Elohim Bijbel

1 Samuël 30

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

David achtervolgt de Amalekieten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Siklag is verbrand

1Op de derde dag kwamen David en zijn mannen aan in Siklag. De Amalekieten waren ingevallen in de Negev en bij Siklag. Zij hadden Siklag verslagen en met vuur verbrand.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
בְּבֹ֨א
(bevo)
toen kwam
דָוִ֧ד
(david)
David
וַאֲנָשָׁ֛יו
(vaanashav)
en zijn mannen
צִֽקְלַ֖ג
(tsiqlag)
naar Siklag
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֑י
(hashelishi)
derde
וַעֲמָלֵקִ֣י
(vaamaleqi)
en de Amalekieten
פָֽשְׁט֗וּ
(pashetu)
waren ingevallen
אֶל
(el)
in
נֶ֨גֶב֙
(negev)
de Negev
וְאֶל
(veel)
en bij
צִ֣קְלַ֔ג
(tsiqlag)
Siklag
וַיַּכּוּ֙
(vayaku)
en zij hadden verslagen
אֶת
(et)
(obj.)
צִ֣קְלַ֔ג
(tsiqlag)
Siklag
וַיִּשְׂרְפ֥וּ
(vayisrefu)
en zij hadden verbrand
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Siklag ligt in de Negev, het zuiden van Juda.

De ligging is onzeker; men denkt aan Tel Sera of Tel Halif (Israël).

David kreeg Siklag van Achis (1 Sam. 27:6).

Uitleg

Wij vertalen ‘de Amalekieten’.

Het Hebreeuws heeft het enkelvoud עֲמָלֵקִי (amaleqi), ‘een Amalekiet’, als verzamelnaam.

2Zij hadden de vrouwen die daar waren gevangengenomen, van klein tot groot. Zij hadden niemand gedood. Zij hadden hen meegevoerd en waren hun weg gegaan.
וַיִּשְׁבּ֨וּ
(vayishbu)
en zij namen gevangen
אֶת
(et)
(obj.)
הַנָּשִׁ֤ים
(hanashim)
de vrouwen
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּהּ֙
(bah)
daarin
מִקָּטֹ֣ן
(miqaton)
van klein
וְעַד
(vead)
tot
גָּד֔וֹל
(gadol)
groot
לֹ֥א
(lo)
niet
הֵמִ֖יתוּ
(hemitu)
hadden zij gedood
אִ֑ישׁ
(ish)
iemand
וַיִּֽנְהֲג֔וּ
(vayinhagu)
en zij dreven weg
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
לְדַרְכָּֽם
(ledarkam)
hun weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws noemt hier alleen de vrouwen, ‘van klein tot groot’.

Vers 3 noemt ook de zonen en dochters.

3David en zijn mannen kwamen bij de stad. En zie, zij was verbrand met vuur. Hun vrouwen, hun zonen en hun dochters waren gevangengenomen.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
דָוִ֤ד
(david)
David
וַֽאֲנָשָׁיו֙
(vaanashav)
en zijn mannen
אֶל
(el)
naar
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
שְׂרוּפָ֖ה
(serufa)
verbrand
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
וּנְשֵׁיהֶ֛ם
(unesheihem)
en hun vrouwen
וּבְנֵיהֶ֥ם
(uveneihem)
en hun zonen
וּבְנֹתֵיהֶ֖ם
(uvenoteihem)
en hun dochters
נִשְׁבּֽוּ
(nishbu)
waren gevangengenomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4David en het volk dat bij hem was, verhieven hun stem en huilden. Zij huilden tot zij geen kracht meer hadden om te huilen.
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en verhief
דָוִ֜ד
(david)
David
וְהָעָ֧ם
(vehaam)
en het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֛וֹ
(ito)
bij hem
אֶת
(et)
(obj.)
קוֹלָ֖ם
(qolam)
hun stem
וַיִּבְכּ֑וּ
(vayivku)
en zij huilden
עַ֣ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
אֵין
(ein)
niet was
בָּהֶ֛ם
(bahem)
in hen
כֹּ֖חַ
(koach)
kracht
לִבְכּֽוֹת
(livkot)
om te huilen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Ook de twee vrouwen van David waren gevangengenomen: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vrouw van Nabal uit Karmel.
וּשְׁתֵּ֥י
(ushtei)
en twee
נְשֵֽׁי
(neshei)
vrouwen van
דָוִ֖ד
(david)
David
נִשְׁבּ֑וּ
(nishbu)
waren gevangengenomen
אֲחִינֹ֨עַם֙
(achinoam)
Achinoam
הַיִּזְרְעֵלִ֔ית
(hayizreelit)
de Jizreëlitische
וַאֲבִיגַ֕יִל
(vaavigayil)
en Abigaïl
אֵ֖שֶׁת
(eshet)
de vrouw van
נָבָ֥ל
(naval)
Nabal
הַֽכַּרְמְלִֽי
(hakarmeli)
de Karmelitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dit Jizreël ligt in Juda (Joz. 15:56).

Het is niet het Jizreël in het noorden.

Karmel is hier het Karmel in Juda, bij het huidige Khirbet el-Kermel (Westelijke Jordaanoever).

Zie 1 Sam. 25:42–43.

6David kwam in grote nood. Het volk sprak erover hem te stenigen. Want iedereen in het volk voelde bitterheid in zijn ziel, om zijn zonen en dochters. Maar David sterkte zich in Yahweh, zijn Elohim.
וַתֵּ֨צֶר
(vatetser)
en het werd benauwd
לְדָוִ֜ד
(ledavid)
voor David
מְאֹ֗ד
(meod)
zeer
כִּֽי
(ki)
want
אָמְר֤וּ
(ameru)
zeiden
הָעָם֙
(haam)
het volk
לְסָקְל֔וֹ
(lesaqelo)
hem te stenigen
כִּֽי
(ki)
want
מָ֨רָה֙
(mara)
was bitter
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
de ziel van
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
עַל
(al)
om
בָּנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
וְעַל
(veal)
en om
בְּנֹתָ֑יו
(benotav)
zijn dochters
וַיִּתְחַזֵּ֣ק
(vayitchazeq)
en sterkte zich
דָּוִ֔ד
(david)
David
בַּיהוָ֖ה
(baYahweh)
in Yahweh
אֱלֹהָֽיו
(elohav)
zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָרָה נֶפֶשׁ (marah nefesh), ‘de ziel was bitter’: bitter van verdriet en woede.

Het volk geeft David de schuld.

Voor het stenigen vergelijk Exod. 17:4.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘zijn zoon’ (enkelvoud).

De lezing (qere) heeft ‘zijn zonen’.

Wij volgen de lezing.

David vraagt Yahweh om raad

7David zei tegen de priester Abjatar, de zoon van Achimelech: „Breng mij de efod.” Abjatar bracht de efod naar David.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֗ד
(david)
David
אֶל
(el)
tegen
אֶבְיָתָ֤ר
(evyatar)
Abjatar
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֲחִימֶ֔לֶךְ
(achimelekh)
Achimelech
הַגִּֽישָׁה
(hagisha)
breng
נָּ֥א
(na)
alsjeblieft
לִ֖י
(li)
mij
הָאֵפֹ֑ד
(haefod)
de efod
וַיַּגֵּ֧שׁ
(vayagesh)
en bracht
אֶבְיָתָ֛ר
(evyatar)
Abjatar
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֵפֹ֖ד
(haefod)
de efod
אֶל
(el)
naar
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵפוֹד (efod), het priesterkleed met de Urim en Tummim (Exod. 28:6–30).

Abjatar had de efod meegenomen toen hij naar David ontkwam (1 Sam. 22:20; 23:6).

Met de efod vroeg men Yahweh om raad.

8David vroeg Yahweh om raad: „Moet ik deze bende achtervolgen? Zal ik haar inhalen?” Hij zei tegen hem: „Achtervolg haar. Want je zult haar zeker inhalen en je zult zeker redden.”
וַיִּשְׁאַ֨ל
(vayishal)
en hij vroeg
דָּוִ֤ד
(david)
David
בַּֽיהוָה֙
(baYahweh)
aan Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אֶרְדֹּ֛ף
(erdof)
zal ik achtervolgen
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
הַגְּדוּד
(hagedud)
de bende
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
הַֽאַשִּׂגֶ֑נּוּ
(haasigenu)
zal ik haar inhalen
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
רְדֹ֔ף
(redof)
achtervolg
כִּֽי
(ki)
want
הַשֵּׂ֥ג
(haseg)
inhalen
תַּשִּׂ֖יג
(tasig)
zul je inhalen
וְהַצֵּ֥ל
(vehatsel)
en redden
תַּצִּֽיל
(tatsil)
zul je redden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁאַל בַּיהוָה (sha’al bYahweh), ‘aan Yahweh vragen’: Yahweh om raad vragen.

Het antwoord van Yahweh staat in rood.

גְּדוּד (gedud), ‘bende’: een plunderende troep.

De beek Besor

9David ging, hij en de 600 man die bij hem waren. Zij kwamen bij de beek Besor. Daar bleven de achterblijvers staan.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
דָּוִ֗ד
(david)
David
ה֚וּא
(hu)
hij
וְשֵׁשׁ
(veshesh)
en zes
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
אִישׁ֙
(ish)
man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֔וֹ
(ito)
bij hem
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
עַד
(ad)
tot
נַ֣חַל
(nachal)
de beek
הַבְּשׂ֑וֹר
(habesor)
Besor
וְהַנּֽוֹתָרִ֖ים
(vehanotarim)
en de achterblijvers
עָמָֽדוּ
(amadu)
bleven staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beek Besor (Nachal Besor) loopt door het zuidwesten van Israël naar de zee bij Gaza.

Dat is waarschijnlijk, maar niet zeker.

Zie Beek Besor: De beek Besor (Wadi Besor, Nachal Besor) stroomt vanuit de Negev naar de zee, ten zuiden van Gaza.

Zie ook1 Sam 27:2
10David achtervolgde hen, hij en 400 man. De 200 man die te uitgeput waren om de beek Besor over te steken, bleven staan.
וַיִּרְדֹּ֣ף
(vayirdof)
en hij achtervolgde
דָּוִ֔ד
(david)
David
ה֖וּא
(hu)
hij
וְאַרְבַּע
(vearba)
en vier
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וַיַּֽעַמְדוּ֙
(vayaamdu)
en bleven staan
מָאתַ֣יִם
(matayim)
tweehonderd
אִ֔ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
פִּגְּר֔וּ
(pigeru)
te uitgeput waren
מֵעֲבֹ֖ר
(meavor)
om over te steken
אֶת
(et)
(obj.)
נַ֥חַל
(nachal)
de beek
הַבְּשֽׂוֹר
(habesor)
Besor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beek Besor: De beek Besor (Wadi Besor, Nachal Besor) stroomt vanuit de Negev naar de zee, ten zuiden van Gaza.

Uitleg

פָּגַר (pagar), ‘uitgeput zijn’: te moe om verder te gaan.

Het woord komt maar twee keer voor, hier en in vers 21.

De Egyptische jongen

11Zij vonden een Egyptenaar in het veld. Zij brachten hem naar David. Zij gaven hem brood en hij at. Zij lieten hem water drinken.
וַֽיִּמְצְא֤וּ
(vayimtseu)
en zij vonden
אִישׁ
(ish)
een man
מִצְרִי֙
(mitsri)
Egyptische
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
וַיִּקְח֥וּ
(vayiqchu)
en zij namen
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en zij gaven
ל֥וֹ
(lo)
hem
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
וַיֹּ֔אכַל
(vayokhal)
en hij at
וַיַּשְׁקֻ֖הוּ
(vayashquhu)
en zij lieten hem drinken
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zij gaven hem ook een stuk vijgenkoek en twee rozijnenkoeken. Hij at en zijn geest keerde bij hem terug. Want hij had drie dagen en drie nachten geen brood gegeten en geen water gedronken.
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en zij gaven
לוֹ֩
(lo)
hem
פֶ֨לַח
(pelach)
een stuk
דְּבֵלָ֜ה
(devela)
vijgenkoek
וּשְׁנֵ֤י
(ushenei)
en twee
צִמֻּקִים֙
(tsimuqim)
rozijnenkoeken
וַיֹּ֔אכַל
(vayokhal)
en hij at
וַתָּ֥שָׁב
(vatashav)
en keerde terug
רוּח֖וֹ
(rucho)
zijn geest
אֵלָ֑יו
(elav)
bij hem
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
אָ֤כַל
(akhal)
had hij gegeten
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁ֣תָה
(shata)
had hij gedronken
מַ֔יִם
(mayim)
water
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
וּשְׁלֹשָׁ֥ה
(ushelosha)
en drie
לֵילֽוֹת
(leilot)
nachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּבֵלָה (develah), ‘vijgenkoek’: samengeperste gedroogde vijgen.

צִמּוּקִים (tsimmuqim), ‘rozijnenkoeken’: samengeperste gedroogde druiven.

וַתָּשָׁב רוּחוֹ אֵלָיו (vattashav ruchô elav), ‘zijn geest keerde bij hem terug’: hij kwam weer tot kracht.

13David vroeg hem: „Van wie ben je? En waar kom je vandaan?” Hij zei: „Ik ben een Egyptische jongen, de dienaar van een Amalekiet. Mijn heer heeft mij achtergelaten, want ik werd ziek, drie dagen geleden.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֤וֹ
(lo)
tot hem
דָוִד֙
(david)
David
לְֽמִי
(lemi)
van wie
אַ֔תָּה
(ata)
ben jij
וְאֵ֥י
(veei)
en waar
מִזֶּ֖ה
(mize)
vandaan
אָ֑תָּה
(ata)
ben jij
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en hij zei
נַ֧עַר
(naar)
jongen
מִצְרִ֣י
(mitsri)
Egyptische
אָנֹ֗כִי
(anokhi)
ik
עֶ֚בֶד
(eved)
dienaar van
לְאִ֣ישׁ
(leish)
een man
עֲמָֽלֵקִ֔י
(amaleqi)
Amalekitische
וַיַּעַזְבֵ֧נִי
(vayaazveni)
en liet mij achter
אֲדֹנִ֛י
(adoni)
mijn heer
כִּ֥י
(ki)
want
חָלִ֖יתִי
(chaliti)
ik werd ziek
הַיּ֥וֹם
(hayom)
vandaag
שְׁלֹשָֽׁה
(shelosha)
drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַיּוֹם שְׁלֹשָׁה (hajom sheloshah), letterlijk ‘vandaag drie’: drie dagen geleden.

14Wij zijn ingevallen in de Negev van de Kerethieten, in het gebied van Juda en in de Negev van Kaleb. Siklag hebben wij met vuur verbrand.”
אֲנַ֡חְנוּ
(anachnu)
wij
פָּשַׁ֜טְנוּ
(pashatnu)
zijn ingevallen
נֶ֧גֶב
(negev)
in de Negev
הַכְּרֵתִ֛י
(hakereti)
van de Kerethieten
וְעַל
(veal)
en in
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat is
לִֽיהוּדָ֖ה
(lihuda)
van Juda
וְעַל
(veal)
en in
נֶ֣גֶב
(negev)
de Negev van
כָּלֵ֑ב
(kalev)
Kaleb
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צִקְלַ֖ג
(tsiqlag)
Siklag
שָׂרַ֥פְנוּ
(sarafnu)
hebben wij verbrand
בָאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Kerethieten wonen in het zuiden van de kustvlakte, bij de Filistijnen.

Zij zijn waarschijnlijk met de Filistijnen verwant.

De ligging van hun Negev is onzeker.

Zie Siklag (ligging onzeker): Siklag lag in de Negev.

Tel Sera en Tel Halif zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

De Negev van Kaleb ligt bij Hebron (Joz. 14:13–14).

15David vroeg hem: „Wil je mij naar deze bende brengen?” Hij zei: „Zweer mij bij Elohim dat je mij niet zult doden en mij niet zult uitleveren aan mijn heer. Dan breng ik je naar deze bende.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tegen hem
דָּוִ֔ד
(david)
David
הֲתוֹרִדֵ֖נִי
(hatorideni)
wil je mij brengen
אֶל
(el)
naar
הַגְּד֣וּד
(hagedud)
de bende
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִשָּׁבְעָה֩
(hishavea)
zweer
לִּ֨י
(li)
mij
בֵֽאלֹהִ֜ים
(bElohim)
bij Elohim
אִם
(im)
dat niet
תְּמִיתֵ֗נִי
(temiteni)
je mij doodt
וְאִם
(veim)
en dat niet
תַּסְגִּרֵ֨נִי֙
(tasgireni)
je mij uitlevert
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
וְאוֹרִֽדְךָ֖
(veoridkha)
dan breng ik je
אֶל
(el)
naar
הַגְּד֥וּד
(hagedud)
de bende
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִשָּׁבְעָה לִּי בֵּאלֹהִים (hishava li belohim), ‘zweer mij bij Elohim’.

De eed heeft in het Hebreeuws de vorm ‘als je mij doodt’.

Dat betekent: ‘je zult mij niet doden’.

Wij geven de bedoeling weer.

David verslaat de Amalekieten

16Hij bracht hem erheen. En zie, zij lagen verspreid over heel het land. Zij aten, dronken en vierden feest. Dat was vanwege heel de grote buit die zij uit het land van de Filistijnen en uit het land van Juda hadden genomen.
וַיֹּ֣רִדֵ֔הוּ
(vayoridehu)
en hij bracht hem
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
נְטֻשִׁ֖ים
(netushim)
verspreid
עַל
(al)
over
פְּנֵ֣י
(penei)
het gebied van
כָל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
אֹכְלִ֤ים
(okhelim)
etend
וְשֹׁתִים֙
(veshotim)
en drinkend
וְחֹ֣גְגִ֔ים
(vechogegim)
en feestvierend
בְּכֹל֙
(bekhol)
vanwege al
הַשָּׁלָ֣ל
(hashalal)
de buit
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
grote
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לָקְח֛וּ
(laqechu)
zij hadden genomen
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וּמֵאֶ֥רֶץ
(umeerets)
en uit het land van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

17David sloeg hen van de schemering tot de avond van de volgende dag. Niemand van hen ontkwam, behalve 400 jonge mannen. Die reden op kamelen en vluchtten.
וַיַּכֵּ֥ם
(vayakem)
en hij sloeg hen
דָּוִ֛ד
(david)
David
מֵהַנֶּ֥שֶׁף
(mehaneshef)
vanaf de schemering
וְעַד
(vead)
en tot
הָעֶ֖רֶב
(haerev)
de avond
לְמָֽחֳרָתָ֑ם
(lemachoratam)
van hun volgende dag
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נִמְלַ֤ט
(nimlat)
ontkwam
מֵהֶם֙
(mehem)
van hen
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
כִּי֩
(ki)
behalve
אִם
(im)
alleen
אַרְבַּ֨ע
(arba)
vier
מֵא֧וֹת
(meot)
honderd
אִֽישׁ
(ish)
man
נַ֛עַר
(naar)
jonge
אֲשֶׁר
(asher)
die
רָכְב֥וּ
(rakhevu)
reden
עַל
(al)
op
הַגְּמַלִּ֖ים
(hagemalim)
de kamelen
וַיָּנֻֽסוּ
(vayanusu)
en vluchtten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶשֶׁף (neshef), ‘schemering’: dat kan de ochtendschemering of de avondschemering zijn.

Het Hebreeuws zegt ‘tot de avond van hun volgende dag’.

Lezing

Het Hebreeuws heeft אִישׁ נַעַר (ish na’ar), ‘man, jongen’.

Wij vertalen ‘jonge mannen’.

18David redde alles wat Amalek had genomen. Ook zijn twee vrouwen redde David.
וַיַּצֵּ֣ל
(vayatsel)
en redde
דָּוִ֔ד
(david)
David
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לָקְח֖וּ
(laqechu)
hadden genomen
עֲמָלֵ֑ק
(amaleq)
Amalek
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
נָשָׁ֖יו
(nashav)
zijn vrouwen
הִצִּ֥יל
(hitsil)
redde
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 14:16
19Er ontbrak hun niets, van klein tot groot. Ook ontbrak niets van de zonen en dochters, van de buit en van alles wat zij voor zich hadden genomen. David bracht alles terug.
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נֶעְדַּר
(nedar)
ontbrak
לָ֠הֶם
(lahem)
hun
מִן
(min)
van
הַקָּטֹ֨ן
(haqaton)
klein
וְעַד
(vead)
tot
הַגָּד֜וֹל
(hagadol)
groot
וְעַד
(vead)
en tot
בָּנִ֤ים
(banim)
zonen
וּבָנוֹת֙
(uvanot)
en dochters
וּמִשָּׁלָ֔ל
(umishalal)
en van buit
וְעַ֛ד
(vead)
en tot
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לָקְח֖וּ
(laqechu)
zij hadden genomen
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor zich
הַכֹּ֖ל
(hakol)
alles
הֵשִׁ֥יב
(heshiv)
bracht terug
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20David nam al het kleinvee en het rundvee. Zij dreven dat voor het andere vee uit. Men zei: „Dit is de buit van David.”
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
דָּוִ֔ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
וְהַבָּקָ֑ר
(vehabaqar)
en het rundvee
נָהֲג֗וּ
(nahagu)
zij dreven
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
הַמִּקְנֶ֣ה
(hamiqne)
het vee
הַה֔וּא
(hahu)
dat
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
זֶ֖ה
(ze)
dit
שְׁלַ֥ל
(shelal)
buit van
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is kort en niet helemaal duidelijk.

Het Hebreeuws zegt: ‘zij dreven voor dat vee uit’, en ‘zij zeiden: dit is de buit van David’.

Wij nemen aan dat het vee van de Amalekieten voor het eigen vee van David uit werd gedreven.

David verdeelt de buit

21David kwam bij de 200 man die te uitgeput waren geweest om David te volgen. Hij had hen bij de beek Besor laten blijven. Zij gingen David tegemoet, en ook het volk dat bij hem was. David kwam bij het volk en vroeg hoe het met hen ging.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
דָוִ֗ד
(david)
David
אֶל
(el)
naar
מָאתַ֨יִם
(matayim)
tweehonderd
הָאֲנָשִׁ֜ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
פִּגְּר֣וּ
(pigeru)
te uitgeput waren
מִלֶּ֣כֶת
(milekhet)
om te gaan
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
דָוִ֗ד
(david)
David
וַיֹּֽשִׁיבֻם֙
(vayoshivum)
en hij liet hen blijven
בְּנַ֣חַל
(benachal)
bij de beek
הַבְּשׂ֔וֹר
(habesor)
Besor
וַיֵּֽצְאוּ֙
(vayetseu)
en zij gingen uit
לִקְרַ֣את
(liqrat)
ter ontmoeting van
דָּוִ֔ד
(david)
David
וְלִקְרַ֖את
(veliqrat)
en ter ontmoeting van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֑וֹ
(ito)
bij hem
וַיִּגַּ֤שׁ
(vayigash)
en trad toe
דָּוִד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַיִּשְׁאַ֥ל
(vayishal)
en vroeg
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
לְשָׁלֽוֹם
(leshalom)
naar vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beek Besor: De beek Besor (Wadi Besor, Nachal Besor) stroomt vanuit de Negev naar de zee, ten zuiden van Gaza.

Uitleg

וַיִּשְׁאַל לָהֶם לְשָׁלוֹם (vayyish’al lahem leshalom), ‘hij vroeg naar hun vrede’: hij begroette hen en vroeg hoe het met hen ging.

22Maar alle slechte mannen en mannen van Belial onder degenen die met David waren meegegaan, antwoordden: „Zij zijn niet met mij meegegaan. Daarom geven wij hun niets van de buit die wij hebben gered. Alleen ieder zijn vrouw en zijn zonen. Laten zij die meenemen en weggaan.”
וַיַּ֜עַן
(vayaan)
en antwoordde
כָּל
(kal)
alle
אִֽישׁ
(ish)
mannen
רָ֣ע
(ra)
slechte
וּבְלִיַּ֗עַל
(uveliyaal)
en Belial
מֵֽהָאֲנָשִׁים֮
(mehaanashim)
van de mannen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָלְכ֣וּ
(halekhu)
waren gegaan
עִם
(im)
met
דָּוִד֒
(david)
David
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zij zeiden
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
הָלְכ֣וּ
(halekhu)
zij gingen
עִמִּ֔י
(imi)
met mij
לֹֽא
(lo)
niet
נִתֵּ֣ן
(niten)
zullen wij geven
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
מֵהַשָּׁלָ֖ל
(mehashalal)
van de buit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִצַּ֑לְנוּ
(hitsalnu)
wij hebben gered
כִּֽי
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּוֹ֙
(ishto)
zijn vrouw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
וְיִנְהֲג֖וּ
(veyinhagu)
laten zij wegdrijven
וְיֵלֵֽכוּ
(veyelekhu)
en laten zij gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּלִיַּעַל (beliya’al), ‘Belial’: ‘nietswaardig’.

Wij laten de naam staan.

Lezing

Het Hebreeuws heeft ‘met mij’ (enkelvoud) in de mond van een groep.

Wij vertalen letterlijk.

23David zei: „Doe niet zo, mijn broeders, met wat Yahweh ons heeft gegeven. Hij heeft ons bewaard. Hij heeft de bende die tegen ons kwam, in onze hand gegeven.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֔ד
(david)
David
לֹֽא
(lo)
niet
תַעֲשׂ֥וּ
(taasu)
doe
כֵ֖ן
(ken)
zo
אֶחָ֑י
(echay)
mijn broeders
אֵ֠ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
נָתַ֨ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֨נוּ֙
(lanu)
ons
וַיִּשְׁמֹ֣ר
(vayishmor)
en Hij heeft bewaard
אֹתָ֔נוּ
(otanu)
ons
וַיִּתֵּ֗ן
(vayiten)
en Hij heeft gegeven
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַגְּד֛וּד
(hagedud)
de bende
הַבָּ֥א
(haba)
die kwam
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
tegen ons
בְּיָדֵֽנוּ
(beyadenu)
in onze hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Wie zou in deze zaak naar jullie luisteren? Want het deel van wie de strijd in is gegaan, is gelijk aan het deel van wie bij de bagage is gebleven. Zij zullen samen delen.”
וּמִי֙
(umi)
en wie
יִשְׁמַ֣ע
(yishma)
zal luisteren
לָכֶ֔ם
(lakhem)
naar jullie
לַדָּבָ֖ר
(ladavar)
in zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּ֞י
(ki)
want
כְּחֵ֣לֶק
(kecheleq)
zoals het deel van
הַיֹּרֵ֣ד
(hayored)
wie afdaalt
בַּמִּלְחָמָ֗ה
(bamilchama)
in de strijd
וּֽכְחֵ֛לֶק
(ukhecheleq)
en zoals het deel van
הַיֹּשֵׁ֥ב
(hayoshev)
wie blijft
עַל
(al)
bij
הַכֵּלִ֖ים
(hakelim)
de bagage
יַחְדָּ֥ו
(yachdav)
samen
יַחֲלֹֽקוּ
(yachaloqu)
zullen zij delen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֵּלִים (kelim), ‘bagage’: de spullen en uitrusting van het leger.

25Zo is het gebleven vanaf die dag. David maakte het tot een voorschrift en een recht voor Israël, tot op deze dag.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
מֵֽהַיּ֥וֹם
(mehayom)
vanaf de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en verder
וַיְשִׂמֶ֜הָ
(vaysimeha)
en hij maakte het
לְחֹ֤ק
(lechoq)
tot een voorschrift
וּלְמִשְׁפָּט֙
(ulemishpat)
en tot een recht
לְיִשְׂרָאֵ֔ל
(leyisrael)
voor Israël
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹק וּמִשְׁפָּט (choq umishpat), ‘voorschrift en recht’: een vaste regel.

Vergelijk de verdeling van de buit in Num. 31:25–27.

David stuurt buit naar de oudsten van Juda

26David kwam in Siklag. Hij stuurde een deel van de buit aan de oudsten van Juda, zijn vrienden. Hij liet zeggen: „Zie, een zegen voor jullie uit de buit van de vijanden van Yahweh.”
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
דָוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
naar
צִ֣קְלַ֔ג
(tsiqlag)
Siklag
וַיְשַׁלַּ֧ח
(vayshalach)
en hij stuurde
מֵֽהַשָּׁלָ֛ל
(mehashalal)
van de buit
לְזִקְנֵ֥י
(leziqnei)
aan de oudsten van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לְרֵעֵ֣הוּ
(lereehu)
zijn vrienden
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
בְּרָכָ֔ה
(berakha)
een zegen
מִשְּׁלַ֖ל
(mishelal)
van de buit van
אֹיְבֵ֥י
(oyevei)
de vijanden van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Siklag (ligging onzeker): Siklag lag in de Negev.

Tel Sera en Tel Halif zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

Uitleg

בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: hier een geschenk.

David noemt het ‘een zegen uit de buit van de vijanden van Yahweh’.

27Hij stuurde het aan wie in Betel waren, aan wie in Ramot in de Negev waren, aan wie in Jattir waren,
לַאֲשֶׁ֧ר
(laasher)
aan wie
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֛ל
(el)
El
וְלַאֲשֶׁ֥ר
(velaasher)
en aan wie
בְּרָמֽוֹת
(beramot)
in Ramot
נֶ֖גֶב
(negev)
de Negev
וְלַאֲשֶׁ֥ר
(velaasher)
en aan wie
בְּיַתִּֽר
(beyatir)
in Jattir
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dit Betel is niet het Betel in het noorden.

Het ligt in het zuiden van Juda.

Het is waarschijnlijk Betul (Joz. 19:4), maar dat is onzeker.

Ramot in de Negev is onzeker.

Jattir is Khirbet Attir, in het zuiden van de Westelijke Jordaanoever.

28aan wie in Aroër waren, aan wie in Sifmot waren, aan wie in Estemoa waren,
וְלַאֲשֶׁ֧ר
(velaasher)
en aan wie
בַּעֲרֹעֵ֛ר
(baaroer)
in Aroër
וְלַאֲשֶׁ֥ר
(velaasher)
en aan wie
בְּשִֽׂפְמ֖וֹת
(besifmot)
in Sifmot
וְלַאֲשֶׁ֥ר
(velaasher)
en aan wie
בְּאֶשְׁתְּמֹֽעַ
(beeshtemoa)
in Estemoa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Aroër ligt in de Negev, waarschijnlijk bij Khirbet Arara (Israël).

Dit is niet het Aroër in Moab.

Sifmot is onzeker.

Estemoa ligt bij es-Samu (Westelijke Jordaanoever).

29aan wie in Rachal waren, aan wie in de steden van de Jerachmeëlieten waren, aan wie in de steden van de Kenieten waren,
וְלַאֲשֶׁ֣ר
(velaasher)
en aan wie
בְּרָכָ֗ל
(berakhal)
in Rachal
וְלַֽאֲשֶׁר֙
(velaasher)
en aan wie
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
הַיְּרַחְמְאֵלִ֔י
(hayerachmeeli)
de Jerachmeëliet
וְלַאֲשֶׁ֖ר
(velaasher)
en aan wie
בְּעָרֵ֥י
(bearei)
in de steden van
הַקֵּינִֽי
(haqeini)
de Keniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rachal is onzeker.

De Jerachmeëlieten en de Kenieten wonen in het zuiden van Juda.

30aan wie in Chorma waren, aan wie in Bor-Asan waren, aan wie in Atak waren,
וְלַאֲשֶׁ֧ר
(velaasher)
en aan wie
בְּחָרְמָ֛ה
(becharema)
in Chorma
וְלַאֲשֶׁ֥ר
(velaasher)
en aan wie
בְּבוֹר
(bevor)
in Bor
עָשָׁ֖ן
(ashan)
Asan
וְלַאֲשֶׁ֥ר
(velaasher)
en aan wie
בַּעֲתָֽךְ
(baatakh)
in Atak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chorma ligt in de Negev; de ligging is onzeker (Joz. 15:30).

Bor-Asan is waarschijnlijk Asan (Joz. 15:42; 19:7).

Atak is onzeker; sommigen denken aan Eter (Joz. 19:7).

31aan wie in Hebron waren, en aan alle plaatsen waar David en zijn mannen rondgetrokken waren.
וְלַאֲשֶׁ֖ר
(velaasher)
en aan wie
בְּחֶבְר֑וֹן
(bechevron)
in Hebron
וּֽלְכָל
(ulekhal)
en aan alle
הַמְּקֹמ֛וֹת
(hameqomot)
de plaatsen
אֲשֶֽׁר
(asher)
waar
הִתְהַלֶּךְ
(hithalekh)
rondtrok
שָׁ֥ם
(sham)
daar
דָּוִ֖ד
(david)
David
ה֥וּא
(hu)
hij
וַאֲנָשָֽׁיו
(vaanashav)
en zijn mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron is het huidige al-Khalil (Westelijke Jordaanoever).