Elohim Bijbel

Job 5

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Elifaz: wend je tot Elohim

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elifaz: wie helpt een dwaas?

1„Roep maar. Is er iemand die je antwoordt? Naar wie van de heiligen zul je je wenden?
קְֽרָא
(qera)
roep
נָ֭א
(na)
toe
הֲיֵ֣שׁ
(hayesh)
is er
עוֹנֶ֑ךָּ
(oneka)
wie antwoordt je
וְאֶל
(veel)
en tot
מִ֖י
(mi)
wie
מִקְּדֹשִׁ֣ים
(miqedoshim)
van heiligen
תִּפְנֶֽה
(tifne)
wend je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְדֹשִׁים (kedoshim), ‘heiligen’, zijn hier hemelse wezens, zoals in 15:15.

Elifaz zegt: niemand daarboven kan Job helpen; hij moet zich tot Elohim zelf wenden.

2Want verbittering doodt de dwaas, en afgunst doodt de eenvoudige.
כִּֽי
(ki)
want
לֶֽ֭אֱוִיל
(leevil)
de dwaas
יַהֲרָג
(yaharag)
doodt
כָּ֑עַשׂ
(kaas)
verbittering
וּ֝פֹתֶ֗ה
(ufote)
en de eenvoudige
תָּמִ֥ית
(tamit)
doodt
קִנְאָֽה
(qina)
afgunst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּעַשׁ (ka’as) is ‘verbittering, ergernis’; קִנְאָה (qin’ah) is ‘afgunst, hartstocht’.

De gedachte is dat wie in woede tekeergaat zichzelf schaadt.

3Ik zag een dwaas wortel schieten, maar plotseling vervloekte ik zijn woning.
אֲֽנִי
(ani)
ik
רָ֭אִיתִי
(raiti)
zag
אֱוִ֣יל
(evil)
een dwaas
מַשְׁרִ֑ישׁ
(mashrish)
wortelschietend
וָאֶקּ֖וֹב
(vaeqov)
en vervloekte
נָוֵ֣הוּ
(navehu)
zijn woning
פִתְאֹֽם
(pitom)
plotseling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Zijn zonen zijn ver van redding. Ze worden vermorzeld in de poort en niemand redt hen.
יִרְחֲק֣וּ
(yirchaqu)
zijn ver
בָנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
מִיֶּ֑שַׁע
(miyesha)
van redding
וְיִֽדַּכְּא֥וּ
(veyidakeu)
en worden vermorzeld
בַ֝שַּׁ֗עַר
(bashaar)
in de poort
וְאֵ֣ין
(veein)
en niemand is er
מַצִּֽיל
(matsil)
die redt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Zijn oogst eet de hongerige op. Zelfs tussen de doornen haalt hij die weg, en de dorstigen slokken hun bezit op.
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wiens
קְצִיר֨וֹ
(qetsiro)
oogst
רָ֘עֵ֤ב
(raev)
de hongerige
יֹאכֵ֗ל
(yokhel)
eet op
וְאֶֽל
(veel)
en tot
מִצִּנִּ֥ים
(mitsinim)
tussen doornen
יִקָּחֵ֑הוּ
(yiqachehu)
neemt hij die
וְשָׁאַ֖ף
(veshaaf)
en hijgt
צַמִּ֣ים
(tsamim)
dorstigen
חֵילָֽם
(cheilam)
hun bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

צַמִּים (tsammim) is moeilijk.

Wij lezen ‘dorstigen’ (van צָמֵא, tsame).

Anderen lezen ‘strikken’ (צַמִּים): ‘een strik hijgt naar hun bezit’.

Het vers beschrijft in beide gevallen hoe anderen de oogst van de dwaas wegnemen.

6Want onheil komt niet uit het stof, en moeite spruit niet uit de grond.
כִּ֤י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
יֵצֵ֣א
(yetse)
komt voort
מֵעָפָ֣ר
(meafar)
uit stof
אָ֑וֶן
(aven)
onheil
וּ֝מֵאֲדָמָ֗ה
(umeadama)
en uit grond
לֹא
(lo)
niet
יִצְמַ֥ח
(yitsmach)
spruit
עָמָֽל
(amal)
moeite
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Maar de mens wordt geboren voor moeite, zoals de vonken hoog opvliegen.
כִּֽי
(ki)
want
אָ֭דָם
(adam)
de mens
לְעָמָ֣ל
(leamal)
tot moeite
יוּלָּ֑ד
(yulad)
wordt geboren
וּבְנֵי
(uvenei)
en zonen van
רֶ֝֗שֶׁף
(reshef)
de vlam
יַגְבִּ֥יהוּ
(yagbihu)
vliegen hoog
עֽוּף
(uf)
op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי־רֶשֶׁף (bene-reshef), letterlijk ‘zonen van Resjef’, zijn de vonken.

Resjef is ook een naam van een West-Semitische god van de pest en het vuur; hier is het gewoon het woord voor ‘vlam’.

Wend je tot El

8Ik zou mij echter tot El wenden, en mijn zaak aan Elohim voorleggen,
אוּלָ֗ם
(ulam)
maar
אֲ֭נִי
(ani)
ik
אֶדְרֹ֣שׁ
(edrosh)
zou zoeken
אֶל
(el)
tot
אֵ֑ל
(el)
El
וְאֶל
(veel)
en tot
אֱ֝לֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
אָשִׂ֥ים
(asim)
zou voorleggen
דִּבְרָתִֽי
(divrati)
mijn zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elifaz noemt Elohim hier met twee namen: אֵל (El) en אֱלֹהִים (Elohim).

Vanaf dit vers volgt zijn raad aan Job.

9Hem die grote dingen doet die niemand kan doorgronden, wonderen zonder getal;
עֹשֶׂ֣ה
(ose)
Hem die doet
גְ֭דֹלוֹת
(gedolot)
grote dingen
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is er
חֵ֑קֶר
(cheqer)
doorgronding
נִ֝פְלָא֗וֹת
(niflaot)
wonderen
עַד
(ad)
tot
אֵ֥ין
(ein)
niet is er
מִסְפָּֽר
(mispar)
getal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10die regen geeft over het land en water stuurt over de velden;
הַנֹּתֵ֣ן
(hanoten)
Hem die geeft
מָ֭טָר
(matar)
regen
עַל
(al)
over
פְּנֵי
(penei)
het gelaat van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
וְשֹׁ֥לֵֽחַ
(vesholeach)
en stuurt
מַ֝יִם
(mayim)
water
עַל
(al)
over
פְּנֵ֥י
(penei)
het gelaat van
חוּצֽוֹת
(chutsot)
de velden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11die de nederigen hoog zet, zodat de treurenden veilig zijn in redding;
לָשׂ֣וּם
(lasum)
om te plaatsen
שְׁפָלִ֣ים
(shefalim)
nederigen
לְמָר֑וֹם
(lemarom)
omhoog
וְ֝קֹדְרִ֗ים
(veqoderim)
en treurenden
שָׂ֣גְבוּ
(sagevu)
zijn hoog
יֶֽשַׁע
(yesha)
in redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12die de plannen van de listigen ongedaan maakt, zodat hun handen niets tot stand brengen;
מֵ֭פֵר
(mefer)
Hem die ongedaan maakt
מַחְשְׁב֣וֹת
(machshevot)
plannen van
עֲרוּמִ֑ים
(arumim)
listigen
וְֽלֹא
(velo)
en niet
תַעֲשֶׂ֥ינָה
(taaseina)
brengen tot stand
יְ֝דֵיהֶ֗ם
(yedeihem)
hun handen
תּוּשִׁיָּֽה
(tushiya)
vooruitgang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13die de wijzen vangt in hun eigen list, zodat de raad van de kronkelaars overhaast wordt.
לֹכֵ֣ד
(lokhed)
Hem die vangt
חֲכָמִ֣ים
(chakhamim)
wijzen
בְּעָרְמָ֑ם
(bearemam)
in hun list
וַעֲצַ֖ת
(vaatsat)
en de raad van
נִפְתָּלִ֣ים
(niftalim)
de kronkelaars
נִמְהָֽרָה
(nimhara)
wordt overhaast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Paulus haalt dit vers aan in 1 Kor. 3:19 (‘Hij vangt de wijzen in hun sluwheid’).

Het is een van de duidelijkste plaatsen waar het Nieuwe Testament het boek Job aanhaalt.

14Overdag lopen ze in duisternis en op het middaguur tasten ze rond als in de nacht.
יוֹמָ֥ם
(yomam)
overdag
יְפַגְּשׁוּ
(yefageshu)
ontmoeten ze
חֹ֑שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וְ֝כַלַּ֗יְלָה
(vekhalayla)
en als in de nacht
יְֽמַשְׁשׁ֥וּ
(yemashshu)
tasten ze
בַֽצָּהֳרָֽיִם
(batsahorayim)
op het middaguur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zo redt Hij de arme van het zwaard van hun mond, en uit de hand van de sterke.
וַיֹּ֣שַׁע
(vayosha)
en redt
מֵ֭חֶרֶב
(mecherev)
van het zwaard
מִפִּיהֶ֑ם
(mipihem)
uit hun mond
וּמִיַּ֖ד
(umiyad)
en uit de hand van
חָזָ֣ק
(chazaq)
de sterke
אֶבְיֽוֹן
(evyon)
de arme
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Zo is er hoop voor de zwakke, en moet het onrecht zijn mond sluiten.
וַתְּהִ֣י
(vatehi)
en er is
לַדַּ֣ל
(ladal)
voor de zwakke
תִּקְוָ֑ה
(tiqva)
hoop
וְ֝עֹלָ֗תָה
(veolata)
en sluit
קָ֣פְצָה
(qafetsa)
het onrecht
פִּֽיהָ
(piha)
haar mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Gelukkig wie door Eloah wordt terechtgewezen

17Zie, gelukkig is de mens die Eloah terechtwijst. Verwerp daarom de tucht van Sjaddai niet.
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אַשְׁרֵ֣י
(ashrei)
gelukkig
אֱ֭נוֹשׁ
(enosh)
de mens
יוֹכִחֶ֣נּֽוּ
(yokhichenu)
die terechtwijst hem
אֱל֑וֹהַּ
(eloha)
Eloah
וּמוּסַ֥ר
(umusar)
en de tucht van
שַׁ֝דַּ֗י
(shaday)
Sjaddai
אַל
(al)
niet
תִּמְאָֽס
(timas)
verwerp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁדַּי (Shaddai), ‘de Almachtige’, is de naam waarmee Elohim zich aan de aartsvaders bekendmaakte (Ex. 6:3).

In Job komt hij 31 keer voor, meer dan in enig ander boek.

18Want Hij brengt pijn, maar verbindt ook. Hij slaat, maar Zijn handen genezen.
כִּ֤י
(ki)
want
ה֣וּא
(hu)
Hij
יַכְאִ֣יב
(yakhiv)
brengt pijn
וְיֶחְבָּ֑שׁ
(veyechbash)
en verbindt
יִ֝מְחַ֗ץ
(yimchats)
slaat
וְיָדָ֥יו
(veyadav)
en zijn handen
תִּרְפֶּֽינָה
(tirpeina)
genezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Uit zes noden redt Hij je, en in de zevende zal geen kwaad je raken.
בְּשֵׁ֣שׁ
(beshesh)
in zes
צָ֭רוֹת
(tsarot)
noden
יַצִּילֶ֑ךָּ
(yatsileka)
redt Hij je
וּבְשֶׁ֓בַע
(uvesheva)
en in zeven
לֹא
(lo)
niet
יִגַּ֖ע
(yiga)
raakt
בְּךָ֣
(bekha)
je
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zes … zeven’ is een dichterlijke manier van tellen (Spr. 6:16; Amos 1:3): het aantal noemt een ruime maat.

Het betekent: in elke nood, hoe vaak ook, helpt Hij.

20In hongersnood heeft Hij je van de dood gered, en in oorlog uit de macht van het zwaard.
בְּ֭רָעָב
(beraav)
in hongersnood
פָּֽדְךָ֣
(padekha)
verloste Hij je
מִמָּ֑וֶת
(mimavet)
van de dood
וּ֝בְמִלְחָמָ֗ה
(uvemilchama)
en in oorlog
מִ֣ידֵי
(midei)
uit de macht van
חָֽרֶב
(charev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Voor de gesel van de tong zul je verborgen zijn, en je zult niet bang zijn voor geweld als het komt.
בְּשׁ֣וֹט
(beshot)
voor de gesel van
לָ֭שׁוֹן
(lashon)
de tong
תֵּחָבֵ֑א
(techave)
zul je verborgen zijn
וְֽלֹא
(velo)
en niet
תִירָ֥א
(tira)
zul je vrezen
מִ֝שֹּׁ֗ד
(mishod)
voor geweld
כִּ֣י
(ki)
als
יָבֽוֹא
(yavo)
het komt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Om geweld en honger zul je lachen, en voor de wilde dieren van de aarde zul je niet bang zijn.
לְשֹׁ֣ד
(leshod)
om geweld
וּלְכָפָ֣ן
(ulekhafan)
en honger
תִּשְׂחָ֑ק
(tischaq)
zul je lachen
וּֽמֵחַיַּ֥ת
(umechayat)
en voor het wild van
הָ֝אָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
אַל
(al)
niet
תִּירָֽא
(tira)
vrees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Want je verbond is met de stenen van het veld, en de wilde dieren van het veld leven in vrede met je.
כִּ֤י
(ki)
want
עִם
(im)
met
אַבְנֵ֣י
(avnei)
stenen van
הַשָּׂדֶ֣ה
(hasade)
het veld
בְרִיתֶ֑ךָ
(beritekha)
je verbond
וְחַיַּ֥ת
(vechayat)
en wild van
הַ֝שָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
הָשְׁלְמָה
(hashelema)
is in vrede
לָֽךְ
(lakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Met ‘de stenen van het veld’ een verbond hebben betekent: de akkers geven geen schade meer.

Dit past bij Hos. 2:20.

24Je zult weten dat je tent in vrede is. Je zult je woning nagaan en niets missen.
וְֽ֭יָדַעְתָּ
(veyadata)
en je zult weten
כִּי
(ki)
dat
שָׁל֣וֹם
(shalom)
vrede
אָהֳלֶ֑ךָ
(aholekha)
je tent
וּֽפָקַדְתָּ֥
(ufaqadta)
en je zult nagaan
נָ֝וְךָ
(navekha)
je woning
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תֶחֱטָֽא
(techeta)
zul je missen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Je zult weten dat je nageslacht talrijk is, en je afstammelingen als het gras van de aarde.
וְֽ֭יָדַעְתָּ
(veyadata)
en je zult weten
כִּי
(ki)
dat
רַ֣ב
(rav)
talrijk
זַרְעֶ֑ךָ
(zarekha)
je nageslacht
וְ֝צֶאֱצָאֶ֗יךָ
(vetseetsaeikha)
en je afstammelingen
כְּעֵ֣שֶׂב
(keesev)
als gras van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Je zult in volle kracht in het graf komen, zoals een korenschoof op zijn tijd wordt binnengehaald.
תָּב֣וֹא
(tavo)
je zult komen
בְכֶ֣לַח
(bekhelach)
in volle kracht
אֱלֵי
(elei)
tot
קָ֑בֶר
(qaver)
het graf
כַּעֲל֖וֹת
(kaalot)
als het opkomen van
גָּדִ֣ישׁ
(gadish)
een schoof
בְּעִתּֽוֹ
(beito)
op zijn tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֶּלַח (kelach) betekent ‘volle kracht’; het woord komt alleen hier en in 30:2 voor.

27Zie, dit hebben we onderzocht, zo is het. Luister ernaar en neem het ter harte.”
הִנֵּה
(hine)
zie
זֹ֭את
(zot)
dit
חֲקַרְנ֥וּהָ
(chaqarnuha)
we hebben onderzocht het
כֶּֽן
(ken)
zo
הִ֑יא
(hi)
is het
שְׁ֝מָעֶ֗נָּה
(shemaena)
luister ernaar
וְאַתָּ֥ה
(veata)
en jij
דַֽע
(da)
weet het
לָֽךְ
(lakh)
voor jezelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)