De hoofdman van Kapernaüm, de zoon van de weduwe in Naïn en de vrouw bij Simon de Farizeeër
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De knecht van de hoofdman over honderd
1Toen Hij al Zijn woorden in het gehoor van het volk had voltooid, ging Hij Kapernaüm binnen.
Ἐπειδὴ
(Epeide)
nadat
ἐπλήρωσεν
(eplerosen)
voltooide Hij
πάντα
(panta)
al
τὰ
(ta)
de
ῥήματα
(rhemata)
woorden
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἰς
(eis)
in
τὰς
(tas)
de
ἀκοὰς
(akoas)
oren
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
ging binnen
εἰς
(eis)
in
Καφαρναούμ
(Kapharnaoum)
Kapernaüm
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.
Uitleg
ἀκοή (akoe), ‘gehoor’: letterlijk ‘in de oren van het volk’.
Met ‘al Zijn woorden’ wordt de toespraak in Luc. 6:20–49 bedoeld.
2Een hoofdman over honderd had een knecht die ernstig ziek was en op het punt stond te sterven. Die was hem dierbaar.
Ἑκατοντάρχου
(Hekatontarchou)
van een hoofdman over honderd
δέ
(de)
maar
τινος
(tinos)
zekere
δοῦλος
(doulos)
knecht
κακῶς
(kakos)
ernstig
ἔχων
(echon)
zijnde
ἤμελλεν
(emellen)
stond op het punt
τελευτᾶν
(teleutan)
te sterven
ὃς
(hos)
die
ἦν
(en)
was
αὐτῷ
(auto)
hem
ἔντιμος
(entimos)
dierbaar
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἑκατοντάρχης (hekatontarches), ‘hoofdman over honderd’: een officier die ongeveer 100 soldaten onder zich had. δοῦλος (doulos), ‘knecht’: wij vertalen δοῦλος overal als ‘knecht’.
3Toen hij over Yeshua hoorde, zond hij oudsten van de Joden naar Hem toe met het verzoek te komen om zijn knecht te redden.
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
δὲ
(de)
maar
περὶ
(peri)
over
τοῦ
(tou)
(de)
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
πρεσβυτέρους
(presbyterous)
oudsten
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ἐρωτῶν
(eroton)
vragend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὅπως
(hopos)
opdat
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen zijnde
διασώσῃ
(diasose)
Hij zou redden
τὸν
(ton)
de
δοῦλον
(doulon)
knecht
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
πρεσβύτεροι τῶν Ἰουδαίων (presbyteroi ton Ioudaion), ‘oudsten van de Joden’: de leiders van de Joodse gemeenschap in de stad. διασώζω (diasozo), ‘redden’: een samengesteld werkwoord bij σῴζω (sozo), ‘redden’; het betekent ‘volledig redden, erdoorheen helpen’.
4Toen zij bij Yeshua gekomen waren, smeekten zij Hem dringend: „Hij is het waard dat U dit voor hem doet,
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
παραγενόμενοι
(paragenomenoi)
aangekomen
πρὸς
(pros)
bij
τὸν
(ton)
(de)
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
παρεκάλουν
(parekaloun)
smeekten
αὐτὸν
(auton)
Hem
σπουδαίως
(spoudaios)
dringend
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἄξιός
(Axios)
waard
ἐστιν
(estin)
is
ᾧ
(ho)
aan wie
παρέξῃ
(parexe)
U zult verlenen
τοῦτο
(touto)
dit
Bron: SBLGNT
5want hij heeft ons volk lief en hij heeft zelf de synagoge voor ons gebouwd.”
ἀγαπᾷ
(agapa)
hij heeft lief
γὰρ
(gar)
want
τὸ
(to)
het
ἔθνος
(ethnos)
volk
ἡμῶν
(hemon)
ons
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
συναγωγὴν
(synagogen)
synagoge
αὐτὸς
(autos)
hijzelf
ᾠκοδόμησεν
(okodomesen)
heeft gebouwd
ἡμῖν
(hemin)
voor ons
Bron: SBLGNT
6Yeshua ging met hen mee. Hij was al niet ver meer van het huis. Toen stuurde de hoofdman vrienden naar Hem toe met de woorden: „Heer, doe geen moeite. Want ik ben niet waardig dat U onder mijn dak komt.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐπορεύετο
(eporeueto)
ging
σὺν
(syn)
met
αὐτοῖς
(autois)
hen
ἤδη
(ede)
al
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
Hem
οὐ
(ou)
niet
μακρὰν
(makran)
ver
ἀπέχοντος
(apechontos)
afstaand
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
het
οἰκίας
(oikias)
huis
ἔπεμψεν
(epempsen)
stuurde
φίλους
(philous)
vrienden
ὁ
(ho)
de
ἑκατοντάρχης
(hekatontarches)
hoofdman over honderd
λέγων
(legon)
zeggend
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Κύριε
(Kyrie)
Heer
μὴ
(me)
niet
σκύλλου
(skyllou)
doe moeite
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἱκανός
(hikanos)
waardig
εἰμι
(eimi)
ik ben
ἵνα
(hina)
opdat
ὑπὸ
(hypo)
onder
τὴν
(ten)
het
στέγην
(stegen)
dak
μου
(mou)
mijn
εἰσέλθῃς
(eiselthes)
U binnenkomt
Bron: SBLGNT
Uitleg
Bij Lucas komt de hoofdman niet zelf maar stuurt hij vrienden; bij Matteüs spreekt hij zelf met Yeshua (Matt. 8:5–9). πέμπω (pempo) vertalen wij met ‘sturen’ en ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’, met ‘zenden’ (7:3, 7:20, 7:27). σκύλλω (skyllo), ‘lastigvallen’: ‘doe geen moeite’; hetzelfde werkwoord staat in 8:49 en Mark. 5:35. ἱκανός (hikanos), ‘waardig’: zoals in Matt. 8:8.
7Daarom heb ik mijzelf ook niet waardig geacht naar U toe te komen. Maar zeg het met een woord, en laat mijn knecht genezen worden.
διὸ
(dio)
daarom
οὐδὲ
(oude)
ook niet
ἐμαυτὸν
(emauton)
mijzelf
ἠξίωσα
(exiosa)
ik achtte waardig
πρὸς
(pros)
tot
σὲ
(se)
U
ἐλθεῖν
(elthein)
te komen
ἀλλὰ
(alla)
maar
εἰπὲ
(eipe)
zeg
λόγῳ
(logo)
met een woord
καὶ
(kai)
en
ἰαθήτω
(iatheto)
laat genezen worden
ὁ
(ho)
de
παῖς
(pais)
knecht
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀξιόω (axioo), ‘waardig achten’; vergelijk ἄξιος (axios), ‘waard’, in 7:4.
In 7:7 staat παῖς (pais), dat ‘kind’ of ‘knecht’ kan betekenen; dat vertalen wij hier als ‘knecht’.
8Want ook ik ben een man die onder gezag gesteld is, en ik heb soldaten onder mij. Ik zeg tegen de een: ‘Ga’, en hij gaat. Tegen een ander: ‘Kom’, en hij komt. En tegen mijn knecht: ‘Doe dit’, en hij doet het.”
καὶ
(kai)
ook
γὰρ
(gar)
want
ἐγὼ
(ego)
ik
ἄνθρωπός
(anthropos)
man
εἰμι
(eimi)
ben
ὑπὸ
(hypo)
onder
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
τασσόμενος
(tassomenos)
gesteld
ἔχων
(echon)
hebbend
ὑπ’
(hyp’)
onder
ἐμαυτὸν
(emauton)
mijzelf
στρατιώτας
(stratiotas)
soldaten
καὶ
(kai)
en
λέγω
(lego)
ik zeg
τούτῳ
(touto)
tot deze
Πορεύθητι
(Poreutheti)
ga
καὶ
(kai)
en
πορεύεται
(poreuetai)
hij gaat
καὶ
(kai)
en
ἄλλῳ
(allo)
tot een ander
Ἔρχου
(Erchou)
kom
καὶ
(kai)
en
ἔρχεται
(erchetai)
hij komt
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
tot de
δούλῳ
(doulo)
knecht
μου
(mou)
mijn
Ποίησον
(Poieson)
doe
τοῦτο
(touto)
dit
καὶ
(kai)
en
ποιεῖ
(poiei)
hij doet
Bron: SBLGNT
9Toen Yeshua dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem. Hij draaide Zich om naar de menigte die Hem volgde en zei: „Ik zeg jullie: zelfs in Israël heb Ik zo’n groot geloof niet gevonden.”
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
δὲ
(de)
maar
ταῦτα
(tauta)
dit
ὁ
(ho)
(de)
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐθαύμασεν
(ethaumasen)
verwonderde Zich
αὐτόν
(auton)
over hem
καὶ
(kai)
en
στραφεὶς
(strapheis)
omgedraaid
τῷ
(to)
tot de
ἀκολουθοῦντι
(akolouthounti)
volgende
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὄχλῳ
(ochlo)
menigte
εἶπεν
(eipen)
zei
Λέγω
(Lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
οὐδὲ
(oude)
zelfs niet
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
(de)
Ἰσραὴλ
(Israel)
Israël
τοσαύτην
(tosauten)
zo groot
πίστιν
(pistin)
geloof
εὗρον
(heuron)
Ik vond
Bron: SBLGNT
10Toen zij die gestuurd waren naar het huis terugkeerden, vonden zij de knecht gezond.
καὶ
(kai)
en
ὑποστρέψαντες
(hypostrepsantes)
teruggekeerd
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
οἱ
(hoi)
zij die
πεμφθέντες
(pemphthentes)
gestuurd waren
εὗρον
(heuron)
vonden
τὸν
(ton)
de
δοῦλον
(doulon)
knecht
ὑγιαίνοντα
(hygiainonta)
gezond zijnde
Bron: SBLGNT
De zoon van de weduwe in Naïn
11Daarna ging Hij naar een stad die Naïn heet. Zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee.
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ἑξῆς
(hexes)
volgende
ἐπορεύθη
(eporeuthe)
ging Hij
εἰς
(eis)
naar
πόλιν
(polin)
een stad
καλουμένην
(kaloumenen)
genoemd
Ναΐν
(Nain)
Naïn
καὶ
(kai)
en
συνεπορεύοντο
(syneporeuonto)
gingen mee
αὐτῷ
(auto)
met Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ὄχλος
(ochlos)
menigte
πολύς
(polys)
grote
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Naïn: Naïn (Nein) ligt in Neder-Galilea, aan de noordkant van de Moreh-heuvel, ten zuidoosten van Nazaret.
Lezing
In sommige handschriften staat ‘de volgende dag’ (τῇ ἑξῆς) in plaats van ‘daarna’ (ἐν τῷ ἑξῆς).
Wij volgen de SBLGNT.
12Toen Hij de poort van de stad naderde, zie: een dode werd naar buiten gedragen, de enige zoon van zijn moeder. Zij was een weduwe. Een flinke menigte uit de stad was bij haar.
ὡς
(hos)
toen
δὲ
(de)
maar
ἤγγισεν
(engisen)
Hij naderde
τῇ
(te)
de
πύλῃ
(pyle)
poort
τῆς
(tes)
van de
πόλεως
(poleos)
stad
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἐξεκομίζετο
(exekomizeto)
werd naar buiten gedragen
τεθνηκὼς
(tethnekos)
gestorven
μονογενὴς
(monogenes)
enige
υἱὸς
(huios)
zoon
τῇ
(te)
aan de
μητρὶ
(metri)
moeder
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
αὐτὴ
(aute)
zij
ἦν
(en)
was
χήρα
(chera)
weduwe
καὶ
(kai)
en
ὄχλος
(ochlos)
menigte
τῆς
(tes)
van de
πόλεως
(poleos)
stad
ἱκανὸς
(hikanos)
flinke
ἦν
(en)
was
σὺν
(syn)
met
αὐτῇ
(aute)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg
μονογενής (monogenes), ‘enige’: de enige zoon; zo ook in 8:42 en 9:38.
13Toen de Heer haar zag, had Hij medelijden met haar en zei tegen haar: „Huil niet.”
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziende
αὐτὴν
(auten)
haar
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
ἐσπλαγχνίσθη
(esplanchnisthe)
had medelijden
ἐπ’
(ep’)
met
αὐτῇ
(aute)
haar
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
Μὴ
(Me)
niet
κλαῖε
(klaie)
huil
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: Lucas noemt Yeshua in de verteltekst vaker zo (ook 7:19).
Het is een titel, geen citaat uit het Oude Testament; wij schrijven ‘de Heer’ met hoofdletter. σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden hebben’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, de plaats van diepe gevoelens.
14Hij kwam naar de baar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan. Hij zei: „Jongeman, Ik zeg je: sta op!”
καὶ
(kai)
en
προσελθὼν
(proselthon)
naderend
ἥψατο
(hepsato)
raakte aan
τῆς
(tes)
de
σοροῦ
(sorou)
baar
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
βαστάζοντες
(bastazontes)
dragenden
ἔστησαν
(estesan)
bleven staan
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
Νεανίσκε
(Neaniske)
jongeman
σοὶ
(soi)
tot jou
λέγω
(lego)
Ik zeg
ἐγέρθητι
(egertheti)
sta op
Bron: SBLGNT
Uitleg
σορός (soros), ‘baar’: een open draagbaar waarop de dode werd gedragen.
Wie een dode aanraakte, was zeven dagen onrein (Num. 19:11); Yeshua raakt de baar toch aan.
16Allen werden door vrees bevangen. Zij verheerlijkten Elohim en zeiden: „Een grote profeet is onder ons opgewekt”, en: „Elohim heeft Zijn volk bezocht.”
ἔλαβεν
(elaben)
nam
δὲ
(de)
maar
φόβος
(phobos)
vrees
πάντας
(pantas)
allen
καὶ
(kai)
en
ἐδόξαζον
(edoxazon)
verheerlijkten
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Προφήτης
(Prophetes)
profeet
μέγας
(megas)
grote
ἠγέρθη
(egerthe)
is opgewekt
ἐν
(en)
onder
ἡμῖν
(hemin)
ons
καὶ
(kai)
en
ὅτι
(hoti)
dat
Ἐπεσκέψατο
(Epeskepsato)
heeft bezocht
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
τὸν
(ton)
het
λαὸν
(laon)
volk
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐπισκέπτομαι (episkeptomai), ‘bezoeken’: iemand opzoeken om te helpen; vergelijk Exod. 4:31, ‘Yahweh de zonen van Israël had bezocht’. ἐγείρω (egeiro), ‘opwekken’: hetzelfde werkwoord staat in 7:22 voor het opwekken van doden.
19en stuurde hen naar de Heer met de vraag: „Bent U degene die komen zou, of moeten wij op een ander wachten?”
ἔπεμψεν
(epempsen)
stuurde
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
λέγων
(legon)
zeggend
Σὺ
(Sy)
U
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
ἐρχόμενος
(erchomenos)
komende
ἢ
(e)
of
ἄλλον
(allon)
een ander
προσδοκῶμεν
(prosdokomen)
wachten wij
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft bij ‘stuurde’ geen voorwerp; wij vullen ‘hen’ aan, de twee leerlingen uit vers 18. ὁ ἐρχόμενος (ho erchomenos), ‘degene die komt’: een aanduiding voor de beloofde die zou komen; vergelijk Ps. 118:26, ‘Gezegend is hij die komt in de naam van Yahweh’.
Wij vertalen ‘degene die komen zou’, zoals in Matt. 11:3.
20Toen de mannen bij Hem gekomen waren, zeiden zij: „Johannes de Doper heeft ons naar U gezonden. Hij zegt: ‘Bent U degene die komen zou, of moeten wij op een ander wachten?’”
παραγενόμενοι
(paragenomenoi)
aangekomen
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
bij
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
ἄνδρες
(andres)
mannen
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
ὁ
(ho)
de
βαπτιστὴς
(baptistes)
Doper
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
ἡμᾶς
(hemas)
ons
πρὸς
(pros)
naar
σὲ
(se)
U
λέγων
(legon)
zeggend
Σὺ
(Sy)
U
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
ἐρχόμενος
(erchomenos)
komende
ἢ
(e)
of
ἄλλον
(allon)
een ander
προσδοκῶμεν
(prosdokomen)
wachten wij
Bron: SBLGNT
21Op dat uur genas Hij velen van ziekten, kwalen en boze geesten, en aan veel blinden schonk Hij het zien.
ἐν
(en)
in
ἐκείνῃ
(ekeine)
dat
τῇ
(te)
het
ὥρᾳ
(hora)
uur
ἐθεράπευσεν
(etherapeusen)
genas Hij
πολλοὺς
(pollous)
velen
ἀπὸ
(apo)
van
νόσων
(noson)
ziekten
καὶ
(kai)
en
μαστίγων
(mastigon)
kwalen
καὶ
(kai)
en
πνευμάτων
(pneumaton)
geesten
πονηρῶν
(poneron)
boze
καὶ
(kai)
en
τυφλοῖς
(typhlois)
aan blinden
πολλοῖς
(pollois)
vele
ἐχαρίσατο
(echarisato)
schonk Hij
βλέπειν
(blepein)
te zien
Bron: SBLGNT
Uitleg
μάστιξ (mastix), ‘kwaal’: letterlijk ‘zweep’; zoals in Mark. 5:29. νόσος (nosos), ‘ziekte’. πνεῦμα πονηρόν (pneuma poneron), ‘boze geest’. ἐχαρίσατο (echarisato), ‘schonk’, van χαρίζομαι (charizomai), ‘uit genade schenken’; hetzelfde werkwoord staat in 7:42–43 voor ‘kwijtschelden’.
22Hij antwoordde en zei tegen hen: „Ga en vertel Johannes wat jullie gezien en gehoord hebben. Blinden zien weer, kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt, armen krijgen de goede boodschap gebracht.
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei Hij
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Πορευθέντες
(Poreuthentes)
gegaan zijnde
ἀπαγγείλατε
(apangeilate)
vertel
Ἰωάννῃ
(Ioanne)
aan Johannes
ἃ
(ha)
wat
εἴδετε
(eidete)
jullie zagen
καὶ
(kai)
en
ἠκούσατε
(ekousate)
jullie hoorden
τυφλοὶ
(typhloi)
blinden
ἀναβλέπουσιν
(anablepousin)
zien weer
χωλοὶ
(choloi)
kreupelen
περιπατοῦσιν
(peripatousin)
lopen
λεπροὶ
(leproi)
melaatsen
καθαρίζονται
(katharizontai)
worden gereinigd
κωφοὶ
(kophoi)
doven
ἀκούουσιν
(akouousin)
horen
νεκροὶ
(nekroi)
doden
ἐγείρονται
(egeirontai)
worden opgewekt
πτωχοὶ
(ptochoi)
armen
εὐαγγελίζονται
(euangelizontai)
krijgen de goede boodschap gebracht
Bron: SBLGNT
Uitleg
De opsomming doet denken aan Jes. 35:5–6, Jes. 29:18 en Jes. 61:1. λεπροί (lepri), ‘melaatsen’: mensen met de huidziekte uit Lev. 13–14. πτωχοί (ptochoi), ‘armen’: Jes. 61:1 heeft ‘nederigen’.
σκανδαλίζω (skandalizo), ‘laten struikelen’: iemand laten vallen of laten afvallen.
Wij vertalen het overal zo.
Yeshua over Johannes de Doper
24Toen de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tegen de menigten over Johannes te zeggen: „Wat zijn jullie naar de woestijn gegaan om te zien? Een riet dat door de wind heen en weer wordt geschud?
Ἀπελθόντων
(Apelthonton)
weggegaan zijnde
δὲ
(de)
maar
τῶν
(ton)
van de
ἀγγέλων
(angelon)
boden
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
ἤρξατο
(erxato)
begon Hij
λέγειν
(legein)
te zeggen
πρὸς
(pros)
tot
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
περὶ
(peri)
over
Ἰωάννου
(Ioannou)
Johannes
Τί
(Ti)
wat
ἐξήλθατε
(exelthate)
zijn jullie uitgegaan
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
ἔρημον
(eremon)
woestijn
θεάσασθαι
(theasasthai)
om te zien
κάλαμον
(kalamon)
riet
ὑπὸ
(hypo)
door
ἀνέμου
(anemou)
wind
σαλευόμενον
(saleuomenon)
geschud wordend
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἄγγελος (angelos) kan ‘bode’ of ‘engel’ betekenen.
Wij schrijven ‘boden’ voor mensen die een boodschap overbrengen (hier en in 9:52) en ‘engel’ voor hemelse wezens.
28Ik zeg jullie: onder wie door vrouwen geboren zijn, is niemand groter dan Johannes. Maar de kleinste in het koninkrijk van Elohim is groter dan hij.”
29Heel het volk dat het hoorde, en ook de tollenaars, verklaarden Elohim rechtvaardig. Zij waren gedoopt met de doop van Johannes.
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
heel
ὁ
(ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
τελῶναι
(telonai)
tollenaars
ἐδικαίωσαν
(edikaiosan)
verklaarden rechtvaardig
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
βαπτισθέντες
(baptisthentes)
gedoopt zijnde
τὸ
(to)
de
βάπτισμα
(baptisma)
doop
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
Bron: SBLGNT
Uitleg
Wij lezen 7:29–30 als opmerking van Lucas, niet als woorden van Yeshua; Zijn woorden lopen door in vers 31. δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’: het volk erkent dat Elohim rechtvaardig is.
Hetzelfde werkwoord staat in vers 35 voor de wijsheid, die ‘gerechtvaardigd’ wordt. βάπτισμα (baptisma), ‘doop’.
30Maar de Farizeeën en de wetgeleerden wezen het plan van Elohim voor zichzelf af. Zij hadden zich niet door hem laten dopen.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
νομικοὶ
(nomikoi)
wetgeleerden
τὴν
(ten)
het
βουλὴν
(boulen)
plan
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἠθέτησαν
(ethetesan)
wezen af
εἰς
(eis)
voor
ἑαυτούς
(heautous)
zichzelf
μὴ
(me)
niet
βαπτισθέντες
(baptisthentes)
gedoopt zijnde
ὑπ’
(hyp’)
door
αὐτοῦ
(autou)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
νομικός (nomikos), ‘wetgeleerde’: iemand die de wet van Mozes kent en uitlegt; zie Matt. 22:35. βουλή (boule), ‘plan’: ook ‘raad’ of ‘wil’. εἰς ἑαυτούς (eis heautous), ‘voor zichzelf’: ook ‘ten nadele van zichzelf’.
32Zij zijn gelijk aan kinderen die op de markt zitten en elkaar toeroepen en zeggen: ‘Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld. En jullie hebben niet gedanst. Wij hebben een klaaglied gezongen. En jullie hebben niet gehuild.’
ὅμοιοί
(homoioi)
gelijk
εἰσιν
(eisin)
zijn zij
παιδίοις
(paidiois)
aan kinderen
τοῖς
(tois)
die
ἐν
(en)
op
ἀγορᾷ
(agora)
markt
καθημένοις
(kathemenois)
zitten
καὶ
(kai)
en
προσφωνοῦσιν
(prosphonousin)
toeroepen
ἀλλήλοις
(allelois)
elkaar
ἃ
(ha)
wat
λέγει
(legei)
zegt
Ηὐλήσαμεν
(Eylesamen)
wij speelden fluit
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ὠρχήσασθε
(orchesasthe)
jullie dansten
ἐθρηνήσαμεν
(ethrenesamen)
wij zongen een klaaglied
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἐκλαύσατε
(eklausate)
jullie huilden
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft ‘en elkaar toeroepen wat hij zegt’ (ἃ λέγει, ha legei); wij schrijven ‘en zeggen’. ἀγορά (agora), ‘markt’: het plein in de stad waar men samenkwam. θρηνέω (threneo), ‘een klaaglied zingen’: een lied bij een begrafenis.
33Want Johannes de Doper is gekomen: hij at geen brood en dronk geen wijn, en jullie zeggen: ‘Hij heeft een demon.’
ἐλήλυθεν
(elelythen)
is gekomen
γὰρ
(gar)
want
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
ὁ
(ho)
de
βαπτιστὴς
(baptistes)
Doper
μὴ
(me)
niet
ἐσθίων
(esthion)
etend
ἄρτον
(arton)
brood
μήτε
(mete)
noch
πίνων
(pinon)
drinkend
οἶνον
(oinon)
wijn
καὶ
(kai)
en
λέγετε
(legete)
jullie zeggen
Δαιμόνιον
(Daimonion)
demon
ἔχει
(echei)
hij heeft
Bron: SBLGNT
34De Mensenzoon is gekomen: Hij at en dronk, en jullie zeggen: ‘Zie, een mens, een veelvraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaars en zondaars!’
37En zie: een vrouw die in de stad een zondares was. Toen zij vernam dat Hij in het huis van de Farizeeër aanlag, bracht zij een albasten flesje met zalfolie.
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἥτις
(hetis)
die
ἦν
(en)
was
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πόλει
(polei)
stad
ἁμαρτωλός
(hamartolos)
zondares
καὶ
(kai)
en
ἐπιγνοῦσα
(epignousa)
vernomen hebbend
ὅτι
(hoti)
dat
κατάκειται
(katakeitai)
Hij aanligt
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
τοῦ
(tou)
van de
Φαρισαίου
(Pharisaiou)
Farizeeër
κομίσασα
(komisasa)
brengend
ἀλάβαστρον
(alabastron)
albasten flesje
μύρου
(myrou)
met zalfolie
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀλάβαστρον (alabastron), ‘albasten flesje’: een flesje van albast, een zachte witte steen, voor kostbare olie. μύρον (myron), ‘zalfolie’: geurige olie. ἁμαρτωλός (hamartolos), ‘zondares’: een vrouw die in de stad als zondares bekendstond; wat haar zonde was, zegt de tekst niet.
Vergelijk de zalving in Betanië: Matt. 26:6–13; Mark. 14:3–9; Joh. 12:1–8.
38Zij ging achter Hem bij Zijn voeten staan. Huilend begon zij Zijn voeten met tranen nat te maken. Zij veegde ze af met de haren van haar hoofd, kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalfolie.
καὶ
(kai)
en
στᾶσα
(stasa)
gaan staan
ὀπίσω
(opiso)
achter
παρὰ
(para)
bij
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
κλαίουσα
(klaiousa)
huilend
τοῖς
(tois)
met de
δάκρυσιν
(dakrysin)
tranen
ἤρξατο
(erxato)
begon zij
βρέχειν
(brechein)
nat te maken
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ταῖς
(tais)
met de
θριξὶν
(thrixin)
haren
τῆς
(tes)
van het
κεφαλῆς
(kephales)
hoofd
αὐτῆς
(autes)
haar
ἐξέμασσεν
(exemassen)
veegde af
καὶ
(kai)
en
κατεφίλει
(katephilei)
kuste
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἤλειφεν
(eleiphen)
zalfde
τῷ
(to)
met de
μύρῳ
(myro)
zalfolie
Bron: SBLGNT
39Toen de Farizeeër die Hem had uitgenodigd dit zag, zei hij bij zichzelf: „Als deze een profeet was, zou Hij weten wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt. Zij is een zondares.”
ἰδὼν
(idon)
ziende
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Φαρισαῖος
(Pharisaios)
Farizeeër
ὁ
(ho)
die
καλέσας
(kalesas)
uitgenodigd had
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἶπεν
(eipen)
zei
ἐν
(en)
bij
ἑαυτῷ
(heauto)
zichzelf
λέγων
(legon)
zeggend
Οὗτος
(Houtos)
deze
εἰ
(ei)
als
ἦν
(en)
was
προφήτης
(prophetes)
profeet
ἐγίνωσκεν
(eginosken)
zou weten
ἂν
(an)
zou
τίς
(tis)
wie
καὶ
(kai)
en
ποταπὴ
(potape)
wat voor
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἥτις
(hetis)
die
ἅπτεται
(haptetai)
aanraakt
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ὅτι
(hoti)
dat
ἁμαρτωλός
(hamartolos)
zondares
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
40Yeshua antwoordde en zei tegen hem: „Simon, Ik heb je iets te zeggen.” Simon zei: „Leraar, zeg het.”
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
ὁ
(ho)
(de)
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tot
αὐτόν
(auton)
hem
Σίμων
(Simon)
Simon
ἔχω
(echo)
Ik heb
σοί
(soi)
voor jou
τι
(ti)
iets
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
ὁ
(ho)
hij
δέ
(de)
maar
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
εἰπέ
(eipe)
zeg
φησίν
(phesin)
zegt hij
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft ‘maar hij’ (ὁ δέ); wij schrijven ‘Simon’.
Yeshua noemt de Farizeeër bij zijn naam; zie ook 7:43–44.
41„Twee schuldenaars hadden een geldschieter. De een was 500 denarie schuldig, de ander 50.
δύο
(dyo)
twee
χρεοφειλέται
(chreopheiletai)
schuldenaren
ἦσαν
(esan)
waren
δανιστῇ
(daniste)
aan een geldschieter
τινι
(tini)
zekere
ὁ
(ho)
de
εἷς
(heis)
een
ὤφειλεν
(opheilen)
was schuldig
δηνάρια
(denaria)
denarie
πεντακόσια
(pentakosia)
500
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἕτερος
(heteros)
ander
πεντήκοντα
(pentekonta)
50
Bron: SBLGNT
Uitleg
δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 500 denarie is dus ongeveer het loon van 500 werkdagen en 50 denarie dat van 50 werkdagen. δανιστής (danistes), ‘geldschieter’; χρεοφειλέτης (chreopheiletes), ‘schuldenaar’.
42Omdat zij niets hadden om terug te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Wie van hen zal hem dan meer liefhebben?”
Het Grieks noemt bij ‘schold … kwijt’ geen voorwerp; wij schrijven ‘het’.
43Simon antwoordde: „Ik neem aan dat het degene is aan wie hij het meeste heeft kwijtgescholden.” Hij zei tegen hem: „Je hebt juist geoordeeld.”
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
Σίμων
(Simon)
Simon
εἶπεν
(eipen)
zei
Ὑπολαμβάνω
(Hypolambano)
Ik neem aan
ὅτι
(hoti)
dat
ᾧ
(ho)
aan wie
τὸ
(to)
het
πλεῖον
(pleion)
meeste
ἐχαρίσατο
(echarisato)
hij kwijtschold
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Ὀρθῶς
(Orthos)
juist
ἔκρινας
(ekrinas)
je oordeelde
Bron: SBLGNT
44Hij draaide Zich om naar de vrouw en zei tegen Simon: „Zie je deze vrouw? Ik kwam in je huis, en je hebt Mij geen water voor Mijn voeten gegeven. Maar zij heeft Mijn voeten met haar tranen nat gemaakt en met haar haren afgeveegd.
καὶ
(kai)
en
στραφεὶς
(strapheis)
omgedraaid
πρὸς
(pros)
naar
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
τῷ
(to)
aan de
Σίμωνι
(Simoni)
Simon
ἔφη
(ephe)
zei Hij
Βλέπεις
(Blepeis)
zie je
ταύτην
(tauten)
deze
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
εἰσῆλθόν
(eiselthon)
Ik kwam binnen
σου
(sou)
van jou
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
ὕδωρ
(hydor)
water
μοι
(moi)
aan Mij
ἐπὶ
(epi)
voor
πόδας
(podas)
voeten
οὐκ
(ouk)
niet
ἔδωκας
(edokas)
gaf je
αὕτη
(haute)
zij
δὲ
(de)
maar
τοῖς
(tois)
met de
δάκρυσιν
(dakrysin)
tranen
ἔβρεξέν
(ebrexen)
maakte nat
μου
(mou)
Mijn
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
καὶ
(kai)
en
ταῖς
(tais)
met de
θριξὶν
(thrixin)
haren
αὐτῆς
(autes)
haar
ἐξέμαξεν
(exemaxen)
veegde af
Bron: SBLGNT
Uitleg
Water voor de voeten, een kus en olie voor het hoofd waren gebruikelijke tekenen van gastvrijheid.
45Je hebt Mij geen kus gegeven. Maar zij is, sinds Ik binnenkwam, niet opgehouden Mijn voeten te kussen.
φίλημά
(philema)
kus
μοι
(moi)
aan Mij
οὐκ
(ouk)
niet
ἔδωκας
(edokas)
gaf je
αὕτη
(haute)
zij
δὲ
(de)
maar
ἀφ’
(aph’)
sinds
ἧς
(hes)
welke
εἰσῆλθον
(eiselthon)
Ik binnenkwam
οὐ
(ou)
niet
διέλιπεν
(dielipen)
is opgehouden
καταφιλοῦσά
(kataphilousa)
kussend
μου
(mou)
Mijn
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
Bron: SBLGNT
46Je hebt Mijn hoofd niet met olie gezalfd. Maar zij heeft Mijn voeten met zalfolie gezalfd.
ἐλαίῳ
(elaio)
met olie
τὴν
(ten)
het
κεφαλήν
(kephalen)
hoofd
μου
(mou)
Mijn
οὐκ
(ouk)
niet
ἤλειψας
(eleipsas)
zalfde je
αὕτη
(haute)
zij
δὲ
(de)
maar
μύρῳ
(myro)
met zalfolie
ἤλειψεν
(eleipsen)
zalfde
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
47Daarom zeg Ik je: haar zonden, die vele, zijn vergeven, want zij heeft veel liefgehad. Maar wie weinig vergeven wordt, heeft weinig lief.”
οὗ
(hou)
om welke
χάριν
(charin)
reden
λέγω
(lego)
Ik zeg
σοι
(soi)
aan je
ἀφέωνται
(apheontai)
zijn vergeven
αἱ
(hai)
de
ἁμαρτίαι
(hamartiai)
zonden
αὐτῆς
(autes)
haar
αἱ
(hai)
de
πολλαί
(pollai)
vele
ὅτι
(hoti)
want
ἠγάπησεν
(egapesen)
zij heeft liefgehad
πολύ
(poly)
veel
ᾧ
(ho)
aan wie
δὲ
(de)
maar
ὀλίγον
(oligon)
weinig
ἀφίεται
(aphietai)
wordt vergeven
ὀλίγον
(oligon)
weinig
ἀγαπᾷ
(agapa)
heeft lief
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀφέωνται (apheontai), ‘zijn vergeven’: van ἀφίημι (aphiemi), ‘vergeven, laten gaan’. ὅτι (hoti), ‘want’: het woord kan ook ‘zoals blijkt doordat’ betekenen; het Grieks laat open of de liefde de oorzaak of het teken van de vergeving is.
Wij schrijven ‘want’.
48Hij zei tegen haar: „Je zonden zijn vergeven.”
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
δὲ
(de)
maar
αὐτῇ
(aute)
tot haar
Ἀφέωνταί
(Apheontai)
zijn vergeven
σου
(sou)
je
αἱ
(hai)
de
ἁμαρτίαι
(hamartiai)
zonden
Bron: SBLGNT
49De tafelgenoten begonnen onder elkaar te zeggen: „Wie is Hij, dat Hij zelfs zonden vergeeft?”
καὶ
(kai)
en
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
οἱ
(hoi)
de
συνανακείμενοι
(synanakeimenoi)
tafelgenoten
λέγειν
(legein)
te zeggen
ἐν
(en)
onder
ἑαυτοῖς
(heautois)
zichzelf
Τίς
(Tis)
wie
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὃς
(hos)
die
καὶ
(kai)
zelfs
ἁμαρτίας
(hamartias)
zonden
ἀφίησιν
(aphiesin)
vergeeft
Bron: SBLGNT
Uitleg
Vergelijk Jes. 43:25, waar Yahweh zegt: ‘Ik, Ik ben Hij die je overtredingen uitwist’, en Ps. 103:3, ‘Hij vergeeft al je schuld’.