Open in de app Alle boeken Job ← 4 6 → Job 5 Elifaz: wend je tot Elohim
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elifaz: wie helpt een dwaas? 1 „Roep maar. Is er iemand die je antwoordt? Naar wie van de heiligen zul je je wenden?
עוֹנֶ֑ךָּ
(oneka)
wie antwoordt je
מִקְּדֹשִׁ֣ים
(miqedoshim)
van heiligen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְדֹשִׁים (kedoshim), ‘heiligen’, zijn hier hemelse wezens, zoals in 15:15.
Elifaz zegt: niemand daarboven kan Job helpen; hij moet zich tot Elohim zelf wenden.
2 Want verbittering doodt de dwaas, en afgunst doodt de eenvoudige.
לֶֽ֭אֱוִיל
(leevil)
de dwaas
כָּ֑עַשׂ
(kaas)
verbittering
וּ֝פֹתֶ֗ה
(ufote)
en de eenvoudige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כַּעַשׁ (ka’as) is ‘verbittering, ergernis’; קִנְאָה (qin’ah) is ‘afgunst, hartstocht’.
De gedachte is dat wie in woede tekeergaat zichzelf schaadt.
3 Ik zag een dwaas wortel schieten, maar plotseling vervloekte ik zijn woning.
מַשְׁרִ֑ישׁ
(mashrish)
wortelschietend
וָאֶקּ֖וֹב
(vaeqov)
en vervloekte
נָוֵ֣הוּ
(navehu)
zijn woning
פִתְאֹֽם
(pitom)
plotseling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 Zijn zonen zijn ver van redding. Ze worden vermorzeld in de poort en niemand redt hen.
יִרְחֲק֣וּ
(yirchaqu)
zijn ver
מִיֶּ֑שַׁע
(miyesha)
van redding
וְיִֽדַּכְּא֥וּ
(veyidakeu)
en worden vermorzeld
בַ֝שַּׁ֗עַר
(bashaar)
in de poort
וְאֵ֣ין
(veein)
en niemand is er
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 Zijn oogst eet de hongerige op. Zelfs tussen de doornen haalt hij die weg, en de dorstigen slokken hun bezit op.
רָ֘עֵ֤ב
(raev)
de hongerige
מִצִּנִּ֥ים
(mitsinim)
tussen doornen
יִקָּחֵ֑הוּ
(yiqachehu)
neemt hij die
וְשָׁאַ֖ף
(veshaaf)
en hijgt
צַמִּ֣ים
(tsamim)
dorstigen
חֵילָֽם
(cheilam)
hun bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
צַמִּים (tsammim) is moeilijk.
Wij lezen ‘dorstigen’ (van צָמֵא , tsame).
Anderen lezen ‘strikken’ (צַמִּים ): ‘een strik hijgt naar hun bezit’.
Het vers beschrijft in beide gevallen hoe anderen de oogst van de dwaas wegnemen.
6 Want onheil komt niet uit het stof, en moeite spruit niet uit de grond.
וּ֝מֵאֲדָמָ֗ה
(umeadama)
en uit grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7 Maar de mens wordt geboren voor moeite, zoals de vonken hoog opvliegen.
לְעָמָ֣ל
(leamal)
tot moeite
יוּלָּ֑ד
(yulad)
wordt geboren
וּבְנֵי
(uvenei)
en zonen van
יַגְבִּ֥יהוּ
(yagbihu)
vliegen hoog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנֵי־רֶשֶׁף (bene-reshef), letterlijk ‘zonen van Resjef’, zijn de vonken.
Resjef is ook een naam van een West-Semitische god van de pest en het vuur; hier is het gewoon het woord voor ‘vlam’.
Wend je tot El 8 Ik zou mij echter tot El wenden, en mijn zaak aan Elohim voorleggen,
אֶדְרֹ֣שׁ
(edrosh)
zou zoeken
אָשִׂ֥ים
(asim)
zou voorleggen
דִּבְרָתִֽי
(divrati)
mijn zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elifaz noemt Elohim hier met twee namen: אֵל (El) en אֱלֹהִים (Elohim).
Vanaf dit vers volgt zijn raad aan Job.
9 Hem die grote dingen doet die niemand kan doorgronden, wonderen zonder getal;
גְ֭דֹלוֹת
(gedolot)
grote dingen
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is er
חֵ֑קֶר
(cheqer)
doorgronding
נִ֝פְלָא֗וֹת
(niflaot)
wonderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 die regen geeft over het land en water stuurt over de velden;
הַנֹּתֵ֣ן
(hanoten)
Hem die geeft
פְּנֵי
(penei)
het gelaat van
וְשֹׁ֥לֵֽחַ
(vesholeach)
en stuurt
פְּנֵ֥י
(penei)
het gelaat van
חוּצֽוֹת
(chutsot)
de velden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 die de nederigen hoog zet, zodat de treurenden veilig zijn in redding;
לָשׂ֣וּם
(lasum)
om te plaatsen
שְׁפָלִ֣ים
(shefalim)
nederigen
וְ֝קֹדְרִ֗ים
(veqoderim)
en treurenden
שָׂ֣גְבוּ
(sagevu)
zijn hoog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 die de plannen van de listigen ongedaan maakt, zodat hun handen niets tot stand brengen;
מֵ֭פֵר
(mefer)
Hem die ongedaan maakt
מַחְשְׁב֣וֹת
(machshevot)
plannen van
עֲרוּמִ֑ים
(arumim)
listigen
תַעֲשֶׂ֥ינָה
(taaseina)
brengen tot stand
יְ֝דֵיהֶ֗ם
(yedeihem)
hun handen
תּוּשִׁיָּֽה
(tushiya)
vooruitgang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 die de wijzen vangt in hun eigen list, zodat de raad van de kronkelaars overhaast wordt.
לֹכֵ֣ד
(lokhed)
Hem die vangt
חֲכָמִ֣ים
(chakhamim)
wijzen
בְּעָרְמָ֑ם
(bearemam)
in hun list
וַעֲצַ֖ת
(vaatsat)
en de raad van
נִפְתָּלִ֣ים
(niftalim)
de kronkelaars
נִמְהָֽרָה
(nimhara)
wordt overhaast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Paulus haalt dit vers aan in 1 Kor. 3:19 (‘Hij vangt de wijzen in hun sluwheid’).
Het is een van de duidelijkste plaatsen waar het Nieuwe Testament het boek Job aanhaalt.
14 Overdag lopen ze in duisternis en op het middaguur tasten ze rond als in de nacht.
יְפַגְּשׁוּ
(yefageshu)
ontmoeten ze
חֹ֑שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וְ֝כַלַּ֗יְלָה
(vekhalayla)
en als in de nacht
יְֽמַשְׁשׁ֥וּ
(yemashshu)
tasten ze
בַֽצָּהֳרָֽיִם
(batsahorayim)
op het middaguur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15 Zo redt Hij de arme van het zwaard van hun mond, en uit de hand van de sterke.
וַיֹּ֣שַׁע
(vayosha)
en redt
מֵ֭חֶרֶב
(mecherev)
van het zwaard
מִפִּיהֶ֑ם
(mipihem)
uit hun mond
וּמִיַּ֖ד
(umiyad)
en uit de hand van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Zo is er hoop voor de zwakke, en moet het onrecht zijn mond sluiten.
וַתְּהִ֣י
(vatehi)
en er is
לַדַּ֣ל
(ladal)
voor de zwakke
וְ֝עֹלָ֗תָה
(veolata)
en sluit
קָ֣פְצָה
(qafetsa)
het onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Gelukkig wie door Eloah wordt terechtgewezen 17 Zie, gelukkig is de mens die Eloah terechtwijst. Verwerp daarom de tucht van Sjaddai niet.
אַשְׁרֵ֣י
(ashrei)
gelukkig
יוֹכִחֶ֣נּֽוּ
(yokhichenu)
die terechtwijst hem
וּמוּסַ֥ר
(umusar)
en de tucht van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׁדַּי (Shaddai), ‘de Almachtige’, is de naam waarmee Elohim zich aan de aartsvaders bekendmaakte (Ex. 6:3).
In Job komt hij 31 keer voor, meer dan in enig ander boek.
18 Want Hij brengt pijn, maar verbindt ook. Hij slaat, maar Zijn handen genezen.
יַכְאִ֣יב
(yakhiv)
brengt pijn
וְיֶחְבָּ֑שׁ
(veyechbash)
en verbindt
וְיָדָ֥יו
(veyadav)
en zijn handen
תִּרְפֶּֽינָה
(tirpeina)
genezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 Uit zes noden redt Hij je, en in de zevende zal geen kwaad je raken.
יַצִּילֶ֑ךָּ
(yatsileka)
redt Hij je
וּבְשֶׁ֓בַע
(uvesheva)
en in zeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Zes … zeven’ is een dichterlijke manier van tellen (Spr. 6:16; Amos 1:3): het aantal noemt een ruime maat.
Het betekent: in elke nood, hoe vaak ook, helpt Hij.
20 In hongersnood heeft Hij je van de dood gered, en in oorlog uit de macht van het zwaard.
בְּ֭רָעָב
(beraav)
in hongersnood
פָּֽדְךָ֣
(padekha)
verloste Hij je
מִמָּ֑וֶת
(mimavet)
van de dood
וּ֝בְמִלְחָמָ֗ה
(uvemilchama)
en in oorlog
מִ֣ידֵי
(midei)
uit de macht van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Voor de gesel van de tong zul je verborgen zijn, en je zult niet bang zijn voor geweld als het komt.
בְּשׁ֣וֹט
(beshot)
voor de gesel van
תֵּחָבֵ֑א
(techave)
zul je verborgen zijn
תִירָ֥א
(tira)
zul je vrezen
מִ֝שֹּׁ֗ד
(mishod)
voor geweld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22 Om geweld en honger zul je lachen, en voor de wilde dieren van de aarde zul je niet bang zijn.
וּלְכָפָ֣ן
(ulekhafan)
en honger
תִּשְׂחָ֑ק
(tischaq)
zul je lachen
וּֽמֵחַיַּ֥ת
(umechayat)
en voor het wild van
הָ֝אָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 Want je verbond is met de stenen van het veld, en de wilde dieren van het veld leven in vrede met je.
אַבְנֵ֣י
(avnei)
stenen van
הַשָּׂדֶ֣ה
(hasade)
het veld
בְרִיתֶ֑ךָ
(beritekha)
je verbond
וְחַיַּ֥ת
(vechayat)
en wild van
הַ֝שָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
הָשְׁלְמָה
(hashelema)
is in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Met ‘de stenen van het veld’ een verbond hebben betekent: de akkers geven geen schade meer.
Dit past bij Hos. 2:20.
24 Je zult weten dat je tent in vrede is. Je zult je woning nagaan en niets missen.
וְֽ֭יָדַעְתָּ
(veyadata)
en je zult weten
אָהֳלֶ֑ךָ
(aholekha)
je tent
וּֽפָקַדְתָּ֥
(ufaqadta)
en je zult nagaan
נָ֝וְךָ
(navekha)
je woning
תֶחֱטָֽא
(techeta)
zul je missen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25 Je zult weten dat je nageslacht talrijk is, en je afstammelingen als het gras van de aarde.
וְֽ֭יָדַעְתָּ
(veyadata)
en je zult weten
זַרְעֶ֑ךָ
(zarekha)
je nageslacht
וְ֝צֶאֱצָאֶ֗יךָ
(vetseetsaeikha)
en je afstammelingen
כְּעֵ֣שֶׂב
(keesev)
als gras van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Je zult in volle kracht in het graf komen, zoals een korenschoof op zijn tijd wordt binnengehaald.
תָּב֣וֹא
(tavo)
je zult komen
בְכֶ֣לַח
(bekhelach)
in volle kracht
כַּעֲל֖וֹת
(kaalot)
als het opkomen van
גָּדִ֣ישׁ
(gadish)
een schoof
בְּעִתּֽוֹ
(beito)
op zijn tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֶּלַח (kelach) betekent ‘volle kracht’; het woord komt alleen hier en in 30:2 voor.
27 Zie, dit hebben we onderzocht, zo is het. Luister ernaar en neem het ter harte.”
חֲקַרְנ֥וּהָ
(chaqarnuha)
we hebben onderzocht het
שְׁ֝מָעֶ֗נָּה
(shemaena)
luister ernaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)