Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het water onder de drempel van het huis
1Hij bracht mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er kwam water onder de drempel van het huis vandaan, naar het oosten. Want de voorkant van het huis was naar het oosten gericht. Het water daalde van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar.
וַיְשִׁבֵנִי֮
(vayshiveni)
en hij liet mij terugkeren
אֶל
(el)
naar
פֶּ֣תַח
(petach)
ingang van
הַבַּיִת֒
(habayit)
het huis
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
מַ֣יִם
(mayim)
water
יֹצְאִ֗ים
(yotseim)
uitstromend
מִתַּ֨חַת
(mitachat)
van onder
מִפְתַּ֤ן
(miftan)
drempel van
הַבַּ֨יִת֙
(habayit)
het huis
קָדִ֔ימָה
(qadima)
oostwaarts
כִּֽי
(ki)
want
פְנֵ֥י
(penei)
voorkant van
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
קָדִ֑ים
(qadim)
oost
וְהַמַּ֣יִם
(vehamayim)
en het water
יֹרְדִ֗ים
(yoredim)
afdalend
מִתַּ֜חַת
(mitachat)
van onder
מִכֶּ֤תֶף
(miketef)
van de zijde van
הַבַּ֨יִת֙
(habayit)
het huis
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
מִנֶּ֖גֶב
(minegev)
ten zuiden van
לַמִּזְבֵּֽחַ
(lamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit water komt uit het huis, onder de drempel, aan de zuidkant van het altaar.
Vergelijk Joël 4:18, Gen. 2:10, Ps. 46:5 en Zach. 14:8, waar ook water uit Jeruzalem stroomt.
2Hij liet mij uitgaan door de noordpoort en liet mij buitenom gaan naar de buitenpoort, de poort die naar het oosten gericht is. En zie, er sijpelde water uit de rechterzijde.
וַיּוֹצִאֵנִי֮
(vayotsieni)
en hij liet mij uitgaan
דֶּֽרֶךְ
(derekh)
via
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
צָפוֹנָה֒
(tsafona)
noordwaarts
וַיְסִבֵּ֨נִי֙
(vaysibeni)
en hij liet mij rondgaan
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
via
ח֔וּץ
(chuts)
buiten
אֶל
(el)
naar
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
הַח֔וּץ
(hachuts)
de buitenkant
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
via
הַפּוֹנֶ֣ה
(hapone)
die gericht is
קָדִ֑ים
(qadim)
naar het oosten
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
מַ֣יִם
(mayim)
water
מְפַכִּ֔ים
(mefakim)
sijpelend
מִן
(min)
van
הַכָּתֵ֖ף
(hakatef)
de zijde
הַיְמָנִֽית
(haymanit)
de rechter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְפַכִּים (mefakkim), ‘sijpelend’: het woord komt alleen hier voor; het gaat om water dat in dunne stroompjes naar buiten komt.
3Toen de man naar het oosten uitging, had hij een meetsnoer in zijn hand. Hij mat 1.000 el af en liet mij door het water gaan: water tot aan de enkels.
בְּצֵאת
(betset)
bij het uitgaan van
הָאִ֥ישׁ
(haish)
de man
קָדִ֖ים
(qadim)
oostwaarts
וְקָ֣ו
(veqav)
en meetsnoer
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיָּ֤מָד
(vayamad)
en hij mat
אֶ֨לֶף֙
(elef)
duizend
בָּֽאַמָּ֔ה
(baama)
in el
וַיַּעֲבִרֵ֥נִי
(vayaavireni)
en hij liet mij doorgaan
בַמַּ֖יִם
(bamayim)
door het water
מֵ֥י
(mei)
water van
אָפְסָֽיִם
(afesayim)
enkels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּאַמָּה (ba’ammah), ‘in el’: een el (amah) is de maat uit de uitleg bij Ezech. 40:5.
Wij rekenen niet om.
מֵי אָפְסָיִם (mei afsayim), ‘water van enkels’: water tot aan de enkels. Het woord afsayim komt alleen hier voor; de betekenis volgt uit de reeks van vers 3–5.
8Hij zei tegen mij: „Dit water stroomt naar het oostelijke gebied en daalt af naar de Araba. Het komt in de zee, de zee waarin het wordt uitgeleid. Dan wordt het water genezen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
הַמַּ֤יִם
(hamayim)
dit water
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
יוֹצְאִ֗ים
(yotseim)
uitgaand
אֶל
(el)
naar
הַגְּלִילָה֙
(hagelila)
het gebied
הַקַּדְמוֹנָ֔ה
(haqadmona)
het oostelijke
וְיָרְד֖וּ
(veyaredu)
en het daalt af
עַל
(al)
naar
הָֽעֲרָבָ֑ה
(haarava)
de Araba
וּבָ֣אוּ
(uvau)
en het komt
הַיָּ֔מָּה
(hayama)
naar de zee
אֶל
(el)
naar
הַיָּ֥מָּה
(hayama)
de zee
הַמּֽוּצָאִ֖ים
(hamutsaim)
die worden uitgeleid
וְנִרְפּ֥וּ
(venirpu)
en het zal genezen
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba.
Uitleg
הַגְּלִילָה (haggelilah), ‘het gebied’: het woord gelilah wijst op een streek of kring, vergelijk Joz. 22:10.
Het is hier het gebied ten oosten van de stad.
הָעֲרָבָה (ha’aravah), ‘de Araba’: de diepe vlakte langs de Jordaan, tussen de Kinneret en de Zoutzee en daarna zuidwaarts.
הַיָּמָּה אֶל הַיָּמָּה הַמּוּצָאִים (hayyammah el hayyammah hammutsa’im), ‘naar de zee, de zee waarin het wordt uitgeleid’: de zin is moeilijk. Hij noemt twee keer ‘de zee’ en een werkwoord in de lijdende vorm. De tekst zegt alleen ‘de zee’. Wat daarna volgt (zout in vers 11; En-Gedi in vers 10) past bij de Zoutzee, de Dode Zee.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat ונרפאו (venirpe’u), in de voorgelezen tekst (qere) וְנִרְפּוּ (venirpu).
9Elk levend wezen dat wemelt, zal leven, overal waar de beken komen. De vis zal zeer talrijk zijn. Want dit water is daarheen gekomen en het wordt genezen. Alles waar de beek komt, zal leven.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָל
(kal)
elk
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּ֣ה
(chaya)
levend
אֲֽשֶׁר
(asher)
dat
יִשְׁרֹ֡ץ
(yishrots)
wemelt
אֶ֣ל
(el)
naar
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר֩
(asher)
waar
יָב֨וֹא
(yavo)
komt
שָׁ֤ם
(sham)
daar
נַחֲלַ֨יִם֙
(nachalayim)
beken
יִֽחְיֶ֔ה
(yichye)
zal leven
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַדָּגָ֖ה
(hadaga)
de vis
רַבָּ֣ה
(raba)
veel
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
כִּי֩
(ki)
want
בָ֨אוּ
(bau)
zijn gekomen
שָׁ֜מָּה
(shama)
daarheen
הַמַּ֣יִם
(hamayim)
het water
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
dit
וְיֵרָֽפְאוּ֙
(veyerafeu)
en ze zullen genezen
וָחָ֔י
(vachay)
en zal leven
כֹּ֛ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
waar
יָ֥בוֹא
(yavo)
komt
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
הַנָּֽחַל
(hanachal)
de beek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ חַיָּה (nefesh chayyah), ‘levend wezen’: vergelijk Gen. 1:20.
Het werkwoord ‘wemelen’ (sharats) staat ook in Gen. 1:20.
וְיֵרָפְאוּ (veyerafu), ‘en het wordt genezen’: het werkwoord rafa betekent ‘genezen’. Het zoute water wordt gezond gemaakt.
10Vissers zullen eraan staan, van En-Gedi tot En-Eglaïm. Het wordt een plaats om netten uit te spreiden. Hun vis zal van allerlei soort zijn, zoals de vis van de Grote Zee, zeer talrijk.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en het zal zijn
עָמְד֨וּ
(amedu)
zij zullen staan
עָלָ֜יו
(alav)
eraan
דַּוָּגִ֗ים
(davagim)
vissers
מֵעֵ֥ין
(meein)
vanaf bron van
גֶּ֨דִי֙
(gedi)
Gedi
וְעַד
(vead)
en tot
עֵ֣ין
(ein)
bron van
עֶגְלַ֔יִם
(eglayim)
Eglaïm
מִשְׁט֥וֹחַ
(mishtoach)
plaats om uit te spreiden
לַֽחֲרָמִ֖ים
(lacharamim)
voor netten
יִהְי֑וּ
(yihyu)
zij zullen zijn
לְמִינָה֙
(lemina)
naar zijn soort
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
דְגָתָ֔ם
(degatam)
hun vis
כִּדְגַ֛ת
(kidgat)
als de vis van
הַיָּ֥ם
(hayam)
de zee
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
de grote
רַבָּ֥ה
(raba)
talrijk
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie En-Gedi: En-Gedi is een oase aan de westkant van de Dode Zee.
Zie En-Eglaïm (ligging onzeker): En-Eglaïm lag aan de Zoutzee, waarschijnlijk bij Ein Feshcha, ten noorden van Qumran.
Dit is niet zeker.
Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land.
Uitleg
מֵעֵין גֶּדִי (me’ein Gedi), ‘vanaf En-Gedi’, en עֵין עֶגְלַיִם (ein Eglayim), ‘En-Eglaïm’: twee plaatsen aan de Zoutzee.
De ligging van En-Eglaïm is onzeker.
הַיָּם הַגָּדוֹל (hayyam haggadol), ‘de Grote Zee’: de Middellandse Zee, zoals in Num. 34:6.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat יעמדו (ya’amedu), ‘zij zullen staan’.
De voorgelezen tekst (qere) is עָמְדוּ (amedu), ‘zij staan’.
Wij volgen de qere en vertalen met de toekomende tijd, zoals de rest van het vers.
12Aan de beek, aan haar oever, aan beide kanten, zal elke boom met eetbare vrucht opkomen. Zijn blad verwelkt niet en zijn vrucht houdt niet op. Elke maand draagt hij nieuwe vrucht, want zijn water komt uit het heiligdom. Zijn vrucht zal tot voedsel zijn en zijn blad tot genezing.”
וְעַל
(veal)
en bij
הַנַּ֣חַל
(hanachal)
de beek
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
zal opkomen
עַל
(al)
aan
שְׂפָת֣וֹ
(sefato)
zijn oever
מִזֶּ֣ה
(mize)
aan de ene kant
וּמִזֶּ֣ה
(umize)
en aan de andere
כָּל
(kal)
elke
עֵֽץ
(ets)
boom van
מַ֠אֲכָל
(maakhal)
voedsel
לֹא
(lo)
niet
יִבּ֨וֹל
(yibol)
zal verwelken
עָלֵ֜הוּ
(alehu)
zijn blad
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִתֹּ֣ם
(yitom)
zal ophouden
פִּרְי֗וֹ
(piryo)
zijn vrucht
לָֽחֳדָשָׁיו֙
(lachodashav)
elke maand
יְבַכֵּ֔ר
(yevaker)
zal het nieuwe vruchten dragen
כִּ֣י
(ki)
want
מֵימָ֔יו
(meimav)
zijn water
מִן
(min)
uit
הַמִּקְדָּ֖שׁ
(hamiqdash)
het heiligdom
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
יֽוֹצְאִ֑ים
(yotseim)
uitstromend
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
פִרְיוֹ֙
(piryo)
zijn vrucht
לְמַֽאֲכָ֔ל
(lemaakhal)
tot voedsel
וְעָלֵ֖הוּ
(vealehu)
en zijn blad
לִתְרוּפָֽה
(litrufa)
tot genezing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לָחֳדָשָׁיו יְבַכֵּר (lechadashav yevakker), ‘elke maand draagt hij nieuwe vrucht’: letterlijk ‘volgens zijn maanden’.
Het werkwoord bikker hoort bij ‘eerstelingen’ (bikkurim).
הַמִּקְדָּשׁ (hammiqdash), ‘het heiligdom’: de bron van het water is het huis van Yahweh.
לִתְרוּפָה (litrufah), ‘tot genezing’: het blad dient tot genezing. Vergelijk Openb. 22:2.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat והיו (vehayu), ‘en zij zullen zijn’.
De voorgelezen tekst (qere) is וְהָיָה (vehayah), ‘en het zal zijn’.
13Zo zegt Heer Yahweh: „Dit is de grens waarbinnen jullie het land als erfdeel verdelen onder de twaalf stammen van Israël. Voor Jozef zijn er delen.
כֹּ֤ה
(ko)
Zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
גֵּ֤ה
(ge)
dit
גְבוּל֙
(gevul)
grens
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarbinnen
תִּתְנַחֲל֣וּ
(titnachalu)
jullie als erfdeel verdelen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
לִשְׁנֵ֥י
(lishnei)
onder de twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
חֲבָלִֽים
(chavalim)
delen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4.
Hier begint een nieuw deel van de rede van Yahweh; het loopt door tot en met Ezech. 48:29.
יוֹסֵף חֲבָלִים (Yosef chavalim), ‘Jozef: delen’: het woord chevel betekent ‘meetkoord’ en dan ‘afgemeten deel’. Het staat in het meervoud: Jozef krijgt meer dan één deel. In Ezech. 48:4–5 krijgen Manasse en Efraïm, de zonen van Jozef, elk een deel.
14Jullie erven het, de een evenveel als de ander. Over dit land heb Ik Mijn hand opgeheven om het aan jullie vaderen te geven. Dit land zal als erfdeel aan jullie toevallen.
וּנְחַלְתֶּ֤ם
(unechaltem)
en jullie zullen erven
אוֹתָהּ֙
(otah)
haar
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
כְּאָחִ֔יו
(keachiv)
als zijn broer
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarover
נָשָׂ֨אתִי֙
(nasati)
Ik heb opgeheven
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֔י
(yadi)
Mijn hand
לְתִתָּ֖הּ
(letitah)
om haar te geven
לַאֲבֹֽתֵיכֶ֑ם
(laavoteikhem)
aan jullie vaderen
וְנָ֨פְלָ֜ה
(venafela)
en zal vallen
הָאָ֧רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֛את
(hazot)
dit
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
בְּנַחֲלָֽה
(benachala)
als erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָשָׂאתִי אֶת יָדִי (nasati et yadi), ‘Ik heb Mijn hand opgeheven’: een eed.
15Dit is de grens van het land aan de noordzijde: vanaf de Grote Zee, langs de weg naar Chetlon, tot waar men bij Tsedad komt.
וְזֶ֖ה
(veze)
en dit
גְּב֣וּל
(gevul)
grens van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
לִפְאַ֨ת
(lifat)
aan de zijde
צָפ֜וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
מִן
(min)
vanaf
הַיָּ֧ם
(hayam)
de zee
הַגָּד֛וֹל
(hagadol)
de grote
הַדֶּ֥רֶךְ
(haderekh)
de weg
חֶתְלֹ֖ן
(chetlon)
Chetlon
לְב֥וֹא
(levo)
naar het binnenkomen
צְדָֽדָה
(tsedada)
Tsedadwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land.
Zie Chetlon (ligging onzeker): Chetlon (Hetlon) ligt aan de noordgrens van het land in Ezechiël 47:15, waarschijnlijk bij Heitela, ten noorden van Tripoli.
Dit is niet zeker.
Zie Tsedad: Tsedad wordt gelijkgesteld met Sadad, in het zuiden van het huidige Syrië.
Het ligt op de noordgrens van het land.
Uitleg
חֶתְלֹן (Chetlon): een plaats aan de noordgrens, waarschijnlijk in het noorden van het huidige Libanon of Syrië.
De ligging is onzeker.
לְבוֹא צְדָדָה (lavo Tsedadah), ‘tot men komt bij Tsedad’: de noordgrens van Num. 34:8 noemt ook Lebo-Chamat en Tsedad.
16Chamat, Berota en Sibraïm, dat tussen het gebied van Damascus en het gebied van Chamat ligt, en Chasar-Hattichon, dat bij het gebied van Hauran ligt.
חֲמָ֤ת
(chamat)
Chamat
בֵּר֨וֹתָה֙
(berota)
Berota
סִבְרַ֔יִם
(sivrayim)
Sibraïm
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בֵּין
(bein)
tussen
גְּב֣וּל
(gevul)
grens van
דַּמֶּ֔שֶׂק
(dameseq)
Damascus
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
גְּב֣וּל
(gevul)
grens van
חֲמָ֑ת
(chamat)
Chamat
חָצֵר֙
(chatser)
Chasar
הַתִּיכ֔וֹן
(hatikhon)
Hattichon
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
אֶל
(el)
bij
גְּב֥וּל
(gevul)
grens van
חַוְרָֽן
(chavran)
Hauran
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
Zie Hauran: Hauran is de vruchtbare vulkanische hoogvlakte ten zuiden van Damascus, ten oosten van de Jordaan.
Uitleg
De namen בֵּרוֹתָה (Berota) en סִבְרַיִם (Sibraïm) komen alleen hier voor.
Berota lijkt op Berotai in 2 Sam. 8:8.
De ligging is onzeker.
חָצֵר הַתִּיכוֹן (chatser hattichon), ‘Chasar-Hattichon’: ‘het middelste gehucht’ (chatser is eigenlijk ‘hof’; vergelijk Chasar-Addar in Num. 34:4). Het ligt bij het gebied van Hauran.
17Zo loopt de grens van de zee naar Chasar-Enon, het gebied van Damascus. Noordwaarts, naar het noorden, ligt het gebied van Chamat. Dit is de noordzijde.
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het zal zijn
גְב֜וּל
(gevul)
grens
מִן
(min)
vanaf
הַיָּ֗ם
(hayam)
de zee
חֲצַ֤ר
(chatsar)
Chasar
עֵינוֹן֙
(einon)
Enon
גְּב֣וּל
(gevul)
grens van
דַּמֶּ֔שֶׂק
(dameseq)
Damascus
וְצָפ֥וֹן
(vetsafon)
en het noorden
צָפ֖וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
וּגְב֣וּל
(ugevul)
en grens van
חֲמָ֑ת
(chamat)
Chamat
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
פְּאַ֥ת
(peat)
zijde van
צָפֽוֹן
(tsafon)
noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chasar-Enan (ligging onzeker): Chasar-Enan (Chasar-Enon) is de noordoostelijke hoek van de grens van het land (Ezechiël 47:17; 48:1), mogelijk het huidige al-Qaryatayn.
Dit is niet zeker.
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.
Uitleg
חֲצַר עֵינוֹן (Chatsar Enon), ‘Chasar-Enon’: waarschijnlijk dezelfde plaats als Chasar-Enan in Num. 34:9 en Ezech. 48:1.
Hier staat de uitgang -on in plaats van -an.
וְצָפוֹן צָפוֹנָה (vetsafon tsafonah), ‘en het noorden, noordwaarts’: de zin is moeilijk. Wij laten de woorden letterlijk staan.
18De oostzijde: tussen Hauran, Damascus, Gilead en het land Israël ligt de Jordaan. Vanaf de grens tot aan de oostelijke zee zullen jullie meten. Dit is de oostzijde.
וּפְאַ֣ת
(ufeat)
en zijde van
קָדִ֡ים
(qadim)
oost
מִבֵּ֣ין
(mibein)
van tussen
חַוְרָ֣ן
(chavran)
Hauran
וּמִבֵּין
(umibein)
en van tussen
דַּמֶּשֶׂק֩
(dameseq)
Damascus
וּמִבֵּ֨ין
(umibein)
en van tussen
הַגִּלְעָ֜ד
(hagilad)
Gilead
וּמִבֵּ֨ין
(umibein)
en van tussen
אֶ֤רֶץ
(erets)
land van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
מִגְּב֛וּל
(migevul)
vanaf de grens
עַל
(al)
tot
הַיָּ֥ם
(hayam)
de zee
הַקַּדְמוֹנִ֖י
(haqadmoni)
de oostelijke
תָּמֹ֑דּוּ
(tamodu)
jullie zullen meten
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
פְּאַ֥ת
(peat)
zijde van
קָדִֽימָה
(qadima)
oostwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hauran: Hauran is de vruchtbare vulkanische hoogvlakte ten zuiden van Damascus, ten oosten van de Jordaan.
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
De Jordaan vormt hier de oostgrens, ‘tussen’ de gebieden van Hauran, Damascus en Gilead aan de ene kant en het land Israël aan de andere.
19De zuidzijde, naar het zuiden: van Tamar tot het water van Meriba bij Kades, en langs de beek naar de Grote Zee. Dit is de zuidzijde, naar het zuiden.
וּפְאַת֙
(ufeat)
en zijde van
נֶ֣גֶב
(negev)
zuid
תֵּימָ֔נָה
(teimana)
zuidwaarts
מִתָּמָ֗ר
(mitamar)
vanaf Tamar
עַד
(ad)
tot
מֵי֙
(mei)
water van
מְרִיב֣וֹת
(merivot)
Meriba
קָדֵ֔שׁ
(qadesh)
Kades
נַחֲלָ֖ה
(nachala)
beek
אֶל
(el)
naar
הַיָּ֣ם
(hayam)
de zee
הַגָּד֑וֹל
(hagadol)
de grote
וְאֵ֥ת
(veet)
en (obj.)
פְּאַת
(peat)
zijde van
תֵּימָ֖נָה
(teimana)
zuidwaarts
נֶֽגְבָּה
(negba)
naar het zuiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tamar (ligging onzeker): Tamar ligt aan de zuidgrens van het land in Ezechiël 47:19, ten zuiden van de Zoutzee, waarschijnlijk bij Ein Husb.
Dit is niet zeker.
Zie Meriba (bij Kades; ligging onzeker): Meriba bij Kades (Numeri 20:13), waarschijnlijk Ain Qudeirat in het noorden van de Sinaïwoestijn.
Er is ook een Meriba bij Refidim (Exodus 17:7).
Welke plaats in Psalm 81:8 en 106:32 bedoeld is, is niet helemaal zeker.
Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev.
Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land.
Uitleg
מִתָּמָר (Tamar): een plaats ten zuiden van de Zoutzee.
De ligging is onzeker.
מֵי מְרִיבוֹת קָדֵשׁ (mei meribot Kadesh), ‘het water van Meriba bij Kades’: zie Num. 20:13 en Deut. 32:51.
נַחֲלָה (nachalah), ‘beek’: waarschijnlijk de beek (wadi) van Egypte uit Num. 34:5. Het woord kan ook ‘als erfdeel’ betekenen. Wij vertalen ‘beek’, omdat de grens naar de Grote Zee loopt.
21Dit land verdelen jullie onder je, naar de stammen van Israël.
וְחִלַּקְתֶּ֞ם
(vechilaqtem)
en jullie zullen verdelen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֧רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֛את
(hazot)
dit
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
לְשִׁבְטֵ֥י
(leshivtei)
naar de stammen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Jullie verdelen het bij loting als erfdeel, voor jullie en voor de vreemdelingen die in jullie midden wonen en in jullie midden zonen hebben gekregen. Voor jullie gelden zij als een inheemse onder de zonen van Israël. Samen met jullie krijgen zij erfdeel te midden van de stammen van Israël.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
תַּפִּ֣לוּ
(tapilu)
jullie zullen laten vallen
אוֹתָהּ֮
(otah)
het
בְּנַחֲלָה֒
(benachala)
als erfdeel
לָכֶ֗ם
(lakhem)
aan jullie
וּלְהַגֵּרִים֙
(ulehagerim)
en aan de vreemdelingen
הַגָּרִ֣ים
(hagarim)
die wonen
בְּתוֹכְכֶ֔ם
(betokhekhem)
in jullie midden
אֲשֶׁר
(asher)
die
הוֹלִ֥דוּ
(holidu)
zijn geboren
בָנִ֖ים
(banim)
zonen
בְּתֽוֹכְכֶ֑ם
(betokhekhem)
in jullie midden
וְהָי֣וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לָכֶ֗ם
(lakhem)
voor jullie
כְּאֶזְרָח֙
(keezrach)
als inheemse
בִּבְנֵ֣י
(bivnei)
onder de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אִתְּכֶם֙
(itekhem)
met jullie
יִפְּל֣וּ
(yipelu)
zij zullen vallen
בְנַחֲלָ֔ה
(benachala)
als erfdeel
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
in het midden van
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּפִּלוּ (tappelu), ‘jullie laten vallen’: hetzelfde werkwoord als bij het lot.
Het land wordt dus bij loting verdeeld, zoals in Num. 26:55.
Zie ook Ezech. 48:29.
וּלְהַגֵּרִים הַגָּרִים (ulehaggerim haggarim), ‘de vreemdelingen’: wie als vreemdeling in Israël woont. Vergelijk Lev. 19:34.
כְּאֶזְרָח (ke’ezrach), ‘als een inheemse’: iemand die in Israël geboren is. De vreemdelingen met kinderen krijgen dus mee erfdeel.