Elohim Bijbel

1 Koningen 18

12345678910111213141516171819202122

Yahweh of de Baäl op de Karmel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elia gaat naar Achab

1Na vele dagen kwam het woord van Yahweh tot Elia, in het derde jaar: „Ga, laat je zien aan Achab. Dan zal Ik regen geven op het oppervlak van de grond.”
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
יָמִ֣ים
(yamim)
dagen
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
וּדְבַר
(udevar)
en woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הָיָה֙
(haya)
kwam
אֶל
(el)
tot
אֵ֣לִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
בַּשָּׁנָ֥ה
(bashana)
in het jaar
הַשְּׁלִישִׁ֖ית
(hashelishit)
het derde
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לֵ֚ךְ
(lekh)
ga
הֵרָאֵ֣ה
(herae)
laat je zien
אֶל
(el)
aan
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
וְאֶתְּנָ֥ה
(veetena)
en Ik zal geven
מָטָ֖ר
(matar)
regen
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het ‘derde jaar’ telt vanaf het begin van de droogte, of vanaf Elia’s verblijf bij de weduwe van Zarefat.

De tekst zegt dat niet; wij vertalen letterlijk.

Zie 17:1 en Deut. 11:16–17.

הַאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’: de akker die regen nodig heeft.

2Elia ging om zich aan Achab te laten zien. De hongersnood was zwaar in Samaria.
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en ging
אֵֽלִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
לְהֵרָא֖וֹת
(leheraot)
om zich te laten zien
אֶל
(el)
aan
אַחְאָ֑ב
(achav)
Achab
וְהָרָעָ֖ב
(veharaav)
en de hongersnood
חָזָ֥ק
(chazaq)
was zwaar
בְּשֹׁמְרֽוֹן
(beshomeron)
in Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Samaria (Sebastiya) ligt op een heuvel ongeveer 10 km ten noordwesten van Sichem (Nablus), op de Westelijke Jordaanoever.

Omri bouwde de stad als hoofdstad van het noordelijke rijk.

Obadja ontmoet Elia

3Achab riep Obadja, die over het huis was. Obadja vreesde Yahweh zeer.
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
אֶל
(el)
tot
עֹבַדְיָ֖הוּ
(ovadyahu)
Obadja
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְעֹבַדְיָ֗הוּ
(veovadyahu)
en Obadja
הָיָ֥ה
(haya)
was
יָרֵ֛א
(yare)
vrezend
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲשֶׁר עַל־הַבַּיִת (asher al habbayit), ‘die over het huis was’: de man die over het paleis van de koning gesteld was.

Wij laten het woord ‘huis’ staan.

4Toen Izebel de profeten van Yahweh uitroeide, nam Obadja honderd profeten. Hij verborg hen, vijftig man in een grot, en voorzag hen van brood en water.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בְּהַכְרִ֣ית
(behakhrit)
toen uitroeide
אִיזֶ֔בֶל
(izevel)
Izebel
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
נְבִיאֵ֣י
(neviei)
profeten van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
עֹבַדְיָ֜הוּ
(ovadyahu)
Obadja
מֵאָ֣ה
(mea)
honderd
נְבִאִ֗ים
(neviim)
profeten
וַֽיַּחְבִּיאֵ֞ם
(vayachbiem)
en verborg hen
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
אִישׁ֙
(ish)
man
בַּמְּעָרָ֔ה
(bameara)
in een grot
וְכִלְכְּלָ֖ם
(vekhilkelam)
en voorzag hen
לֶ֥חֶם
(lechem)
van brood
וָמָֽיִם
(vamayim)
en water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּהַכְרִית (behakhrit), ‘toen zij uitroeide’: van כָּרַת (karat), ‘afsnijden’.

Izebel liet de profeten van Yahweh doden.

Het verhaal van Izebel begint in 16:31.

5Achab zei tegen Obadja: „Ga door het land, naar alle bronnen van water en naar alle beken. Misschien vinden wij gras. Dan houden wij paarden en muilezels in leven en hoeven wij geen van de dieren kwijt te raken.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אַחְאָב֙
(achav)
Achab
אֶל
(el)
tot
עֹ֣בַדְיָ֔הוּ
(ovadyahu)
Obadja
לֵ֤ךְ
(lekh)
ga
בָּאָ֨רֶץ֙
(baarets)
door het land
אֶל
(el)
naar
כָּל
(kal)
alle
מַעְיְנֵ֣י
(mayenei)
bronnen van
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וְאֶ֖ל
(veel)
en naar
כָּל
(kal)
alle
הַנְּחָלִ֑ים
(hanechalim)
de beken
אוּלַ֣י
(ulay)
misschien
נִמְצָ֣א
(nimtsa)
vinden wij
חָצִ֗יר
(chatsir)
gras
וּנְחַיֶּה֙
(unechaye)
en houden wij in leven
ס֣וּס
(sus)
paard
וָפֶ֔רֶד
(vafered)
en muilezel
וְל֥וֹא
(velo)
en niet
נַכְרִ֖ית
(nakhrit)
snijden wij af
מֵהַבְּהֵמָֽה
(mehabehema)
van de dieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְלֹא נַכְרִית (velo nakhrit), ‘en wij snijden niet af’: wij zullen geen dieren hoeven af te voeren of te verliezen.

Het is hetzelfde werkwoord als in vers 4.

6Zij verdeelden het land om het te doorkruisen. Achab ging alleen langs één weg, en Obadja ging alleen langs één weg.
וַֽיְחַלְּק֥וּ
(vaychalequ)
en zij verdeelden
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor zich
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לַֽעֲבָר
(laavar)
om te doorkruisen
בָּ֑הּ
(bah)
het
אַחְאָ֞ב
(achav)
Achab
הָלַ֨ךְ
(halakh)
ging
בְּדֶ֤רֶךְ
(bederekh)
langs weg
אֶחָד֙
(echad)
één
לְבַדּ֔וֹ
(levado)
alleen
וְעֹֽבַדְיָ֛הוּ
(veovadyahu)
en Obadja
הָלַ֥ךְ
(halakh)
ging
בְּדֶרֶךְ
(bederekh)
langs weg
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לְבַדּֽוֹ
(levado)
alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJer 14:3
7Terwijl Obadja onderweg was, zie, daar kwam Elia hem tegemoet. Hij herkende hem en viel op zijn gezicht. Hij zei: „Bent u het, mijn heer Elia?”
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
עֹבַדְיָ֨הוּ֙
(ovadyahu)
Obadja
בַּדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
onderweg
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
אֵלִיָּ֖הוּ
(eliyahu)
Elia
לִקְרָאת֑וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַיַּכִּרֵ֨הוּ֙
(vayakirehu)
en hij herkende hem
וַיִּפֹּ֣ל
(vayipol)
en viel
עַל
(al)
op
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
הַאַתָּ֥ה
(haata)
bent u
זֶ֖ה
(ze)
het
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
אֵלִיָּֽהוּ
(eliyahu)
Elia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּכִּרֵהוּ (vayyakkirehu), ‘en hij herkende hem’: van נָכַר (nakar).

Obadja valt op zijn gezicht uit eerbied.

8Hij zei tegen hem: „Ik ben het. Ga, zeg tegen je heer: ‘Zie, Elia is er.’”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֖וֹ
(lo)
tot hem
אָ֑נִי
(ani)
ik
לֵ֛ךְ
(lekh)
ga
אֱמֹ֥ר
(emor)
zeg
לַאדֹנֶ֖יךָ
(ladoneikha)
tegen je heer
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
אֵלִיָּֽהוּ
(eliyahu)
Elia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij zei: „Waarin heb ik gezondigd, dat u uw dienaar in de hand van Achab geeft om mij te doden?
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶ֣ה
(me)
wat
חָטָ֑אתִי
(chatati)
heb ik gezondigd
כִּֽי
(ki)
dat
אַתָּ֞ה
(ata)
u
נֹתֵ֧ן
(noten)
geeft
אֶֽת
(et)
(obj.)
עַבְדְּךָ֛
(avdekha)
uw dienaar
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
לַהֲמִיתֵֽנִי
(lahamiteni)
om mij te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Zo waar Yahweh, uw Elohim, leeft: er is geen volk en geen koninkrijk waarheen mijn heer niet heeft gestuurd om u te zoeken. Als zij zeiden: ‘Hij is er niet’, liet hij dat koninkrijk en dat volk zweren dat zij u niet hadden gevonden.
חַ֣י
(chay)
levend is
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
אִם
(im)
als
יֶשׁ
(yesh)
er is
גּ֤וֹי
(goy)
volk
וּמַמְלָכָה֙
(umamlakha)
en koninkrijk
אֲ֠שֶׁר
(asher)
waar
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁלַ֨ח
(shalach)
heeft gestuurd
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
שָׁם֙
(sham)
daarheen
לְבַקֶּשְׁךָ֔
(levaqeshkha)
om u te zoeken
וְאָמְר֖וּ
(veameru)
en zij zeiden
אָ֑יִן
(ayin)
er is niet
וְהִשְׁבִּ֤יעַ
(vehishbia)
en liet zweren
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּמְלָכָה֙
(hamamlakha)
het koninkrijk
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגּ֔וֹי
(hagoy)
het volk
כִּ֖י
(ki)
dat
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמְצָאֶֽכָּה
(yimtsaeka)
zij u vonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11En nu zegt u: ‘Ga, zeg tegen je heer: Zie, Elia is er.’
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
אַתָּ֣ה
(ata)
u
אֹמֵ֑ר
(omer)
zegt
לֵ֛ךְ
(lekh)
ga
אֱמֹ֥ר
(emor)
zeg
לַאדֹנֶ֖יךָ
(ladoneikha)
tegen je heer
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
אֵלִיָּֽהוּ
(eliyahu)
Elia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Als ik van u wegga, zal de Geest van Yahweh u meenemen naar een plaats die ik niet ken. Als ik dan kom om het aan Achab te vertellen en hij vindt u niet, zal hij mij doden. Maar uw dienaar vreest Yahweh van jongs af aan.
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
אֲנִ֣י
(ani)
ik
אֵלֵ֣ךְ
(elekh)
ga
מֵאִתָּ֗ךְ
(meitakh)
van u weg
וְר֨וּחַ
(veruach)
en Geest van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
יִֽשָּׂאֲךָ֙
(yisaakha)
zal u dragen
עַ֚ל
(al)
naar
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
לֹֽא
(lo)
niet
אֵדָ֔ע
(eda)
ik ken
וּבָ֨אתִי
(uvati)
en ik zal komen
לְהַגִּ֧יד
(lehagid)
om te vertellen
לְאַחְאָ֛ב
(leachav)
aan Achab
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִֽמְצָאֲךָ֖
(yimtsaakha)
hij vindt u
וַהֲרָגָ֑נִי
(vaharagani)
en hij zal mij doden
וְעַבְדְּךָ֛
(veavdekha)
en uw dienaar
יָרֵ֥א
(yare)
vreest
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִנְּעֻרָֽי
(mineuray)
van mijn jeugd af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘de Geest van Yahweh’: het woord רוּחַ (ruach) betekent ook ‘wind’ of ‘adem’.

Obadja denkt dat Yahweh Elia plotseling kan wegvoeren, zoals later gebeurt met Elia in 2 Kon. 2:16.

Wij vertalen ‘de Geest van Yahweh’ (zie Richt. 14:6).

13Is het niet aan mijn heer gemeld wat ik heb gedaan toen Izebel de profeten van Yahweh doodde? Ik verborg honderd man van de profeten van Yahweh, vijftig man per grot, en ik voorzag hen van brood en water.
הֲלֹֽא
(halo)
is niet
הֻגַּ֤ד
(hugad)
gemeld
לַֽאדֹנִי֙
(ladoni)
aan mijn heer
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
בַּהֲרֹ֣ג
(baharog)
toen doodde
אִיזֶ֔בֶל
(izevel)
Izebel
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
נְבִיאֵ֣י
(neviei)
profeten van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאַחְבִּא֩
(vaachbi)
en ik verborg
מִנְּבִיאֵ֨י
(mineviei)
van de profeten van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵ֣אָה
(mea)
honderd
אִ֗ישׁ
(ish)
man
חֲמִשִּׁ֨ים
(chamishim)
vijftig
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
אִישׁ֙
(ish)
man
בַּמְּעָרָ֔ה
(bameara)
in een grot
וָאֲכַלְכְּלֵ֖ם
(vaakhalkelem)
en ik voorzag hen
לֶ֥חֶם
(lechem)
van brood
וָמָֽיִם
(vamayim)
en water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14En nu zegt u: ‘Ga, zeg tegen je heer: Zie, Elia is er.’ Hij zal mij doden.”
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
אַתָּ֣ה
(ata)
u
אֹמֵ֔ר
(omer)
zegt
לֵ֛ךְ
(lekh)
ga
אֱמֹ֥ר
(emor)
zeg
לַֽאדֹנֶ֖יךָ
(ladoneikha)
tegen je heer
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אֵלִיָּ֑הוּ
(eliyahu)
Elia
וַהֲרָגָֽנִי
(vaharagani)
en hij zal mij doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookMat 10:28
15Elia zei: „Zo waar Yahweh van de legermachten leeft, voor wiens aangezicht ik sta: vandaag zal ik mij aan hem laten zien.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֵֽלִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
חַ֚י
(chay)
levend is
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
voor wie
עָמַ֖דְתִּי
(amadti)
ik sta
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
כִּ֥י
(ki)
dat
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
אֵרָאֶ֥ה
(erae)
zal ik mij laten zien
אֵלָֽיו
(elav)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָמַדְתִּי לְפָנָיו (amadti lefanav), ‘voor wiens aangezicht ik sta’: Elia staat als dienaar voor Yahweh.

Zie 17:1.

16Obadja ging Achab tegemoet en vertelde het hem. Achab ging Elia tegemoet.
וַיֵּ֧לֶךְ
(vayelekh)
en ging
עֹבַדְיָ֛הוּ
(ovadyahu)
Obadja
לִקְרַ֥את
(liqrat)
tegemoet
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en vertelde
ל֑וֹ
(lo)
hem
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
לִקְרַ֥את
(liqrat)
tegemoet
אֵלִיָּֽהוּ
(eliyahu)
Elia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Achab en Elia

17Toen Achab Elia zag, zei hij tegen hem: „Ben jij het, jij die Israël in ongeluk brengt?”
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
כִּרְא֥וֹת
(kirot)
toen zag
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
אֶת
(et)
(obj.)
אֵלִיָּ֑הוּ
(eliyahu)
Elia
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אַחְאָב֙
(achav)
Achab
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
הַאַתָּ֥ה
(haata)
ben jij
זֶ֖ה
(ze)
het
עֹכֵ֥ר
(okher)
die in ongeluk brengt
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹכֵר (okher), ‘iemand die in ongeluk brengt’: hetzelfde werkwoord (עָכַר, akhar) als bij Achan in Joz. 7:25.

Achab geeft Elia de schuld van de droogte.

18Hij zei: „Ik breng Israël niet in ongeluk. Dat doet u, en het huis van uw vader. Jullie hebben de geboden van Yahweh verlaten, en u bent de Baäls nagelopen.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
לֹ֤א
(lo)
niet
עָכַ֨רְתִּי֙
(akharti)
ik heb in ongeluk gebracht
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּ֥י
(ki)
maar
אִם
(im)
juist
אַתָּ֖ה
(ata)
u
וּבֵ֣ית
(uveit)
en het huis van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
uw vader
בַּֽעֲזָבְכֶם֙
(baazavekhem)
doordat jullie verlieten
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְוֺ֣ת
(mitsvot)
geboden van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתֵּ֖לֶךְ
(vatelekh)
en u bent gegaan
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
הַבְּעָלִֽים
(habealim)
de Baäls
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַבְּעָלִים (habbe’alim), ‘de Baäls’: de vele plaatselijke vormen van Baäl.

Lezing

Het werkwoord ‘jullie hebben verlaten’ (בְּעַזְבְכֶם) staat in het meervoud, het werkwoord ‘u bent gegaan’ (וַתֵּלֶךְ) in het enkelvoud.

Wij houden dit verschil in de vertaling: ‘jullie’ is het huis van Achab, ‘u’ is Achab zelf.

Elia roept Israël bijeen op de Karmel

19Stuur nu bericht en verzamel heel Israël bij mij op de berg Karmel. Verzamel ook de 450 profeten van de Baäl en de 400 profeten van de heilige paal, die aan de tafel van Izebel eten.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
שְׁלַ֨ח
(shelach)
stuur
קְבֹ֥ץ
(qevots)
verzamel
אֵלַ֛י
(elay)
bij mij
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
הַ֣ר
(har)
berg
הַכַּרְמֶ֑ל
(hakarmel)
de Karmel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נְבִיאֵ֨י
(neviei)
profeten van
הַבַּ֜עַל
(habaal)
de Baäl
אַרְבַּ֧ע
(arba)
vier
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
וַחֲמִשִּׁ֗ים
(vachamishim)
en vijftig
וּנְבִיאֵ֤י
(uneviei)
en profeten van
הָֽאֲשֵׁרָה֙
(haashera)
de heilige paal
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
מֵא֔וֹת
(meot)
honderd
אֹכְלֵ֖י
(okhelei)
eters van
שֻׁלְחַ֥ן
(shulchan)
tafel van
אִיזָֽבֶל
(izavel)
Izebel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Karmel is een bergrug van ongeveer 25 km lengte die aan de kust bij Haifa begint en zuidoostwaarts loopt, in het noorden van Israël.

De traditionele plek van de ontmoeting is Muhraqa, aan de zuidoostkant van de bergrug, met uitzicht over de Jizreëlvlakte.

Dat is traditie; de tekst noemt de plek niet.

Uitleg

הָאֲשֵׁרָה (ha’asherah), ‘de heilige paal’: de paal of het beeld van de godin Asjera.

Vergelijk Richt. 6:25–30.

אֹכְלֵי שֻׁלְחַן אִיזֶבֶל (okhelei shulchan Izevel), ‘eters van de tafel van Izebel’: zij worden door Izebel onderhouden.

20Achab stuurde bericht aan alle zonen van Israël en verzamelde de profeten op de berg Karmel.
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en stuurde
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
בְּכָל
(bekhal)
onder alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּקְבֹּ֥ץ
(vayiqbots)
en verzamelde
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּבִיאִ֖ים
(haneviim)
de profeten
אֶל
(el)
naar
הַ֥ר
(har)
berg
הַכַּרְמֶֽל
(hakarmel)
de Karmel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa.

De traditionele plek van de ontmoeting van Elia met de profeten van de Baäl is Muhraqa, aan de zuidoostkant.

Zie ook1 Kon 22:9

Yahweh of de Baäl

21Elia kwam naar het hele volk toe en zei: „Hoelang blijven jullie nog hinken op twee takken? Als Yahweh de Elohim is, ga Hem dan achterna. En als de Baäl het is, ga hem dan achterna.” Het volk antwoordde hem geen woord.
וַיִּגַּ֨שׁ
(vayigash)
en kwam naar voren
אֵלִיָּ֜הוּ
(eliyahu)
Elia
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
עַד
(ad)
tot
מָתַ֞י
(matay)
wanneer
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
פֹּסְחִים֮
(posechim)
hinkend
עַל
(al)
op
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
הַסְּעִפִּים֒
(haseipim)
de takken
אִם
(im)
als
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
de Elohim
לְכ֣וּ
(lekhu)
ga
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
Hem achterna
וְאִם
(veim)
en als
הַבַּ֖עַל
(habaal)
de Baäl
לְכ֣וּ
(lekhu)
ga
אַחֲרָ֑יו
(acharav)
hem achterna
וְלֹֽא
(velo)
en niet
עָנ֥וּ
(anu)
antwoordde
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
דָּבָֽר
(davar)
woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֹּסְחִים עַל־שְׁתֵּי הַסְּעִפִּים (posechim al shetei hasse’ippim), ‘hinkend op twee takken’: סְעִפִּים (se’ippim) betekent ‘takken’ of ‘gedachten, meningen’.

Het beeld is dat van iemand die onzeker heen en weer springt, zonder te kiezen.

הָאֱלֹהִים (ha’Elohim), ‘de Elohim’: met lidwoord, zoals in Deut. 4:35. Het gaat om de vraag wie de ware Elohim is.

לְכוּ אַחֲרָיו (lekhu acharav), ‘ga hem achterna’: volg Hem. Zie Deut. 13:5 en 1 Kon. 11:6.

22Elia zei tegen het volk: „Ik ben als enige profeet van Yahweh overgebleven. De profeten van de Baäl zijn 450 man.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלִיָּ֨הוּ֙
(eliyahu)
Elia
אֶל
(el)
tot
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֲנִ֞י
(ani)
ik
נוֹתַ֧רְתִּי
(notarti)
ben overgebleven
נָבִ֛יא
(navi)
profeet
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
van Yahweh
לְבַדִּ֑י
(levadi)
alleen
וּנְבִיאֵ֣י
(uneviei)
en profeten van
הַבַּ֔עַל
(habaal)
de Baäl
אַרְבַּע
(arba)
vier
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
וַחֲמִשִּׁ֖ים
(vachamishim)
en vijftig
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Laat hen ons twee stieren geven. Zij kiezen één stier voor zichzelf, hakken hem in stukken en leggen hem op het hout. Zij steken er geen vuur onder. Ik maak de andere stier klaar en leg hem op het hout. Ik steek er ook geen vuur onder.
וְיִתְּנוּ
(veyitenu)
laat geven
לָ֜נוּ
(lanu)
ons
שְׁנַ֣יִם
(shenayim)
twee
פָּרִ֗ים
(parim)
stieren
וְיִבְחֲר֣וּ
(veyivcharu)
en laat kiezen
לָהֶם֩
(lahem)
voor zich
הַפָּ֨ר
(hapar)
de stier
הָאֶחָ֜ד
(haechad)
de ene
וִֽינַתְּחֻ֗הוּ
(vinatechuhu)
en laat in stukken hakken
וְיָשִׂ֨ימוּ֙
(veyasimu)
en laat leggen
עַל
(al)
op
הָ֣עֵצִ֔ים
(haetsim)
het hout
וְאֵ֖שׁ
(veesh)
en vuur
לֹ֣א
(lo)
niet
יָשִׂ֑ימוּ
(yasimu)
zij leggen
וַאֲנִ֞י
(vaani)
en ik
אֶעֱשֶׂ֣ה
(eese)
zal klaarmaken
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֣ר
(hapar)
de stier
הָאֶחָ֗ד
(haechad)
de ene
וְנָֽתַתִּי֙
(venatati)
en ik zal leggen
עַל
(al)
op
הָ֣עֵצִ֔ים
(haetsim)
het hout
וְאֵ֖שׁ
(veesh)
en vuur
לֹ֥א
(lo)
niet
אָשִֽׂים
(asim)
ik leg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַפָּר הָאֶחָד (happar ha’echad), ‘de ene stier’: letterlijk ‘de ene stier’.

Wij schrijven ‘de andere stier’ in de tweede zin, omdat het om de tweede van de twee gaat.

Elia stelt de proef die past bij Deut. 13 en 18:20–22: de ware Elohim blijkt uit wat Hij doet.

24Dan roepen jullie de naam van jullie god aan, en ik roep de naam van Yahweh aan. De Elohim die met vuur antwoordt, Hij is de Elohim.” Heel het volk antwoordde en zei: „Dat is een goed voorstel.”
וּקְרָאתֶ֞ם
(uqeratem)
en jullie zullen aanroepen
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
de naam van
אֱלֹֽהֵיכֶ֗ם
(eloheikhem)
jullie god
וַֽאֲנִי֙
(vaani)
en ik
אֶקְרָ֣א
(eqra)
zal aanroepen
בְשֵׁם
(beshem)
de naam van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָיָ֧ה
(vehaya)
en het zal zijn
הָאֱלֹהִ֛ים
(haElohim)
de Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
יַעֲנֶ֥ה
(yaane)
antwoordt
בָאֵ֖שׁ
(baesh)
met vuur
ה֣וּא
(hu)
Hij
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וַיַּ֧עַן
(vayaan)
en antwoordde
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
ט֥וֹב
(tov)
goed
הַדָּבָֽר
(hadavar)
het woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elia noemt de god van de profeten van de Baäl met kleine letter: ‘jullie god’ (אֱלֹהֵיכֶם, elohekhem).

De profeten van de Baäl roepen

25Elia zei tegen de profeten van de Baäl: „Kies voor jullie de ene stier en maak hem eerst klaar, want jullie zijn met velen. Roep dan de naam van jullie god aan, maar steek er geen vuur onder.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלִיָּ֜הוּ
(eliyahu)
Elia
לִנְבִיאֵ֣י
(linviei)
tot de profeten van
הַבַּ֗עַל
(habaal)
de Baäl
בַּחֲר֨וּ
(bacharu)
kies
לָכֶ֜ם
(lakhem)
voor jullie
הַפָּ֤ר
(hapar)
de stier
הָֽאֶחָד֙
(haechad)
de ene
וַעֲשׂ֣וּ
(vaasu)
en maak klaar
רִאשֹׁנָ֔ה
(rishona)
eerst
כִּ֥י
(ki)
want
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
הָרַבִּ֑ים
(harabim)
de velen
וְקִרְאוּ֙
(veqiru)
en roep
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
de naam van
אֱלֹהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie god
וְאֵ֖שׁ
(veesh)
en vuur
לֹ֥א
(lo)
niet
תָשִֽׂימוּ
(tasimu)
leg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Zij namen de stier die hun gegeven was en maakten hem klaar. Van de morgen tot de middag riepen zij de naam van de Baäl aan: „Baäl, antwoord ons!” Maar er was geen stem en niemand antwoordde. Zij hinkten rond het altaar dat gemaakt was.
וַ֠יִּקְחוּ
(vayiqchu)
en namen
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֨ר
(hapar)
de stier
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֣ן
(natan)
gegeven was
לָהֶם֮
(lahem)
hun
וַֽיַּעֲשׂוּ֒
(vayaasu)
en maakten klaar
וַיִּקְרְא֣וּ
(vayiqreu)
en riepen
בְשֵׁם
(beshem)
de naam van
הַ֠בַּעַל
(habaal)
de Baäl
מֵהַבֹּ֨קֶר
(mehaboqer)
van de morgen
וְעַד
(vead)
en tot
הַצָּהֳרַ֤יִם
(hatsahorayim)
de middag
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggende
הַבַּ֣עַל
(habaal)
Baäl
עֲנֵ֔נוּ
(anenu)
antwoord ons
וְאֵ֥ין
(veein)
en er was niet
ק֖וֹל
(qol)
stem
וְאֵ֣ין
(veein)
en er was niet
עֹנֶ֑ה
(one)
antwoordend
וַֽיְפַסְּח֔וּ
(vayfasechu)
en zij hinkten
עַל
(al)
om
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עָשָֽׂה
(asa)
gemaakt was
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְפַסְּחוּ (vayfassechu), ‘zij hinkten’: hetzelfde werkwoord als in vers 21.

Het is een soort dans of hinkend rondspringen.

27Op de middag spotte Elia met hen. Hij zei: „Roep met luide stem! Want hij is een god. Hij is in gedachten verzonken, of hij heeft zich teruggetrokken, of hij is op reis. Misschien slaapt hij en moet hij wakker worden.”
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
בַֽצָּהֳרַ֜יִם
(batsahorayim)
op de middag
וַיְהַתֵּ֧ל
(vayhatel)
en spotte
בָּהֶ֣ם
(bahem)
met hen
אֵלִיָּ֗הוּ
(eliyahu)
Elia
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
קִרְא֤וּ
(qiru)
roep
בְקוֹל
(beqol)
met stem
גָּדוֹל֙
(gadol)
luid
כִּֽי
(ki)
want
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
een god
ה֔וּא
(hu)
hij
כִּ֣י
(ki)
want
שִׂ֧יחַ
(siach)
gepeins
וְכִֽי
(vekhi)
en of
שִׂ֛יג
(sig)
terugtrekking
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
וְכִֽי
(vekhi)
en of
דֶ֣רֶךְ
(derekh)
reis
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יָשֵׁ֥ן
(yashen)
slapend
ה֖וּא
(hu)
hij
וְיִקָֽץ
(veyiqats)
en wordt wakker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׂיחַ (siach), ‘gepeins’, en שִׂיג (sig), ‘terugtrekking’: het tweede woord komt alleen hier voor en de betekenis is onzeker.

Wij vertalen ‘zich terugtrekken’; sommige oude vertalingen lezen een ander woord.

Elia spot met de god van wie de profeten antwoord verwachten.

28Zij riepen met luide stem. Volgens hun gebruik sneden zij zichzelf met zwaarden en lansen, tot het bloed over hen heen stroomde.
וַֽיִּקְרְאוּ֙
(vayiqreu)
en zij riepen
בְּק֣וֹל
(beqol)
met stem
גָּד֔וֹל
(gadol)
luid
וַיִּתְגֹּֽדְדוּ֙
(vayitgodedu)
en sneden zichzelf
כְּמִשְׁפָּטָ֔ם
(kemishpatam)
volgens hun gebruik
בַּחֲרָב֖וֹת
(bacharavot)
met zwaarden
וּבָֽרְמָחִ֑ים
(uvaremachim)
en lansen
עַד
(ad)
tot
שְׁפָךְ
(shefakh)
het uitstorten van
דָּ֖ם
(dam)
bloed
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּמִשְׁפָּטָם (kemishpatam), ‘volgens hun gebruik’: het woord מִשְׁפָּט (mishpat) betekent elders ‘recht’.

Hier is het de gewoonte van deze profeten.

Zie ook Deut. 14:1 en Lev. 19:28.

29Toen de middag voorbij was, raasden zij als profeten tot het tijdstip waarop het graanoffer werd opgebracht. Maar er was geen stem, niemand antwoordde en niemand lette erop.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כַּעֲבֹ֣ר
(kaavor)
toen voorbij was
הַֽצָּהֳרַ֔יִם
(hatsahorayim)
de middag
וַיִּֽתְנַבְּא֔וּ
(vayitnabeu)
en zij raasden als profeten
עַ֖ד
(ad)
tot
לַעֲל֣וֹת
(laalot)
het opgaan van
הַמִּנְחָ֑ה
(hamincha)
het graanoffer
וְאֵֽין
(veein)
en er was niet
ק֥וֹל
(qol)
stem
וְאֵין
(veein)
en er was niet
עֹנֶ֖ה
(one)
antwoordend
וְאֵ֥ין
(veein)
en er was niet
קָֽשֶׁב
(qashev)
aandacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּתְנַבְּאוּ (vayyitnabbe’u), ‘zij raasden als profeten’: in vervoering profeteren, zoals in 1 Sam. 10:5–6.

הַמִּנְחָה (haminchah), ‘het graanoffer’: het avondoffer van het dagelijkse offer (Exod. 29:38–41). Dat valt in de late namiddag.

Elia herstelt het altaar van Yahweh

30Elia zei tegen heel het volk: „Kom naar mij toe.” Heel het volk kwam naar hem toe. Hij herstelde het altaar van Yahweh dat was afgebroken.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלִיָּ֤הוּ
(eliyahu)
Elia
לְכָל
(lekhal)
tot heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
גְּשׁ֣וּ
(geshu)
kom nabij
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וַיִּגְּשׁ֥וּ
(vayigeshu)
en zij kwamen nabij
כָל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֵלָ֑יו
(elav)
naar hem
וַיְרַפֵּ֛א
(vayrape)
en herstelde
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
altaar van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֶהָרֽוּס
(heharus)
het afgebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Elia nam twaalf stenen, volgens het aantal van de stammen van de zonen van Jakob. Tot Jakob was het woord van Yahweh gekomen: „Israël zal je naam zijn.”
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אֵלִיָּ֗הוּ
(eliyahu)
Elia
שְׁתֵּ֤ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
אֲבָנִ֔ים
(avanim)
stenen
כְּמִסְפַּ֖ר
(kemispar)
volgens het aantal van
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
אֲשֶׁר֩
(asher)
tot wie
הָיָ֨ה
(haya)
was gekomen
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
שְׁמֶֽךָ
(shemekha)
je naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De twaalf stenen horen bij de twaalf stammen, ook al is het rijk verdeeld (11:30–32).

Lezing

De woorden ‘Israël zal je naam zijn’ zijn het woord van Yahweh aan Jakob uit Gen. 35:10.

Wij zetten ze rood, omdat het woorden van Yahweh zelf zijn.

32Met die stenen bouwde hij een altaar in de naam van Yahweh. Rondom het altaar maakte hij een greppel, zo groot dat er twee sea zaad in paste.
וַיִּבְנֶ֧ה
(vayivne)
en bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲבָנִ֛ים
(haavanim)
de stenen
מִזְבֵּ֖חַ
(mizbeach)
altaar
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en maakte
תְּעָלָ֗ה
(teala)
greppel
כְּבֵית֙
(keveit)
ter grootte van
סָאתַ֣יִם
(satayim)
twee sea
זֶ֔רַע
(zera)
zaad
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
לַמִּזְבֵּֽחַ
(lamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְאָתַיִם זֶרַע (se’atayim zera), ‘twee sea zaad’: een sea is ongeveer 7 liter, dus twee sea is ongeveer 15 liter.

De greppel was zo groot dat daar zoveel zaad in kon.

33Hij legde het hout in orde, hakte de stier in stukken en legde hem op het hout.
וַֽיַּעֲרֹ֖ךְ
(vayaarokh)
en legde in orde
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעֵצִ֑ים
(haetsim)
het hout
וַיְנַתַּח֙
(vaynatach)
en hakte in stukken
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֔ר
(hapar)
de stier
וַיָּ֖שֶׂם
(vayasem)
en legde
עַל
(al)
op
הָעֵצִֽים
(haetsim)
het hout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Hij zei: „Vul vier kruiken met water en giet het op het brandoffer en op het hout.” Toen zei hij: „Doe het nog een keer.” Zij deden het nog een keer. Hij zei: „Doe het een derde keer.” Zij deden het een derde keer.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
מִלְא֨וּ
(milu)
vul
אַרְבָּעָ֤ה
(arbaa)
vier
כַדִּים֙
(kadim)
kruiken
מַ֔יִם
(mayim)
water
וְיִֽצְק֥וּ
(veyitsqu)
en giet
עַל
(al)
op
הָעֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
וְעַל
(veal)
en op
הָעֵצִ֑ים
(haetsim)
het hout
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁנוּ֙
(shenu)
doe het opnieuw
וַיִּשְׁנ֔וּ
(vayishnu)
en zij deden het opnieuw
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
שַׁלֵּ֖שׁוּ
(shaleshu)
doe het een derde keer
וַיְשַׁלֵּֽשׁוּ
(vayshaleshu)
en zij deden het een derde keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּדִּים (kaddim), ‘kruiken’: grote watervaten, zoals in Gen. 24:14.

35Het water liep rond het altaar. Ook de greppel vulde hij met water.
וַיֵּלְכ֣וּ
(vayelekhu)
en liep
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
לַמִּזְבֵּ֑חַ
(lamizbeach)
het altaar
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
הַתְּעָלָ֖ה
(hateala)
de greppel
מִלֵּא
(mile)
vulde hij
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het gebed van Elia

36Toen het graanoffer werd opgebracht, kwam de profeet Elia naar voren. Hij zei: „Yahweh, Elohim van Abraham, Isaak en Israël, laat vandaag bekend worden dat U Elohim bent in Israël. Laat bekend worden dat ik Uw dienaar ben en dat ik op Uw woord al deze dingen heb gedaan.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּעֲל֣וֹת
(baalot)
toen opging
הַמִּנְחָ֗ה
(hamincha)
het graanoffer
וַיִּגַּ֞שׁ
(vayigash)
en kwam naar voren
אֵלִיָּ֣הוּ
(eliyahu)
Elia
הַנָּבִיא֮
(hanavi)
de profeet
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
וְיִשְׂרָאֵ֔ל
(veyisrael)
en Israël
הַיּ֣וֹם
(hayom)
vandaag
יִוָּדַ֗ע
(yivada)
laat bekend worden
כִּֽי
(ki)
dat
אַתָּ֧ה
(ata)
U
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
בְּיִשְׂרָאֵ֖ל
(beyisrael)
in Israël
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
Uw dienaar
וּבִדְבָרְךָ֣
(uvidvarekha)
en op Uw woord
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
deze dingen
הָאֵֽלֶּה
(haele)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲלוֹת הַמִּנְחָה (alot haminchah), ‘het opgaan van het graanoffer’: het tijdstip van het avondoffer, zoals in vers 29.

Elohim van Abraham, Isaak en Israël: zie Exod. 3:6. ‘Israël’ is hier Jakob (Gen. 35:10).

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘op Uw woorden’ (וּבִדְבָרֶיךָ), het qere ‘op Uw woord’ (וּבִדְבָרְךָ).

Wij volgen het qere.

37Antwoord mij, Yahweh, antwoord mij! Dan weet dit volk dat U, Yahweh, de Elohim bent, en dat U hun hart terug hebt gekeerd.”
עֲנֵ֤נִי
(aneni)
antwoord mij
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֲנֵ֔נִי
(aneni)
antwoord mij
וְיֵֽדְעוּ֙
(veyedeu)
opdat zij weten
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
כִּֽי
(ki)
dat
אַתָּ֥ה
(ata)
U
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en U
הֲסִבֹּ֥תָ
(hasibota)
hebt gekeerd
אֶת
(et)
(obj.)
לִבָּ֖ם
(libam)
hun hart
אֲחֹרַנִּֽית
(achoranit)
terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

הֲסִבֹּתָ (hasibbota), ‘U hebt gekeerd’: het Hebreeuws kan betekenen ‘U brengt hun hart terug naar U’ of ‘U hebt hun hart achterwaarts gedraaid’.

Wij houden de neutrale woorden ‘terug hebt gekeerd’.

38Het vuur van Yahweh viel neer. Het verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof. Ook het water in de greppel likte het op.
וַתִּפֹּ֣ל
(vatipol)
en viel
אֵשׁ
(esh)
vuur van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתֹּ֤אכַל
(vatokhal)
en verteerde
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעֹלָה֙
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָ֣עֵצִ֔ים
(haetsim)
het hout
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֲבָנִ֖ים
(haavanim)
de stenen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הֶעָפָ֑ר
(heafar)
het stof
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמַּ֥יִם
(hamayim)
het water
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בַּתְּעָלָ֖ה
(bateala)
in de greppel
לִחֵֽכָה
(lichekha)
likte het op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het vuur van Yahweh verteert het offer, zoals in Lev. 9:24.

Het verteert ook de stenen en het stof, en likt het water op.

39Heel het volk zag het. Zij vielen op hun gezicht en zeiden: „Yahweh, Hij is de Elohim! Yahweh, Hij is de Elohim!”
וַיַּרְא֙
(vayar)
en zag
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַֽיִּפְּל֖וּ
(vayipelu)
en vielen
עַל
(al)
op
פְּנֵיהֶ֑ם
(peneihem)
hun gezicht
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
ה֣וּא
(hu)
Hij
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
ה֥וּא
(hu)
Hij
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Elia zei tegen hen: „Grijp de profeten van de Baäl. Laat niemand van hen ontkomen.” Zij grepen hen. Elia bracht hen naar beneden, naar de beek Kison, en slachtte hen daar.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
אֵלִיָּ֨הוּ
(eliyahu)
Elia
לָהֶ֜ם
(lahem)
tot hen
תִּפְשׂ֣וּ
(tifsu)
grijp
אֶת
(et)
(obj.)
נְבִיאֵ֣י
(neviei)
profeten van
הַבַּ֗עַל
(habaal)
de Baäl
אִ֛ישׁ
(ish)
man
אַל
(al)
niet
יִמָּלֵ֥ט
(yimalet)
ontkomt
מֵהֶ֖ם
(mehem)
van hen
וַֽיִּתְפְּשׂ֑וּם
(vayitpesum)
en zij grepen hen
וַיּוֹרִדֵ֤ם
(vayoridem)
en bracht hen naar beneden
אֵלִיָּ֨הוּ֙
(eliyahu)
Elia
אֶל
(el)
naar
נַ֣חַל
(nachal)
beek
קִישׁ֔וֹן
(qishon)
Kison
וַיִּשְׁחָטֵ֖ם
(vayishchatem)
en slachtte hen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Kison (Nahal Kishon) is een beek in het noorden van Israël.

Hij stroomt door de Jizreëlvlakte naar de Middellandse Zee bij Haifa.

Uitleg

De profeten van de Baäl werden gedood volgens de wet over afgoderij: Deut. 13:2–6 en 18:20.

De regen komt terug

41Elia zei tegen Achab: „Ga omhoog, eet en drink, want er is het geluid van een zware regen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלִיָּ֨הוּ֙
(eliyahu)
Elia
לְאַחְאָ֔ב
(leachav)
tegen Achab
עֲלֵ֖ה
(ale)
ga omhoog
אֱכֹ֣ל
(ekhol)
eet
וּשְׁתֵ֑ה
(ushete)
en drink
כִּי
(ki)
want
ק֖וֹל
(qol)
geluid van
הֲמ֥וֹן
(hamon)
gedruis van
הַגָּֽשֶׁם
(hagashem)
de regen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קוֹל הֲמוֹן הַגֶּשֶׁם (qol hamon haggeshem), ‘het geluid van een zware regen’: Elia hoort de regen al, voordat er een wolk te zien is.

42Achab ging omhoog om te eten en te drinken. Elia ging naar de top van de Karmel. Hij boog zich naar de grond en legde zijn gezicht tussen zijn knieën.
וַיַּעֲלֶ֥ה
(vayaale)
en ging omhoog
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
om te eten
וְלִשְׁתּ֑וֹת
(velishtot)
en te drinken
וְאֵ֨לִיָּ֜הוּ
(veeliyahu)
en Elia
עָלָ֨ה
(ala)
ging omhoog
אֶל
(el)
naar
רֹ֤אשׁ
(rosh)
top van
הַכַּרְמֶל֙
(hakarmel)
de Karmel
וַיִּגְהַ֣ר
(vayighar)
en boog zich neer
אַ֔רְצָה
(artsa)
naar de grond
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en legde
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
בִּרְכָּֽיו
(birkav)
zijn knieën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa.

Uitleg

Elia buigt zich neer en legt zijn gezicht tussen zijn knieën.

De tekst noemt geen gebed; zij beschrijft alleen de houding.

43Hij zei tegen zijn jongen: „Ga toch naar boven en kijk in de richting van de zee.” Hij ging omhoog, keek en zei: „Er is niets.” Elia zei: „Ga zeven keer terug.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶֽל
(el)
tot
נַעֲר֗וֹ
(naaro)
zijn jongen
עֲלֵֽה
(ale)
ga omhoog
נָא֙
(na)
toch
הַבֵּ֣ט
(habet)
kijk
דֶּֽרֶךְ
(derekh)
richting
יָ֔ם
(yam)
zee
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en ging omhoog
וַיַּבֵּ֔ט
(vayabet)
en keek
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵ֣ין
(ein)
niets
מְא֑וּמָה
(meuma)
iets
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
שֻׁ֖ב
(shuv)
ga terug
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִֽים
(peamim)
keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַעַר (na’ar), ‘jongen’: de dienaar van Elia, die niet bij naam wordt genoemd.

44Bij de zevende keer zei hij: „Zie, een kleine wolk, zo groot als de hand van een man, stijgt op uit de zee.” Elia zei: „Ga omhoog en zeg tegen Achab: ‘Span aan en ga naar beneden, zodat de regen u niet tegenhoudt.’”
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בַּשְּׁבִעִ֔ית
(basheviit)
de zevende keer
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּה
(hine)
zie
עָ֛ב
(av)
wolk
קְטַנָּ֥ה
(qetana)
klein
כְּכַף
(kekhaf)
zoals de hand van
אִ֖ישׁ
(ish)
man
עֹלָ֣ה
(ola)
opstijgend
מִיָּ֑ם
(miyam)
uit de zee
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
עֲלֵ֨ה
(ale)
ga omhoog
אֱמֹ֤ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tegen
אַחְאָב֙
(achav)
Achab
אֱסֹ֣ר
(esor)
span aan
וָרֵ֔ד
(vared)
en ga naar beneden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יַעַצָרְכָ֖ה
(yaatsarekha)
houdt u tegen
הַגָּֽשֶׁם
(hagashem)
de regen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

אֱסֹר (esor), ‘span aan’: het Hebreeuws noemt het voorwerp niet.

Bedoeld is het aanspannen van de wagen (zie vers 45: ‘Achab reed weg’).

Wij laten het voorwerp weg, zoals de tekst.

45Het duurde niet lang. Toen werd de hemel donker van wolken en wind, en kwam er een zware regen. Achab reed weg en ging naar Jizreël.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
עַד
(ad)
tot
כֹּ֣ה
(ko)
zo
וְעַד
(vead)
en tot
כֹּ֗ה
(ko)
zo
וְהַשָּׁמַ֨יִם֙
(vehashamayim)
en de hemel
הִֽתְקַדְּרוּ֙
(hitqaderu)
werd donker
עָבִ֣ים
(avim)
van wolken
וְר֔וּחַ
(veruach)
en wind
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en er was
גֶּ֣שֶׁם
(geshem)
regen
גָּד֑וֹל
(gadol)
zwaar
וַיִּרְכַּ֥ב
(vayirkav)
en reed
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יִזְרְעֶֽאלָה
(yizreela)
naar Jizreël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jizreël (Tel Jizreël bij Zer’in) ligt in de Jizreëlvlakte, in het noorden van Israël, ongeveer 30 km van de Karmel.

Achab had daar een paleis (21:1).

Uitleg

עַד־כֹּה וְעַד־כֹּה (ad koh ve’ad koh), ‘tot hier en tot daar’: een uitdrukking voor een korte tijd.

46De hand van Yahweh was op Elia. Hij gordde zijn lendenen en rende voor Achab uit, tot hij in Jizreël kwam.
וְיַד
(veyad)
en hand van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הָֽיְתָה֙
(hayeta)
was
אֶל
(el)
op
אֵ֣לִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
וַיְשַׁנֵּ֖ס
(vayshanes)
en hij gordde
מָתְנָ֑יו
(matenav)
zijn lendenen
וַיָּ֨רָץ֙
(vayarats)
en rende
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
עַד
(ad)
tot
בֹּאֲכָ֖ה
(boakha)
hij kwam
יִזְרְעֶֽאלָה
(yizreela)
Jizreël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.

Uitleg

יַד־יְהוָה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: Zijn kracht rustte op Elia.

Een man die zijn lendenen opschort, kan snel rennen.

Elia rent voor de wagen uit.