Romeinen 1
Aanhef en dankzegging, de gerechtigheid van Elohim en de toorn van Elohim over de afgoderij
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand die geheel aan zijn heer toebehoort. κλητός (kletos), ‘geroepen’. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is. ἀφορίζω (aforizo), ‘afzonderen’. Χριστός (Christos), ‘Messias’: ‘gezalfde’, Hebreeuws mashiach.
De aanhef van de brief loopt door tot en met vers 7.
Zie ook Gal. 1:1–5.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ‘Messias Yeshua’; wij volgen de SBLGNT.
προεπηγγείλατο (proepengeilato), ‘tevoren beloofd’. γραφαὶ ἅγιαι (grafai hagiai), ‘heilige Schriften’: de heilige geschriften van Israël; het Grieks heeft hier geen lidwoord.
σπέρμα (sperma), ‘zaad’: afstammeling.
Ons Hebreeuws in 2 Sam. 7:12 heeft ‘nageslacht’ (zera). κατὰ σάρκα (kata sarka), ‘naar het vlees’: naar menselijke afstamming. σάρξ (sarx), ‘vlees’, is in deze brief ook de zwakke, aardse kant van de mens (zie Gal. 3:3). γίνομαι (ginomai), ‘geworden’: ook ‘geboren’.
Zie ook 2 Sam. 7:12–14; Matt. 1:1; Luc. 1:32.
ὁρίζω (horizo), ‘aanwijzen’: ook ‘vaststellen, bestemmen’.
De Griekse vorm is lijdend en noemt niet wie Hem aanwees. ἐν δυνάμει (en dynamei), ‘in kracht’: het kan bij ‘Zoon van Elohim’ horen (‘Zoon van Elohim in kracht’) of bij ‘aangewezen’. πνεῦμα ἁγιωσύνης (pneuma hagiosynes), ‘Geest van heiligheid’: een ander woord dan ἁγιασμός (hagiasmos), ‘heiliging’.
Het kan de Heilige Geest bedoelen of de heilige geest van Yeshua zelf; wij schrijven ‘Geest’ met een hoofdletter. ἐξ ἀναστάσεως νεκρῶν (ex anastaseos nekron), ‘door de opstanding uit de doden’: ἐξ kan ‘door’ of ‘vanaf’ betekenen.
In de verzen 3 en 4 staan twee kanten van de Zoon naast elkaar: afstamming naar het vlees, aanwijzing naar de Geest.
Zie ook Ps. 2:7; Hand. 13:33.
ἐλάβομεν (elabomen), ‘wij ontvingen’: Paulus spreekt hier over zichzelf; het Grieks heeft ‘wij’. ἀποστολή (apostole), ‘apostelschap’: de zending van een apostel. ὑπακοὴ πίστεως (hypakoe pisteos), ‘gehoorzaamheid van het geloof’: de genitief kan ‘gehoorzaamheid aan het geloof’ of ‘gehoorzaamheid die uit het geloof komt’ betekenen. ἔθνη (ethne), ‘volken’: de niet-Joodse volken.
κλητοὶ Ἰησοῦ Χριστοῦ (kletoi Iesou Christou), ‘geroepenen van Yeshua de Messias’: de genitief kan ‘door Yeshua geroepen’ of ‘die Yeshua toebehoren’ betekenen.
Zie Rome: Rome was de hoofdstad van het Romeinse rijk, aan de Tiber in het midden van Italië.
ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: ‘de toegewijden’, mensen die aan Elohim zijn toegewijd. ἀγαπητοί (agapetoi), ‘geliefden’.
Rome (Ῥώμη, Rhome) was de hoofdstad van het Romeinse rijk.
‘Genade en vrede’: χάρις (charis) is de Griekse groet, εἰρήνη (eirene) vertaalt het Hebreeuwse shalom.
Zie ook Gal. 1:3.
Dankzegging en verlangen naar Rome
εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘danken’. καταγγέλλω (katangello), ‘verkondigen’: het geloof van de Romeinen wordt overal besproken. κόσμος (kosmos), ‘wereld’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het voorzetsel ‘voor’ (περί); wij volgen de SBLGNT.
λατρεύω (latreuo), ‘dienen’: ook ‘in de eredienst dienen’. ἐν τῷ πνεύματί μου (en to pneumati mou), ‘met mijn geest’: de menselijke geest van Paulus, daarom met een kleine letter. μνείαν ποιοῦμαι (mneian poioumai), ‘gedenken’: letterlijk ‘gedachtenis maken’. ἀδιαλείπτως (adialeiptos), ‘onophoudelijk’.
εὐοδόω (euodoo), ‘de weg gebaand krijgen’: het woord hoort bij een voorspoedige reis.
Paulus bidt of hij eindelijk naar Rome mag komen.
Wij splitsen de lange Griekse zin.
Zie ook Rom. 15:22–24; Hand. 19:21; Hand. 28:14–16.
χάρισμα πνευματικόν (charisma pneumatikon), ‘geestelijke genadegave’: χάρισμα komt van χάρις (charis), ‘genade’. στηρίζω (sterizo), ‘versterken’.
συμπαρακαλέω (symparakaleo), ‘samen bemoedigd worden’: het werkwoord παρακαλέω (parakaleo) betekent ook ‘troosten’ en ‘aansporen’ (zie 2 Kor. 1:3–7).
Paulus zegt dat ook hijzelf door het geloof van de Romeinen bemoedigd wil worden.
ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat in de gemeente ook de zusters. προτίθεμαι (protithemai), ‘zich voornemen’. κωλύω (koluo), ‘verhinderen’. ἵνα (hina), ‘opdat’ geeft het doel van het komen; wij splitsen de lange Griekse zin. καρπός (karpos), ‘vrucht’. ἔθνη (ethne), ‘volken’.
Zie ook Rom. 15:22–24.
Ἕλληνες (Hellenes), ‘Grieken’, en βάρβαροι (barbaroi), ‘barbaren’: de Grieken noemden zo wie geen Grieks sprak. ὀφειλέτης (ofeletes), ‘schuldenaar’: iemand die iets verschuldigd is.
Paulus bedoelt dat hij hun de goede boodschap verschuldigd is.
Zie Rome: Rome was de hoofdstad van het Romeinse rijk, aan de Tiber in het midden van Italië.
Het Grieks heeft geen werkwoord ‘zijn’: τὸ κατ᾽ ἐμὲ πρόθυμον (to kat eme prothymon) is ‘wat mij betreft bereid’. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’.
De kracht van de goede boodschap
ἐπαισχύνομαι (epaischynomai), ‘zich schamen’. δύναμις θεοῦ (dynamis theou), ‘kracht van Elohim’. σωτηρία (soteria), ‘redding’. Ἰουδαῖος τε πρῶτον καὶ Ἕλληνι (Ioudaios te proton kai Helleni), ‘de Jood eerst en ook de Griek’: ‘Griek’ staat hier voor de volken.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘goede boodschap’; wij volgen de SBLGNT.
δικαιοσύνη θεοῦ (dikaiosyne theou), ‘gerechtigheid van Elohim’: de genitief kan betekenen dat dit de gerechtigheid is die Elohim zelf heeft, of de rechtvaardigheid die Elohim geeft. ἀποκαλύπτω (apokalypto), ‘onthullen’. ἐκ πίστεως εἰς πίστιν (ek pisteos eis pistin), ‘uit geloof tot geloof’: het Grieks zegt niet meer dan deze woorden.
Aanhaling van Hab. 2:4.
Ons Hebreeuws heeft: ‘de rechtvaardige zal leven door zijn trouw’.
Het Hebreeuwse אֱמוּנָה (emunah) betekent ‘trouw’, het Griekse πίστις (pistis) ‘geloof’.
‘Uit geloof’ kan bij ‘de rechtvaardige’ horen of bij ‘zal leven’; wij kiezen het tweede, zoals in Gal. 3:11.
In Habakuk spreekt Yahweh deze woorden; hier haalt Paulus ze aan, daarom zwart.
Zie ook Hab. 2:4; Gal. 3:11.
De toorn van Elohim wordt onthuld
ὀργή (orge), ‘toorn’. ἀσέβεια (asebeia), ‘goddeloosheid’; ἀδικία (adikia), ‘onrechtvaardigheid’. κατέχω (katecho), ‘onderdrukken’: letterlijk ‘vasthouden, tegenhouden’.
Het werkwoord ‘wordt onthuld’ staat ook in vers 17: de gerechtigheid én de toorn van Elohim worden onthuld.
γνωστόν (gnoston), ‘kenbaar’: wat van Elohim te kennen is. ἐν αὐτοῖς (en autois), ‘onder hen’: ook ‘in hen’. φανερόω (fanerooo), ‘openbaar maken’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ‘Elohim … want’; wij volgen de SBLGNT.
ἀόρατα (aorata), ‘onzichtbare dingen’. νοέω (noeo), ‘met het verstand doorzien’. θειότης (theiotes), ‘goddelijkheid’: het goddelijke wezen. ἀναπολόγητος (anapologetos), ‘zonder verontschuldiging’.
Zie ook Ps. 19:2–5 (in de Nederlandse telling 19:1–4).
δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’. εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘danken’. ματαιόω (mataioo), ‘zinloos worden’. διαλογισμοί (dialogismoi), ‘overleggingen’, redeneringen. σκοτίζω (skotizo), ‘verduisteren’.
ἀλλάσσω (allasso), ‘verruilen’. ὁμοίωμα (homoioma), ‘gelijkenis’; εἰκών (eikon), ‘beeld’. ἄφθαρτος (afthartos), ‘onvergankelijk’; φθαρτός (fthartos), ‘vergankelijk’.
Zie ook Ps. 106:20; Deut. 4:16–18.
Elohim gaf hen over
παραδίδωμι (paradidomi), ‘overgeven’: het werkwoord staat driemaal, in de verzen 24, 26 en 28; wij vertalen het steeds met ‘overgeven’. ἀκαθαρσία (akatharsia), ‘onreinheid’. ἐν αὐτοῖς (en autois), ‘onder elkaar’: ook ‘in hen’.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ‘Daarom’ en bij ‘onder elkaar’; wij volgen de SBLGNT.
μεταλλάσσω (metallasso), ‘verruilen’. σεβάζομαι (sebazomai), ‘vereren’; λατρεύω (latreuo), ‘dienen’. κτίσις (ktisis), ‘het geschapene’; ὁ κτίσας (ho ktisas), ‘de Schepper’, letterlijk ‘die geschapen heeft’. εὐλογητός (eulogetos), ‘geprezen’. ἀμήν (amen), ‘amen’: Hebreeuws, ‘zo is het’.
Wij vertalen de verzen 26 en 27 zo woordelijk mogelijk. θήλεια (thelia), ‘vrouwelijk’, hier ‘vrouwen’; ἄρσην (arsen), ‘mannelijk’, hier ‘mannen’. φυσικὴ χρῆσις (fysike chresis), ‘het natuurlijke gebruik’ en παρὰ φύσιν (para fysin), ‘tegen de natuur’. πάθος (pathos), ‘hartstocht’.
Het Grieks zegt in vers 26 niet uitdrukkelijk waarmee de vrouwen het natuurlijke gebruik verruilden; wij vullen niets aan.
ἀσχημοσύνη (aschemosyne), ‘schaamteloosheid’: iets wat onbetamelijk is. ἀντιμισθία (antimisthia), ‘vergelding’, letterlijk ‘tegenloon’. πλάνη (plane), ‘dwaling’: letterlijk ‘het ronddwalen’. ἔδει (edei), ‘het was nodig’.
De Griekse zin is lang; wij splitsen hem.
De SBLGNT markeert hier een variant bij ‘in zichzelf’; wij volgen de SBLGNT.
δοκιμάζω (dokimazo), ‘goedkeuren, het goed vinden’; ἀδόκιμος (adokimos), ‘afgekeurd’: een woordspel in het Grieks. ἔχειν ἐν ἐπιγνώσει (echein en epignosei), ‘in erkenning houden’: wij vertalen ‘erkennen’. ἐπίγνωσις (epignosis) is ‘erkenning, kennis’. νοῦς (nous), ‘verstand’. τὰ μὴ καθήκοντα (ta me kathekonta), ‘wat niet betaamt’.
De Griekse zin loopt van vers 28 tot en met vers 31 als een rij met woorden die de mensen beschrijven; wij vullen ‘Zij zijn’ aan. ἀδικία (adikia), ‘onrechtvaardigheid’; πονηρία (poneria), ‘slechtheid’; πλεονεξία (pleonexia), ‘hebzucht’; κακία (kakia), ‘boosheid’; ψιθυριστής (psithyristes), ‘fluisteraar’, iemand die heimelijk kwaad spreekt.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘onrechtvaardigheid’; wij volgen de SBLGNT.
θεοστυγής (theostyges), ‘hater van Elohim’: het woord kan ook ‘door Elohim gehaat’ betekenen. ὑβριστής (hybristes), ‘hoonaar’. ἀλαζών (alazon), ‘opschepper’.
ἀσύνθετος (asynthetos), ‘trouweloos’: iemand die afspraken niet nakomt. ἄστοργος (astorgos), ‘zonder genegenheid’: zonder de natuurlijke liefde, bijvoorbeeld van familie.
De SBLGNT markeert hier een variant bij ‘zonder genegenheid’; wij volgen de SBLGNT.
δικαίωμα (dikaioma), ‘rechtsvoorschrift’: wat als recht is vastgesteld. συνευδοκέω (syneudokeo), ‘instemmen’.
Vers 32 sluit de rij van de verzen 28–31 af.