Elohim Bijbel

Micha 6

1234567

De rechtszaak van Yahweh tegen Zijn volk

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De rechtszaak van Yahweh

1Hoor toch wat Yahweh zegt: „Sta op, voer de rechtszaak voor de bergen, en laat de heuvels je stem horen.”
שִׁמְעוּ
(shimu)
hoort
נָ֕א
(na)
toch
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹמֵ֑ר
(omer)
zegt
ק֚וּם
(qum)
sta op
רִ֣יב
(riv)
voer een rechtszaak
אֶת
(et)
voor
הֶהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
וְתִשְׁמַ֥עְנָה
(vetishmana)
en laat horen
הַגְּבָע֖וֹת
(hagevaot)
de heuvels
קוֹלֶֽךָ
(qolekha)
je stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִיב (riv), ‘rechtszaak’: Yahweh treedt op als aanklager tegen Zijn volk.

Het woord keert terug in vers 2.

אֵת (et) in ‘voor de bergen’ kan ‘met’ of ‘voor’ betekenen. Wij nemen aan dat de bergen de getuigen zijn.

‘Hoor toch wat Yahweh zegt’ is van de profeet en staat zwart. Wat Yahweh dan zegt, staat rood, hoewel er geen ‘Ik’ in vers 1 staat. Dat is onzeker.

2Hoor de rechtszaak van Yahweh, bergen, en jullie, duurzame grondvesten van de aarde. Want Yahweh heeft een rechtszaak met Zijn volk, en Hij zal met Israël redetwisten.
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
hoort
הָרִים֙
(harim)
bergen
אֶת
(et)
(obj.)
רִ֣יב
(riv)
de rechtszaak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָאֵתָנִ֖ים
(vehaetanim)
en jullie duurzame
מֹ֣סְדֵי
(mosedei)
grondvesten van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
כִּ֣י
(ki)
want
רִ֤יב
(riv)
een rechtszaak
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
עִם
(im)
met
עַמּ֔וֹ
(amo)
Zijn volk
וְעִם
(veim)
en met
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
יִתְוַכָּֽח
(yitvakach)
zal Hij redetwisten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֵתָנִים (ha’etanim), ‘de duurzame’: wat standhoudt en niet wankelt.

De bergen zijn de vaste grondvesten van de aarde.

וְיִתְוַכָּח (veyitvakkach), ‘en Hij zal redetwisten’: Hij brengt Zijn zaak naar voren en wijst terecht.

3„Mijn volk, wat heb Ik jou gedaan, en waarmee heb Ik je vermoeid? Getuig tegen Mij.
עַמִּ֛י
(ami)
mijn volk
מֶה
(me)
wat
עָשִׂ֥יתִי
(asiti)
heb Ik gedaan
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
וּמָ֣ה
(uma)
en waarmee
הֶלְאֵתִ֑יךָ
(heletikha)
heb Ik je vermoeid
עֲנֵ֥ה
(ane)
getuig
בִּֽי
(bi)
tegen Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲנֵה בִי (aneh vi), ‘getuig tegen Mij’: het werkwoord ענה (anah) betekent ‘antwoorden’ en ook ‘getuigen’.

Het volk mag Yahweh beschuldigen, als het kan.

4Want Ik heb je uit het land Egypte laten optrekken en uit het slavenhuis heb Ik je vrijgekocht. Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam voor je uit gezonden.
כִּ֤י
(ki)
want
הֶעֱלִתִ֨יךָ֙
(heelitikha)
Ik heb je laten optrekken
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּמִבֵּ֥ית
(umibeit)
en uit het huis van
עֲבָדִ֖ים
(avadim)
slaven
פְּדִיתִ֑יךָ
(peditikha)
Ik heb je vrijgekocht
וָאֶשְׁלַ֣ח
(vaeshlach)
en Ik heb gezonden
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor je uit
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אַהֲרֹ֥ן
(aharon)
Aäron
וּמִרְיָֽם
(umiryam)
en Mirjam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

בֵּית עֲבָדִים (beit avadim), ‘slavenhuis’: zo ook Deut. 7:8.

פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’: de slaaf wordt losgekocht.

Mirjam wordt hier genoemd naast Mozes en Aäron. Zie Exod. 15:20.

5Mijn volk, denk toch terug aan wat Balak, de koning van Moab, beraamde, en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde. Denk aan de tocht van Sittim tot Gilgal, zodat je de daden van gerechtigheid van Yahweh leert kennen.”
עַמִּ֗י
(ami)
mijn volk
זְכָר
(zekhar)
gedenk
נָא֙
(na)
toch
מַה
(ma)
wat
יָּעַ֗ץ
(yaats)
beraamde
בָּלָק֙
(balaq)
Balak
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וּמֶה
(ume)
en wat
עָנָ֥ה
(ana)
antwoordde
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בִּלְעָ֣ם
(bilam)
Bileam
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּע֑וֹר
(beor)
Beor
מִן
(min)
van
הַשִּׁטִּים֙
(hashitim)
Sittim
עַד
(ad)
tot
הַגִּלְגָּ֔ל
(hagilgal)
Gilgal
לְמַ֕עַן
(lemaan)
opdat
דַּ֖עַת
(daat)
je kent
צִדְק֥וֹת
(tsidqot)
de daden van gerechtigheid van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Sittim: Sittim (Abel-Sittim) lag op de vlakte ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Gilgal (bij Jericho; ligging onzeker): Gilgal was het eerste kamp van Israël in het land, ten oosten van Jericho (Jozua 4:19).

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

Balak, de koning van Moab, liet Bileam het volk vervloeken.

Yahweh keerde de vloek in een zegen (Num. 22–24).

Sittim is de plaats waar Israël toen kampeerde (Num. 25:1).

Gilgal is de plaats waar het volk na de Jordaan kampeerde (Joz. 4:19).

Het Hebreeuws zegt alleen ‘van Sittim tot Gilgal’; wij vullen ‘denk aan de tocht’ aan.

Het is de tocht over de Jordaan.

צִדְקוֹת יְהוָה (tsidqot Yahweh), ‘de daden van gerechtigheid van Yahweh’: het meervoud noemt Zijn rechtvaardige daden voor Zijn volk. Zo ook Richt. 5:11 en 1 Sam. 12:7.

Wat vraagt Yahweh?

6Waarmee zal ik Yahweh tegemoet treden en mij buigen voor de Elohim in de hoogte? Zal ik Hem tegemoet treden met brandoffers, met eenjarige kalveren?
בַּמָּה֙
(bama)
waarmee
אֲקַדֵּ֣ם
(aqadem)
zal ik tegemoet treden
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִכַּ֖ף
(ikaf)
zal ik mij buigen
לֵאלֹהֵ֣י
(lelohei)
voor de Elohim van
מָר֑וֹם
(marom)
de hoogte
הַאֲקַדְּמֶ֣נּוּ
(haaqademenu)
zal ik Hem tegemoet treden
בְעוֹל֔וֹת
(beolot)
met brandoffers
בַּעֲגָלִ֖ים
(baagalim)
met kalveren
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
שָׁנָֽה
(shana)
een jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt iemand van het volk.

De tekst zegt niet wie.

Daarom staan er geen aanhalingstekens.

אֱלֹהֵי מָרוֹם (Elohe marom), ‘de Elohim in de hoogte’: dezelfde Elohim als Yahweh.

עוֹלוֹת (olot), ‘brandoffers’: zie Lev. 1.

7Heeft Yahweh behagen in duizenden rammen, in tienduizenden stromen olie? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn buik voor de zonde van mijn ziel?
הֲיִרְצֶ֤ה
(hayirtse)
heeft behagen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּאַלְפֵ֣י
(bealfei)
aan duizenden
אֵילִ֔ים
(eilim)
rammen
בְּרִֽבְב֖וֹת
(berivvot)
aan tienduizenden
נַֽחֲלֵי
(nachalei)
stromen van
שָׁ֑מֶן
(shamen)
olie
הַאֶתֵּ֤ן
(haeten)
zal ik geven
בְּכוֹרִי֙
(bekhori)
mijn eerstgeborene
פִּשְׁעִ֔י
(pishi)
voor mijn overtreding
פְּרִ֥י
(peri)
de vrucht van
בִטְנִ֖י
(bitni)
mijn buik
חַטַּ֥את
(chatat)
voor de zonde van
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vraag gaat steeds verder: van dieren naar olie, en dan naar de eerstgeborene.

Het offeren van kinderen is verboden (Deut. 18:10).

Het antwoord staat in vers 8.

נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: het gaat om het leven van de spreker zelf.

8Hij heeft je bekendgemaakt, mens, wat goed is. Wat vraagt Yahweh van je, behalve recht te doen, trouw lief te hebben en bescheiden te wandelen met je Elohim?
הִגִּ֥יד
(higid)
Hij heeft bekendgemaakt
לְךָ֛
(lekha)
aan jou
אָדָ֖ם
(adam)
mens
מַה
(ma)
wat
טּ֑וֹב
(tov)
goed
וּמָֽה
(uma)
en wat
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
דּוֹרֵ֣שׁ
(doresh)
vraagt
מִמְּךָ֗
(mimekha)
van jou
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
עֲשׂ֤וֹת
(asot)
te doen
מִשְׁפָּט֙
(mishpat)
recht
וְאַ֣הֲבַת
(veahavat)
en liefhebben
חֶ֔סֶד
(chesed)
trouw
וְהַצְנֵ֥עַ
(vehatsnea)
en bescheiden
לֶ֖כֶת
(lekhet)
te wandelen
עִם
(im)
met
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲשׂוֹת מִשְׁפָּט (asot mishpat), ‘recht doen’, אַהֲבַת חֶסֶד (ahavat chesed), ‘trouw liefhebben’, en הַצְנֵעַ לֶכֶת (hatsne’a lekhet), ‘bescheiden wandelen’: het woord ‘bescheiden’ komt maar zelden voor.

Het betekent niet hoogmoedig zijn.

Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Hij’ is. Wij bedoelen Yahweh.

De stem van Yahweh roept tot de stad

9De stem van Yahweh roept tot de stad, en degelijk beleid ziet Uw naam. Hoor de stok, en wie hem heeft bestemd.
ק֤וֹל
(qol)
stem van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לָעִ֣יר
(lair)
tot de stad
יִקְרָ֔א
(yiqra)
roept
וְתוּשִׁיָּ֖ה
(vetushiya)
en degelijk beleid
יִרְאֶ֣ה
(yire)
ziet
שְׁמֶ֑ךָ
(shemekha)
Uw naam
שִׁמְע֥וּ
(shimu)
hoort
מַטֶּ֖ה
(mate)
de stok
וּמִ֥י
(umi)
en wie
יְעָדָֽהּ
(yeadah)
heeft hem bestemd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוּשִׁיָּה (tushiyyah), ‘degelijk beleid’: zoals in Spr. 2:7.

מַטֶּה (matteh), ‘stok’: het straffende middel.

Ook ‘stam’ is mogelijk.

Lezing

Dit vers is moeilijk.

Wij lezen ‘Uw naam’ als een zin van de profeet tot Yahweh.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

10„Is er nog in het huis van de goddeloze een schat van goddeloosheid en een te kleine efa, vervloekt?
ע֗וֹד
(od)
nog
הַאִשׁ֙
(haish)
is er
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
רָשָׁ֔ע
(rasha)
de goddeloze
אֹצְר֖וֹת
(otserot)
schatten van
רֶ֑שַׁע
(resha)
goddeloosheid
וְאֵיפַ֥ת
(veeifat)
en een efa van
רָז֖וֹן
(razon)
te klein
זְעוּמָֽה
(zeuma)
vervloekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֵשׁ (ha’esh), ‘het vuur’ of ‘is er nog’: het woord is moeilijk.

Wij lezen het als een vraag ‘is er nog’.

אֵיפַת רָזוֹן (efat razon), ‘een te kleine efa’: de efa is een inhoudsmaat (ongeveer 22 liter). Bij een kleinere maat krijgt de koper minder dan hij betaalt. Zie Lev. 19:35–36.

Vanaf vers 10 laten wij het rood doorlopen tot het eind van het hoofdstuk, als één godsspraak. In 10 en 12 staat geen ‘Ik’. Dat is onzeker.

11Kan Ik zuiver zijn met een weegschaal van goddeloosheid en met een zak vol gewichten van bedrog?
הַאֶזְכֶּ֖ה
(haezke)
kan Ik zuiver zijn
בְּמֹ֣אזְנֵי
(bemoznei)
met een weegschaal van
רֶ֑שַׁע
(resha)
goddeloosheid
וּבְכִ֖יס
(uvekhis)
en met een zak van
אַבְנֵ֥י
(avnei)
gewichten van
מִרְמָֽה
(mirma)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַבְנֵי מִרְמָה (avne mirmah), ‘stenen van bedrog’: gewichten van steen, waarmee de verkoper het gewicht vervalst (Deut. 25:13–16).

12Haar rijken zijn vol van geweld, haar bewoners spreken leugens, en hun tong is bedrog in hun mond.
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarvan
עֲשִׁירֶ֨יהָ֙
(ashireiha)
haar rijken
מָלְא֣וּ
(maleu)
zijn vol van
חָמָ֔ס
(chamas)
geweld
וְיֹשְׁבֶ֖יהָ
(veyosheveiha)
en haar bewoners
דִּבְּרוּ
(diberu)
spreken
שָׁ֑קֶר
(shaqer)
leugen
וּלְשׁוֹנָ֖ם
(uleshonam)
en hun tong
רְמִיָּ֥ה
(remiya)
bedrog
בְּפִיהֶֽם
(befihem)
in hun mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָמָס (chamas), ‘geweld’: onrecht tegenover anderen.

Zie ook Amos 3:10.

Het oordeel

13Ook Ik heb je ziek gemaakt door je te slaan, door je te verwoesten om je zonden.
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
הֶחֱלֵ֣יתִי
(hecheleiti)
heb ziek gemaakt
הַכּוֹתֶ֑ךָ
(hakotekha)
door je te slaan
הַשְׁמֵ֖ם
(hashmem)
door te verwoesten
עַל
(al)
vanwege
חַטֹּאתֶֽךָ
(chatotekha)
je zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶחֱלֵיתִי (hecheleti), ‘Ik heb ziek gemaakt’: het werkwoord kan ook ‘Ik ben begonnen’ betekenen.

Wij kiezen ‘ziek maken’.

14Jij zult eten, maar niet verzadigd worden. Je leegte blijft in je binnenste. Je zult wegbrengen, maar niet in veiligheid brengen. En wat je in veiligheid brengt, geef Ik aan het zwaard.
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
תֹאכַל֙
(tokhal)
zult eten
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִשְׂבָּ֔ע
(tisba)
zult verzadigd worden
וְיֶשְׁחֲךָ֖
(veyeshchakha)
en je leegte
בְּקִרְבֶּ֑ךָ
(beqirbekha)
in je binnenste
וְתַסֵּג֙
(vetaseg)
en je zult verplaatsen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַפְלִ֔יט
(taflit)
in veiligheid brengen
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wat
תְּפַלֵּ֖ט
(tefalet)
je in veiligheid brengt
לַחֶ֥רֶב
(lacherev)
aan het zwaard
אֶתֵּֽן
(eten)
geef Ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֶשְׁחֲךָ (yeshchakha), ‘je leegte’: het woord komt alleen hier voor.

De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘je honger’ of ‘je zwakte’ zijn.

Het vloekbeeld van eten zonder verzadigd te worden en zaaien zonder oogsten staat ook in Lev. 26:26 en Deut. 28:38–40.

15Jij zult zaaien, maar niet oogsten. Jij zult olijven treden, maar je niet met olie zalven. Jij zult most persen, maar geen wijn drinken.
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
תִזְרַ֖ע
(tizra)
zult zaaien
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִקְצ֑וֹר
(tiqtsor)
zult oogsten
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
תִדְרֹֽךְ
(tidrokh)
zult treden
זַ֨יִת֙
(zayit)
olijf
וְלֹא
(velo)
en niet
תָס֣וּךְ
(tasukh)
zult zalven
שֶׁ֔מֶן
(shemen)
olie
וְתִיר֖וֹשׁ
(vetirosh)
en most
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִשְׁתֶּה
(tishte)
zult drinken
יָּֽיִן
(yayin)
wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’: druivensap dat nog niet gegist is.

Het vloekbeeld is dat men zaait, perst en oogst, maar niet geniet.

Zie ook Deut. 28:39–40.

16Men houdt de voorschriften van Omri en al het werk van het huis van Achab, en jullie wandelen in hun plannen. Zo maak Ik je tot een verwoesting en haar bewoners tot een voorwerp van gesis. De smaad van Mijn volk zullen jullie dragen.”
וְיִשְׁתַּמֵּ֞ר
(veyishtamer)
en wordt gehouden
חֻקּ֣וֹת
(chuqot)
de voorschriften van
עָמְרִ֗י
(ameri)
Omri
וְכֹל֙
(vekhol)
en al
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
het werk van
בֵית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
וַתֵּלְכ֖וּ
(vatelekhu)
en jullie wandelen
בְּמֹֽעֲצוֹתָ֑ם
(bemoatsotam)
in hun plannen
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
תִּתִּ֨י
(titi)
Ik zal maken
אֹתְךָ֜
(otekha)
jou
לְשַׁמָּ֗ה
(leshama)
tot verwoesting
וְיֹשְׁבֶ֨יהָ֙
(veyosheveiha)
en haar bewoners
לִשְׁרֵקָ֔ה
(lishreqa)
tot gesis
וְחֶרְפַּ֥ת
(vecherpat)
en de smaad van
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
תִּשָּֽׂאוּ
(tisau)
zullen jullie dragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Omri en Achab waren koningen van Israël (1 Kon. 16:25–26; 16:30–33).

Hun ‘voorschriften’ en ‘plannen’ zijn de afgoderij en het onrecht van hun huis.

שְׁרֵקָה (shereqah), ‘gesis’: men sist of fluit over een ruïne uit schrik en spot.

Lezing

‘Mijn volk’ (ammi): sommige oude vertalingen lezen ‘volken’.

Wij volgen de Masoretische tekst.