Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De oorlog van de koningen
1Het was in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedorlaomer, de koning van Elam, en van Tidal, de koning van Goïm.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּימֵי֙
(bimei)
in de dagen van
אַמְרָפֶ֣ל
(amrafel)
Amrafel
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
שִׁנְעָ֔ר
(shinar)
Sinear
אַרְי֖וֹךְ
(aryokh)
Arioch
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֶלָּסָ֑ר
(elasar)
Ellasar
כְּדָרְלָעֹ֨מֶר֙
(kedarelaomer)
Kedorlaomer
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֵילָ֔ם
(eilam)
Elam
וְתִדְעָ֖ל
(vetidal)
en Tidal
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
גּוֹיִֽם
(goyim)
Goïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De vier koningen uit het oosten: Sinear is Babylonië (10:10), Elam ligt in het zuidwesten van het huidige Iran.
De ligging van Ellasar en Goïm is onzeker.
Uitleg
Amrafel wordt soms met Hammoerabi vergeleken, maar dat is omstreden.
2Zij voerden oorlog tegen Bera, de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, Sinab, de koning van Adma, Semeber, de koning van Zeboïm, en de koning van Bela, dat is Zoar.
עָשׂ֣וּ
(asu)
ze maakten
מִלְחָמָ֗ה
(milchama)
oorlog
אֶת
(et)
tegen
בֶּ֨רַע֙
(bera)
Bera
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹ֔ם
(sedom)
Sodom
וְאֶת
(veet)
en tegen
בִּרְשַׁ֖ע
(birsha)
Birsa
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֲמֹרָ֑ה
(amora)
Gomorra
שִׁנְאָ֣ב
(shinav)
Sinab
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַדְמָ֗ה
(adma)
Adma
וְשֶׁמְאֵ֨בֶר֙
(veshemever)
en Semeber
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
צביים
(tsvyym)
Zeboïm (geschreven)
צְבוֹיִ֔ים
(tsevoyim)
Zeboïm (voorgelezen)
וּמֶ֥לֶךְ
(umelekh)
en koning van
בֶּ֖לַע
(bela)
Bela
הִיא
(hi)
zij
צֹֽעַר
(tsoar)
Zoar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht.
Uitleg
In dit vers staan twee lezingen naast elkaar: צביים (geschreven) en צְבוֹיִים (voorgelezen); beide betekenen Zeboïm.
3Al deze koningen bundelden hun krachten in het dal van Siddim, dat is de Zoutzee.
כָּל
(kal)
alle
אֵ֨לֶּה֙
(ele)
dezen
חָֽבְר֔וּ
(chaveru)
sloten zich aaneen
אֶל
(el)
naar
עֵ֖מֶק
(emeq)
dal van
הַשִּׂדִּ֑ים
(hasidim)
Siddim
ה֖וּא
(hu)
dat
יָ֥ם
(yam)
zee van
הַמֶּֽלַח
(hamelach)
het zout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
עֵמֶק הַשִּׂדִּים (emeq hassiddim), ‘dal van Siddim’, lag waarschijnlijk in de Jordaanvallei, bij het noordelijke deel van de Dode Zee (anderen zoeken het ten zuiden van de Dode Zee).
יָם הַמֶּלַח (yam hamelach), ‘zee van het zout’, is de Dode Zee.
5In het veertiende jaar kwam Kedorlaomer met de koningen die bij hem waren. Ze versloegen de Rafaïeten in Asterot-Karnaïm, de Zuzieten in Ham en de Emieten in Sawe-Kirjataïm,
וּבְאַרְבַּע֩
(uvearba)
en in vier (veertien)
עֶשְׂרֵ֨ה
(esre)
tien
שָׁנָ֜ה
(shana)
jaar
בָּ֣א
(ba)
kwam
כְדָרְלָעֹ֗מֶר
(kedarelaomer)
Kedorlaomer
וְהַמְּלָכִים֙
(vehamelakhim)
en de koningen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
וַיַּכּ֤וּ
(vayaku)
en ze sloegen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רְפָאִים֙
(refaim)
de Rafaïeten
בְּעַשְׁתְּרֹ֣ת
(beashterot)
in Asterot
קַרְנַ֔יִם
(qarnayim)
Karnaïm
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַזּוּזִ֖ים
(hazuzim)
de Zuzieten
בְּהָ֑ם
(beham)
in Ham
וְאֵת֙
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָֽאֵימִ֔ים
(haeimim)
de Emieten
בְּשָׁוֵ֖ה
(beshave)
in Sawe
קִרְיָתָֽיִם
(qiryatayim)
Kirjataïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Asterot-Karnaïm lag waarschijnlijk in Basan (het zuiden van het huidige Syrië).
Uitleg
De Rafaïeten, Zuzieten en Emieten zijn oude volken die ook in Deuteronomium 2:10–11 en 2:20–21 genoemd worden.
7Daarna keerden ze terug en kwamen bij En-Mispat, dat is Kades. Ze versloegen heel het gebied van de Amalekieten en ook de Amorieten die in Chasason-Tamar woonden.
וַ֠יָּשֻׁבוּ
(vayashuvu)
en ze keerden terug
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
אֶל
(el)
naar
עֵ֤ין
(ein)
bron van
מִשְׁפָּט֙
(mishpat)
recht
הִ֣וא
(hi)
zij
קָדֵ֔שׁ
(qadesh)
Kades
וַיַּכּ֕וּ
(vayaku)
en ze sloegen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
שְׂדֵ֖ה
(sede)
gebied van
הָעֲמָלֵקִ֑י
(haamaleqi)
de Amalekiet
וְגַם֙
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָ֣אֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
הַיֹּשֵׁ֖ב
(hayoshev)
die woonde
בְּחַֽצְצֹ֥ן
(bechatstson)
in Chasason
תָּמָֽר
(tamar)
Tamar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kades (Kades-Barnea) ligt in de Negev, op de grens met de Sinaï.
Chasason-Tamar is En-Gedi (2 Kronieken 20:2), aan de Dode Zee.
Uitleg
Amalek wordt pas in 36:12 geboren; ‘het gebied van de Amalekieten’ is dus een latere naam voor deze streek.
8De koning van Sodom, de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Zeboïm en de koning van Bela, dat is Zoar, trokken uit. Ze stelden zich op om tegen hen te strijden in het dal van Siddim,
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en trok uit
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹ֜ם
(sedom)
Sodom
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en koning van
עֲמֹרָ֗ה
(amora)
Gomorra
וּמֶ֤לֶךְ
(umelekh)
en koning van
אַדְמָה֙
(adma)
Adma
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en koning van
צביים
(tsvyym)
Zeboïm (geschreven)
צְבוֹיִ֔ם
(tsevoyim)
Zeboïm (voorgelezen)
וּמֶ֥לֶךְ
(umelekh)
en koning van
בֶּ֖לַע
(bela)
Bela
הִוא
(hi)
zij
צֹ֑עַר
(tsoar)
Zoar
וַיַּֽעַרְכ֤וּ
(vayaarkhu)
en ze stelden op
אִתָּם֙
(itam)
met hen
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
בְּעֵ֖מֶק
(beemeq)
in het dal van
הַשִּׂדִּֽים
(hasidim)
Siddim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht.
9tegen Kedorlaomer, de koning van Elam, Tidal, de koning van Goïm, Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar: vier koningen tegen de vijf.
אֵ֣ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּדָרְלָעֹ֜מֶר
(kedarelaomer)
Kedorlaomer
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֵילָ֗ם
(eilam)
Elam
וְתִדְעָל֙
(vetidal)
en Tidal
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
Goïm
וְאַמְרָפֶל֙
(veamrafel)
en Amrafel
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
שִׁנְעָ֔ר
(shinar)
Sinear
וְאַרְי֖וֹךְ
(vearyokh)
en Arioch
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֶלָּסָ֑ר
(elasar)
Ellasar
אַרְבָּעָ֥ה
(arbaa)
vier
מְלָכִ֖ים
(melakhim)
koningen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַחֲמִשָּֽׁה
(hachamisha)
de vijf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië.
10Het dal van Siddim lag vol asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht en vielen daarin. De anderen vluchtten naar het bergland.
וְעֵ֣מֶק
(veemeq)
en dal van
הַשִׂדִּ֗ים
(hasidim)
Siddim
בֶּֽאֱרֹ֤ת
(beerot)
putten
בֶּאֱרֹת֙
(beerot)
putten
חֵמָ֔ר
(chemar)
van asfalt
וַיָּנֻ֛סוּ
(vayanusu)
en ze vluchtten
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹ֥ם
(sedom)
Sodom
וַעֲמֹרָ֖ה
(vaamora)
en Gomorra
וַיִּפְּלוּ
(vayipelu)
en ze vielen
שָׁ֑מָּה
(shama)
daarheen
וְהַנִּשְׁאָרִ֖ים
(vehanisharim)
en de overgeblevenen
הֶ֥רָה
(hera)
naar het gebergte
נָּֽסוּ
(nasu)
vluchtten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Uitleg
בֶּאֱרֹת בֶּאֱרֹת חֵמָר (be’erot be’erot chemar), ‘putten, putten van asfalt’: de herhaling betekent ‘vol putten’.
13Een vluchteling kwam het vertellen aan Abram de Hebreeër. Die woonde bij de eiken van Mamre de Amoriet, de broer van Eskol en van Aner. Zij hadden een verbond met Abram.
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
הַפָּלִ֔יט
(hapalit)
de ontsnapte
וַיַּגֵּ֖ד
(vayaged)
en vertelde
לְאַבְרָ֣ם
(leavram)
aan Abram
הָעִבְרִ֑י
(haivri)
de Hebreeër
וְהוּא֩
(vehu)
en hij
שֹׁכֵ֨ן
(shokhen)
woonde
בְּאֵֽלֹנֵ֜י
(beelonei)
bij de eiken van
מַמְרֵ֣א
(mamre)
Mamre
הָאֱמֹרִ֗י
(haemori)
de Amoriet
אֲחִ֤י
(achi)
broer van
אֶשְׁכֹּל֙
(eshkol)
Eskol
וַאֲחִ֣י
(vaachi)
en broer van
עָנֵ֔ר
(aner)
Aner
וְהֵ֖ם
(vehem)
en zij
בַּעֲלֵ֥י
(baalei)
heren van
בְרִית
(berit)
verbond
אַבְרָֽם
(avram)
Abram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.
Uitleg
הָעִבְרִי (ha’Ivri), ‘de Hebreeër’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor.
Het wordt verbonden met Eber (10:21) of met het woord ‘overkant’ (עֵבֶר).
בַּעֲלֵי בְרִית (ba’alei berit) is letterlijk ‘heren van een verbond’: mensen met wie Abram een verbond had.
Aanvullend
Jasher 24:14 noemt Aner, Eskol en Mamre onder hen die Sarahs baar volgden.
14Abram hoorde dat zijn verwant gevangen was genomen. Hij riep zijn getrainde mannen op, 318 mannen die in zijn huis geboren waren, en achtervolgde de vijand tot Dan.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hoorde
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
כִּ֥י
(ki)
dat
נִשְׁבָּ֖ה
(nishba)
gevangen was genomen
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
וַיָּ֨רֶק
(vayareq)
en riep op
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֲנִיכָ֜יו
(chanikhav)
zijn getrainde mannen
יְלִידֵ֣י
(yelidei)
geborenen van
בֵית֗וֹ
(beito)
zijn huis
שְׁמֹנָ֤ה
(shemona)
acht
עָשָׂר֙
(asar)
tien
וּשְׁלֹ֣שׁ
(ushelosh)
en drie
מֵא֔וֹת
(meot)
honderd
וַיִּרְדֹּ֖ף
(vayirdof)
en achtervolgde
עַד
(ad)
tot
דָּֽן
(dan)
Dan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Dan is een latere naam; de plaats heette eerst Lais (Richteren 18:29) en lag in het uiterste noorden van het land (Tel Dan).
Uitleg
Het Hebreeuws zegt אָחִיו (achiv), ‘zijn broer’.
Lot is de zoon van Abrams broer (11:27); ‘verwant’ geeft dat weer.
חֲנִיכָיו (chanikhav), ‘zijn getrainde mannen’, komt alleen hier voor.
17Abram kwam terug van zijn overwinning op Kedorlaomer en de koningen die bij hem waren. De koning van Sodom ging hem tegemoet in het dal van Sawe, dat is het Koningsdal.
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
סְדֹם֮
(sedom)
Sodom
לִקְרָאתוֹ֒
(liqrato)
hem tegemoet
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
שׁוּב֗וֹ
(shuvo)
zijn terugkeer
מֵֽהַכּוֹת֙
(mehakot)
van het slaan van
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּדָרלָעֹ֔מֶר
(kedarlaomer)
Kedorlaomer
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַמְּלָכִ֖ים
(hamelakhim)
de koningen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֑וֹ
(ito)
met hem
אֶל
(el)
naar
עֵ֣מֶק
(emeq)
dal van
שָׁוֵ֔ה
(shave)
Sawe
ה֖וּא
(hu)
dat
עֵ֥מֶק
(emeq)
dal van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Uitleg
Het Koningsdal wordt ook genoemd in 2 Samuël 18:18.
24Niets voor mij, alleen wat de jongens hebben opgegeten. En het deel van de mannen die met mij zijn meegegaan: Aner, Eskol en Mamre. Zij mogen hun deel nemen.”
בִּלְעָדַ֗י
(biladay)
behalve mij
רַ֚ק
(raq)
alleen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
אָֽכְל֣וּ
(akhelu)
hebben gegeten
הַנְּעָרִ֔ים
(hanearim)
de jongens
וְחֵ֨לֶק֙
(vecheleq)
en deel van
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָלְכ֖וּ
(halekhu)
gingen
אִתִּ֑י
(iti)
met mij
עָנֵר֙
(aner)
Aner
אֶשְׁכֹּ֣ל
(eshkol)
Eskol
וּמַמְרֵ֔א
(umamre)
en Mamre
הֵ֖ם
(hem)
zij
יִקְח֥וּ
(yiqchu)
zullen nemen
חֶלְקָֽם
(chelqam)
hun deel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנְּעָרִים (hane’arim), ‘de jongens’: Abrams jonge mannen, zijn gevolg (vers 14–15).
נַעַר (na’ar) betekent ‘jongen’ of ‘jongeman’ en is overal als ‘jongen’ weergegeven (zie ook 18:7).