Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Samaria zal boeten
1Samaria zal boeten, want zij is in opstand gekomen tegen haar Elohim. Door het zwaard zullen zij vallen. Hun kleine kinderen worden verpletterd, en hun zwangere vrouwen worden opengereten.
תֶּאְשַׁם֙
(tesham)
zij zal boeten
שֹֽׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
כִּ֥י
(ki)
want
מָרְתָ֖ה
(mareta)
zij is in opstand gekomen
בֵּֽאלֹהֶ֑יהָ
(beloheiha)
tegen haar Elohim
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
יִפֹּ֔לוּ
(yipolu)
zullen vallen
עֹלְלֵיהֶ֣ם
(oleleihem)
hun kleine kinderen
יְרֻטָּ֔שׁוּ
(yerutashu)
worden verpletterd
וְהָרִיּוֹתָ֖יו
(vehariyotav)
en zijn zwangere vrouwen
יְבֻקָּֽעוּ
(yevuqau)
worden opengereten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
In de Hebreeuwse telling begint hoofdstuk 14 hier.
In Nederlandse bijbels is dit Hos. 13:16, en Hebr. 14:2–10 is daar Hos. 14:1–9.
תֶּאְשַׁם (te’sham), ‘zij zal boeten’: letterlijk ‘zij zal schuldig zijn’, met de gevolgen van schuld. Hetzelfde werkwoord staat in 13:1.
Het Hebreeuws heeft bij ‘zwangere vrouwen’ het enkelvoud ‘zijn’. Wij schrijven ‘hun’. Zulk geweld in oorlog komt ook voor in 2 Kon. 8:12 en 15:16.
3Neem woorden met jullie mee en keer terug tot Yahweh. Zeg tot Hem: „Neem alle schuld weg en ontvang het goede. Dan betalen wij de stieren van onze lippen.
קְח֤וּ
(qechu)
neem
עִמָּכֶם֙
(imakhem)
met jullie
דְּבָרִ֔ים
(devarim)
woorden
וְשׁ֖וּבוּ
(veshuvu)
en keer terug
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אִמְר֣וּ
(imru)
zeg
אֵלָ֗יו
(elav)
tot Hem
כָּל
(kal)
alle
תִּשָּׂ֤א
(tisa)
U neemt weg
עָוֺן֙
(avon)
schuld
וְקַח
(veqach)
en neem aan
ט֔וֹב
(tov)
het goede
וּֽנְשַׁלְּמָ֥ה
(uneshalema)
en wij zullen betalen
פָרִ֖ים
(parim)
stieren van
שְׂפָתֵֽינוּ
(sefateinu)
onze lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
וְקַח־טוֹב (vekach tov), ‘ontvang het goede’: de betekenis is niet zeker. Het kan zijn ‘neem aan wat goed is’ (wat zij brengen) of ‘ontvang ons met goedheid’.
Lezing
פָרִים (farim), ‘stieren’: de lippen komen in de plaats van de stierenoffers.
Vergelijk Ps. 51:17–19.
Sommige oude vertalingen lezen ‘de vrucht van onze lippen’.
4Assyrië zal ons niet redden. Op een paard zullen wij niet rijden. Wij zeggen niet meer ‘onze god’ tegen het werk van onze handen. Want bij U vindt de wees ontferming.”
אַשּׁ֣וּר
(ashur)
Assyrië
לֹ֣א
(lo)
niet
יוֹשִׁיעֵ֗נוּ
(yoshienu)
zal ons redden
עַל
(al)
op
סוּס֙
(sus)
een paard
לֹ֣א
(lo)
niet
נִרְכָּ֔ב
(nirkav)
zullen wij rijden
וְלֹא
(velo)
en niet
נֹ֥אמַר
(nomar)
zullen wij zeggen
ע֛וֹד
(od)
meer
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze god
לְמַעֲשֵׂ֣ה
(lemaase)
tegen het werk van
יָדֵ֑ינוּ
(yadeinu)
onze handen
אֲשֶׁר
(asher)
want
בְּךָ֖
(bekha)
bij U
יְרֻחַ֥ם
(yerucham)
vindt ontferming
יָתֽוֹם
(yatom)
de wees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
De spreker is hier nog steeds het volk, in de woorden die de profeet hun in de mond legt.
Het gebed begint in vers 3.
אֱלֹהֵינוּ (elohenu), ‘onze god’: de afgodsbeelden, het werk van hun handen. Wij schrijven ‘god’ met een kleine letter.
סוּס (sus), ‘paard’: het legermiddel van een koning. Vergelijk Deut. 17:16.
יָתוֹם (yatom), ‘wees’: wie niemand heeft. Vergelijk Ps. 68:6.
Voor het zoeken van hulp bij Assyrië zie Hos. 7:11.
8Zij die in zijn schaduw wonen, zullen terugkeren. Zij laten het graan opleven en zullen bloeien als de wijnstok. Zijn faam zal zijn als de wijn van de Libanon.
יָשֻׁ֨בוּ֙
(yashuvu)
zij zullen terugkeren
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
die wonen
בְצִלּ֔וֹ
(betsilo)
in zijn schaduw
יְחַיּ֥וּ
(yechayu)
zij laten leven
דָגָ֖ן
(dagan)
graan
וְיִפְרְח֣וּ
(veyifrechu)
en zij zullen bloeien
כַגָּ֑פֶן
(kagafen)
als de wijnstok
זִכְר֖וֹ
(zikhro)
zijn faam
כְּיֵ֥ין
(keyein)
als de wijn van
לְבָנֽוֹן
(levanon)
de Libanon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt niet wie ‘zijn’ is.
Het gaat om Israël, in het beeld van een boom (verzen 6–7).
Die boom geeft schaduw.
יְחַיּוּ דָגָן (yechayu dagan), ‘zij laten het graan opleven’: kan ook ‘zij leven op als graan’ betekenen.
זִכְרוֹ (zikhro), ‘zijn faam’: letterlijk ‘zijn gedachtenis’, de naam waarmee men aan hem denkt.
9Efraïm, wat heb Ik nog met de afgodsbeelden te maken? Ik heb geantwoord en Ik zal op hem letten. Ik ben als een groene cipres. Van Mij wordt jouw vrucht gevonden.”
אֶפְרַ֕יִם
(efrayim)
Efraïm
מַה
(ma)
wat
לִּ֥י
(li)
mij
ע֖וֹד
(od)
nog
לָֽעֲצַבִּ֑ים
(laatsabim)
met de afgodsbeelden
אֲנִ֧י
(ani)
Ik
עָנִ֣יתִי
(aniti)
heb geantwoord
וַאֲשׁוּרֶ֗נּוּ
(vaashurenu)
en Ik zal letten op hem
אֲנִי֙
(ani)
Ik
כִּבְר֣וֹשׁ
(kivrosh)
als een cipres
רַֽעֲנָ֔ן
(raanan)
groene
מִמֶּ֖נִּי
(mimeni)
van Mij
פֶּרְיְךָ֥
(peryekha)
jouw vrucht
נִמְצָֽא
(nimtsa)
wordt gevonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De spreker van de eerste zin is niet duidelijk.
Wij lezen Yahweh: ‘wat heb Ik nog met de afgodsbeelden te maken?’
Het kan ook Efraïm zijn die spreekt: ‘wat heb ik nog met afgodsbeelden te maken?’
אֲשׁוּרֶנּוּ (ashurennu), ‘Ik zal op hem letten’: van שׁוּר (shur), ‘kijken naar’. Hetzelfde werkwoord staat in 13:7, waar Yahweh ‘loert’. Nu let Hij zorgzaam op Efraïm.
Yahweh vergelijkt Zichzelf met een groene cipres: een boom die schaduw en vrucht geeft.
10Wie is wijs? Die moet dit begrijpen. Wie is verstandig? Die moet het kennen. Want recht zijn de wegen van Yahweh. De rechtvaardigen gaan erop, maar overtreders struikelen erover.
מִ֤י
(mi)
wie
חָכָם֙
(chakham)
wijs
וְיָ֣בֵֽן
(veyaven)
en hij begrijpe
אֵ֔לֶּה
(ele)
deze dingen
נָב֖וֹן
(navon)
verstandig
וְיֵֽדָעֵ֑ם
(veyedaem)
en hij kenne ze
כִּֽי
(ki)
want
יְשָׁרִ֞ים
(yesharim)
recht
דַּרְכֵ֣י
(darkhei)
de wegen van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְצַדִּקִים֙
(vetsadiqim)
en rechtvaardigen
יֵ֣לְכוּ
(yelekhu)
zij gaan
בָ֔ם
(bam)
daarop
וּפֹשְׁעִ֖ים
(ufosheim)
en overtreders
יִכָּ֥שְׁלוּ
(yikashelu)
zullen struikelen
בָֽם
(bam)
daarover
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit slotvers is geen woord van Yahweh meer maar een slotwoord van de schrijver.
Vergelijk Ps. 107:43.
יִכָּשְׁלוּ (yikkashelu), ‘zij struikelen’: hetzelfde werkwoord als ‘je bent gestruikeld’ in vers 2. De wegen van Yahweh zijn voor allen dezelfde; de een loopt erop, de ander struikelt.