Elohim Bijbel

Openbaring 6

12345678910111213141516171819202122

Het Lam opent de eerste zes zegels

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het eerste zegel

1Ik zag toen het Lam een van de 7 zegels opende, en ik hoorde een van de vier levende wezens zeggen, met een stem als van donder: „Kom!”
Καὶ
(Kai)
en
εἶδον
(eidon)
zag ik
ὅτε
(hote)
toen
ἤνοιξεν
(enoixen)
opende
τὸ
(to)
het
ἀρνίον
(arnion)
Lam
μίαν
(mian)
een
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
ἑπτὰ
(hepta)
7
σφραγίδων
(sphragidon)
zegels
καὶ
(kai)
en
ἤκουσα
(ekousa)
hoorde ik
ἑνὸς
(henos)
een
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
τεσσάρων
(tessaron)
vier
ζῴων
(zoon)
levende wezens
λέγοντος
(legontos)
zeggend
ὡς
(hos)
als
φωνῇ
(phone)
stem
βροντῆς
(brontes)
van donder
Ἔρχου
(Erchou)
kom
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Lam (zie 5:6) opent een van de 7 zegels, hier het eerste.

Het Grieks zegt niet tot wie ‘Kom!’ (Ἔρχου, Erchou) gericht is: tot de ruiter in het volgende vers of tot Johannes.

De vier levende wezens: zie 4:6–8.

Zie ook Zach. 6:1–8 (vier wagens met paarden, in vier kleuren).

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ὅτε (‘toen’) en Ἔρχου (‘kom’).

Wij volgen de SBLGNT.

2Ik zag, en zie, een wit paard, en hij die erop zat had een boog. Een kroon werd hem gegeven, en hij ging uit, overwinnend en om te overwinnen.
καὶ
(kai)
en
εἶδον
(eidon)
zag ik
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἵππος
(hippos)
een paard
λευκός
(leukos)
wit
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
hij die
καθήμενος
(kathemenos)
zat
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτὸν
(auton)
het
ἔχων
(echon)
had
τόξον
(toxon)
een boog
καὶ
(kai)
en
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
αὐτῷ
(auto)
hem
στέφανος
(stephanos)
een kroon
καὶ
(kai)
en
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging hij uit
νικῶν
(nikon)
overwinnend
καὶ
(kai)
en
ἵνα
(hina)
opdat
νικήσῃ
(nikese)
hij overwint
Bron: SBLGNT
Uitleg

De tekst zegt niet wie de ruiter is; een wit paard met ruiter komt ook voor in 19:11, maar of het dezelfde ruiter is, zegt de tekst niet. νικῶν καὶ ἵνα νικήσῃ (nikon kai hina nikese), ‘overwinnend en om te overwinnen’. τόξον (toxon), ‘boog’.

‘Een kroon werd hem gegeven’: de gebruikte vorm (‘werd gegeven’) laat in het midden wie geeft.

Lezing

De SBLGNT markeert bij εἶδον καὶ (‘zag ik en’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Het tweede zegel

3Toen Hij het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede levende wezen zeggen: „Kom!”
Καὶ
(Kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἤνοιξεν
(enoixen)
opende Hij
τὴν
(ten)
het
σφραγῖδα
(sphragida)
zegel
τὴν
(ten)
het
δευτέραν
(deuteran)
tweede
ἤκουσα
(ekousa)
hoorde ik
τοῦ
(tou)
het
δευτέρου
(deuterou)
tweede
ζῴου
(zoou)
levende wezen
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Ἔρχου
(Erchou)
kom
Bron: SBLGNT
Lezing

De SBLGNT markeert bij σφραγῖδα τὴν δευτέραν (‘zegel het tweede’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

4Er kwam een ander paard uit, vuurrood. Aan hem die erop zat, werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en opdat zij elkaar slachten. Hem werd een groot zwaard gegeven.
καὶ
(kai)
en
ἐξῆλθεν
(exelthen)
kwam uit
ἄλλος
(allos)
een ander
ἵππος
(hippos)
paard
πυρρός
(pyrros)
vuurrood
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
aan hem
καθημένῳ
(kathemeno)
die zat
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτὸν
(auton)
het
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
αὐτῷ
(auto)
hem
λαβεῖν
(labein)
weg te nemen
τὴν
(ten)
de
εἰρήνην
(eirenen)
vrede
ἐκ
(ek)
van
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
καὶ
(kai)
en
ἵνα
(hina)
opdat
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
σφάξουσιν
(sphaxousin)
zij slachten
καὶ
(kai)
en
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
αὐτῷ
(auto)
hem
μάχαιρα
(machaira)
een zwaard
μεγάλη
(megale)
groot
Bron: SBLGNT
Uitleg

πυρρός (pyrrhos), ‘vuurrood’. σφάζω (sphazo), ‘slachten’: hetzelfde werkwoord als ‘geslacht’ bij het Lam (5:6). μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’; een ander woord dan ῥομφαία (rhomphaia) in 1:16 en 6:8, dat wij ook met ‘zwaard’ vertalen.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij καὶ (‘en’) en σφάξουσιν (‘zij slachten’).

Wij volgen de SBLGNT.

Het derde zegel

5Toen Hij het derde zegel opende, hoorde ik het derde levende wezen zeggen: „Kom!” Ik zag, en zie, een zwart paard, en hij die erop zat had een weegschaal in zijn hand.
Καὶ
(Kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἤνοιξε
(enoixe)
opende Hij
τὴν
(ten)
het
σφραγῖδα
(sphragida)
zegel
τὴν
(ten)
het
τρίτην
(triten)
derde
ἤκουσα
(ekousa)
hoorde ik
τοῦ
(tou)
het
τρίτου
(tritou)
derde
ζῴου
(zoou)
levende wezen
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Ἔρχου
(Erchou)
kom
καὶ
(kai)
en
εἶδον
(eidon)
zag ik
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἵππος
(hippos)
een paard
μέλας
(melas)
zwart
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
hij die
καθήμενος
(kathemenos)
zat
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτὸν
(auton)
het
ἔχων
(echon)
had
ζυγὸν
(zygon)
een weegschaal
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
χειρὶ
(cheiri)
hand
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ζυγός (zygos), ‘weegschaal’: het Grieks woord betekent ook ‘juk’; het volgende vers over graan en prijzen past bij ‘weegschaal’.

Lezing

De SBLGNT markeert bij εἶδον (‘zag ik’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

6Ik hoorde iets als een stem midden tussen de vier levende wezens zeggen: „Een choenix tarwe voor een denarie, en drie choenix gerst voor een denarie. Breng de olie en de wijn geen schade toe.”
καὶ
(kai)
en
ἤκουσα
(ekousa)
hoorde ik
ὡς
(hos)
iets als
φωνὴν
(phonen)
een stem
ἐν
(en)
midden
μέσῳ
(meso)
tussen
τῶν
(ton)
de
τεσσάρων
(tessaron)
vier
ζῴων
(zoon)
levende wezens
λέγουσαν
(legousan)
zeggend
Χοῖνιξ
(Choinix)
een choenix
σίτου
(sitou)
tarwe
δηναρίου
(denariou)
voor een denarie
καὶ
(kai)
en
τρεῖς
(treis)
drie
χοίνικες
(choinikes)
choenix
κριθῶν
(krithon)
gerst
δηναρίου
(denariou)
voor een denarie
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
ἔλαιον
(elaion)
olie
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
οἶνον
(oinon)
wijn
μὴ
(me)
niet
ἀδικήσῃς
(adikeses)
breng schade toe
Bron: SBLGNT
Uitleg

χοῖνιξ (choinix), ‘choenix’: een graanmaat, ongeveer 1 liter; δηνάριον (denarion), ‘denarie’: het dagloon van een arbeider (Matt. 20:2).

Het gaat dus om de prijs van graan voor een dag werk; de omrekening is bij benadering.

De stem komt uit het midden van de vier levende wezens; de tekst zegt niet van wie hij is. ἀδικέω (adikeo), ‘schade toebrengen’.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ὡς (‘iets als’) en κριθῶν (‘gerst’).

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookMat 20:2

Het vierde zegel

7Toen Hij het vierde zegel opende, hoorde ik de stem van het vierde levende wezen zeggen: „Kom!”
Καὶ
(Kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἤνοιξεν
(enoixen)
opende Hij
τὴν
(ten)
het
σφραγῖδα
(sphragida)
zegel
τὴν
(ten)
het
τετάρτην
(tetarten)
vierde
ἤκουσα
(ekousa)
hoorde ik
φωνὴν
(phonen)
stem
τοῦ
(tou)
van het
τετάρτου
(tetartou)
vierde
ζῴου
(zoou)
levende wezen
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Ἔρχου
(Erchou)
kom
Bron: SBLGNT
Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij φωνὴν (‘stem’) en Ἔρχου (‘kom’).

Wij volgen de SBLGNT.

8Ik zag, en zie, een bleekgroen paard, en de naam van hem die erop zat was de Dood, en het dodenrijk volgde hem. Aan hen werd gezag gegeven over het vierde deel van de aarde, om te doden met het zwaard, met honger, met de dood en door de wilde dieren van de aarde.
καὶ
(kai)
en
εἶδον
(eidon)
zag ik
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἵππος
(hippos)
een paard
χλωρός
(chloros)
bleekgroen
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
hij die
καθήμενος
(kathemenos)
zat
ἐπάνω
(epano)
boven
αὐτοῦ
(autou)
hem
ὄνομα
(onoma)
naam
αὐτῷ
(auto)
voor hem
ὁ
(ho)
de
Θάνατος
(Thanatos)
Dood
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
het
ᾅδης
(hades)
dodenrijk
ἠκολούθει
(ekolouthei)
volgde
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
hem
καὶ
(kai)
en
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
ἐξουσία
(exousia)
gezag
ἐπὶ
(epi)
over
τὸ
(to)
het
τέταρτον
(tetarton)
vierde deel
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
om te doden
ἐν
(en)
met
ῥομφαίᾳ
(rhomphaia)
het zwaard
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
met
λιμῷ
(limo)
honger
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
met
θανάτῳ
(thanato)
de dood
καὶ
(kai)
en
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
θηρίων
(therion)
wilde dieren
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
Bron: SBLGNT
Uitleg

χλωρός (chloros), ‘bleekgroen’: de kleur van jong gras. ᾅδης (hades), ‘dodenrijk’, zoals in 1:18.

‘Zwaard, honger, de dood en de wilde dieren’: vergelijk Ez. 14:21, ‘zwaard, honger, wilde dieren en pest’. ἐν θανάτῳ (en thanato), ‘met de dood’: zoals in 2:23.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij εἶδον καὶ (‘zag ik en’), μετ’ αὐτοῦ (‘met hem’) en αὐτοῖς (‘aan hen’).

Wij volgen de SBLGNT.

Het vijfde zegel

9Toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren vanwege het woord van Elohim en vanwege het getuigenis dat zij hadden.
Καὶ
(Kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἤνοιξεν
(enoixen)
opende Hij
τὴν
(ten)
het
πέμπτην
(pempten)
vijfde
σφραγῖδα
(sphragida)
zegel
εἶδον
(eidon)
zag ik
ὑποκάτω
(hypokato)
onder
τοῦ
(tou)
het
θυσιαστηρίου
(thysiasteriou)
altaar
τὰς
(tas)
de
ψυχὰς
(psychas)
zielen
τῶν
(ton)
van hen die
ἐσφαγμένων
(esphagmenon)
geslacht waren
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
διὰ
(dia)
vanwege
τὴν
(ten)
het
μαρτυρίαν
(martyrian)
getuigenis
ἣν
(hen)
dat
εἶχον
(eichon)
zij hadden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘ziel’: het leven. θυσιαστήριον (thysiasterion), ‘altaar’.

‘Geslacht’ (ἐσφαγμένων): zoals het Lam (5:6).

‘Het woord van Elohim en het getuigenis’: zie 1:2 en 1:9.

Lezing

De SBLGNT markeert bij μαρτυρίαν (‘getuigenis’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

10Zij riepen met luide stem: „Hoelang nog, Heerser, heilige en ware, oordeelt U niet en wreekt U ons bloed niet op hen die op de aarde wonen?”
καὶ
(kai)
en
ἔκραξαν
(ekraxan)
riepen zij
φωνῇ
(phone)
met stem
μεγάλῃ
(megale)
luide
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἕως
(Heos)
hoelang
πότε
(pote)
nog
ὁ
(ho)
de
δεσπότης
(despotes)
Heerser
ὁ
(ho)
de
ἅγιος
(hagios)
heilige
καὶ
(kai)
en
ἀληθινός
(alethinos)
ware
οὐ
(ou)
niet
κρίνεις
(krineis)
oordeelt U
καὶ
(kai)
en
ἐκδικεῖς
(ekdikeis)
wreekt U
τὸ
(to)
het
αἷμα
(haima)
bloed
ἡμῶν
(hemon)
ons
ἐκ
(ek)
op
τῶν
(ton)
hen
κατοικούντων
(katoikounton)
die wonen
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
Bron: SBLGNT
Uitleg

δεσπότης (despotes), ‘Heerser’: zoals in Luc. 2:29.

‘Heilige en ware’: zie 3:7. ἐκδικέω (ekdikeo), ‘wreken’, ‘recht verschaffen’.

‘Zij die op de aarde wonen’: zie de Uitleg bij 3:10.

Zie ookLuc 2:29
11Aan ieder van hen werd een wit gewaad gegeven. Er werd tegen hen gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook hun medeknechten en hun broers, die gedood zullen worden zoals zijzelf, volledig zijn.
καὶ
(kai)
en
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
ἑκάστῳ
(hekasto)
aan ieder
στολὴ
(stole)
gewaad
λευκή
(leuke)
wit
καὶ
(kai)
en
ἐρρέθη
(errethe)
werd gezegd
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ἵνα
(hina)
dat
ἀναπαύσονται
(anapausontai)
zij zouden rusten
ἔτι
(eti)
nog
χρόνον
(chronon)
tijd
μικρόν
(mikron)
korte
ἕως
(heos)
totdat
πληρωθῶσιν
(plerothosin)
volledig zijn
καὶ
(kai)
ook
οἱ
(hoi)
de
σύνδουλοι
(syndouloi)
medeknechten
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
αὐτῶν
(auton)
hun
οἱ
(hoi)
die
μέλλοντες
(mellontes)
zullen
ἀποκτέννεσθαι
(apoktennesthai)
gedood worden
ὡς
(hos)
zoals
καὶ
(kai)
ook
αὐτοί
(autoi)
zijzelf
Bron: SBLGNT
Uitleg

στολὴ λευκή (stole leuke), ‘wit gewaad’: zie ook 7:9, 7:13–14. πληρωθῶσιν (plerothosin), ‘volledig zijn’: het werkwoord betekent ‘vervuld worden, vol worden’.

Het Grieks noemt niet wat vol wordt (het aantal, de tijd); wij vertalen daarom ‘volledig zijn’. σύνδουλοι (syndouloi), ‘medeknechten’. ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat ook zusters.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ἀναπαύσονται (‘zij zouden rusten’), μικρόν (‘korte’), πληρωθῶσιν (‘volledig zijn’), αὐτῶν (‘hun’) en ἀποκτέννεσθαι (‘gedood worden’).

Wij volgen de SBLGNT.

Het zesde zegel

12Ik zag toen Hij het zesde zegel opende: er kwam een grote aardbeving, de zon werd zwart als een rouwkleed van haar, en de hele maan werd als bloed,
Καὶ
(Kai)
en
εἶδον
(eidon)
zag ik
ὅτε
(hote)
toen
ἤνοιξεν
(enoixen)
opende Hij
τὴν
(ten)
het
σφραγῖδα
(sphragida)
zegel
τὴν
(ten)
de
ἕκτην
(hekten)
zesde
καὶ
(kai)
en
σεισμὸς
(seismos)
een aardbeving
μέγας
(megas)
grote
ἐγένετο
(egeneto)
kwam
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἥλιος
(helios)
zon
ἐγένετο
(egeneto)
werd
μέλας
(melas)
zwart
ὡς
(hos)
als
σάκκος
(sakkos)
een rouwkleed
τρίχινος
(trichinos)
van haar
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
σελήνη
(selene)
maan
ὅλη
(hole)
hele
ἐγένετο
(egeneto)
werd
ὡς
(hos)
als
αἷμα
(haima)
bloed
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie Joël 3:4 (in de Nederlandse telling 2:31): ‘De zon wordt veranderd in duisternis en de maan in bloed’. σάκκος (sakkos), ‘rouwkleed’: een grof kleed, hier ‘van haar’ (τρίχινος, trichinos).

Zie ook Matt. 24:29.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἐγένετο μέλας (‘werd zwart’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

13en de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom haar onrijpe vijgen laat vallen, geschud door een grote wind.
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀστέρες
(asteres)
sterren
τοῦ
(tou)
van de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἔπεσαν
(epesan)
vielen
εἰς
(eis)
op
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
aarde
ὡς
(hos)
zoals
συκῆ
(syke)
een vijgenboom
βάλλει
(ballei)
laat vallen
τοὺς
(tous)
de
ὀλύνθους
(olynthous)
onrijpe vijgen
αὐτῆς
(autes)
haar
ὑπὸ
(hypo)
door
ἀνέμου
(anemou)
een wind
μεγάλου
(megalou)
grote
σειομένη
(seiomene)
geschud
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὄλυνθος (olynthos), ‘onrijpe vijg’.

Vergelijk Jes. 34:4, ‘heel het leger van de hemel vergaat … zoals wat verwelkt aan de vijgenboom’.

Lezing

De SBLGNT markeert bij βάλλει (‘laat vallen’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookJes 34:4
14De hemel werd weggetrokken als een boekrol die opgerold wordt, en elke berg en elk eiland werd van zijn plaats verplaatst.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
οὐρανὸς
(ouranos)
hemel
ἀπεχωρίσθη
(apechoristhe)
werd weggetrokken
ὡς
(hos)
als
βιβλίον
(biblion)
een boekrol
ἑλισσόμενον
(helissomenon)
opgerold
καὶ
(kai)
en
πᾶν
(pan)
elke
ὄρος
(oros)
berg
καὶ
(kai)
en
νῆσος
(nesos)
eiland
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
τόπων
(topon)
plaatsen
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐκινήθησαν
(ekinethesan)
werd verplaatst
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπεχωρίσθη (apechoristhe), ‘werd weggetrokken’: letterlijk ‘werd gescheiden, werd verwijderd’.

Vergelijk Jes. 34:4, ‘de hemel wordt opgerold als een boekrol’. βιβλίον (biblion), ‘boekrol’.

Zie ookJes 34:4
15De koningen van de aarde, de groten, de tribunen, de rijken, de machtigen, en elke knecht en vrije verborgen zich in de spelonken en in de rotsen van de bergen.
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
βασιλεῖς
(basileis)
koningen
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μεγιστᾶνες
(megistanes)
groten
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
χιλίαρχοι
(chiliarchoi)
tribunen
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πλούσιοι
(plousioi)
rijken
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἰσχυροὶ
(ischyroi)
machtigen
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
elke
δοῦλος
(doulos)
knecht
καὶ
(kai)
en
ἐλεύθερος
(eleutheros)
vrije
ἔκρυψαν
(ekrypsan)
verborgen
ἑαυτοὺς
(heautous)
zich
εἰς
(eis)
in
τὰ
(ta)
de
σπήλαια
(spelaia)
spelonken
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
in
τὰς
(tas)
de
πέτρας
(petras)
rotsen
τῶν
(ton)
van de
ὀρέων
(oreon)
bergen
Bron: SBLGNT
Uitleg

μεγιστᾶνες (megistanes), ‘groten’; χιλίαρχοι (chiliarchoi), ‘tribunen’, letterlijk ‘hoofden over duizend’: Romeinse officieren, zoals in Hand. 21:31. δοῦλος (doulos), ‘knecht’: zoals in de brieven, tegenover ‘vrije’.

Zie ookHand 21:31
16Zij zeggen tegen de bergen en de rotsen: „Val op ons en verberg ons voor het gezicht van Hem die op de troon zit en voor de toorn van het Lam,
καὶ
(kai)
en
λέγουσιν
(legousin)
zeggen zij
τοῖς
(tois)
tegen de
ὄρεσιν
(oresin)
bergen
καὶ
(kai)
en
ταῖς
(tais)
tegen de
πέτραις
(petrais)
rotsen
Πέσετε
(Pesete)
val
ἐφ’
(eph’)
op
ἡμᾶς
(hemas)
ons
καὶ
(kai)
en
κρύψατε
(krypsate)
verberg
ἡμᾶς
(hemas)
ons
ἀπὸ
(apo)
voor
προσώπου
(prosopou)
het gezicht
τοῦ
(tou)
van Hem die
καθημένου
(kathemenou)
zit
ἐπὶ
(epi)
op
τοῦ
(tou)
de
θρόνου
(thronou)
troon
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
voor
τῆς
(tes)
de
ὀργῆς
(orges)
toorn
τοῦ
(tou)
van het
ἀρνίου
(arniou)
Lam
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Hos. 10:8, ‘Bedek ons!’ en ‘Val op ons!’, en Luc. 23:30.

‘Het gezicht van Hem die op de troon zit’ en ‘de toorn van het Lam’: Elohim en het Lam staan hier samen als degenen voor wie men vlucht; vergelijk 5:13.

17want de grote dag van hun toorn is gekomen, en wie kan standhouden?”
ὅτι
(hoti)
want
ἦλθεν
(elthen)
is gekomen
ἡ
(he)
de
ἡμέρα
(hemera)
dag
ἡ
(he)
de
μεγάλη
(megale)
grote
τῆς
(tes)
van de
ὀργῆς
(orges)
toorn
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
τίς
(tis)
wie
δύναται
(dynatai)
kan
σταθῆναι
(stathenai)
standhouden
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Hun toorn’ staat in het meervoud (αὐτῶν): de toorn van Hem die op de troon zit en van het Lam (6:16).

Vergelijk Joël 2:11, ‘Wie kan hem verdragen?’, en Mal. 3:2.

Lezing

De SBLGNT markeert bij αὐτῶν (‘hun’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.