Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Siklag is verbrand
1Op de derde dag kwamen David en zijn mannen aan in Siklag. De Amalekieten waren ingevallen in de Negev en bij Siklag. Zij hadden Siklag verslagen en met vuur verbrand.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
בְּבֹ֨א
(bevo)
toen kwam
דָוִ֧ד
(david)
David
וַאֲנָשָׁ֛יו
(vaanashav)
en zijn mannen
צִֽקְלַ֖ג
(tsiqlag)
naar Siklag
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֑י
(hashelishi)
derde
וַעֲמָלֵקִ֣י
(vaamaleqi)
en de Amalekieten
פָֽשְׁט֗וּ
(pashetu)
waren ingevallen
אֶל
(el)
in
נֶ֨גֶב֙
(negev)
de Negev
וְאֶל
(veel)
en bij
צִ֣קְלַ֔ג
(tsiqlag)
Siklag
וַיַּכּוּ֙
(vayaku)
en zij hadden verslagen
אֶת
(et)
(obj.)
צִ֣קְלַ֔ג
(tsiqlag)
Siklag
וַיִּשְׂרְפ֥וּ
(vayisrefu)
en zij hadden verbrand
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Siklag ligt in de Negev, het zuiden van Juda.
De ligging is onzeker; men denkt aan Tel Sera of Tel Halif (Israël).
David kreeg Siklag van Achis (1 Sam. 27:6).
Uitleg
Wij vertalen ‘de Amalekieten’.
Het Hebreeuws heeft het enkelvoud עֲמָלֵקִי (amaleqi), ‘een Amalekiet’, als verzamelnaam.
2Zij hadden de vrouwen die daar waren gevangengenomen, van klein tot groot. Zij hadden niemand gedood. Zij hadden hen meegevoerd en waren hun weg gegaan.
וַיִּשְׁבּ֨וּ
(vayishbu)
en zij namen gevangen
אֶת
(et)
(obj.)
הַנָּשִׁ֤ים
(hanashim)
de vrouwen
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּהּ֙
(bah)
daarin
מִקָּטֹ֣ן
(miqaton)
van klein
וְעַד
(vead)
tot
גָּד֔וֹל
(gadol)
groot
לֹ֥א
(lo)
niet
הֵמִ֖יתוּ
(hemitu)
hadden zij gedood
אִ֑ישׁ
(ish)
iemand
וַיִּֽנְהֲג֔וּ
(vayinhagu)
en zij dreven weg
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
לְדַרְכָּֽם
(ledarkam)
hun weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws noemt hier alleen de vrouwen, ‘van klein tot groot’.
6David kwam in grote nood. Het volk sprak erover hem te stenigen. Want iedereen in het volk voelde bitterheid in zijn ziel, om zijn zonen en dochters. Maar David sterkte zich in Yahweh, zijn Elohim.
וַתֵּ֨צֶר
(vatetser)
en het werd benauwd
לְדָוִ֜ד
(ledavid)
voor David
מְאֹ֗ד
(meod)
zeer
כִּֽי
(ki)
want
אָמְר֤וּ
(ameru)
zeiden
הָעָם֙
(haam)
het volk
לְסָקְל֔וֹ
(lesaqelo)
hem te stenigen
כִּֽי
(ki)
want
מָ֨רָה֙
(mara)
was bitter
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
de ziel van
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
עַל
(al)
om
בָּנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
וְעַל
(veal)
en om
בְּנֹתָ֑יו
(benotav)
zijn dochters
וַיִּתְחַזֵּ֣ק
(vayitchazeq)
en sterkte zich
דָּוִ֔ד
(david)
David
בַּיהוָ֖ה
(baYahweh)
in Yahweh
אֱלֹהָֽיו
(elohav)
zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָרָה נֶפֶשׁ (marah nefesh), ‘de ziel was bitter’: bitter van verdriet en woede.
Het volk geeft David de schuld.
Voor het stenigen vergelijk Exod. 17:4.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘zijn zoon’ (enkelvoud).
8David vroeg Yahweh om raad: „Moet ik deze bende achtervolgen? Zal ik haar inhalen?” Hij zei tegen hem: „Achtervolg haar. Want je zult haar zeker inhalen en je zult zeker redden.”
וַיִּשְׁאַ֨ל
(vayishal)
en hij vroeg
דָּוִ֤ד
(david)
David
בַּֽיהוָה֙
(baYahweh)
aan Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אֶרְדֹּ֛ף
(erdof)
zal ik achtervolgen
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
הַגְּדוּד
(hagedud)
de bende
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
הַֽאַשִּׂגֶ֑נּוּ
(haasigenu)
zal ik haar inhalen
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
רְדֹ֔ף
(redof)
achtervolg
כִּֽי
(ki)
want
הַשֵּׂ֥ג
(haseg)
inhalen
תַּשִּׂ֖יג
(tasig)
zul je inhalen
וְהַצֵּ֥ל
(vehatsel)
en redden
תַּצִּֽיל
(tatsil)
zul je redden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zij gaven hem ook een stuk vijgenkoek en twee rozijnenkoeken. Hij at en zijn geest keerde bij hem terug. Want hij had drie dagen en drie nachten geen brood gegeten en geen water gedronken.
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en zij gaven
לוֹ֩
(lo)
hem
פֶ֨לַח
(pelach)
een stuk
דְּבֵלָ֜ה
(devela)
vijgenkoek
וּשְׁנֵ֤י
(ushenei)
en twee
צִמֻּקִים֙
(tsimuqim)
rozijnenkoeken
וַיֹּ֔אכַל
(vayokhal)
en hij at
וַתָּ֥שָׁב
(vatashav)
en keerde terug
רוּח֖וֹ
(rucho)
zijn geest
אֵלָ֑יו
(elav)
bij hem
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
אָ֤כַל
(akhal)
had hij gegeten
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁ֣תָה
(shata)
had hij gedronken
מַ֔יִם
(mayim)
water
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
וּשְׁלֹשָׁ֥ה
(ushelosha)
en drie
לֵילֽוֹת
(leilot)
nachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13David vroeg hem: „Van wie ben je? En waar kom je vandaan?” Hij zei: „Ik ben een Egyptische jongen, de dienaar van een Amalekiet. Mijn heer heeft mij achtergelaten, want ik werd ziek, drie dagen geleden.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֤וֹ
(lo)
tot hem
דָוִד֙
(david)
David
לְֽמִי
(lemi)
van wie
אַ֔תָּה
(ata)
ben jij
וְאֵ֥י
(veei)
en waar
מִזֶּ֖ה
(mize)
vandaan
אָ֑תָּה
(ata)
ben jij
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en hij zei
נַ֧עַר
(naar)
jongen
מִצְרִ֣י
(mitsri)
Egyptische
אָנֹ֗כִי
(anokhi)
ik
עֶ֚בֶד
(eved)
dienaar van
לְאִ֣ישׁ
(leish)
een man
עֲמָֽלֵקִ֔י
(amaleqi)
Amalekitische
וַיַּעַזְבֵ֧נִי
(vayaazveni)
en liet mij achter
אֲדֹנִ֛י
(adoni)
mijn heer
כִּ֥י
(ki)
want
חָלִ֖יתִי
(chaliti)
ik werd ziek
הַיּ֥וֹם
(hayom)
vandaag
שְׁלֹשָֽׁה
(shelosha)
drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַיּוֹם שְׁלֹשָׁה (hajom sheloshah), letterlijk ‘vandaag drie’: drie dagen geleden.
15David vroeg hem: „Wil je mij naar deze bende brengen?” Hij zei: „Zweer mij bij Elohim dat je mij niet zult doden en mij niet zult uitleveren aan mijn heer. Dan breng ik je naar deze bende.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tegen hem
דָּוִ֔ד
(david)
David
הֲתוֹרִדֵ֖נִי
(hatorideni)
wil je mij brengen
אֶל
(el)
naar
הַגְּד֣וּד
(hagedud)
de bende
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִשָּׁבְעָה֩
(hishavea)
zweer
לִּ֨י
(li)
mij
בֵֽאלֹהִ֜ים
(bElohim)
bij Elohim
אִם
(im)
dat niet
תְּמִיתֵ֗נִי
(temiteni)
je mij doodt
וְאִם
(veim)
en dat niet
תַּסְגִּרֵ֨נִי֙
(tasgireni)
je mij uitlevert
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
וְאוֹרִֽדְךָ֖
(veoridkha)
dan breng ik je
אֶל
(el)
naar
הַגְּד֥וּד
(hagedud)
de bende
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִשָּׁבְעָה לִּי בֵּאלֹהִים (hishava li belohim), ‘zweer mij bij Elohim’.
De eed heeft in het Hebreeuws de vorm ‘als je mij doodt’.
16Hij bracht hem erheen. En zie, zij lagen verspreid over heel het land. Zij aten, dronken en vierden feest. Dat was vanwege heel de grote buit die zij uit het land van de Filistijnen en uit het land van Juda hadden genomen.
וַיֹּ֣רִדֵ֔הוּ
(vayoridehu)
en hij bracht hem
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
נְטֻשִׁ֖ים
(netushim)
verspreid
עַל
(al)
over
פְּנֵ֣י
(penei)
het gebied van
כָל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
אֹכְלִ֤ים
(okhelim)
etend
וְשֹׁתִים֙
(veshotim)
en drinkend
וְחֹ֣גְגִ֔ים
(vechogegim)
en feestvierend
בְּכֹל֙
(bekhol)
vanwege al
הַשָּׁלָ֣ל
(hashalal)
de buit
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
grote
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לָקְח֛וּ
(laqechu)
zij hadden genomen
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וּמֵאֶ֥רֶץ
(umeerets)
en uit het land van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
17David sloeg hen van de schemering tot de avond van de volgende dag. Niemand van hen ontkwam, behalve 400 jonge mannen. Die reden op kamelen en vluchtten.
וַיַּכֵּ֥ם
(vayakem)
en hij sloeg hen
דָּוִ֛ד
(david)
David
מֵהַנֶּ֥שֶׁף
(mehaneshef)
vanaf de schemering
וְעַד
(vead)
en tot
הָעֶ֖רֶב
(haerev)
de avond
לְמָֽחֳרָתָ֑ם
(lemachoratam)
van hun volgende dag
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נִמְלַ֤ט
(nimlat)
ontkwam
מֵהֶם֙
(mehem)
van hen
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
כִּי֩
(ki)
behalve
אִם
(im)
alleen
אַרְבַּ֨ע
(arba)
vier
מֵא֧וֹת
(meot)
honderd
אִֽישׁ
(ish)
man
נַ֛עַר
(naar)
jonge
אֲשֶׁר
(asher)
die
רָכְב֥וּ
(rakhevu)
reden
עַל
(al)
op
הַגְּמַלִּ֖ים
(hagemalim)
de kamelen
וַיָּנֻֽסוּ
(vayanusu)
en vluchtten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶשֶׁף (neshef), ‘schemering’: dat kan de ochtendschemering of de avondschemering zijn.
Het Hebreeuws zegt ‘tot de avond van hun volgende dag’.
Lezing
Het Hebreeuws heeft אִישׁ נַעַר (ish na’ar), ‘man, jongen’.
19Er ontbrak hun niets, van klein tot groot. Ook ontbrak niets van de zonen en dochters, van de buit en van alles wat zij voor zich hadden genomen. David bracht alles terug.
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נֶעְדַּר
(nedar)
ontbrak
לָ֠הֶם
(lahem)
hun
מִן
(min)
van
הַקָּטֹ֨ן
(haqaton)
klein
וְעַד
(vead)
tot
הַגָּד֜וֹל
(hagadol)
groot
וְעַד
(vead)
en tot
בָּנִ֤ים
(banim)
zonen
וּבָנוֹת֙
(uvanot)
en dochters
וּמִשָּׁלָ֔ל
(umishalal)
en van buit
וְעַ֛ד
(vead)
en tot
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לָקְח֖וּ
(laqechu)
zij hadden genomen
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor zich
הַכֹּ֖ל
(hakol)
alles
הֵשִׁ֥יב
(heshiv)
bracht terug
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21David kwam bij de 200 man die te uitgeput waren geweest om David te volgen. Hij had hen bij de beek Besor laten blijven. Zij gingen David tegemoet, en ook het volk dat bij hem was. David kwam bij het volk en vroeg hoe het met hen ging.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
דָוִ֗ד
(david)
David
אֶל
(el)
naar
מָאתַ֨יִם
(matayim)
tweehonderd
הָאֲנָשִׁ֜ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
פִּגְּר֣וּ
(pigeru)
te uitgeput waren
מִלֶּ֣כֶת
(milekhet)
om te gaan
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
דָוִ֗ד
(david)
David
וַיֹּֽשִׁיבֻם֙
(vayoshivum)
en hij liet hen blijven
בְּנַ֣חַל
(benachal)
bij de beek
הַבְּשׂ֔וֹר
(habesor)
Besor
וַיֵּֽצְאוּ֙
(vayetseu)
en zij gingen uit
לִקְרַ֣את
(liqrat)
ter ontmoeting van
דָּוִ֔ד
(david)
David
וְלִקְרַ֖את
(veliqrat)
en ter ontmoeting van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֑וֹ
(ito)
bij hem
וַיִּגַּ֤שׁ
(vayigash)
en trad toe
דָּוִד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַיִּשְׁאַ֥ל
(vayishal)
en vroeg
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
לְשָׁלֽוֹם
(leshalom)
naar vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Beek Besor: De beek Besor (Wadi Besor, Nachal Besor) stroomt vanuit de Negev naar de zee, ten zuiden van Gaza.
Uitleg
וַיִּשְׁאַל לָהֶם לְשָׁלוֹם (vayyish’al lahem leshalom), ‘hij vroeg naar hun vrede’: hij begroette hen en vroeg hoe het met hen ging.
22Maar alle slechte mannen en mannen van Belial onder degenen die met David waren meegegaan, antwoordden: „Zij zijn niet met mij meegegaan. Daarom geven wij hun niets van de buit die wij hebben gered. Alleen ieder zijn vrouw en zijn zonen. Laten zij die meenemen en weggaan.”
וַיַּ֜עַן
(vayaan)
en antwoordde
כָּל
(kal)
alle
אִֽישׁ
(ish)
mannen
רָ֣ע
(ra)
slechte
וּבְלִיַּ֗עַל
(uveliyaal)
en Belial
מֵֽהָאֲנָשִׁים֮
(mehaanashim)
van de mannen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָלְכ֣וּ
(halekhu)
waren gegaan
עִם
(im)
met
דָּוִד֒
(david)
David
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zij zeiden
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
הָלְכ֣וּ
(halekhu)
zij gingen
עִמִּ֔י
(imi)
met mij
לֹֽא
(lo)
niet
נִתֵּ֣ן
(niten)
zullen wij geven
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
מֵהַשָּׁלָ֖ל
(mehashalal)
van de buit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִצַּ֑לְנוּ
(hitsalnu)
wij hebben gered
כִּֽי
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּוֹ֙
(ishto)
zijn vrouw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
וְיִנְהֲג֖וּ
(veyinhagu)
laten zij wegdrijven
וְיֵלֵֽכוּ
(veyelekhu)
en laten zij gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23David zei: „Doe niet zo, mijn broeders, met wat Yahweh ons heeft gegeven. Hij heeft ons bewaard. Hij heeft de bende die tegen ons kwam, in onze hand gegeven.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֔ד
(david)
David
לֹֽא
(lo)
niet
תַעֲשׂ֥וּ
(taasu)
doe
כֵ֖ן
(ken)
zo
אֶחָ֑י
(echay)
mijn broeders
אֵ֠ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
נָתַ֨ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֨נוּ֙
(lanu)
ons
וַיִּשְׁמֹ֣ר
(vayishmor)
en Hij heeft bewaard
אֹתָ֔נוּ
(otanu)
ons
וַיִּתֵּ֗ן
(vayiten)
en Hij heeft gegeven
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַגְּד֛וּד
(hagedud)
de bende
הַבָּ֥א
(haba)
die kwam
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
tegen ons
בְּיָדֵֽנוּ
(beyadenu)
in onze hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Wie zou in deze zaak naar jullie luisteren? Want het deel van wie de strijd in is gegaan, is gelijk aan het deel van wie bij de bagage is gebleven. Zij zullen samen delen.”
וּמִי֙
(umi)
en wie
יִשְׁמַ֣ע
(yishma)
zal luisteren
לָכֶ֔ם
(lakhem)
naar jullie
לַדָּבָ֖ר
(ladavar)
in zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּ֞י
(ki)
want
כְּחֵ֣לֶק
(kecheleq)
zoals het deel van
הַיֹּרֵ֣ד
(hayored)
wie afdaalt
בַּמִּלְחָמָ֗ה
(bamilchama)
in de strijd
וּֽכְחֵ֛לֶק
(ukhecheleq)
en zoals het deel van
הַיֹּשֵׁ֥ב
(hayoshev)
wie blijft
עַל
(al)
bij
הַכֵּלִ֖ים
(hakelim)
de bagage
יַחְדָּ֥ו
(yachdav)
samen
יַחֲלֹֽקוּ
(yachaloqu)
zullen zij delen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֵּלִים (kelim), ‘bagage’: de spullen en uitrusting van het leger.
26David kwam in Siklag. Hij stuurde een deel van de buit aan de oudsten van Juda, zijn vrienden. Hij liet zeggen: „Zie, een zegen voor jullie uit de buit van de vijanden van Yahweh.”
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
דָוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
naar
צִ֣קְלַ֔ג
(tsiqlag)
Siklag
וַיְשַׁלַּ֧ח
(vayshalach)
en hij stuurde
מֵֽהַשָּׁלָ֛ל
(mehashalal)
van de buit
לְזִקְנֵ֥י
(leziqnei)
aan de oudsten van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לְרֵעֵ֣הוּ
(lereehu)
zijn vrienden
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
בְּרָכָ֔ה
(berakha)
een zegen
מִשְּׁלַ֖ל
(mishelal)
van de buit van
אֹיְבֵ֥י
(oyevei)
de vijanden van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Siklag (ligging onzeker): Siklag lag in de Negev.
Tel Sera en Tel Halif zijn voorgesteld; dit is niet zeker.
Uitleg
בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: hier een geschenk.
David noemt het ‘een zegen uit de buit van de vijanden van Yahweh’.