Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Boaz, een verwant van Naomi
1Naomi had een verwant van haar man, een bekwaam en sterk man uit de familie van Elimelech. Zijn naam was Boaz.
וּֽלְנָעֳמִ֞י
(ulenaomi)
en voor Naomi
מוֹדַ֣ע
(moda)
een verwant
לְאִישָׁ֗הּ
(leishah)
van haar man
אִ֚ישׁ
(ish)
een man
גִּבּ֣וֹר
(gibor)
sterk
חַ֔יִל
(chayil)
bekwaam
מִמִּשְׁפַּ֖חַת
(mimishpachat)
uit de familie van
אֱלִימֶ֑לֶךְ
(elimelekh)
Elimelech
וּשְׁמ֖וֹ
(ushemo)
en zijn naam
בֹּֽעַז
(boaz)
Boaz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘een bekwaam en sterk man’: iemand met kracht, bekwaamheid en aanzien.
Hetzelfde woord חַיִל (chayil) staat bij de bekwame mannen in Exod. 18:21 en bij de bekwame vrouw in 3:11.
Lezing
Het Hebreeuws schrijft hier מודע (moda), ‘verwant’, maar de overlevering leest מידע (meyuda), ‘bekende’.
Beide betekenen dat Boaz familie of een goede bekende van Elimelech is.
2Ruth de Moabitische zei tegen Naomi: „Laat mij toch naar het veld gaan en aren oplezen, achter iemand in wiens ogen ik gunst vind.” Zij zei tegen haar: „Ga, mijn dochter.”
וַתֹּאמֶר֩
(vatomer)
en zei
ר֨וּת
(rut)
Ruth
הַמּוֹאֲבִיָּ֜ה
(hamoaviya)
de Moabitische
אֶֽל
(el)
tot
נָעֳמִ֗י
(naomi)
Naomi
אֵֽלְכָה
(elekha)
laat mij gaan
נָּ֤א
(na)
toch
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
naar het veld
וַאֲלַקֳטָּ֣ה
(vaalaqota)
en laat mij aren oplezen
בַשִׁבֳּלִ֔ים
(bashibolim)
onder de aren
אַחַ֕ר
(achar)
achter
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wie
אֶמְצָא
(emtsa)
ik zal vinden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינָ֑יו
(beeinav)
in zijn ogen
וַתֹּ֥אמֶר
(vatomer)
en zei
לָ֖הּ
(lah)
tot haar
לְכִ֥י
(lekhi)
ga
בִתִּֽי
(biti)
mijn dochter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Wie arm was, mocht na de oogst achterblijvende aren oplezen.
De eigenaar mocht de rand van zijn veld niet volledig afmaaien en moest de nalezing laten liggen voor de arme, de vreemdeling, de wees en de weduwe (Lev. 19:9–10; 23:22; Deut. 24:19–21).
חֵן (chen), ‘gunst’: vriendelijkheid die iemand uit zichzelf bewijst. Zie ook 2:10 en 2:13.
7Zij zei: ‘Laat mij toch aren oplezen en tussen de schoven verzamelen, achter de maaiers.’ Zij is gekomen en blijft staan, van vanochtend tot nu toe. Alleen even heeft zij in het huis gezeten.”
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אֲלַקֳטָה
(alaqota)
laat mij aren oplezen
נָּא֙
(na)
toch
וְאָסַפְתִּ֣י
(veasafti)
en ik zal verzamelen
בָֽעֳמָרִ֔ים
(baomarim)
tussen de schoven
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
הַקּוֹצְרִ֑ים
(haqotserim)
de maaiers
וַתָּב֣וֹא
(vatavo)
en zij kwam
וַֽתַּעֲמ֗וֹד
(vataamod)
en zij bleef staan
מֵאָ֤ז
(meaz)
sinds
הַבֹּ֨קֶר֙
(haboqer)
de ochtend
וְעַד
(vead)
en tot
עַ֔תָּה
(ata)
nu
זֶ֛ה
(ze)
dit
שִׁבְתָּ֥הּ
(shivtah)
haar zitten
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
מְעָֽט
(meat)
een weinig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De laatste zin van dit vers is in het Hebreeuws moeilijk.
Letterlijk staat er: ‘dit, haar zitten het huis een weinig’.
Wij lezen: alleen even heeft zij in het huis gezeten.
Wat voor huis dat is, weten wij niet; waarschijnlijk is het een hut of schuilplaats bij het veld (onzeker).
De Septuaginta heeft een andere lezing: zij heeft zich niet even uitgerust.
8Boaz zei tegen Ruth: „Heb je niet gehoord, mijn dochter? Ga niet naar een ander veld om aren op te lezen. Ga ook niet weg van hier. Hecht je zo aan mijn meisjes.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
בֹּ֨עַז
(boaz)
Boaz
אֶל
(el)
tot
ר֜וּת
(rut)
Ruth
הֲל֧וֹא
(halo)
niet
שָׁמַ֣עַתְּ
(shamaat)
heb je gehoord
בִּתִּ֗י
(biti)
mijn dochter
אַל
(al)
niet
תֵּלְכִי֙
(telekhi)
ga
לִלְקֹט֙
(lilqot)
om aren op te lezen
בְּשָׂדֶ֣ה
(besade)
in een veld
אַחֵ֔ר
(acher)
ander
וְגַ֛ם
(vegam)
en ook
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲבוּרִ֖י
(taavuri)
ga weg
מִזֶּ֑ה
(mize)
vanhier
וְכֹ֥ה
(vekho)
en zo
תִדְבָּקִ֖ין
(tidbaqin)
hecht je
עִם
(im)
aan
נַעֲרֹתָֽי
(naarotay)
mijn meisjes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דָּבַק (davaq), ‘zich hechten’: dicht bij iemand blijven.
9Laat je ogen gericht zijn op het veld dat zij maaien, en ga achter hen aan. Heb ik de jongens niet bevolen je niet aan te raken? Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van wat de jongens hebben geput.”
עֵינַ֜יִךְ
(einayikh)
je ogen
בַּשָּׂדֶ֤ה
(basade)
op het veld
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יִקְצֹרוּן֙
(yiqtsorun)
zij maaien
וְהָלַ֣כְתִּ
(vehalakhti)
en ga
אַחֲרֵיהֶ֔ן
(achareihen)
achter hen aan
הֲל֥וֹא
(halo)
niet
צִוִּ֛יתִי
(tsiviti)
heb ik bevolen
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּעָרִ֖ים
(hanearim)
de jongens
לְבִלְתִּ֣י
(levilti)
om niet
נָגְעֵ֑ךְ
(nageekh)
aan te raken jou
וְצָמִ֗ת
(vetsamit)
en als je dorst hebt
וְהָלַכְתְּ֙
(vehalakht)
dan ga
אֶל
(el)
naar
הַכֵּלִ֔ים
(hakelim)
de kruiken
וְשָׁתִ֕ית
(veshatit)
en drink
מֵאֲשֶׁ֥ר
(measher)
van wat
יִשְׁאֲב֖וּן
(yishavun)
zij putten
הַנְּעָרִֽים
(hanearim)
de jongens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Boaz beschermt Ruth: de jongens mogen haar niet aanraken, en zij mag uit hun kruiken drinken.
10Zij viel op haar gezicht en boog zich neer tot op de grond. Zij zei tegen hem: „Waarom heb ik gunst gevonden in uw ogen, zodat u mij opmerkt? Ik ben toch een buitenlandse.”
וַתִּפֹּל֙
(vatipol)
en zij viel
עַל
(al)
op
פָּנֶ֔יהָ
(paneiha)
haar gezicht
וַתִּשְׁתַּ֖חוּ
(vatishtachu)
en zij boog zich neer
אָ֑רְצָה
(aretsa)
tot de grond
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
מַדּוּעַ֩
(madua)
waarom
מָצָ֨אתִי
(matsati)
heb ik gevonden
חֵ֤ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in uw ogen
לְהַכִּירֵ֔נִי
(lehakireni)
om mij op te merken
וְאָּנֹכִ֖י
(veanokhi)
en ik
נָכְרִיָּֽה
(nakheriya)
een buitenlandse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws speelt met woorden: לְהַכִּירֵנִי (lehakireni), ‘om mij op te merken’, en נָכְרִיָּה (nokhriyyah), ‘een buitenlandse’.
Beide komen van het grondwoord נכר (nakar), ‘herkennen, kennisnemen’.
De buitenlandse vrouw wordt herkend.
Vergelijk נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’, in Deut. 15:3.
11Boaz antwoordde en zei tegen haar: „Het is mij volledig verteld, alles wat je na de dood van je man voor je schoonmoeder hebt gedaan. Je hebt je vader en je moeder verlaten, en het land waar je geboren bent. Je bent gegaan naar een volk dat je gisteren en eergisteren niet kende.
וַיַּ֤עַן
(vayaan)
en antwoordde
בֹּ֨עַז֙
(boaz)
Boaz
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָ֔הּ
(lah)
tot haar
הֻגֵּ֨ד
(huged)
verteld is
הֻגַּ֜ד
(hugad)
verteld
לִ֗י
(li)
aan mij
כֹּ֤ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשִׂית֙
(asit)
je hebt gedaan
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמוֹתֵ֔ךְ
(chamotekh)
je schoonmoeder
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
na
מ֣וֹת
(mot)
de dood van
אִישֵׁ֑ךְ
(ishekh)
je man
וַתַּֽעַזְבִ֞י
(vataazvi)
en je hebt verlaten
אָּבִ֣יךְ
(avikh)
je vader
וְאִמֵּ֗ךְ
(veimekh)
en je moeder
וְאֶ֨רֶץ֙
(veerets)
en het land van
מֽוֹלַדְתֵּ֔ךְ
(moladtekh)
je geboorte
וַתֵּ֣לְכִ֔י
(vatelekhi)
en je bent gegaan
אֶל
(el)
naar
עַ֕ם
(am)
een volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יָדַ֖עַתְּ
(yadaat)
je kende
תְּמ֥וֹל
(temol)
gisteren
שִׁלְשֽׁוֹם
(shilshom)
eergisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּמוֹל שִׁלְשׁוֹם (temol shilshom), ‘gisteren en eergisteren’: een uitdrukking voor ‘vroeger’, ‘tot voor kort’.
אֶרֶץ מוֹלַדְתֵּךְ (erets moladtech), ‘het land van je geboorte’: ook Abraham verliet zijn geboorteland (Gen. 12:1).
13Zij zei: „Moge ik gunst vinden in uw ogen, mijn heer. U hebt mij getroost en u hebt tot het hart van uw dienares gesproken, terwijl ik niet eens ben zoals één van uw dienaressen.”
וַ֠תֹּאמֶר
(vatomer)
en zij zei
אֶמְצָא
(emtsa)
moge ik vinden
חֵ֨ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֤יךָ
(beeineikha)
in uw ogen
אֲדֹנִי֙
(adoni)
mijn heer
כִּ֣י
(ki)
want
נִֽחַמְתָּ֔נִי
(nichamtani)
u hebt getroost mij
וְכִ֥י
(vekhi)
en want
דִבַּ֖רְתָּ
(dibarta)
u hebt gesproken
עַל
(al)
tot
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
שִׁפְחָתֶ֑ךָ
(shifchatekha)
uw dienares
וְאָנֹכִי֙
(veanokhi)
en ik
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶֽהְיֶ֔ה
(ehye)
ben
כְּאַחַ֖ת
(keachat)
zoals één van
שִׁפְחֹתֶֽיךָ
(shifchoteikha)
uw dienaressen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁפְחָה (shifchah), ‘dienares’: een vrouw die in dienst is.
Later noemt Ruth zichzelf ook אָמָה (amah), ‘slavin’ (3:9).
14Op het etensuur zei Boaz tegen haar: „Kom hierheen, eet van het brood en doop je stuk brood in de azijn.” Zij ging naast de maaiers zitten. Hij reikte haar geroosterd graan aan. Zij at, werd verzadigd en hield over.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
לָ֨ה
(la)
tot haar
בֹ֜עַז
(boaz)
Boaz
לְעֵ֣ת
(leet)
op het tijdstip van
הָאֹ֗כֶל
(haokhel)
het eten
גֹּ֤שִֽׁי
(goshi)
kom
הֲלֹם֙
(halom)
hierheen
וְאָכַ֣לְתְּ
(veakhalt)
en eet
מִן
(min)
van
הַלֶּ֔חֶם
(halechem)
het brood
וְטָבַ֥לְתְּ
(vetavalt)
en doop
פִּתֵּ֖ךְ
(pitekh)
je stuk
בַּחֹ֑מֶץ
(bachomets)
in de azijn
וַתֵּ֨שֶׁב֙
(vateshev)
en zij zat
מִצַּ֣ד
(mitsad)
naast
הַקּֽוֹצְרִ֔ים
(haqotserim)
de maaiers
וַיִּצְבָּט
(vayitsbat)
en hij reikte aan
לָ֣הּ
(lah)
haar
קָלִ֔י
(qali)
geroosterd graan
וַתֹּ֥אכַל
(vatokhal)
en zij at
וַתִּשְׂבַּ֖ע
(vatisba)
en zij werd verzadigd
וַתֹּתַֽר
(vatotar)
en zij hield over
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹמֶץ (chomets), ‘azijn’: zure wijn, die je met brood eet.
Zie Num. 6:3.
קָלִי (qali), ‘geroosterd graan’: aren die in het vuur zijn geroosterd, een gewoon maal in de oogsttijd. Zie ook Lev. 23:14.
18Zij nam het mee en ging de stad in. Haar schoonmoeder zag wat zij had opgelezen. Zij haalde tevoorschijn wat zij had overgehouden nadat zij verzadigd was, en gaf het haar.
וַתִּשָּׂא֙
(vatisa)
en zij nam op
וַתָּב֣וֹא
(vatavo)
en zij kwam
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַתֵּ֥רֶא
(vatere)
en zag
חֲמוֹתָ֖הּ
(chamotah)
haar schoonmoeder
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לִקֵּ֑טָה
(liqeta)
zij had opgelezen
וַתּוֹצֵא֙
(vatotse)
en zij haalde tevoorschijn
וַתִּתֶּן
(vatiten)
en gaf
לָ֔הּ
(lah)
haar
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
הוֹתִ֖רָה
(hotira)
zij had overgehouden
מִשָּׂבְעָֽהּ
(misaveah)
van haar verzadigd zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Haar schoonmoeder zei tegen haar: „Waar heb je vandaag aren opgelezen en waar heb je gewerkt? Gezegend zij wie jou heeft opgemerkt.” Zij vertelde haar schoonmoeder bij wie zij had gewerkt. Zij zei: „De naam van de man bij wie ik vandaag heb gewerkt, is Boaz.”
וַתֹּאמֶר֩
(vatomer)
en zei
לָ֨הּ
(lah)
tot haar
חֲמוֹתָ֜הּ
(chamotah)
haar schoonmoeder
אֵיפֹ֨ה
(eifo)
waar
לִקַּ֤טְתְּ
(liqatt)
heb je opgelezen
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
וְאָ֣נָה
(veana)
en waar
עָשִׂ֔ית
(asit)
heb je gewerkt
יְהִ֥י
(yehi)
moge zijn
מַכִּירֵ֖ךְ
(makirekh)
wie jou opmerkt
בָּר֑וּךְ
(barukh)
gezegend
וַתַּגֵּ֣ד
(vataged)
en zij vertelde
לַחֲמוֹתָ֗הּ
(lachamotah)
aan haar schoonmoeder
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
bij wie
עָשְׂתָה֙
(aseta)
zij had gewerkt
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zij zei
שֵׁ֤ם
(shem)
de naam van
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
bij wie
עָשִׂ֧יתִי
(asiti)
ik heb gewerkt
עִמּ֛וֹ
(imo)
met hem
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
בֹּֽעַז
(boaz)
Boaz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Naomi’s zegen geldt wie Ruth heeft opgemerkt.
Zij weet nog niet wie het is.
Pas als Ruth de naam noemt, begrijpt zij het (vers 20).
20Naomi zei tegen haar schoondochter: „Gezegend zij hij door Yahweh, die zijn trouw aan de levenden en aan de doden niet heeft verlaten.” Naomi zei tegen haar: „De man is familie van ons. Hij is een van onze lossers.”
וַתֹּ֨אמֶר
(vatomer)
en zei
נָעֳמִ֜י
(naomi)
Naomi
לְכַלָּתָ֗הּ
(lekhalatah)
tot haar schoondochter
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
הוּא֙
(hu)
hij
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
door Yahweh
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
עָזַ֣ב
(azav)
heeft verlaten
חַסְדּ֔וֹ
(chasdo)
zijn trouw
אֶת
(et)
met
הַחַיִּ֖ים
(hachayim)
de levenden
וְאֶת
(veet)
en met
הַמֵּתִ֑ים
(hametim)
de doden
וַתֹּ֧אמֶר
(vatomer)
en zei
לָ֣הּ
(lah)
tot haar
נָעֳמִ֗י
(naomi)
Naomi
קָר֥וֹב
(qarov)
familie
לָ֨נוּ֙
(lanu)
van ons
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
מִֽגֹּאֲלֵ֖נוּ
(migoalenu)
van onze lossers
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֹּאֵל (go’el), ‘losser’: de naaste verwant die voor een familielid opkomt.
Hij koopt verkocht land terug (Lev. 25:25) en neemt volgens het verhaal ook de zorg voor de weduwe van een gestorven verwant op zich.
Zie ook Lev. 25:47–49 en Deut. 25:5–10.
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: zie 1:8 en 3:10.
Lezing
‘Gezegend zij hij door Yahweh, die zijn trouw niet heeft verlaten’: het Hebreeuws laat open of ‘die’ slaat op Boaz of op Yahweh.
Wij nemen Boaz.
De andere lezing is: ‘die Zijn trouw niet heeft verlaten’, dus Yahweh.
22Naomi zei tegen Ruth, haar schoondochter: „Het is goed, mijn dochter, dat je met zijn meisjes uitgaat. Dan vallen ze je niet lastig in een ander veld.”
וַתֹּ֥אמֶר
(vatomer)
en zei
נָעֳמִ֖י
(naomi)
Naomi
אֶל
(el)
tot
ר֣וּת
(rut)
Ruth
כַּלָּתָ֑הּ
(kalatah)
haar schoondochter
ט֣וֹב
(tov)
goed
בִּתִּ֗י
(biti)
mijn dochter
כִּ֤י
(ki)
dat
תֵֽצְאִי֙
(tetsei)
je uitgaat
עִם
(im)
met
נַ֣עֲרוֹתָ֔יו
(naarotav)
zijn meisjes
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִפְגְּעוּ
(yifgeu)
zullen aanvallen
בָ֖ךְ
(bakh)
je
בְּשָׂדֶ֥ה
(besade)
in een veld
אַחֵֽר
(acher)
ander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּגַע (paga), ‘aanvallen, lastigvallen’: iemand tegemoet komen met geweld of dwang.
Het woord is hetzelfde als in 1:16 (‘dring niet aan’), maar daar gaat het om aandringen met woorden.