Filippenzen 4
Standvastig in de Heer, wees niet bezorgd, tevreden in alles, dank voor de gift en de groeten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Sta vast in de Heer
ἐπιπόθητος (epipothetos), ‘verlangd’: naar wie men verlangt. στέφανος (stefanos), ‘krans’: de krans van de winnaar in een wedstrijd, zoals in 1 Kor. 9:25. στήκω (steko), ‘vastberaden staan’: zie 1:27.
Zie ook 1 Kor. 9:25; Filip. 1:27.
Euodia en Syntyche
Euodia en Syntyche zijn vrouwennamen.
De brief zegt niet wat er tussen hen was; Paulus spoort hen aan tot hetzelfde denken. παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’: ook ‘vragen, oproepen’; zoals in Ef. 4:1 en 2 Kor. 5:20. φρονέω (froneo), ‘denken’: zie 2:2.
Zie ook Filip. 2:2; 2 Kor. 5:20.
σύζυγε (syzyge): de aanspreekvorm van σύζυγος (syzygos).
Dit kan een eigennaam zijn, ‘Syzygos’, of een woord, ‘metgezel’ (letterlijk ‘wie met mij onder hetzelfde juk loopt’).
Wij schrijven ‘trouwe Syzygos’; de brief zegt niet wie bedoeld wordt.
Bij dit woord staat in de SBLGNT een variantmarkering.
De brief zegt verder niets over Clemens. συναθλέω (synatheleo), ‘samen strijden’: zoals in 1:27.
‘Hun namen’ slaat in elk geval op Clemens en de andere medewerkers; het Grieks laat open of ook de twee vrouwen erbij horen.
‘Het boek van het leven’: een beeld voor wie bij Elohim bekend en opgeschreven is.
Zie ook Filip. 1:27; Exod. 32:32; Ps. 69:29; Dan. 12:1.
Verheug jullie en wees niet bezorgd
χαίρετε (chairete), ‘verheug jullie’: zie 3:1.
Het gebod wordt herhaald: ‘nogmaals zal ik zeggen’.
ἐπιεικές (epieikes), ‘mildheid’: ook ‘redelijkheid, inschikkelijkheid, billijkheid’.
‘De Heer is nabij’: het Grieks laat open of het om de tijd gaat (Hij komt spoedig) of om de plaats (Hij is dichtbij).
Vergelijk Ps. 145:18, waar Yahweh nabij is allen die Hem aanroepen, en de roep Marana tha in 1 Kor. 16:22.
Zie ook Ps. 145:18; 1 Kor. 16:22.
μεριμνάω (merimnao), ‘zich zorgen maken’: het woord betekent ook ‘zorg dragen’, zoals in 2:20. προσευχή (proseuche), ‘gebed’; δέησις (deesis), ‘smeking’: een dringend verzoek. αἴτημα (aitema), ‘verzoek’.
φρουρέω (phroureo), ‘bewaken’: zoals een wacht een stad bewaakt; hetzelfde woord staat in Gal. 3:23. νοῦς (nous), ‘verstand’. νόημα (noema), ‘gedachte’.
Zie ook Gal. 3:23.
Overweeg het goede
Zes woorden met ‘alles wat’: ἀληθής (alethes), ‘waar’; σεμνός (semnos), ‘eerbaar’; δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardig’; ἁγνός (hagnos), ‘zuiver’; προσφιλής (prosfiles), ‘beminnelijk’; εὔφημος (eufemos), ‘welluidend’: wat goed klinkt of waarover goed gesproken wordt. ἀρετή (arete), ‘deugd’. λογίζομαι (logizomai), ‘overwegen’: ook ‘rekenen, in rekening brengen’.
παραλαμβάνω (paralambano), ‘aannemen’: ontvangen wat doorgegeven wordt.
‘De Elohim van de vrede’ sluit aan bij ‘de vrede van Elohim’ in vers 7.
Zie ook Filip. 4:7.
Dank voor de gift van de gemeente
ἀναθάλλω (anathallo), ‘weer opbloeien’: wat is verdord en weer groen wordt. φρονέω (froneo), ‘denken’: hier ‘denken aan’; zie 2:2. ἀκαιρέομαι (akaireomai), ‘geen gelegenheid hebben’: de brief zegt niet waarom het jullie ontbrak.
αὐτάρκης (autarkes), ‘tevreden’: letterlijk ‘zichzelf genoeg’. ὑστέρησις (hysteresis), ‘tekort’.
Het Grieks heeft ‘in wat ik ben’; ‘omstandigheden’ is ons aanvulling.
μυέω (myeo), ‘inwijden’: ingewijd worden in een geheim; Paulus gebruikt het beeldend voor wat hij geleerd heeft. ταπεινόω (tapeinoo), ‘vernederen’: zoals in 2:8. χορτάζω (chortazo), ‘verzadigen’. περισσεύω (perisseuo), ‘overvloed hebben’.
ἐνδυναμόω (endynamoo), ‘kracht geven’.
Het Grieks noemt geen naam bij ‘Hem die mij kracht geeft’; wij schrijven ‘Hem’ met hoofdletter, omdat Elohim of de Messias bedoeld is.
συγκοινωνέω (sygkoinoneo), ‘deelgenoot worden’: zie 1:7. θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’.
Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden.
De grenzen zijn bij benadering.
Φιλιππήσιοι (Filippesioi), ‘Filippenzen’: de inwoners van Filippi. δόσις καὶ λῆμψις (dosis kai lempsis), ‘geven en ontvangen’: woorden uit de boekhouding; λόγος (logos), ‘rekening’. κοινωνέω (koinoneo), ‘gemeenschap hebben’: zie 1:5.
‘Het begin van de goede boodschap’: de tijd waarin de goede boodschap Macedonië bereikte, zie Hand. 16.
De Griekse zin is lang; splitsen zou de redenering breken.
Zie ook Hand. 16:12–40; Hand. 17:1; 2 Kor. 11:9.
Zie Tessalonica (nu Thessaloniki): Tessalonica was de hoofdstad van de Romeinse provincie Macedonië, aan de Thermaïsche Golf in het noorden van Griekenland.
De stad heet nu Thessaloniki.
Zij lag aan de grote weg van oost naar west, de Via Egnatia.
Tessalonica ligt in Macedonië (Hand. 17:1). ἅπαξ καὶ δίς (hapax kai dis), ‘zowel eenmaal als tweemaal’: meer dan eens. χρεία (chreia), ‘behoefte’.
Het Grieks noemt niet wat zij stuurden.
Zie ook Hand. 17:1; 2 Kor. 11:9.
δόμα (doma), ‘gave’; καρπός (karpos), ‘vrucht’. λόγος (logos), ‘rekening’: de vrucht wordt aan jullie bijgeschreven, als winst op jullie rekening.
ἀπέχω (apecho), ‘ontvangen hebben, helemaal hebben’: een woord uit de handel. ὀσμὴ εὐωδίας (osme euodias), ‘geur van welriekendheid’, en θυσία (thysia), ‘offer’: taal van het offer; vergelijk Lev. 1:9, ‘een aangename geur voor Yahweh’.
Zo noemt Paulus de gift een offer voor Elohim.
Epafroditus: zie 2:25–30.
Zie ook Filip. 2:25–30; Lev. 1:9.
πληρόω (pleroo), ‘vervullen’. πλοῦτος (ploutos), ‘rijkdom’. ἐν δόξῃ (en doxe), ‘in heerlijkheid’: kan bij ‘rijkdom’ horen (‘Zijn rijkdom in heerlijkheid’) of bij ‘vervullen’.
‘Mijn Elohim’: Paulus spreekt persoonlijk, zoals in 1:3.
Slotlofprijs. ἀμήν (amen): Hebreeuws ‘zo is het’; zoals in Gal. 1:5.
Zie ook Gal. 1:5.
Groeten en zegen
ἅγιος (hagios), ‘heilige’: zie 1:1.
Het Grieks heeft ‘ieder heilige’ in het enkelvoud; wij houden dat.
‘Het huis van de keizer’: de keizerlijke huishouding, de mensen die in dienst van de keizer stonden.
Het Grieks noemt de keizer niet bij naam en de brief noemt de stad van waaruit Paulus schrijft niet.
Vergelijk het pretorium in 1:13.
Zie ook Filip. 1:13.
‘Met jullie geest’: de geest van de lezers staat voor henzelf, zoals in Gal. 6:18.
Zie ook Gal. 6:18.