Elohim Bijbel

Exodus 5

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

Mozes en Aäron bij de farao: meer lasten voor Israël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Mozes en Aäron bij de farao

1Daarna kwamen Mozes en Aäron bij de farao en zeiden: „Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: ‘Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij in de woestijn een feest vieren.’”
וְאַחַ֗ר
(veachar)
en daarna
בָּ֚אוּ
(bau)
kwamen
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֔ן
(veaharon)
en Aäron
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שַׁלַּח֙
(shalach)
laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
וְיָחֹ֥גּוּ
(veyachogu)
opdat zij een feest vieren
לִ֖י
(li)
voor Mij
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de eerste ontmoeting met de farao.

Mozes en Aäron spreken Yahweh’s woorden uit zoals een boodschapper: ‘Zo zegt Yahweh’.

De vraag is een ‘feest’ (חָגַג, chagag), een pelgrimstocht voor Yahweh; dit is hetzelfde woord als in 10:9 en 12:14.

2De farao zei: „Wie is Yahweh, dat ik naar Zijn stem zou luisteren en Israël zou laten gaan? Ik ken Yahweh niet, en Israël laat ik ook niet gaan.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
מִ֤י
(mi)
wie
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֶשְׁמַ֣ע
(eshma)
ik zou luisteren
בְּקֹל֔וֹ
(beqolo)
naar Zijn stem
לְשַׁלַּ֖ח
(leshalach)
om te laten gaan
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לֹ֤א
(lo)
niet
יָדַ֨עְתִּי֙
(yadati)
ken ik
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
אֲשַׁלֵּֽחַ
(ashaleach)
zal ik laten gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De farao kent Yahweh niet en wil Hem niet gehoorzamen.

Het hele verhaal tot 15:21 laat hem Yahweh leren kennen (7:5, 17; 8:6, 18; 9:14, 29; 14:4, 18).

3Zij zeiden: „Elohim van de Hebreeën heeft ons ontmoet. Laat ons toch een reis van drie dagen de woestijn in gaan om aan Yahweh, onze Elohim, te offeren, opdat Hij ons niet treft met pest of met het zwaard.”
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden zij
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
הָעִבְרִ֖ים
(haivrim)
de Hebreeën
נִקְרָ֣א
(niqra)
heeft zich laten ontmoeten
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
met ons
נֵ֣לֲכָה
(nelakha)
laten wij gaan
נָּ֡א
(na)
toch
דֶּרֶךְ֩
(derekh)
een weg van
שְׁלֹ֨שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֜ים
(yamim)
dagen
בַּמִּדְבָּ֗ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְנִזְבְּחָה֙
(venizbecha)
en laten wij offeren
לַֽיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
פֶּ֨ן
(pen)
opdat niet
יִפְגָּעֵ֔נוּ
(yifgaenu)
Hij ons treft
בַּדֶּ֖בֶר
(badever)
met pest
א֥וֹ
(o)
of
בֶחָֽרֶב
(becharev)
met het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Hebreeën zeggen hier ‘Elohim van de Hebreeën’, een naam die een buitenstaander verstaat.

Zie 3:18 en 7:16.

4De koning van Egypte zei tot hen: „Mozes en Aäron, waarom houden jullie het volk van zijn werk af? Ga aan jullie lasten!”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לָ֚מָּה
(lama)
waarom
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֔ן
(veaharon)
en Aäron
תַּפְרִ֥יעוּ
(tafriu)
houden jullie af
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מִמַּֽעֲשָׂ֑יו
(mimaasav)
van zijn werk
לְכ֖וּ
(lekhu)
gaat
לְסִבְלֹתֵיכֶֽם
(lesivloteikhem)
naar jullie lasten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

5De farao zei: „Zie, het volk van het land is nu talrijk, en jullie laten hen ophouden met hun lasten!”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
הֵן
(hen)
zie
רַבִּ֥ים
(rabim)
talrijk
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְהִשְׁבַּתֶּ֥ם
(vehishbatem)
en jullie laten ophouden
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
מִסִּבְלֹתָֽם
(misivlotam)
van hun lasten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Geen stro meer voor de tichelstenen

6Diezelfde dag gaf de farao de drijvers van het volk en zijn opzichters dit bevel:
וַיְצַ֥ו
(vaytsav)
en gebood
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֹּגְשִׂ֣ים
(hanogesim)
de drijvers
בָּעָ֔ם
(baam)
over het volk
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שֹׁטְרָ֖יו
(shoterav)
zijn opzichters
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘drijvers’ (נֹגְשִׂים, nogsim) zijn Egyptenaren; de ‘opzichters’ (שֹׁטְרִים, shoterim) zijn Israëlieten die onder hen zijn aangesteld (vers 14).

Aanvullend

Jasher 65:13, 26–31 beschrijft eerder hoe drijvers over Israël werden gesteld.

7„Jullie mogen het volk niet langer stro geven om tichelstenen te maken, zoals gisteren en eergisteren. Laat hen zelf gaan en stro verzamelen.
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאסִפ֞וּן
(tosifun)
jullie moeten voortaan
לָתֵ֨ת
(latet)
geven
תֶּ֧בֶן
(teven)
stro
לָעָ֛ם
(laam)
aan het volk
לִלְבֹּ֥ן
(lilbon)
om te maken
הַלְּבֵנִ֖ים
(halevenim)
de tichelstenen
כִּתְמ֣וֹל
(kitmol)
zoals gisteren
שִׁלְשֹׁ֑ם
(shilshom)
eergisteren
הֵ֚ם
(hem)
zij
יֵֽלְכ֔וּ
(yelekhu)
laat hen gaan
וְקֹשְׁשׁ֥וּ
(veqosheshu)
en verzamelen
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor zichzelf
תֶּֽבֶן
(teven)
stro
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Tichelstenen waren van leem, vermengd met gehakseld stro of stoppels, en werden in de zon gedroogd.

Als het stro niet meer geleverd werd, moest het volk het zelf zoeken.

8Maar het aantal tichelstenen dat zij gisteren en eergisteren maakten, moeten jullie hun opleggen; verminder daar niets van. Want zij zijn lui; daarom roepen zij: ‘Laat ons gaan, laat ons offeren aan onze Elohim.’
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַתְכֹּ֨נֶת
(matkonet)
het aantal van
הַלְּבֵנִ֜ים
(halevenim)
de tichelstenen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֵם֩
(hem)
zij
עֹשִׂ֨ים
(osim)
maakten
תְּמ֤וֹל
(temol)
gisteren
שִׁלְשֹׁם֙
(shilshom)
eergisteren
תָּשִׂ֣ימוּ
(tasimu)
leg
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
op hen
לֹ֥א
(lo)
niet
תִגְרְע֖וּ
(tigreu)
verminder
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
ervan
כִּֽי
(ki)
want
נִרְפִּ֣ים
(nirpim)
lui zijn
הֵ֔ם
(hem)
zij
עַל
(al)
op
כֵּ֗ן
(ken)
zo
הֵ֤ם
(hem)
zij
צֹֽעֲקִים֙
(tsoaqim)
roepen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
נֵלְכָ֖ה
(nelekha)
laten wij gaan
נִזְבְּחָ֥ה
(nizbecha)
laten wij offeren
לֵאלֹהֵֽינוּ
(leloheinu)
aan onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookPs 106:41
9Laat het werk zwaarder op de mannen drukken, zodat zij daarmee bezig zijn en niet letten op leugenachtige woorden.”
תִּכְבַּ֧ד
(tikhbad)
laat zwaar zijn
הָעֲבֹדָ֛ה
(haavoda)
het werk
עַל
(al)
op
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
וְיַעֲשׂוּ
(veyaasu)
en laat hen bezig zijn
בָ֑הּ
(bah)
daarmee
וְאַל
(veal)
en niet
יִשְׁע֖וּ
(yishu)
laat hen letten
בְּדִבְרֵי
(bedivrei)
op woorden van
שָֽׁקֶר
(shaqer)
leugen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het volk wordt nu ‘de mannen’ (אֲנָשִׁים, anashim) genoemd.

‘Leugenachtige woorden’ zijn de woorden van Mozes en Aäron, in de ogen van de farao.

10De drijvers van het volk en zijn opzichters gingen uit en zeiden tot het volk: „Zo zegt de farao: ‘Ik geef jullie geen stro meer.
וַיֵּ֨צְא֜וּ
(vayetseu)
en gingen uit
נֹגְשֵׂ֤י
(nogesei)
de drijvers van
הָעָם֙
(haam)
het volk
וְשֹׁ֣טְרָ֔יו
(veshoterav)
en zijn opzichters
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
אֵינֶ֛נִּי
(eineni)
ik ben niet
נֹתֵ֥ן
(noten)
gevend
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
תֶּֽבֶן
(teven)
stro
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Gaan jullie zelf stro zoeken waar jullie het vinden, want er wordt niets van jullie werk verminderd.’”
אַתֶּ֗ם
(atem)
jullie
לְכ֨וּ
(lekhu)
ga
קְח֤וּ
(qechu)
neem
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
תֶּ֔בֶן
(teven)
stro
מֵאֲשֶׁ֖ר
(measher)
waar
תִּמְצָ֑אוּ
(timtsau)
jullie het vinden
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niets
נִגְרָ֛ע
(nigra)
wordt verminderd
מֵעֲבֹדַתְכֶ֖ם
(meavodatkhem)
van jullie werk
דָּבָֽר
(davar)
iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Het volk verspreidde zich over heel het land Egypte om stoppels te verzamelen als stro.
וַיָּ֥פֶץ
(vayafets)
en verspreidde zich
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְקֹשֵׁ֥שׁ
(leqoshesh)
om te verzamelen
קַ֖שׁ
(qash)
stoppels
לַתֶּֽבֶן
(lateven)
als stro
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

13De drijvers drongen aan en zeiden: „Maak jullie werk af, elke dag zoveel als toen er stro was.”
וְהַנֹּגְשִׂ֖ים
(vehanogesim)
en de drijvers
אָצִ֣ים
(atsim)
drongen aan
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כַּלּ֤וּ
(kalu)
voltooi
מַעֲשֵׂיכֶם֙
(maaseikhem)
jullie werk
דְּבַר
(devar)
de hoeveelheid van
י֣וֹם
(yom)
een dag
בְּיוֹמ֔וֹ
(beyomo)
op zijn dag
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
בִּהְי֥וֹת
(bihyot)
toen was
הַתֶּֽבֶן
(hateven)
het stro
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De opzichters van de zonen van Israël, die de drijvers van de farao over hen hadden aangesteld, werden geslagen. Men zei: „Waarom hebben jullie jullie vastgestelde aantal tichelstenen gisteren en vandaag niet gemaakt, zoals eerder?”
וַיֻּכּ֗וּ
(vayuku)
en werden geslagen
שֹֽׁטְרֵי֙
(shoterei)
de opzichters van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׂ֣מוּ
(samu)
hadden aangesteld
עֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
over hen
נֹגְשֵׂ֥י
(nogesei)
de drijvers van
פַרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מַדּ֡וּעַ
(madua)
waarom
לֹא֩
(lo)
niet
כִלִּיתֶ֨ם
(kilitem)
hebben jullie voltooid
חָקְכֶ֤ם
(chaqekhem)
jullie vastgestelde deel
לִלְבֹּן֙
(lilbon)
voor tichelstenen
כִּתְמ֣וֹל
(kitmol)
zoals gisteren
שִׁלְשֹׁ֔ם
(shilshom)
eergisteren
גַּם
(gam)
ook
תְּמ֖וֹל
(temol)
gisteren
גַּם
(gam)
ook
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De opzichters van Israël worden geslagen voor wat de drijvers niet kunnen afdwingen: de Israëlitische leiders delen in de straf van hun volk.

Zie ookJes 10:24

De opzichters bij de farao

15De opzichters van de zonen van Israël kwamen en riepen tot de farao: „Waarom doet u zo met uw dienaren?
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en kwamen
שֹֽׁטְרֵי֙
(shoterei)
de opzichters van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּצְעֲק֥וּ
(vayitsaqu)
en riepen
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לָ֧מָּה
(lama)
waarom
תַעֲשֶׂ֦ה
(taase)
doet u
כֹ֖ה
(ko)
zo
לַעֲבָדֶֽיךָ
(laavadeikha)
met uw dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Er wordt uw dienaren geen stro gegeven, maar men zegt tot ons: ‘Maak tichelstenen!’ En zie, uw dienaren worden geslagen, terwijl de schuld bij uw eigen volk ligt.”
תֶּ֗בֶן
(teven)
stro
אֵ֤ין
(ein)
niet
נִתָּן֙
(nitan)
wordt gegeven
לַעֲבָדֶ֔יךָ
(laavadeikha)
aan uw dienaren
וּלְבֵנִ֛ים
(ulevenim)
en tichelstenen
אֹמְרִ֥ים
(omerim)
zeggen zij
לָ֖נוּ
(lanu)
tegen ons
עֲשׂ֑וּ
(asu)
maak
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
עֲבָדֶ֛יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
מֻכִּ֖ים
(mukim)
worden geslagen
וְחָטָ֥את
(vechatat)
en schuldig is
עַמֶּֽךָ
(amekha)
uw volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וְחָטָאת עַמֶּךָ (vechatat ammekha) is letterlijk ‘en zonde/schuld uw volk’; de vorm is onzeker.

Wij lezen: ‘de schuld ligt bij uw volk’, dat wil zeggen bij de Egyptische drijvers.

De Griekse vertaling heeft hier ‘u zult uw volk onrecht doen’.

17Hij zei: „Lui zijn jullie, lui! Daarom zeggen jullie: ‘Laat ons gaan, laat ons aan Yahweh offeren.’
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
נִרְפִּ֥ים
(nirpim)
lui
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie zijn
נִרְפִּ֑ים
(nirpim)
lui
עַל
(al)
op
כֵּן֙
(ken)
zo
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
אֹֽמְרִ֔ים
(omerim)
zeggen
נֵלְכָ֖ה
(nelekha)
laten wij gaan
נִזְבְּחָ֥ה
(nizbecha)
laten wij offeren
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Ga nu aan het werk. Stro wordt jullie niet gegeven, maar het aantal tichelstenen moeten jullie leveren.”
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
לְכ֣וּ
(lekhu)
ga
עִבְד֔וּ
(ivdu)
werk
וְתֶ֖בֶן
(veteven)
en stro
לֹא
(lo)
niet
יִנָּתֵ֣ן
(yinaten)
wordt gegeven
לָכֶ֑ם
(lakhem)
aan jullie
וְתֹ֥כֶן
(vetokhen)
en het aantal van
לְבֵנִ֖ים
(levenim)
tichelstenen
תִּתֵּֽנּוּ
(titenu)
zullen jullie leveren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De opzichters van de zonen van Israël zagen dat zij in het nauw zaten, toen er gezegd werd: „Jullie mogen niets verminderen van jullie tichelstenen, elke dag zoveel als bepaald is.”
וַיִּרְא֞וּ
(vayiru)
en zagen
שֹֽׁטְרֵ֧י
(shoterei)
de opzichters van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֹתָ֖ם
(otam)
zichzelf
בְּרָ֣ע
(bera)
in kwaad
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
תִגְרְע֥וּ
(tigreu)
zullen jullie verminderen
מִלִּבְנֵיכֶ֖ם
(milivneikhem)
van jullie tichelstenen
דְּבַר
(devar)
de hoeveelheid van
י֥וֹם
(yom)
een dag
בְּיוֹמֽוֹ
(beyomo)
op zijn dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Toen zij van de farao kwamen, ontmoetten zij Mozes en Aäron, die hen opwachtten.
וַֽיִּפְגְּעוּ֙
(vayifgeu)
en ontmoetten
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
נִצָּבִ֖ים
(nitsavim)
staande
לִקְרָאתָ֑ם
(liqratam)
hen tegemoet
בְּצֵאתָ֖ם
(betsetam)
toen zij uitgingen
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
פַּרְעֹֽה
(paro)
de farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Zij zeiden tot hen: „Moge Yahweh op jullie neerzien en oordelen. Want jullie hebben ons in een kwade reuk gebracht bij de farao en zijn dienaren en hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
יֵ֧רֶא
(yere)
moge zien
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
op jullie
וְיִשְׁפֹּ֑ט
(veyishpot)
en richten
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
omdat
הִבְאַשְׁתֶּ֣ם
(hivashtem)
jullie hebben laten stinken
אֶת
(et)
(obj.)
רֵיחֵ֗נוּ
(reichenu)
onze geur
בְּעֵינֵ֤י
(beeinei)
in de ogen van
פַרְעֹה֙
(paro)
de farao
וּבְעֵינֵ֣י
(uveeinei)
en in de ogen van
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
לָֽתֶת
(latet)
om te geven
חֶ֥רֶב
(cherev)
een zwaard
בְּיָדָ֖ם
(beyadam)
in hun hand
לְהָרְגֵֽנוּ
(leharegenu)
om ons te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Een kwade reuk’ (הִבְאַשְׁתֶּם אֶת־רֵיחֵנוּ, hiv’ashtem et-reichenu) is letterlijk ‘jullie hebben onze geur laten stinken’, een uitdrukking voor in diskrediet brengen (1 Sam. 13:4; 27:12).

Mozes klaagt bij Yahweh

22Mozes keerde terug naar Yahweh en zei: „Mijn Heer, waarom hebt U dit volk kwaad gedaan? Waarom hebt U mij gezonden?
וַיָּ֧שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
mijn Heer
לָמָ֤ה
(lama)
waarom
הֲרֵעֹ֨תָה֙
(hareota)
hebt U kwaad gedaan
לָעָ֣ם
(laam)
aan het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֖ה
(ze)
dit
שְׁלַחְתָּֽנִי
(shelachtani)
hebt U mij gezonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, is hoe Mozes Yahweh aanspreekt.

Mozes keert terug naar Yahweh, en zijn klacht is die van Jeremia (Jer. 15:15–18) en van de psalmen: waarom laat U toe dat Uw volk lijdt?

Dezelfde vraag stelt Mozes in Num. 11:11–15.

23Sinds ik bij de farao ben gekomen om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan. U hebt Uw volk helemaal niet gered.”
וּמֵאָ֞ז
(umeaz)
en sinds
בָּ֤אתִי
(bati)
ik kwam
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
om te spreken
בִּשְׁמֶ֔ךָ
(bishmekha)
in Uw naam
הֵרַ֖ע
(hera)
heeft hij kwaad gedaan
לָעָ֣ם
(laam)
aan het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וְהַצֵּ֥ל
(vehatsel)
en redden
לֹא
(lo)
niet
הִצַּ֖לְתָּ
(hitsalta)
hebt U gered
אֶת
(et)
(obj.)
עַמֶּֽךָ
(amekha)
Uw volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)