Elohim Bijbel

Genesis 14

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Oorlog en Melchisedek

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De oorlog van de koningen

1Het was in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedorlaomer, de koning van Elam, en van Tidal, de koning van Goïm.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּימֵי֙
(bimei)
in de dagen van
אַמְרָפֶ֣ל
(amrafel)
Amrafel
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
שִׁנְעָ֔ר
(shinar)
Sinear
אַרְי֖וֹךְ
(aryokh)
Arioch
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֶלָּסָ֑ר
(elasar)
Ellasar
כְּדָרְלָעֹ֨מֶר֙
(kedarelaomer)
Kedorlaomer
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֵילָ֔ם
(eilam)
Elam
וְתִדְעָ֖ל
(vetidal)
en Tidal
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
גּוֹיִֽם
(goyim)
Goïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De vier koningen uit het oosten: Sinear is Babylonië (10:10), Elam ligt in het zuidwesten van het huidige Iran.

De ligging van Ellasar en Goïm is onzeker.

Uitleg

Amrafel wordt soms met Hammoerabi vergeleken, maar dat is omstreden.

Aanvullend

Jasher 11:6 zegt dat Nimrod ook Amrafel heette.

2Zij voerden oorlog tegen Bera, de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, Sinab, de koning van Adma, Semeber, de koning van Zeboïm, en de koning van Bela, dat is Zoar.
עָשׂ֣וּ
(asu)
ze maakten
מִלְחָמָ֗ה
(milchama)
oorlog
אֶת
(et)
tegen
בֶּ֨רַע֙
(bera)
Bera
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹ֔ם
(sedom)
Sodom
וְאֶת
(veet)
en tegen
בִּרְשַׁ֖ע
(birsha)
Birsa
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֲמֹרָ֑ה
(amora)
Gomorra
שִׁנְאָ֣ב
(shinav)
Sinab
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַדְמָ֗ה
(adma)
Adma
וְשֶׁמְאֵ֨בֶר֙
(veshemever)
en Semeber
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
צביים
(tsvyym)
Zeboïm (geschreven)
צְבוֹיִ֔ים
(tsevoyim)
Zeboïm (voorgelezen)
וּמֶ֥לֶךְ
(umelekh)
en koning van
בֶּ֖לַע
(bela)
Bela
הִיא
(hi)
zij
צֹֽעַר
(tsoar)
Zoar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht.

Uitleg

In dit vers staan twee lezingen naast elkaar: צביים (geschreven) en צְבוֹיִים (voorgelezen); beide betekenen Zeboïm.

Bela is een oudere naam van Zoar (zie 13:10).

3Al deze koningen bundelden hun krachten in het dal van Siddim, dat is de Zoutzee.
כָּל
(kal)
alle
אֵ֨לֶּה֙
(ele)
dezen
חָֽבְר֔וּ
(chaveru)
sloten zich aaneen
אֶל
(el)
naar
עֵ֖מֶק
(emeq)
dal van
הַשִּׂדִּ֑ים
(hasidim)
Siddim
ה֖וּא
(hu)
dat
יָ֥ם
(yam)
zee van
הַמֶּֽלַח
(hamelach)
het zout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

עֵמֶק הַשִּׂדִּים (emeq hassiddim), ‘dal van Siddim’, lag waarschijnlijk in de Jordaanvallei, bij het noordelijke deel van de Dode Zee (anderen zoeken het ten zuiden van de Dode Zee).

יָם הַמֶּלַח (yam hamelach), ‘zee van het zout’, is de Dode Zee.

4Twaalf jaar lang waren ze Kedorlaomer onderdanig, maar in het dertiende jaar kwamen ze in opstand.
שְׁתֵּ֤ים
(sheteim)
twee (twaalf)
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
עָבְד֖וּ
(avedu)
dienden ze
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּדָרְלָעֹ֑מֶר
(kedarelaomer)
Kedorlaomer
וּשְׁלֹשׁ
(ushelosh)
en drie (dertien)
עֶשְׂרֵ֥ה
(esre)
tien
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
מָרָֽדוּ
(maradu)
kwamen ze in opstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5In het veertiende jaar kwam Kedorlaomer met de koningen die bij hem waren. Ze versloegen de Rafaïeten in Asterot-Karnaïm, de Zuzieten in Ham en de Emieten in Sawe-Kirjataïm,
וּבְאַרְבַּע֩
(uvearba)
en in vier (veertien)
עֶשְׂרֵ֨ה
(esre)
tien
שָׁנָ֜ה
(shana)
jaar
בָּ֣א
(ba)
kwam
כְדָרְלָעֹ֗מֶר
(kedarelaomer)
Kedorlaomer
וְהַמְּלָכִים֙
(vehamelakhim)
en de koningen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
וַיַּכּ֤וּ
(vayaku)
en ze sloegen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רְפָאִים֙
(refaim)
de Rafaïeten
בְּעַשְׁתְּרֹ֣ת
(beashterot)
in Asterot
קַרְנַ֔יִם
(qarnayim)
Karnaïm
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַזּוּזִ֖ים
(hazuzim)
de Zuzieten
בְּהָ֑ם
(beham)
in Ham
וְאֵת֙
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָֽאֵימִ֔ים
(haeimim)
de Emieten
בְּשָׁוֵ֖ה
(beshave)
in Sawe
קִרְיָתָֽיִם
(qiryatayim)
Kirjataïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Asterot-Karnaïm lag waarschijnlijk in Basan (het zuiden van het huidige Syrië).

Uitleg

De Rafaïeten, Zuzieten en Emieten zijn oude volken die ook in Deuteronomium 2:10–11 en 2:20–21 genoemd worden.

6en de Chorieten in hun bergland Seïr, tot El-Paran, dat aan de woestijn ligt.
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַחֹרִ֖י
(hachori)
de Choriet
בְּהַרְרָ֣ם
(beharram)
in hun gebergte
שֵׂעִ֑יר
(seir)
Seïr
עַ֚ד
(ad)
tot
אֵ֣יל
(eil)
El
פָּארָ֔ן
(paran)
Paran
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
aan
הַמִּדְבָּֽר
(hamidbar)
de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Seïr is het bergland van Edom, ten oosten van de Wadi Araba (het zuiden van het huidige Jordanië).

De ligging van El-Paran is onzeker.

7Daarna keerden ze terug en kwamen bij En-Mispat, dat is Kades. Ze versloegen heel het gebied van de Amalekieten en ook de Amorieten die in Chasason-Tamar woonden.
וַ֠יָּשֻׁבוּ
(vayashuvu)
en ze keerden terug
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
אֶל
(el)
naar
עֵ֤ין
(ein)
bron van
מִשְׁפָּט֙
(mishpat)
recht
הִ֣וא
(hi)
zij
קָדֵ֔שׁ
(qadesh)
Kades
וַיַּכּ֕וּ
(vayaku)
en ze sloegen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
שְׂדֵ֖ה
(sede)
gebied van
הָעֲמָלֵקִ֑י
(haamaleqi)
de Amalekiet
וְגַם֙
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָ֣אֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
הַיֹּשֵׁ֖ב
(hayoshev)
die woonde
בְּחַֽצְצֹ֥ן
(bechatstson)
in Chasason
תָּמָֽר
(tamar)
Tamar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kades (Kades-Barnea) ligt in de Negev, op de grens met de Sinaï.

Chasason-Tamar is En-Gedi (2 Kronieken 20:2), aan de Dode Zee.

Uitleg

Amalek wordt pas in 36:12 geboren; ‘het gebied van de Amalekieten’ is dus een latere naam voor deze streek.

8De koning van Sodom, de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Zeboïm en de koning van Bela, dat is Zoar, trokken uit. Ze stelden zich op om tegen hen te strijden in het dal van Siddim,
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en trok uit
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹ֜ם
(sedom)
Sodom
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en koning van
עֲמֹרָ֗ה
(amora)
Gomorra
וּמֶ֤לֶךְ
(umelekh)
en koning van
אַדְמָה֙
(adma)
Adma
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en koning van
צביים
(tsvyym)
Zeboïm (geschreven)
צְבוֹיִ֔ם
(tsevoyim)
Zeboïm (voorgelezen)
וּמֶ֥לֶךְ
(umelekh)
en koning van
בֶּ֖לַע
(bela)
Bela
הִוא
(hi)
zij
צֹ֑עַר
(tsoar)
Zoar
וַיַּֽעַרְכ֤וּ
(vayaarkhu)
en ze stelden op
אִתָּם֙
(itam)
met hen
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
בְּעֵ֖מֶק
(beemeq)
in het dal van
הַשִּׂדִּֽים
(hasidim)
Siddim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht.

9tegen Kedorlaomer, de koning van Elam, Tidal, de koning van Goïm, Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar: vier koningen tegen de vijf.
אֵ֣ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּדָרְלָעֹ֜מֶר
(kedarelaomer)
Kedorlaomer
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֵילָ֗ם
(eilam)
Elam
וְתִדְעָל֙
(vetidal)
en Tidal
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
Goïm
וְאַמְרָפֶל֙
(veamrafel)
en Amrafel
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
שִׁנְעָ֔ר
(shinar)
Sinear
וְאַרְי֖וֹךְ
(vearyokh)
en Arioch
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֶלָּסָ֑ר
(elasar)
Ellasar
אַרְבָּעָ֥ה
(arbaa)
vier
מְלָכִ֖ים
(melakhim)
koningen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַחֲמִשָּֽׁה
(hachamisha)
de vijf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië.

10Het dal van Siddim lag vol asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht en vielen daarin. De anderen vluchtten naar het bergland.
וְעֵ֣מֶק
(veemeq)
en dal van
הַשִׂדִּ֗ים
(hasidim)
Siddim
בֶּֽאֱרֹ֤ת
(beerot)
putten
בֶּאֱרֹת֙
(beerot)
putten
חֵמָ֔ר
(chemar)
van asfalt
וַיָּנֻ֛סוּ
(vayanusu)
en ze vluchtten
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹ֥ם
(sedom)
Sodom
וַעֲמֹרָ֖ה
(vaamora)
en Gomorra
וַיִּפְּלוּ
(vayipelu)
en ze vielen
שָׁ֑מָּה
(shama)
daarheen
וְהַנִּשְׁאָרִ֖ים
(vehanisharim)
en de overgeblevenen
הֶ֥רָה
(hera)
naar het gebergte
נָּֽסוּ
(nasu)
vluchtten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

בֶּאֱרֹת בֶּאֱרֹת חֵמָר (be’erot be’erot chemar), ‘putten, putten van asfalt’: de herhaling betekent ‘vol putten’.

חֵמָר is hetzelfde woord als in 11:3.

הֶרָה (harah) is ‘naar het gebergte’.

11Ze namen alle bezittingen van Sodom en Gomorra en al hun voedsel en gingen weg.
וַ֠יִּקְחוּ
(vayiqchu)
en ze namen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
רְכֻ֨שׁ
(rekhush)
bezit van
סְדֹ֧ם
(sedom)
Sodom
וַעֲמֹרָ֛ה
(vaamora)
en Gomorra
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
אָכְלָ֖ם
(akhelam)
hun voedsel
וַיֵּלֵֽכוּ
(vayelekhu)
en ze gingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

12Ze namen Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen en gingen weg. Hij woonde in Sodom.
וַיִּקְח֨וּ
(vayiqchu)
en ze namen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
ל֧וֹט
(lot)
Lot
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
רְכֻשׁ֛וֹ
(rekhusho)
zijn bezit
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
אַבְרָ֖ם
(avram)
Abram
וַיֵּלֵ֑כוּ
(vayelekhu)
en ze gingen
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woonde
בִּסְדֹֽם
(bisdom)
in Sodom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Abram redt Lot

13Een vluchteling kwam het vertellen aan Abram de Hebreeër. Die woonde bij de eiken van Mamre de Amoriet, de broer van Eskol en van Aner. Zij hadden een verbond met Abram.
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
הַפָּלִ֔יט
(hapalit)
de ontsnapte
וַיַּגֵּ֖ד
(vayaged)
en vertelde
לְאַבְרָ֣ם
(leavram)
aan Abram
הָעִבְרִ֑י
(haivri)
de Hebreeër
וְהוּא֩
(vehu)
en hij
שֹׁכֵ֨ן
(shokhen)
woonde
בְּאֵֽלֹנֵ֜י
(beelonei)
bij de eiken van
מַמְרֵ֣א
(mamre)
Mamre
הָאֱמֹרִ֗י
(haemori)
de Amoriet
אֲחִ֤י
(achi)
broer van
אֶשְׁכֹּל֙
(eshkol)
Eskol
וַאֲחִ֣י
(vaachi)
en broer van
עָנֵ֔ר
(aner)
Aner
וְהֵ֖ם
(vehem)
en zij
בַּעֲלֵ֥י
(baalei)
heren van
בְרִית
(berit)
verbond
אַבְרָֽם
(avram)
Abram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.

Uitleg

הָעִבְרִי (ha’Ivri), ‘de Hebreeër’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor.

Het wordt verbonden met Eber (10:21) of met het woord ‘overkant’ (עֵבֶר).

בַּעֲלֵי בְרִית (ba’alei berit) is letterlijk ‘heren van een verbond’: mensen met wie Abram een verbond had.

Aanvullend

Jasher 24:14 noemt Aner, Eskol en Mamre onder hen die Sarahs baar volgden.

14Abram hoorde dat zijn verwant gevangen was genomen. Hij riep zijn getrainde mannen op, 318 mannen die in zijn huis geboren waren, en achtervolgde de vijand tot Dan.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hoorde
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
כִּ֥י
(ki)
dat
נִשְׁבָּ֖ה
(nishba)
gevangen was genomen
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
וַיָּ֨רֶק
(vayareq)
en riep op
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֲנִיכָ֜יו
(chanikhav)
zijn getrainde mannen
יְלִידֵ֣י
(yelidei)
geborenen van
בֵית֗וֹ
(beito)
zijn huis
שְׁמֹנָ֤ה
(shemona)
acht
עָשָׂר֙
(asar)
tien
וּשְׁלֹ֣שׁ
(ushelosh)
en drie
מֵא֔וֹת
(meot)
honderd
וַיִּרְדֹּ֖ף
(vayirdof)
en achtervolgde
עַד
(ad)
tot
דָּֽן
(dan)
Dan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dan is een latere naam; de plaats heette eerst Lais (Richteren 18:29) en lag in het uiterste noorden van het land (Tel Dan).

Uitleg

Het Hebreeuws zegt אָחִיו (achiv), ‘zijn broer’.

Lot is de zoon van Abrams broer (11:27); ‘verwant’ geeft dat weer.

חֲנִיכָיו (chanikhav), ‘zijn getrainde mannen’, komt alleen hier voor.

15Hij en zijn dienaren verdeelden zich 's nachts en vielen hen aan. Ze versloegen hen en achtervolgden hen tot Choba, ten noorden van Damascus.
וַיֵּחָלֵ֨ק
(vayechaleq)
en verdeelde zich
עֲלֵיהֶ֧ם
(aleihem)
tegen hen
לַ֛יְלָה
(layla)
nacht
ה֥וּא
(hu)
hij
וַעֲבָדָ֖יו
(vaavadav)
en zijn dienaren
וַיַּכֵּ֑ם
(vayakem)
en sloeg hen
וַֽיִּרְדְּפֵם֙
(vayirdefem)
en achtervolgde hen
עַד
(ad)
tot
חוֹבָ֔ה
(chova)
Choba
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מִשְּׂמֹ֖אל
(misemol)
links van
לְדַמָּֽשֶׂק
(ledamaseq)
Damascus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ligging van Choba is onzeker; volgens dit vers lag het ten noorden van Damascus, de hoofdstad van het huidige Syrië.

Uitleg

מִשְּׂמֹאל (mismol) is letterlijk ‘links van’.

Wie naar het oosten kijkt, heeft het noorden links.

16Hij haalde alle bezittingen terug. Ook zijn verwant Lot met zijn bezittingen haalde hij terug, en ook de vrouwen en het volk.
וַיָּ֕שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָרְכֻ֑שׁ
(harekhush)
het bezit
וְגַם֩
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
ל֨וֹט
(lot)
Lot
אָחִ֤יו
(achiv)
zijn broer
וּרְכֻשׁוֹ֙
(urekhusho)
en zijn bezit
הֵשִׁ֔יב
(heshiv)
bracht hij terug
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנָּשִׁ֖ים
(hanashim)
de vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Abram kwam terug van zijn overwinning op Kedorlaomer en de koningen die bij hem waren. De koning van Sodom ging hem tegemoet in het dal van Sawe, dat is het Koningsdal.
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹם֮
(sedom)
Sodom
לִקְרָאתוֹ֒
(liqrato)
hem tegemoet
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
שׁוּב֗וֹ
(shuvo)
zijn terugkeer
מֵֽהַכּוֹת֙
(mehakot)
van het slaan van
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּדָרלָעֹ֔מֶר
(kedarlaomer)
Kedorlaomer
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַמְּלָכִ֖ים
(hamelakhim)
de koningen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֑וֹ
(ito)
met hem
אֶל
(el)
naar
עֵ֣מֶק
(emeq)
dal van
שָׁוֵ֔ה
(shave)
Sawe
ה֖וּא
(hu)
dat
עֵ֥מֶק
(emeq)
dal van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

Het Koningsdal wordt ook genoemd in 2 Samuël 18:18.

Melchisedek zegent Abram

18Melchisedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn. Hij was priester van El, de Allerhoogste.
וּמַלְכִּי
(umalki)
en Malki
צֶ֨דֶק֙
(tsedeq)
Tsedek (Melchisedek)
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
שָׁלֵ֔ם
(shalem)
Salem
הוֹצִ֖יא
(hotsi)
bracht uit
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood
וָיָ֑יִן
(vayayin)
en wijn
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
כֹהֵ֖ן
(kohen)
priester
לְאֵ֥ל
(leel)
van El
עֶלְיֽוֹן
(elyon)
Allerhoogste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Salem wordt gelezen als Jeruzalem (Psalm 76:3).

Uitleg

מַלְכִּי־צֶדֶק (Malki-tsedek; in de tekst: Melchisedek) betekent ‘mijn koning is gerechtigheid’ of ‘koning van gerechtigheid’ (Hebreeën 7:2).

Melchisedek wordt beschreven als koning van Salem en priester van El Elyon.

Hebreeën 7:1–3 vergelijkt hem met de Zoon van Elohim.

Zijn identiteit wordt verschillend uitgelegd.

De cursieve tekst markeert zijn bijzondere positie, zonder een specifieke interpretatie vast te leggen.

Aanvullend

Jasher 16:11–12 noemt hem Adonizedek, koning van Jeruzalem, en zegt: ‘dat was Sem’; Abram gaf hem de tiende.

19Daarop zegende hij hem en zei: „Gezegend zij Abram door El, de Allerhoogste, de bezitter van hemel en aarde,
וַֽיְבָרְכֵ֖הוּ
(vayvarekhehu)
en zegende hem
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
אַבְרָם֙
(avram)
Abram
לְאֵ֣ל
(leel)
door El
עֶלְי֔וֹן
(elyon)
Allerhoogste
קֹנֵ֖ה
(qone)
bezitter van
שָׁמַ֥יִם
(shamayim)
hemel
וָאָֽרֶץ
(vaarets)
en aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵל עֶלְיוֹן (El Elyon): אֵל (El) is een kortere vorm van Elohim, en עֶלְיוֹן (Elyon) is ‘Allerhoogste’.

קֹנֵה (qoneh) kan ‘bezitter’ of ‘schepper’ betekenen.

Het Hebreeuws zegt niet wie ‘hij’ is die zegent; het is Melchisedek.

20en gezegend zij El, de Allerhoogste, die je vijanden in je hand heeft gegeven.” En hij gaf hem een tiende van alles.
וּבָרוּךְ֙
(uvarukh)
en gezegend
אֵ֣ל
(el)
El
עֶלְי֔וֹן
(elyon)
Allerhoogste
אֲשֶׁר
(asher)
die
מִגֵּ֥ן
(migen)
heeft overgeleverd
צָרֶ֖יךָ
(tsareikha)
je vijanden
בְּיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in je hand
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
ל֥וֹ
(lo)
hem
מַעֲשֵׂ֖ר
(maaser)
tiende
מִכֹּֽל
(mikol)
van alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘en hij gaf hem’; Hebreeën 7:4 leest hier dat Abram de tiende gaf.

Abram en de koning van Sodom

21De koning van Sodom zei tegen Abram: „Geef mij de mensen. De bezittingen mag je zelf houden.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹ֖ם
(sedom)
Sodom
אֶל
(el)
tot
אַבְרָ֑ם
(avram)
Abram
תֶּן
(ten)
geef
לִ֣י
(li)
mij
הַנֶּ֔פֶשׁ
(hanefesh)
de mensen
וְהָרְכֻ֖שׁ
(veharekhush)
en het bezit
קַֽח
(qach)
neem
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

הַנֶּפֶשׁ (hanefesh), letterlijk ‘de ziel’ of ‘het leven’, is hier ‘de mensen’: de gevangen personen.

Het is dus niet het woord adam.

Zie ookJub 13:28
22Abram zei tegen de koning van Sodom: „Ik heb mijn hand opgeheven tot Yahweh, El, de Allerhoogste, de bezitter van hemel en aarde:
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
אַבְרָ֖ם
(avram)
Abram
אֶל
(el)
tot
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹ֑ם
(sedom)
Sodom
הֲרִימֹ֨תִי
(harimoti)
ik heb opgeheven
יָדִ֤י
(yadi)
mijn hand
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֣ל
(el)
El
עֶלְי֔וֹן
(elyon)
Allerhoogste
קֹנֵ֖ה
(qone)
bezitter van
שָׁמַ֥יִם
(shamayim)
hemel
וָאָֽרֶץ
(vaarets)
en aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

הֲרִימֹתִי יָדִי (harimoti yadi), ‘ik heb mijn hand opgeheven’, is een eed.

Abram noemt Yahweh hier El Elyon: voor hem is Yahweh de Allerhoogste van Melchisedek.

23ik zal niets nemen, geen draad en geen schoenriem, niets van wat van jou is. Dan kun je niet zeggen: ‘Ik heb Abram rijk gemaakt.’
אִם
(im)
als
מִחוּט֙
(michut)
van draad
וְעַ֣ד
(vead)
en tot
שְׂרֽוֹךְ
(serokh)
riem van
נַ֔עַל
(naal)
sandaal
וְאִם
(veim)
en als
אֶקַּ֖ח
(eqach)
ik neem
מִכָּל
(mikal)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָ֑ךְ
(lakh)
van jou
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תֹאמַ֔ר
(tomar)
je zult zeggen
אֲנִ֖י
(ani)
ik
הֶעֱשַׁ֥רְתִּי
(heesharti)
heb rijk gemaakt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַבְרָֽם
(avram)
Abram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Van een draad tot een schoenriem’ betekent: niets, zelfs het kleinste niet.

Het Hebreeuws begint met אִם (im), ‘als’: de vorm van een eed.

24Niets voor mij, alleen wat de jongens hebben opgegeten. En het deel van de mannen die met mij zijn meegegaan: Aner, Eskol en Mamre. Zij mogen hun deel nemen.”
בִּלְעָדַ֗י
(biladay)
behalve mij
רַ֚ק
(raq)
alleen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
אָֽכְל֣וּ
(akhelu)
hebben gegeten
הַנְּעָרִ֔ים
(hanearim)
de jongens
וְחֵ֨לֶק֙
(vecheleq)
en deel van
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָלְכ֖וּ
(halekhu)
gingen
אִתִּ֑י
(iti)
met mij
עָנֵר֙
(aner)
Aner
אֶשְׁכֹּ֣ל
(eshkol)
Eskol
וּמַמְרֵ֔א
(umamre)
en Mamre
הֵ֖ם
(hem)
zij
יִקְח֥וּ
(yiqchu)
zullen nemen
חֶלְקָֽם
(chelqam)
hun deel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנְּעָרִים (hane’arim), ‘de jongens’: Abrams jonge mannen, zijn gevolg (vers 14–15).

נַעַר (na’ar) betekent ‘jongen’ of ‘jongeman’ en is overal als ‘jongen’ weergegeven (zie ook 18:7).