Mozes en Aäron bij de farao: meer lasten voor Israël
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Mozes en Aäron bij de farao
1Daarna kwamen Mozes en Aäron bij de farao en zeiden: „Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: ‘Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij in de woestijn een feest vieren.’”
וְאַחַ֗ר
(veachar)
en daarna
בָּ֚אוּ
(bau)
kwamen
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֔ן
(veaharon)
en Aäron
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שַׁלַּח֙
(shalach)
laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
וְיָחֹ֥גּוּ
(veyachogu)
opdat zij een feest vieren
לִ֖י
(li)
voor Mij
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de eerste ontmoeting met de farao.
Mozes en Aäron spreken Yahweh’s woorden uit zoals een boodschapper: ‘Zo zegt Yahweh’.
De vraag is een ‘feest’ (חָגַג, chagag), een pelgrimstocht voor Yahweh; dit is hetzelfde woord als in 10:9 en 12:14.
3Zij zeiden: „Elohim van de Hebreeën heeft ons ontmoet. Laat ons toch een reis van drie dagen de woestijn in gaan om aan Yahweh, onze Elohim, te offeren, opdat Hij ons niet treft met pest of met het zwaard.”
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden zij
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
הָעִבְרִ֖ים
(haivrim)
de Hebreeën
נִקְרָ֣א
(niqra)
heeft zich laten ontmoeten
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
met ons
נֵ֣לֲכָה
(nelakha)
laten wij gaan
נָּ֡א
(na)
toch
דֶּרֶךְ֩
(derekh)
een weg van
שְׁלֹ֨שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֜ים
(yamim)
dagen
בַּמִּדְבָּ֗ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְנִזְבְּחָה֙
(venizbecha)
en laten wij offeren
לַֽיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
פֶּ֨ן
(pen)
opdat niet
יִפְגָּעֵ֔נוּ
(yifgaenu)
Hij ons treft
בַּדֶּ֖בֶר
(badever)
met pest
א֥וֹ
(o)
of
בֶחָֽרֶב
(becharev)
met het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Hebreeën zeggen hier ‘Elohim van de Hebreeën’, een naam die een buitenstaander verstaat.
8Maar het aantal tichelstenen dat zij gisteren en eergisteren maakten, moeten jullie hun opleggen; verminder daar niets van. Want zij zijn lui; daarom roepen zij: ‘Laat ons gaan, laat ons offeren aan onze Elohim.’
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַתְכֹּ֨נֶת
(matkonet)
het aantal van
הַלְּבֵנִ֜ים
(halevenim)
de tichelstenen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֵם֩
(hem)
zij
עֹשִׂ֨ים
(osim)
maakten
תְּמ֤וֹל
(temol)
gisteren
שִׁלְשֹׁם֙
(shilshom)
eergisteren
תָּשִׂ֣ימוּ
(tasimu)
leg
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
op hen
לֹ֥א
(lo)
niet
תִגְרְע֖וּ
(tigreu)
verminder
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
ervan
כִּֽי
(ki)
want
נִרְפִּ֣ים
(nirpim)
lui zijn
הֵ֔ם
(hem)
zij
עַל
(al)
op
כֵּ֗ן
(ken)
zo
הֵ֤ם
(hem)
zij
צֹֽעֲקִים֙
(tsoaqim)
roepen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
נֵלְכָ֖ה
(nelekha)
laten wij gaan
נִזְבְּחָ֥ה
(nizbecha)
laten wij offeren
לֵאלֹהֵֽינוּ
(leloheinu)
aan onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13De drijvers drongen aan en zeiden: „Maak jullie werk af, elke dag zoveel als toen er stro was.”
וְהַנֹּגְשִׂ֖ים
(vehanogesim)
en de drijvers
אָצִ֣ים
(atsim)
drongen aan
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כַּלּ֤וּ
(kalu)
voltooi
מַעֲשֵׂיכֶם֙
(maaseikhem)
jullie werk
דְּבַר
(devar)
de hoeveelheid van
י֣וֹם
(yom)
een dag
בְּיוֹמ֔וֹ
(beyomo)
op zijn dag
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
בִּהְי֥וֹת
(bihyot)
toen was
הַתֶּֽבֶן
(hateven)
het stro
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De opzichters van de zonen van Israël, die de drijvers van de farao over hen hadden aangesteld, werden geslagen. Men zei: „Waarom hebben jullie jullie vastgestelde aantal tichelstenen gisteren en vandaag niet gemaakt, zoals eerder?”
וַיֻּכּ֗וּ
(vayuku)
en werden geslagen
שֹֽׁטְרֵי֙
(shoterei)
de opzichters van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׂ֣מוּ
(samu)
hadden aangesteld
עֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
over hen
נֹגְשֵׂ֥י
(nogesei)
de drijvers van
פַרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מַדּ֡וּעַ
(madua)
waarom
לֹא֩
(lo)
niet
כִלִּיתֶ֨ם
(kilitem)
hebben jullie voltooid
חָקְכֶ֤ם
(chaqekhem)
jullie vastgestelde deel
לִלְבֹּן֙
(lilbon)
voor tichelstenen
כִּתְמ֣וֹל
(kitmol)
zoals gisteren
שִׁלְשֹׁ֔ם
(shilshom)
eergisteren
גַּם
(gam)
ook
תְּמ֖וֹל
(temol)
gisteren
גַּם
(gam)
ook
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De opzichters van Israël worden geslagen voor wat de drijvers niet kunnen afdwingen: de Israëlitische leiders delen in de straf van hun volk.
15De opzichters van de zonen van Israël kwamen en riepen tot de farao: „Waarom doet u zo met uw dienaren?
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en kwamen
שֹֽׁטְרֵי֙
(shoterei)
de opzichters van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּצְעֲק֥וּ
(vayitsaqu)
en riepen
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לָ֧מָּה
(lama)
waarom
תַעֲשֶׂ֦ה
(taase)
doet u
כֹ֖ה
(ko)
zo
לַעֲבָדֶֽיךָ
(laavadeikha)
met uw dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Er wordt uw dienaren geen stro gegeven, maar men zegt tot ons: ‘Maak tichelstenen!’ En zie, uw dienaren worden geslagen, terwijl de schuld bij uw eigen volk ligt.”
תֶּ֗בֶן
(teven)
stro
אֵ֤ין
(ein)
niet
נִתָּן֙
(nitan)
wordt gegeven
לַעֲבָדֶ֔יךָ
(laavadeikha)
aan uw dienaren
וּלְבֵנִ֛ים
(ulevenim)
en tichelstenen
אֹמְרִ֥ים
(omerim)
zeggen zij
לָ֖נוּ
(lanu)
tegen ons
עֲשׂ֑וּ
(asu)
maak
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
עֲבָדֶ֛יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
מֻכִּ֖ים
(mukim)
worden geslagen
וְחָטָ֥את
(vechatat)
en schuldig is
עַמֶּֽךָ
(amekha)
uw volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
וְחָטָאת עַמֶּךָ (vechatat ammekha) is letterlijk ‘en zonde/schuld uw volk’; de vorm is onzeker.
Wij lezen: ‘de schuld ligt bij uw volk’, dat wil zeggen bij de Egyptische drijvers.
De Griekse vertaling heeft hier ‘u zult uw volk onrecht doen’.
17Hij zei: „Lui zijn jullie, lui! Daarom zeggen jullie: ‘Laat ons gaan, laat ons aan Yahweh offeren.’
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
נִרְפִּ֥ים
(nirpim)
lui
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie zijn
נִרְפִּ֑ים
(nirpim)
lui
עַל
(al)
op
כֵּן֙
(ken)
zo
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
אֹֽמְרִ֔ים
(omerim)
zeggen
נֵלְכָ֖ה
(nelekha)
laten wij gaan
נִזְבְּחָ֥ה
(nizbecha)
laten wij offeren
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De opzichters van de zonen van Israël zagen dat zij in het nauw zaten, toen er gezegd werd: „Jullie mogen niets verminderen van jullie tichelstenen, elke dag zoveel als bepaald is.”
וַיִּרְא֞וּ
(vayiru)
en zagen
שֹֽׁטְרֵ֧י
(shoterei)
de opzichters van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֹתָ֖ם
(otam)
zichzelf
בְּרָ֣ע
(bera)
in kwaad
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
תִגְרְע֥וּ
(tigreu)
zullen jullie verminderen
מִלִּבְנֵיכֶ֖ם
(milivneikhem)
van jullie tichelstenen
דְּבַר
(devar)
de hoeveelheid van
י֥וֹם
(yom)
een dag
בְּיוֹמֽוֹ
(beyomo)
op zijn dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Toen zij van de farao kwamen, ontmoetten zij Mozes en Aäron, die hen opwachtten.
וַֽיִּפְגְּעוּ֙
(vayifgeu)
en ontmoetten
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
נִצָּבִ֖ים
(nitsavim)
staande
לִקְרָאתָ֑ם
(liqratam)
hen tegemoet
בְּצֵאתָ֖ם
(betsetam)
toen zij uitgingen
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
פַּרְעֹֽה
(paro)
de farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Zij zeiden tot hen: „Moge Yahweh op jullie neerzien en oordelen. Want jullie hebben ons in een kwade reuk gebracht bij de farao en zijn dienaren en hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
יֵ֧רֶא
(yere)
moge zien
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
op jullie
וְיִשְׁפֹּ֑ט
(veyishpot)
en richten
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
omdat
הִבְאַשְׁתֶּ֣ם
(hivashtem)
jullie hebben laten stinken
אֶת
(et)
(obj.)
רֵיחֵ֗נוּ
(reichenu)
onze geur
בְּעֵינֵ֤י
(beeinei)
in de ogen van
פַרְעֹה֙
(paro)
de farao
וּבְעֵינֵ֣י
(uveeinei)
en in de ogen van
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
לָֽתֶת
(latet)
om te geven
חֶ֥רֶב
(cherev)
een zwaard
בְּיָדָ֖ם
(beyadam)
in hun hand
לְהָרְגֵֽנוּ
(leharegenu)
om ons te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Een kwade reuk’ (הִבְאַשְׁתֶּם אֶת־רֵיחֵנוּ, hiv’ashtem et-reichenu) is letterlijk ‘jullie hebben onze geur laten stinken’, een uitdrukking voor in diskrediet brengen (1 Sam. 13:4; 27:12).