
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
van het huis van
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וּלְהָקִ֞ים
(ulehaqim)
en om op te richten
אֶת
(et)
(obj.)
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
דָוִ֗ד
(david)
David
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְעַל
(veal)
en over
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מִדָּ֖ן
(midan)
van Dan
וְעַד
(vead)
en tot
בְּאֵ֥ר
(beer)
Beër
שָֽׁבַע
(shava)
Sjeba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

11Hij kon Abner geen woord meer antwoorden, uit angst voor hem.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָכֹ֣ל
(yakhol)
kon hij
ע֔וֹד
(od)
meer
לְהָשִׁ֥יב
(lehashiv)
antwoorden
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֖ר
(avner)
Abner
דָּבָ֑ר
(davar)
een woord
מִיִּרְאָת֖וֹ
(miyirato)
uit angst voor hem
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Abner sluit zich aan bij David

12Abner stuurde namens zichzelf boden naar David om te zeggen: „Van wie is het land?” Hij liet erbij zeggen: „Sluit een verbond met mij. Zie, mijn hand is met u, om heel Israël naar u toe te brengen.”
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en zond
אַבְנֵ֨ר
(avner)
Abner
מַלְאָכִ֧ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֛ד
(david)
David
תַּחְתָּ֥יו
(tachtav)
namens zichzelf
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
לְמִי
(lemi)
van wie
אָ֑רֶץ
(arets)
het land
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כָּרְתָ֤ה
(kareta)
sluit
בְרִֽיתְךָ֙
(beritekha)
je verbond
אִתִּ֔י
(iti)
met mij
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
יָדִ֣י
(yadi)
mijn hand
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met jou
לְהָסֵ֥ב
(lehasev)
om terug te brengen
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot jou
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

תַּחְתָּיו (tachtav), ‘namens zichzelf’: het Hebreeuws zegt letterlijk ‘onder hem’.

De betekenis is onzeker.

Het kan ook ‘ter plekke’ of ‘in zijn plaats’ betekenen.

Wij vertalen ‘namens zichzelf’.

13David zei: „Goed. Ik zal een verbond met je sluiten. Maar één ding vraag ik van je. Je zult mijn gezicht niet zien, tenzij je eerst Michal, de dochter van Saul, meebrengt wanneer je komt om mijn gezicht te zien.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ט֔וֹב
(tov)
goed
אֲנִ֕י
(ani)
ik
אֶכְרֹ֥ת
(ekhrot)
zal sluiten
אִתְּךָ֖
(itekha)
met jou
בְּרִ֑ית
(berit)
verbond
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
דָּבָ֣ר
(davar)
zaak
אֶחָ֡ד
(echad)
één
אָנֹכִי֩
(anokhi)
ik
שֹׁאֵ֨ל
(shoel)
vraag
מֵאִתְּךָ֤
(meitekha)
van jou
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
תִרְאֶ֣ה
(tire)
zul je zien
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנַ֔י
(panay)
mijn gezicht
כִּ֣י
(ki)
tenzij
אִם
(im)
indien
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
eerst
הֱבִיאֲךָ֗
(heviakha)
je brengt
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מִיכַ֣ל
(mikhal)
Michal
בַּת
(bat)
dochter van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
בְּבֹאֲךָ֖
(bevoakha)
bij je komen
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנָֽי
(panay)
mijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Michal was de dochter van Saul en eerder Davids vrouw.

Zie 1 Sam. 18:20–27; 25:44.

14David stuurde boden naar Is-Bosjet, de zoon van Saul. Hij liet zeggen: „Geef mij mijn vrouw Michal, met wie ik mij verloofd heb voor 100 voorhuiden van de Filistijnen.”
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en zond
דָּוִד֙
(david)
David
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
tot
אִֽישׁ
(ish)
Is
בֹּ֥שֶׁת
(boshet)
Bosjet
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
תְּנָ֤ה
(tena)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתִּי֙
(ishti)
mijn vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
מִיכַ֔ל
(mikhal)
Michal
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
אֵרַ֣שְׂתִּי
(erasti)
ik heb mij verloofd
לִ֔י
(li)
voor mij
בְּמֵאָ֖ה
(bemea)
met honderd
עָרְל֥וֹת
(arelot)
voorhuiden van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

עָרְלוֹת (orlot), ‘voorhuiden’: Saul vroeg 100 voorhuiden van Filistijnen als bruidsprijs voor Michal.

David bracht er 200.

Zie 1 Sam. 18:25–27.

Hier noemt David alleen de 100.

15Is-Bosjet stuurde mannen en liet haar halen bij haar man vandaan, bij Paltiël, de zoon van Lais.
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en zond
אִ֣ישׁ
(ish)
Is
בֹּ֔שֶׁת
(boshet)
Bosjet
וַיִּקָּחֶ֖הָ
(vayiqacheha)
en liet haar nemen
מֵ֣עִֽם
(meim)
van bij
אִ֑ישׁ
(ish)
haar man
מֵעִ֖ם
(meim)
van bij
פַּלְטִיאֵ֥ל
(paltiel)
Paltiël
בֶּן
(ben)
zoon van
לָֽיִשׁ
(layish)
Lais
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan).

Uitleg

Paltiël was Michals nieuwe man.

Zie 1 Sam. 25:44.

Lezing

De geschreven tekst heeft ‘Lusj’.

De gelezen tekst heeft ‘Lais’.

Wij volgen de gelezen tekst.

16Haar man ging met haar mee. Hij liep huilend achter haar aan tot Bachurim. Abner zei tegen hem: „Ga terug.” En hij keerde terug.
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אִתָּ֜הּ
(itah)
met haar
אִישָׁ֗הּ
(ishah)
haar man
הָל֧וֹךְ
(halokh)
gaande
וּבָכֹ֛ה
(uvakho)
en wenend
אַחֲרֶ֖יהָ
(achareiha)
achter haar
עַד
(ad)
tot
בַּֽחֻרִ֑ים
(bachurim)
Bachurim
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֥יו
(elav)
tot hem
אַבְנֵ֛ר
(avner)
Abner
לֵ֥ךְ
(lekh)
ga
שׁ֖וּב
(shuv)
keer terug
וַיָּשֹֽׁב
(vayashov)
en hij keerde terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bachurim lag bij de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem, in de Westelijke Jordaanoever.

De juiste plek is niet zeker.

Zie ook 2 Sam. 16:5.

17Abner sprak met de oudsten van Israël. Hij zei: „Al gisteren en eergisteren zochten jullie David als koning over jullie.
וּדְבַר
(udevar)
en het woord van
אַבְנֵ֣ר
(avner)
Abner
הָיָ֔ה
(haya)
was
עִם
(im)
met
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
גַּם
(gam)
ook
תְּמוֹל֙
(temol)
gisteren
גַּם
(gam)
ook
שִׁלְשֹׁ֔ם
(shilshom)
eergisteren
הֱיִיתֶ֞ם
(heyitem)
waren jullie
מְבַקְשִׁ֧ים
(mevaqshim)
zoekende
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֛ד
(david)
David
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
over jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Gisteren en eergisteren’ is een Hebreeuws gezegde voor ‘al enige tijd’.

18Doe het nu. Want Yahweh heeft tegen David gezegd: ‘Door de hand van David, Mijn dienaar, zal Ik Mijn volk Israël redden. Ik zal het redden uit de hand van de Filistijnen en uit de hand van al hun vijanden.’”
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
עֲשׂ֑וּ
(asu)
doe
כִּ֣י
(ki)
want
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אָמַ֤ר
(amar)
heeft gezegd
אֶל
(el)
tot
דָּוִד֙
(david)
David
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
דָּוִ֣ד
(david)
David
עַבְדִּ֗י
(avdi)
Mijn dienaar
הוֹשִׁ֜יעַ
(hoshia)
redden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֤י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וּמִיַּ֖ד
(umiyad)
en uit de hand van
כָּל
(kal)
alle
אֹיְבֵיהֶֽם
(oyeveihem)
hun vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Abner haalt Yahweh aan.

Dit woord van Yahweh staat niet eerder in ons Bijbelboek.

Omdat het in de mond van Abner staat, is het niet rood maar zwart, met enkele aanhalingstekens.

Zie ook 2 Sam. 7:8–11; 1 Sam. 9:16.

19Abner sprak ook met Benjamin. Hij ging ook naar Hebron om David alles te zeggen wat Israël en heel het huis van Benjamin goed vonden.
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
גַּם
(gam)
ook
אַבְנֵ֖ר
(avner)
Abner
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
בִנְיָמִ֑ין
(binyamin)
Benjamin
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
גַּם
(gam)
ook
אַבְנֵ֗ר
(avner)
Abner
לְדַבֵּ֞ר
(ledaber)
om te spreken
בְּאָזְנֵ֤י
(beazenei)
in de oren van
דָוִד֙
(david)
David
בְּחֶבְר֔וֹן
(bechevron)
in Hebron
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
טוֹב֙
(tov)
goed was
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּבְעֵינֵ֖י
(uveeinei)
en in de ogen van
כָּל
(kal)
het hele
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
בִּנְיָמִֽן
(binyamin)
Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Abner bij David in Hebron

20Abner kwam bij David in Hebron, met 20 man. David gaf een feestmaal voor Abner en voor de mannen die bij hem waren.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
אַבְנֵ֤ר
(avner)
Abner
אֶל
(el)
tot
דָּוִד֙
(david)
David
חֶבְר֔וֹן
(chevron)
Hebron
וְאִתּ֖וֹ
(veito)
en met hem
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
אֲנָשִׁ֑ים
(anashim)
mannen
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en maakte
דָּוִ֧ד
(david)
David
לְאַבְנֵ֛ר
(leavner)
voor Abner
וְלַאֲנָשִׁ֥ים
(velaanashim)
en voor de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
מִשְׁתֶּֽה
(mishte)
feestmaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

מִשְׁתֶּה (mishteh), ‘feestmaal’: een maaltijd met eten en drinken, voor een verdrag of een bezoek.

21Abner zei tegen David: „Laat mij opstaan en gaan, en heel Israël bijeenbrengen bij mijn heer, de koning. Dan zullen zij een verbond met u sluiten. U zult koning zijn over alles waar uw ziel naar verlangt.” Toen liet David Abner gaan, en hij ging in vrede.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אַבְנֵ֣ר
(avner)
Abner
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֡ד
(david)
David
אָק֣וּמָה
(aquma)
laat mij opstaan
וְֽאֵלֵ֡כָה
(veelekha)
en laat mij gaan
וְאֶקְבְּצָה֩
(veeqbetsa)
en laat mij verzamelen
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֨י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְיִכְרְת֤וּ
(veyikhretu)
en zij zullen sluiten
אִתְּךָ֙
(itekha)
met u
בְּרִ֔ית
(berit)
verbond
וּמָ֣לַכְתָּ֔
(umalakhta)
en u zult koning zijn
בְּכֹ֥ל
(bekhol)
over alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תְּאַוֶּ֖ה
(teave)
verlangt
נַפְשֶׁ֑ךָ
(nafshekha)
uw ziel
וַיְּשַׁלַּ֥ח
(vayeshalach)
en liet gaan
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֖ר
(avner)
Abner
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Joab komt terug

22Zie, de dienaren van David en Joab kwamen terug van een plundertocht. Zij brachten veel buit mee. Abner was niet meer bij David in Hebron, want David had hem laten gaan en hij was in vrede vertrokken.
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
עַבְדֵ֨י
(avdei)
dienaren van
דָוִ֤ד
(david)
David
וְיוֹאָב֙
(veyoav)
en Joab
בָּ֣א
(ba)
kwam
מֵֽהַגְּד֔וּד
(mehagedud)
van de plundertocht
וְשָׁלָ֥ל
(veshalal)
en buit
רָ֖ב
(rav)
veel
עִמָּ֣ם
(imam)
met hen
הֵבִ֑יאוּ
(heviu)
brachten zij
וְאַבְנֵ֗ר
(veavner)
en Abner
אֵינֶ֤נּוּ
(einenu)
was niet
עִם
(im)
bij
דָּוִד֙
(david)
David
בְּחֶבְר֔וֹן
(bechevron)
in Hebron
כִּ֥י
(ki)
want
שִׁלְּח֖וֹ
(shilecho)
hij had hem laten gaan
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

גְּדוּד (gedud), ‘plundertocht’: een tocht van een groep strijders om buit te halen.

23Toen Joab en heel het leger dat bij hem was, aankwamen, vertelde men Joab: „Abner, de zoon van Ner, is bij de koning gekomen. Hij heeft hem laten gaan en Abner is in vrede vertrokken.”
וְיוֹאָ֛ב
(veyoav)
en Joab
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַצָּבָ֥א
(hatsava)
het leger
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בָּ֑אוּ
(bau)
kwamen
וַיַּגִּ֤דוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
לְיוֹאָב֙
(leyoav)
aan Joab
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בָּֽא
(ba)
is gekomen
אַבְנֵ֤ר
(avner)
Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵר֙
(ner)
Ner
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַֽיְשַׁלְּחֵ֖הוּ
(vayshalechehu)
en hij liet hem gaan
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Joab ging naar de koning en zei: „Wat hebt u gedaan? Zie, Abner is bij u gekomen. Waarom hebt u hem laten gaan? Hij is nu helemaal weg.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשִׂ֑יתָה
(asita)
hebt u gedaan
הִנֵּה
(hine)
zie
בָ֤א
(ba)
is gekomen
אַבְנֵר֙
(avner)
Abner
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot u
לָמָּה
(lama)
waarom
זֶּ֥ה
(ze)
dit
שִׁלַּחְתּ֖וֹ
(shilachto)
hebt u hem laten gaan
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij is gegaan
הָלֽוֹךְ
(halokh)
volkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25U kent Abner, de zoon van Ner. Hij is gekomen om u te misleiden. Hij wilde weten waar u uitgaat en waar u binnenkomt. Hij wilde alles weten wat u doet.”
יָדַ֨עְתָּ֙
(yadata)
u kent
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֣ר
(avner)
Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֔ר
(ner)
Ner
כִּ֥י
(ki)
dat
לְפַתֹּתְךָ֖
(lefatotekha)
om u te misleiden
בָּ֑א
(ba)
is hij gekomen
וְלָדַ֜עַת
(veladaat)
en om te weten
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹצָֽאֲךָ֙
(motsaakha)
uw uitgaan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מ֣וֹבָאֶ֔ךָ
(movaekha)
uw ingaan
וְלָדַ֕עַת
(veladaat)
en om te weten
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
אַתָּ֖ה
(ata)
u
עֹשֶֽׂה
(ose)
doet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּתָה (patah), ‘misleiden’: iemand verleiden of bedriegen.

26Joab ging weg van David en stuurde boden achter Abner aan. Zij haalden hem terug bij de put van Sira. David wist het niet.
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en ging uit
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
מֵעִ֣ם
(meim)
van bij
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en zond
מַלְאָכִים֙
(malakhim)
boden
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אַבְנֵ֔ר
(avner)
Abner
וַיָּשִׁ֥בוּ
(vayashivu)
en zij brachten terug
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
מִבּ֣וֹר
(mibor)
van de put
הַסִּרָ֑ה
(hasira)
van Sira
וְדָוִ֖ד
(vedavid)
en David
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדָֽע
(yada)
wist het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De put van Sira is onbekend.

Hij lag aan de weg tussen Hebron en het noorden.

Zie Put van Sira (ligging onzeker): De put van Sira lag ten noorden van Hebron.

De precieze plaats is niet bekend.

Joab doodt Abner

27Toen Abner naar Hebron terugkwam, nam Joab hem opzij, midden in de poort, om rustig met hem te spreken. Daar stak hij hem in de buik, en Abner stierf. Dat was om het bloed van Asaël, zijn broer.
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
אַבְנֵר֙
(avner)
Abner
חֶבְר֔וֹן
(chevron)
naar Hebron
וַיַּטֵּ֤הוּ
(vayatehu)
en nam hem opzij
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
naar
תּ֣וֹךְ
(tokh)
het midden van
הַשַּׁ֔עַר
(hashaar)
de poort
לְדַבֵּ֥ר
(ledaber)
om te spreken
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בַּשֶּׁ֑לִי
(basheli)
rustig
וַיַּכֵּ֤הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
שָׁם֙
(sham)
daar
הַחֹ֔מֶשׁ
(hachomesh)
in de buik
וַיָּ֕מָת
(vayamat)
en hij stierf
בְּדַ֖ם
(bedam)
om het bloed van
עֲשָׂה
(asa)
Asa
אֵ֥ל
(el)
ël
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron was een vrijstad (Joz. 20:7).

Joab doodt Abner midden in de poort van de stad.

Uitleg

הַחֹמֶשׁ (hachomesh), ‘de buik’: zoals in 2 Sam. 2:23.

בְּשֶׁלִי (beshelî), ‘rustig’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘in stilte’ of ‘in het geheim’ zijn.

Bloedwraak: Num. 35:19–21. Abner had Asaël gedood in een gevecht (2 Sam. 2:23).

Davids vloek over Joab

28Later hoorde David het. Hij zei: „Ik en mijn koninkrijk zijn voor altijd onschuldig voor Yahweh aan het bloed van Abner, de zoon van Ner.
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hoorde
דָּוִד֙
(david)
David
מֵאַ֣חֲרֵי
(meacharei)
daarna
כֵ֔ן
(ken)
zo
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
נָקִ֨י
(naqi)
onschuldig
אָנֹכִ֧י
(anokhi)
ik
וּמַמְלַכְתִּ֛י
(umamlakhti)
en mijn koninkrijk
מֵעִ֥ם
(meim)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
altijd
מִדְּמֵ֖י
(midemei)
van het bloed van
אַבְנֵ֥ר
(avner)
Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵֽר
(ner)
Ner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David noemt zich en zijn koninkrijk onschuldig, ‘onschuldig voor Yahweh’.

Zie ook Deut. 21:8–9.

29Moge het neerkomen op het hoofd van Joab en op heel het huis van zijn vader. Moge uit het huis van Joab nooit worden afgesneden wie een vloeiing heeft of huidziekte. Moge niet worden afgesneden wie zich aan de spil vasthoudt, wie door het zwaard valt en wie gebrek aan brood heeft.”
יָחֻ֨לוּ֙
(yachulu)
moge het neerkomen
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וְאֶ֖ל
(veel)
en op
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וְֽאַל
(veal)
en niet
יִכָּרֵ֣ת
(yikaret)
worde afgesneden
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
יוֹאָ֡ב
(yoav)
Joab
זָ֠ב
(zav)
een met vloeiing
וּמְצֹרָ֞ע
(umetsora)
en een met huidziekte
וּמַחֲזִ֥יק
(umachaziq)
en een die zich vasthoudt
בַּפֶּ֛לֶךְ
(bapelekh)
aan de spil
וְנֹפֵ֥ל
(venofel)
en een die valt
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
וַחֲסַר
(vachasar)
en een die gebrek heeft aan
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vloek noemt vijf soorten ellende.

זָב (zav), ‘vloeiing’: een lichamelijke uitvloeiing die onrein maakt (Lev. 15:2).

צָרוּעַ (tsarua), ‘huidziekte’: zie Lev. 13.

פֶּלֶךְ (peleq), ‘spil’: of een kruk of een spinspil; de betekenis is onzeker.

יִכָּרֵת (yikkaret), ‘worden afgesneden’: de vloek wenst dat het huis van Joab nooit zonder zulke mensen is.

30Joab en zijn broer Abisai hadden Abner gedood, omdat hij hun broer Asaël bij Gibeon in de strijd had gedood.
וְיוֹאָב֙
(veyoav)
en Joab
וַאֲבִישַׁ֣י
(vaavishay)
en Abisai
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
הָרְג֖וּ
(haregu)
hadden gedood
לְאַבְנֵ֑ר
(leavner)
Abner
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
הֵמִ֜ית
(hemit)
hij had gedood
אֶת
(et)
(obj.)
עֲשָׂהאֵ֧ל
(asahel)
Asaël
אֲחִיהֶ֛ם
(achihem)
hun broer
בְּגִבְע֖וֹן
(begivon)
bij Gibeon
בַּמִּלְחָמָֽה
(bamilchama)
in de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

David rouwt om Abner

31David zei tegen Joab en tegen heel het volk dat bij hem was: „Scheur jullie kleren, doe een rouwkleed om en rouw voor Abner uit.” En koning David liep achter de baar.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
דָּוִ֨ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֜ב
(yoav)
Joab
וְאֶל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
קִרְע֤וּ
(qiru)
scheur
בִגְדֵיכֶם֙
(bigdeikhem)
jullie kleren
וְחִגְר֣וּ
(vechigru)
en omgord
שַׂקִּ֔ים
(saqim)
rouwkleden
וְסִפְד֖וּ
(vesifdu)
en rouw
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אַבְנֵ֑ר
(avner)
Abner
וְהַמֶּ֣לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
דָּוִ֔ד
(david)
David
הֹלֵ֖ךְ
(holekh)
ging
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
הַמִּטָּֽה
(hamita)
de baar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂקִּים (sakkim), ‘rouwkleden’: ruwe kleding, tegelijk een teken van rouw.

Zie ook Gen. 37:34.

מִטָּה (mitta), ‘baar’: het bed waarop de dode werd gedragen.

32Zij begroeven Abner in Hebron. De koning verhief zijn stem en huilde bij het graf van Abner. Ook heel het volk huilde.
וַיִּקְבְּר֥וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֖ר
(avner)
Abner
בְּחֶבְר֑וֹן
(bechevron)
in Hebron
וַיִשָּׂ֧א
(vayisa)
en verhief
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
קוֹל֗וֹ
(qolo)
zijn stem
וַיֵּבְךְּ֙
(vayevek)
en huilde
אֶל
(el)
bij
קֶ֣בֶר
(qever)
het graf van
אַבְנֵ֔ר
(avner)
Abner
וַיִּבְכּ֖וּ
(vayivku)
en huilden
כָּל
(kal)
heel
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

33De koning zong een klaaglied over Abner en zei: „Moest Abner sterven zoals een dwaas sterft?
וַיְקֹנֵ֥ן
(vayqonen)
en zong een klaaglied
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
over
אַבְנֵ֖ר
(avner)
Abner
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
הַכְּמ֥וֹת
(hakemot)
zoals de dood van
נָבָ֖ל
(naval)
een dwaas
יָמ֥וּת
(yamut)
zou sterven
אַבְנֵֽר
(avner)
Abner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָבָל (naval), ‘dwaas’: hetzelfde woord als de naam Nabal (1 Sam. 25).

Abner stierf niet als een dwaas, zonder verdediging.

34Je handen waren niet gebonden, je voeten niet in koperen boeien gelegd. Zoals iemand valt voor de zonen van onrecht, zo ben jij gevallen.” Heel het volk huilde opnieuw om hem.
יָדֶ֣ךָ
(yadekha)
je handen
לֹֽא
(lo)
niet
אֲסֻר֗וֹת
(asurot)
gebonden
וְרַגְלֶ֨יךָ֙
(veragleikha)
en je voeten
לֹא
(lo)
niet
לִנְחֻשְׁתַּ֣יִם
(linchushtayim)
in koperen boeien
הֻגָּ֔שׁוּ
(hugashu)
werden gelegd
כִּנְפ֛וֹל
(kinfol)
zoals vallen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עַוְלָ֖ה
(avla)
onrecht
נָפָ֑לְתָּ
(nafalta)
ben je gevallen
וַיֹּסִ֥פוּ
(vayosifu)
en voegden toe
כָל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לִבְכּ֥וֹת
(livkot)
om te huilen
עָלָֽיו
(alav)
om hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Heel het volk kwam om David brood te laten eten, terwijl het nog dag was. Maar David zwoer: „Zo moge Elohim mij doen en zo moge Hij eraan toevoegen: als ik, voordat de zon ondergaat, brood of iets anders proef.”
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
כָל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
לְהַבְר֧וֹת
(lehavrot)
om te laten eten
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֛ד
(david)
David
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
בְּע֣וֹד
(beod)
terwijl
הַיּ֑וֹם
(hayom)
de dag
וַיִּשָּׁבַ֨ע
(vayishava)
en zwoer
דָּוִ֜ד
(david)
David
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יַעֲשֶׂה
(yaase)
moge doen
לִּ֤י
(li)
mij
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
וְכֹ֣ה
(vekho)
en zo
יֹסִ֔יף
(yosif)
moge toevoegen
כִּ֣י
(ki)
dat
אִם
(im)
indien
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voordat
בֽוֹא
(bo)
ondergaat
הַשֶּׁ֛מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
אֶטְעַם
(etam)
ik proef
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
א֥וֹ
(o)
of
כָל
(kal)
iets
מְאֽוּמָה
(meuma)
anders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin ‘Zo moge Elohim mij doen… als ik… proef’ is een eed, zoals in vers 9.

David zwoer dat hij tot zonsondergang niets zou eten.

De eed is in het Hebreeuws zonder ontkenning gesteld (‘als ik proef…’), maar bedoelt: ik zal niet eten.

Het volk ziet dat David onschuldig is

36Heel het volk merkte het op en het beviel hen. Alles wat de koning deed, beviel heel het volk.
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הִכִּ֔ירוּ
(hikiru)
merkte het op
וַיִּיטַ֖ב
(vayitav)
en het beviel
בְּעֵֽינֵיהֶ֑ם
(beeineihem)
in hun ogen
כְּכֹל֙
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֣ה
(asa)
deed
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
כָל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Op die dag wisten heel het volk en heel Israël dat het niet van de koning kwam dat Abner, de zoon van Ner, was gedood.
וַיֵּדְע֧וּ
(vayedeu)
en wisten
כָל
(kal)
heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
הָיְתָה֙
(hayeta)
was het
מֵֽהַמֶּ֔לֶךְ
(mehamelekh)
van de koning
לְהָמִ֖ית
(lehamit)
om te doden
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֥ר
(avner)
Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵֽר
(ner)
Ner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38De koning zei tegen zijn dienaren: „Weten jullie niet dat vandaag een aanvoerder en een groot man in Israël is gevallen?
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
zijn dienaren
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
תֵדְע֔וּ
(tedeu)
weten jullie
כִּי
(ki)
dat
שַׂ֣ר
(sar)
aanvoerder
וְגָד֗וֹל
(vegadol)
en groot man
נָפַ֛ל
(nafal)
is gevallen
הַיּ֥וֹם
(hayom)
vandaag
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Ik ben vandaag nog zwak, hoewel ik tot koning gezalfd ben. Deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn te hard voor mij. Moge Yahweh de man die het kwaad doet, vergelden naar zijn kwaad.”
וְאָנֹכִ֨י
(veanokhi)
en ik
הַיּ֥וֹם
(hayom)
vandaag
רַךְ֙
(rakh)
zwak
וּמָשׁ֣וּחַ
(umashuach)
en gezalfd
מֶ֔לֶךְ
(melekh)
koning
וְהָאֲנָשִׁ֥ים
(vehaanashim)
en de mannen
הָאֵ֛לֶּה
(haele)
deze
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
צְרוּיָ֖ה
(tseruya)
Zeruja
קָשִׁ֣ים
(qashim)
hard
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
voor mij
יְשַׁלֵּ֧ם
(yeshalem)
moge vergelden
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעֹשֵׂ֥ה
(leose)
aan wie doet
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het kwaad
כְּרָעָתֽוֹ
(keraato)
naar zijn kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)