Elohim Bijbel

Openbaring 18

12345678910111213141516171819202122

De val van Babylon, de rouw van koningen, kooplieden en zeelieden en de molensteen in de zee

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een andere engel: Babylon is gevallen

1Hierna zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen. Hij had groot gezag, en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid.
Μετὰ
(Meta)
Na
ταῦτα
(tauta)
dit
εἶδον
(eidon)
ik zag
ἄλλον
(allon)
andere
ἄγγελον
(angelon)
engel
καταβαίνοντα
(katabainonta)
neerdalend
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἔχοντα
(echonta)
hebbend
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
μεγάλην
(megalen)
groot
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
γῆ
(ge)
aarde
ἐφωτίσθη
(ephotisthe)
werd verlicht
ἐκ
(ek)
door
τῆς
(tes)
de
δόξης
(doxes)
heerlijkheid
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄλλος (allos), ‘andere’. ἐξουσία (exousia), ‘gezag’. φωτίζω (fotizo), ‘verlichten’.

Vergelijk Ezech. 43:2, waar de aarde straalt van de heerlijkheid van de Elohim van Israël.

Zie ook Ezech. 43:2.

Zie ookEzech 43:2
2En hij riep met een sterke stem: „Gevallen, gevallen is Babylon, de grote! Zij is een woonplaats van demonen geworden en een gevangenis van elke onreine geest, een gevangenis van elke onreine vogel en een gevangenis van elk onrein en gehaat dier.
καὶ
(kai)
en
ἔκραξεν
(ekraxen)
riep
ἐν
(en)
met
ἰσχυρᾷ
(ischyra)
sterke
φωνῇ
(phone)
stem
λέγων
(legon)
zeggend
Ἔπεσεν
(Epesen)
gevallen
ἔπεσεν
(epesen)
gevallen
Βαβυλὼν
(Babylon)
Babylon
ἡ
(he)
de
μεγάλη
(megale)
grote
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
werd
κατοικητήριον
(katoiketerion)
woonplaats
δαιμονίων
(daimonion)
van demonen
καὶ
(kai)
en
φυλακὴ
(phylake)
gevangenis
παντὸς
(pantos)
van elke
πνεύματος
(pneumatos)
geest
ἀκαθάρτου
(akathartou)
onreine
καὶ
(kai)
en
φυλακὴ
(phylake)
gevangenis
παντὸς
(pantos)
van elke
ὀρνέου
(orneou)
vogel
ἀκαθάρτου
(akathartou)
onreine
καὶ
(kai)
en
φυλακὴ
(phylake)
gevangenis
παντὸς
(pantos)
van elk
θηρίου
(theriou)
dier
ἀκαθάρτου
(akathartou)
onrein
καὶ
(kai)
en
μεμισημένου
(memisemenou)
gehaat
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Gevallen, gevallen is Babylon’: de woorden van Jes. 21:9, ook in 14:8. κατοικητήριον (katoiketerion), ‘woonplaats’. φυλακή (fylake), ‘gevangenis’, ook ‘bewaakte plaats, wachtpost’: de ruïne is een plaats waar onreine geesten en dieren opgesloten zijn.

Vergelijk Jes. 13:21; Jes. 34:11; Jer. 50:39; Jer. 51:37, waar verwoeste steden bewoond worden door wilde dieren. θηρίον (therion), ‘dier’: hier zonder lidwoord, ‘elk dier’, en niet ‘het beest’ van hoofdstuk 13. Βαβυλών (Babylon): zie 14:8, 16:19 en 17:5; de tekst zegt niet welke plaats bedoeld is, en wij kiezen niet.

Zie ook Jes. 21:9; Jes. 13:21; Jes. 34:11; Jer. 50:39; Jer. 51:8; Jer. 51:37; Openb. 14:8.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij ἐν (en), ‘met’, bij ἔπεσεν (epesen), ‘gevallen’, bij δαιμονίων (daimonion), ‘van demonen’ en bij de woorden καὶ φυλακὴ παντὸς θηρίου ἀκαθάρτου (kai fylake pantos theriou akathartou), ‘en gevangenis van elk dier onrein’.

Wij volgen de SBLGNT.

3Want door de wijn van de woede van haar ontucht zijn alle volken gevallen. De koningen van de aarde hebben met haar ontucht gepleegd, en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de kracht van haar overdaad.”
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐκ
(ek)
door
τοῦ
(tou)
de
οἴνου
(oinou)
wijn
τοῦ
(tou)
van de
θυμοῦ
(thymou)
woede
τῆς
(tes)
van de
πορνείας
(porneias)
ontucht
αὐτῆς
(autes)
haar
πέπτωκαν
(peptokan)
zijn gevallen
πάντα
(panta)
alle
τὰ
(ta)
de
ἔθνη
(ethne)
volken
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
βασιλεῖς
(basileis)
koningen
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
μετ’
(met’)
met
αὐτῆς
(autes)
haar
ἐπόρνευσαν
(eporneusan)
pleegden ontucht
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἔμποροι
(emporoi)
kooplieden
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
ἐκ
(ek)
door
τῆς
(tes)
de
δυνάμεως
(dynameos)
kracht
τοῦ
(tou)
van de
στρήνους
(strenous)
overdaad
αὐτῆς
(autes)
haar
ἐπλούτησαν
(eploutesan)
werden rijk
Bron: SBLGNT
Uitleg

στρῆνος (strenos), ‘overdaad, weelde’: een zeldzaam woord; het werkwoord στρηνιάω (strenia) staat in de verzen 7 en 9. ἔμπορος (emporos), ‘koopman’.

De ‘wijn van de woede van haar ontucht’ is de wijn waarvan 14:8 spreekt.

Vergelijk Jes. 23:8 en Ezech. 27:33, waar de kooplieden van Tyrus rijkdom brengen aan de koningen van de aarde.

Zie ook Jes. 23:8; Ezech. 27:33; Jer. 51:7; Openb. 14:8; Openb. 17:2.

Lezing

De SBLGNT markeert bij πέπτωκαν (peptokan), ‘zijn gevallen’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

„Ga weg uit haar, mijn volk”

4En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: „Ga weg uit haar, mijn volk, zodat jullie niet delen in haar zonden en niet ontvangen van haar plagen.
Καὶ
(Kai)
En
ἤκουσα
(ekousa)
ik hoorde
ἄλλην
(allen)
andere
φωνὴν
(phonen)
stem
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
λέγουσαν
(legousan)
zeggend
Ἐξέλθατε
(Exelthate)
ga weg
ὁ
(ho)
het
λαός
(laos)
volk
μου
(mou)
mijn
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῆς
(autes)
haar
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
συγκοινωνήσητε
(synkoinonesete)
jullie delen
ταῖς
(tais)
in de
ἁμαρτίαις
(hamartiais)
zonden
αὐτῆς
(autes)
haar
καὶ
(kai)
en
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
πληγῶν
(plegon)
plagen
αὐτῆς
(autes)
haar
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
λάβητε
(labete)
jullie ontvangen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt niet wie spreekt: ‘een andere stem uit de hemel’.

De stem zegt ‘mijn volk’, en spreekt in vers 5 over Elohim in de derde persoon; wij zetten de woorden zwart en schrijven ‘mijn’ met een kleine letter.

De oproep klinkt als Jes. 48:20; Jes. 52:11; Jer. 50:8; Jer. 51:6 en Jer. 51:45 (‘Ga uit haar midden, Mijn volk’). συγκοινωνέω (sygkoinoneo), ‘deel hebben aan’.

De woorden van de stem lopen door tot het einde van vers 8.

Zie ook Jes. 48:20; Jes. 52:11; Jer. 50:8; Jer. 51:6; Jer. 51:45.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij Ἐξέλθατε (exelthate), ‘ga weg’ en bij de woorden ὁ λαός μου ἐξ αὐτῆς (ho laos mou ex autes), ‘het volk mijn uit haar’.

Wij volgen de SBLGNT.

5Want haar zonden zijn tot aan de hemel vastgehecht, en Elohim heeft gedacht aan haar onrechtvaardige daden.
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐκολλήθησαν
(ekollethesan)
zijn vastgehecht
αὐτῆς
(autes)
haar
αἱ
(hai)
de
ἁμαρτίαι
(hamartiai)
zonden
ἄχρι
(achri)
tot aan
τοῦ
(tou)
de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
καὶ
(kai)
en
ἐμνημόνευσεν
(emnemoneusen)
dacht aan
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
τὰ
(ta)
de
ἀδικήματα
(adikemata)
onrechtvaardige daden
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

κολλάω (kollao), ‘vastkleven, vasthechten’: de zonden hebben zich tot aan de hemel aaneengehecht.

Vergelijk Jer. 51:9: ‘haar vonnis reikt tot aan de hemel’. μνημονεύω (mnemoneuo), ‘denken aan’: zoals in 16:19. ἀδίκημα (adikema), ‘onrechtvaardige daad’.

Zie ook Jer. 51:9; Openb. 16:19.

6Geef haar terug zoals zijzelf ook teruggegeven heeft, en verdubbel het dubbele naar haar werken. In de beker waarin zij heeft ingeschonken, schenk haar dubbel in.
ἀπόδοτε
(apodote)
geef terug
αὐτῇ
(aute)
haar
ὡς
(hos)
zoals
καὶ
(kai)
ook
αὐτὴ
(aute)
zijzelf
ἀπέδωκεν
(apedoken)
gaf terug
καὶ
(kai)
en
διπλώσατε
(diplosate)
verdubbel
τὰ
(ta)
het
διπλᾶ
(dipla)
dubbele
κατὰ
(kata)
volgens
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
werken
αὐτῆς
(autes)
haar
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ποτηρίῳ
(poterio)
beker
ᾧ
(ho)
waarin
ἐκέρασεν
(ekerasen)
zij schonk in
κεράσατε
(kerasate)
schenk in
αὐτῇ
(aute)
haar
διπλοῦν
(diploun)
dubbel
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀποδίδωμι (apodidomi), ‘teruggeven’, ‘betalen’. διπλόω (diploo), ‘verdubbelen’. κεράννυμι (kerannymi), ‘mengen, inschenken’: zoals in 14:10.

De oproep is dezelfde als Jer. 50:29 (‘Betaal haar naar haar daad terug’); vergelijk ook Ps. 137:8 en Jer. 16:18 (‘dubbel vergelden’).

Het Grieks zegt niet tot wie de oproep ‘Geef haar terug’ gericht is.

Zie ook Jer. 50:29; Jer. 16:18; Ps. 137:8; Openb. 14:10.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij διπλώσατε (diplosate), ‘verdubbel’ en bij τὰ (ta), ‘het’.

Wij volgen de SBLGNT.

7Zoveel zij zichzelf verheerlijkt heeft en overdadig geleefd heeft, zoveel kwelling en rouw moeten jullie haar geven. Want in haar hart zegt zij: ‘Ik zit als koningin, ik ben geen weduwe, en rouw zal ik beslist niet zien.’
ὅσα
(hosa)
zoveel
ἐδόξασεν
(edoxasen)
verheerlijkte zij
αὑτὴν
(hauten)
zichzelf
καὶ
(kai)
en
ἐστρηνίασεν
(estreniasen)
leefde overdadig
τοσοῦτον
(tosouton)
zoveel
δότε
(dote)
geef
αὐτῇ
(aute)
haar
βασανισμὸν
(basanismon)
kwelling
καὶ
(kai)
en
πένθος
(penthos)
rouw
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
καρδίᾳ
(kardia)
hart
αὐτῆς
(autes)
haar
λέγει
(legei)
zegt zij
ὅτι
(hoti)
dat
Κάθημαι
(Kathemai)
ik zit
βασίλισσα
(basilissa)
koningin
καὶ
(kai)
en
χήρα
(chera)
weduwe
οὐκ
(ouk)
niet
εἰμί
(eimi)
ben ik
καὶ
(kai)
en
πένθος
(penthos)
rouw
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
ἴδω
(ido)
zal ik zien
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: zichzelf eer geven. στρηνιάω (strenia), ‘overdadig leven’. βασανισμός (basanismos), ‘kwelling’; πένθος (penthos), ‘rouw’.

Haar woorden lijken sterk op Jes. 47:8 (‘Ik zal niet als weduwe zitten’) en Zef. 2:15.

Haar woorden, die zij ‘in haar hart’ zegt, zetten wij apart, zoals elders de woorden van de tegenstanders van Elohim (bijvoorbeeld de slang in Gen. 3:1), tussen enkele aanhalingstekens binnen de woorden van de stem.

Zie ook Jes. 47:8; Jes. 47:9; Zef. 2:15.

8Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en honger. En zij zal met vuur verbrand worden. Want sterk is Yahweh Elohim, die haar geoordeeld heeft.”
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
ἐν
(en)
in
μιᾷ
(mia)
één
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
ἥξουσιν
(hexousin)
zullen komen
αἱ
(hai)
de
πληγαὶ
(plegai)
plagen
αὐτῆς
(autes)
haar
θάνατος
(thanatos)
dood
καὶ
(kai)
en
πένθος
(penthos)
rouw
καὶ
(kai)
en
λιμός
(limos)
honger
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
πυρὶ
(pyri)
vuur
κατακαυθήσεται
(katakauthesetai)
zal worden verbrand
ὅτι
(hoti)
omdat
ἰσχυρὸς
(ischyros)
sterk
κύριος
(kyrios)
Yahweh
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
ὁ
(ho)
die
κρίνας
(krinas)
oordeelde
αὐτήν
(auten)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Op één dag’: vergelijk Jes. 47:9, waar kinderverlies en weduwschap ‘op één dag’ komen. λιμός (limos), ‘honger’. κατακαίω (katakaio), ‘verbranden’: zie 17:16. κύριος ὁ θεός (kyrios ho theos): ‘Yahweh Elohim’, de Naam van de Elohim van Israël, zoals in 15:3.

De woorden van de stem eindigen hier.

Zie ook Jes. 47:9; Openb. 15:3; Openb. 17:16.

De klacht van de koningen

9En de koningen van de aarde die met haar ontucht hebben gepleegd en overdadig hebben geleefd, zullen over haar huilen en de rouwklacht aanheffen, wanneer zij de rook van haar brand zien.
Καὶ
(Kai)
En
κλαύσουσιν
(klausousin)
zullen huilen
καὶ
(kai)
en
κόψονται
(kopsontai)
de rouwklacht aanheffen
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτὴν
(auten)
haar
οἱ
(hoi)
de
βασιλεῖς
(basileis)
koningen
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
οἱ
(hoi)
die
μετ’
(met’)
met
αὐτῆς
(autes)
haar
πορνεύσαντες
(porneusantes)
ontucht pleegden
καὶ
(kai)
en
στρηνιάσαντες
(streniasantes)
overdadig leefden
ὅταν
(hotan)
wanneer
βλέπωσιν
(bleposin)
zij zien
τὸν
(ton)
de
καπνὸν
(kapnon)
rook
τῆς
(tes)
van de
πυρώσεως
(pyroseos)
brand
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόπτω (kopto), ‘slaan’: zich in rouw op de borst slaan, de rouwklacht aanheffen. πύρωσις (pyrosis), ‘brand’: een brand die iets zuivert of verteert.

Vergelijk Ezech. 26:16–17 en Ezech. 27:30–35, waar vorsten en zeelieden de ondergang van Tyrus bewenen.

Zie ook Ezech. 26:16; Ezech. 27:30–35.

10Zij staan van verre, vanwege de angst voor haar kwelling, en zeggen: „Wee, wee, de grote stad, Babylon, de sterke stad! Want in één uur is jouw oordeel gekomen.”
ἀπὸ
(apo)
van
μακρόθεν
(makrothen)
ver
ἑστηκότες
(hestekotes)
staande
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
de
φόβον
(phobon)
angst
τοῦ
(tou)
van de
βασανισμοῦ
(basanismou)
kwelling
αὐτῆς
(autes)
haar
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
οὐαί
(ouai)
wee
ἡ
(he)
de
πόλις
(polis)
stad
ἡ
(he)
de
μεγάλη
(megale)
grote
Βαβυλὼν
(Babylon)
Babylon
ἡ
(he)
de
πόλις
(polis)
stad
ἡ
(he)
de
ἰσχυρά
(ischyra)
sterke
ὅτι
(hoti)
omdat
μιᾷ
(mia)
in één
ὥρᾳ
(hora)
uur
ἦλθεν
(elthen)
kwam
ἡ
(he)
het
κρίσις
(krisis)
oordeel
σου
(sou)
jouw
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐαί (ouai), ‘wee’.

‘In één uur’ (μιᾷ ὥρᾳ, mia hora): zoals in 17:12 en in de verzen 17 en 19.

Het Grieks heeft ‘de stad, de grote, Babylon, de stad, de sterke’ in de eerste naamval; wij laten het zo staan.

Zie ook Openb. 17:12; Openb. 18:17; Openb. 18:19.

De klacht van de kooplieden

11En de kooplieden van de aarde huilen en rouwen om haar, omdat niemand hun lading nog koopt:
Καὶ
(Kai)
En
οἱ
(hoi)
de
ἔμποροι
(emporoi)
kooplieden
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
κλαίουσιν
(klaiousin)
huilen
καὶ
(kai)
en
πενθοῦσιν
(penthousin)
rouwen
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτήν
(auten)
haar
ὅτι
(hoti)
omdat
τὸν
(ton)
de
γόμον
(gomon)
lading
αὐτῶν
(auton)
hun
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἀγοράζει
(agorazei)
koopt
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
Bron: SBLGNT
Uitleg

γόμος (gomos), ‘lading, vracht’: de goederen van een schip.

De verzen 11–13 zijn een lijst; vergelijk Ezech. 27:12–25, waar de handelswaar van Tyrus wordt opgesomd.

Zie ook Ezech. 27:12–25.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden κλαίουσιν καὶ πενθοῦσιν (klaiousin kai penthousin), ‘huilen en rouwen’ en bij αὐτήν (auten), ‘haar’.

Wij volgen de SBLGNT.

12lading van goud en zilver en kostbare steen en parels en fijn linnen en purper en zijde en scharlaken, en allerlei thuja-hout, en allerlei ivoren voorwerp, en allerlei voorwerp van zeer kostbaar hout en van koper en ijzer en marmer,
γόμον
(gomon)
lading
χρυσοῦ
(chrysou)
van goud
καὶ
(kai)
en
ἀργύρου
(argyrou)
van zilver
καὶ
(kai)
en
λίθου
(lithou)
van steen
τιμίου
(timiou)
kostbare
καὶ
(kai)
en
μαργαριτῶν
(margariton)
van parels
καὶ
(kai)
en
βυσσίνου
(byssinou)
van fijn linnen
καὶ
(kai)
en
πορφύρας
(porphyras)
van purper
καὶ
(kai)
en
σιρικοῦ
(sirikou)
van zijde
καὶ
(kai)
en
κοκκίνου
(kokkinou)
van scharlaken
καὶ
(kai)
en
πᾶν
(pan)
alle
ξύλον
(xylon)
hout
θύϊνον
(thuinon)
van thuja
καὶ
(kai)
en
πᾶν
(pan)
alle
σκεῦος
(skeuos)
voorwerp
ἐλεφάντινον
(elephantinon)
ivoren
καὶ
(kai)
en
πᾶν
(pan)
alle
σκεῦος
(skeuos)
voorwerp
ἐκ
(ek)
uit
ξύλου
(xylou)
hout
τιμιωτάτου
(timiotatou)
zeer kostbaar
καὶ
(kai)
en
χαλκοῦ
(chalkou)
van koper
καὶ
(kai)
en
σιδήρου
(siderou)
van ijzer
καὶ
(kai)
en
μαρμάρου
(marmarou)
van marmer
Bron: SBLGNT
Uitleg

βύσσινον (byssinon), ‘fijn linnen’; σιρικόν (sirikon), ‘zijde’; θύϊνον ξύλον (thyinon xylon), ‘thuja-hout’: een kostbaar hout; de precieze boomsoort is onzeker; ἐλεφάντινος (elefantinos), ‘ivoren’; μάρμαρος (marmaros), ‘marmer’. χαλκός (chalkos), ‘koper’: zoals in het Oude Testament (Exod. 25:3).

Zie ook Exod. 25:3; Ezech. 27:12–22.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij μαργαριτῶν (margariton), ‘van parels’, en bij πορφύρας (porfyras), ‘van purper’.

Wij volgen de SBLGNT.

13en kaneel en amomum en wierook en zalfolie en wierookhars en wijn en olie en meelbloem en graan en vee en schapen, en paarden en wagens en lichamen, en zielen van mensen.
καὶ
(kai)
en
κιννάμωμον
(kinnamomon)
kaneel
καὶ
(kai)
en
ἄμωμον
(amomon)
amomum
καὶ
(kai)
en
θυμιάματα
(thymiamata)
wierook
καὶ
(kai)
en
μύρον
(myron)
zalfolie
καὶ
(kai)
en
λίβανον
(libanon)
wierookhars
καὶ
(kai)
en
οἶνον
(oinon)
wijn
καὶ
(kai)
en
ἔλαιον
(elaion)
olie
καὶ
(kai)
en
σεμίδαλιν
(semidalin)
meelbloem
καὶ
(kai)
en
σῖτον
(siton)
graan
καὶ
(kai)
en
κτήνη
(ktene)
vee
καὶ
(kai)
en
πρόβατα
(probata)
schapen
καὶ
(kai)
en
ἵππων
(hippon)
van paarden
καὶ
(kai)
en
ῥεδῶν
(rhedon)
van wagens
καὶ
(kai)
en
σωμάτων
(somaton)
van lichamen
καὶ
(kai)
en
ψυχὰς
(psychas)
zielen
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
Bron: SBLGNT
Uitleg

κιννάμωμον (kinnamomon), ‘kaneel’; ἄμωμον (amomon), ‘amomum’: een specerij. θυμίαμα (thymiama), ‘wierook’: wat men brandt voor de geur; zo vertalen wij θυμίαμα in heel Openbaring (5:8; 8:3–4) en in Luc. 1:9–11. λίβανος (libanos) is een ander Grieks woord, de hars zelf; om het verschil te laten zien schrijven wij hier ‘wierookhars’.

Het Hebreeuwse woord daarvoor is לְבוֹנָה (levonah), zoals in Lev. 2:1, waar wij ‘wierook’ schrijven. μύρον (myron), ‘zalfolie’. σεμίδαλις (semidalis), ‘meelbloem’. ῥέδη (rhede), ‘wagen’: een leenwoord uit het Latijn. σῶμα (soma), ‘lichaam’: het woord wordt in de Griekse wereld ook voor slaven gebruikt; daarna staat ψυχαὶ ἀνθρώπων (psychai anthropon), ‘zielen van mensen’.

Vergelijk Ezech. 27:13, waar ‘mensenzielen’ worden verhandeld.

Zie ook Lev. 2:1; Ezech. 27:13; Luc. 1:9.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden καὶ ἄμωμον (kai amomon), ‘en amomum’ en bij de woorden κτήνη καὶ πρόβατα (ktene kai probata), ‘vee en schapen’.

Wij volgen de SBLGNT.

14„En de vruchten van het verlangen van je ziel zijn van je weggegaan, en al het weelderige en het schitterende is van je verloren gegaan, en zij zullen die beslist niet meer vinden.”
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
ὀπώρα
(opora)
vruchten
σου
(sou)
je
τῆς
(tes)
van het
ἐπιθυμίας
(epithymias)
verlangen
τῆς
(tes)
van de
ψυχῆς
(psyches)
ziel
ἀπῆλθεν
(apelthen)
zijn weggegaan
ἀπὸ
(apo)
van
σοῦ
(sou)
jou
καὶ
(kai)
en
πάντα
(panta)
alle
τὰ
(ta)
de
λιπαρὰ
(lipara)
weelderige dingen
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
λαμπρὰ
(lampra)
schitterende dingen
ἀπώλετο
(apoleto)
zijn verloren gegaan
ἀπὸ
(apo)
van
σοῦ
(sou)
jou
καὶ
(kai)
en
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
αὐτὰ
(auta)
die
εὑρήσουσιν
(heuresousin)
zullen vinden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Dit vers richt zich tot de stad (‘je’, ‘jou’); het Grieks noemt de spreker niet.

Wij zetten het tussen aanhalingstekens. ὀπώρα (opora), ‘vrucht, oogst’; ἐπιθυμία (epithymia), ‘verlangen’; λιπαρός (liparos), ‘weelderig, rijk’; λαμπρός (lampros), ‘schitterend’.

De dubbele ontkenning οὐκέτι οὐ μή (ouketi ou me) vertalen wij met ‘beslist niet meer’.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden σου τῆς ἐπιθυμίας τῆς ψυχῆς (sou tes epithymias tes psyches), ‘je van het verlangen van de ziel’, bij οὐκέτι (ouketi), ‘niet meer’ en bij de woorden οὐ μὴ αὐτὰ εὑρήσουσιν (ou me auta heuresousin), ‘niet beslist die zullen vinden’.

Wij volgen de SBLGNT.

15De kooplieden van deze dingen, die van haar rijk zijn geworden, zullen van verre gaan staan vanwege de angst voor haar kwelling, huilend en rouwend.
οἱ
(hoi)
de
ἔμποροι
(emporoi)
kooplieden
τούτων
(touton)
van deze dingen
οἱ
(hoi)
die
πλουτήσαντες
(ploutesantes)
rijk geworden zijn
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῆς
(autes)
haar
ἀπὸ
(apo)
van
μακρόθεν
(makrothen)
ver
στήσονται
(stesontai)
zullen gaan staan
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
de
φόβον
(phobon)
angst
τοῦ
(tou)
van de
βασανισμοῦ
(basanismou)
kwelling
αὐτῆς
(autes)
haar
κλαίοντες
(klaiontes)
huilend
καὶ
(kai)
en
πενθοῦντες
(penthountes)
rouwend
Bron: SBLGNT
Uitleg

De kooplieden gaan ‘van verre’ staan, zoals de koningen in vers 10.

Vergelijk Ezech. 27:29–32.

Zie ook Ezech. 27:29–32.

16En zij zeggen: „Wee, wee, de grote stad, gehuld in fijn linnen en purper en scharlaken, en getooid met goud en kostbare steen en parel!
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
οὐαί
(ouai)
wee
ἡ
(he)
de
πόλις
(polis)
stad
ἡ
(he)
de
μεγάλη
(megale)
grote
ἡ
(he)
die
περιβεβλημένη
(peribeblemene)
gehuld is
βύσσινον
(byssinon)
in fijn linnen
καὶ
(kai)
en
πορφυροῦν
(porphyroun)
in purper
καὶ
(kai)
en
κόκκινον
(kokkinon)
in scharlaken
καὶ
(kai)
en
κεχρυσωμένη
(kechrysomene)
getooid
χρυσίῳ
(chrysio)
met goud
καὶ
(kai)
en
λίθῳ
(litho)
met steen
τιμίῳ
(timio)
kostbare
καὶ
(kai)
en
μαργαρίτῃ
(margarite)
met parel
Bron: SBLGNT
Uitleg

De rouwklacht van de kooplieden begint hier (‘Wee, wee, de grote stad’) en loopt tot het eerste deel van vers 17.

De kleding van de stad (‘fijn linnen, purper, scharlaken’) is die van de vrouw in 17:4.

Zie ook Openb. 17:4.

Lezing

De SBLGNT markeert bij λέγοντες (legontes), ‘zeggend’, en bij κεχρυσωμένη (kechrysomene), ‘getooid’, en bij μαργαρίτῃ (margarite), ‘parel’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

De klacht van de zeelieden

17Want in één uur is zoveel rijkdom verwoest.” En elke stuurman en iedereen die naar een plaats vaart, en de zeelieden en allen die op de zee werken, gingen van verre staan.
ὅτι
(hoti)
omdat
μιᾷ
(mia)
in één
ὥρᾳ
(hora)
uur
ἠρημώθη
(eremothe)
is verwoest
ὁ
(ho)
de
τοσοῦτος
(tosoutos)
zoveel
πλοῦτος
(ploutos)
rijkdom
Καὶ
(Kai)
en
πᾶς
(pas)
elke
κυβερνήτης
(kybernetes)
stuurman
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
elke
ὁ
(ho)
die
ἐπὶ
(epi)
naar
τόπον
(topon)
plaats
πλέων
(pleon)
vaart
καὶ
(kai)
en
ναῦται
(nautai)
zeelieden
καὶ
(kai)
en
ὅσοι
(hosoi)
allen die
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
ἐργάζονται
(ergazontai)
werken
ἀπὸ
(apo)
van
μακρόθεν
(makrothen)
ver
ἔστησαν
(estesan)
gingen staan
Bron: SBLGNT
Uitleg

κυβερνήτης (kybernetes), ‘stuurman’; ναύτης (nautes), ‘zeeman’. ἐπὶ τόπον πλέων (epi topon pleon), ‘wie naar een plaats vaart’: ook de reizigers. ὅσοι τὴν θάλασσαν ἐργάζονται (hosoi ten thalassan ergazontai), ‘allen die de zee bewerken’: allen die op zee werken.

Vergelijk Ezech. 27:29.

Zie ook Ezech. 27:29.

18En zij riepen, toen zij de rook van haar brand zagen: „Wie is gelijk aan de grote stad?”
καὶ
(kai)
en
ἔκραξαν
(ekraxan)
riepen
βλέποντες
(blepontes)
ziende
τὸν
(ton)
de
καπνὸν
(kapnon)
rook
τῆς
(tes)
van de
πυρώσεως
(pyroseos)
brand
αὐτῆς
(autes)
haar
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Τίς
(Tis)
wie
ὁμοία
(homoia)
gelijk
τῇ
(te)
aan de
πόλει
(polei)
stad
τῇ
(te)
de
μεγάλῃ
(megale)
grote
Bron: SBLGNT
Uitleg

De vraag ‘Wie is gelijk aan de grote stad?’ klinkt als de vraag over Tyrus in Ezech. 27:32 (‘Wie was als Tyrus’) en als de vraag over het beest in 13:4.

Zie ook Ezech. 27:32; Openb. 13:4.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἔκραξαν (ekraxan), ‘riepen’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

19En zij wierpen stof op hun hoofden en riepen, huilend en rouwend: „Wee, wee, de grote stad, waarin allen die schepen op de zee hadden, rijk werden door haar kostbaarheid! Want in één uur is zij verwoest.”
καὶ
(kai)
en
ἔβαλον
(ebalon)
wierpen
χοῦν
(choun)
stof
ἐπὶ
(epi)
op
τὰς
(tas)
de
κεφαλὰς
(kephalas)
hoofden
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
ἔκραξαν
(ekraxan)
riepen
κλαίοντες
(klaiontes)
huilend
καὶ
(kai)
en
πενθοῦντες
(penthountes)
rouwend
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
οὐαί
(ouai)
wee
ἡ
(he)
de
πόλις
(polis)
stad
ἡ
(he)
de
μεγάλη
(megale)
grote
ἐν
(en)
in
ᾗ
(he)
die
ἐπλούτησαν
(eploutesan)
werden rijk
πάντες
(pantes)
allen
οἱ
(hoi)
die
ἔχοντες
(echontes)
hebben
τὰ
(ta)
de
πλοῖα
(ploia)
schepen
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
θαλάσσῃ
(thalasse)
zee
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
τιμιότητος
(timiotetos)
kostbaarheid
αὐτῆς
(autes)
haar
ὅτι
(hoti)
omdat
μιᾷ
(mia)
in één
ὥρᾳ
(hora)
uur
ἠρημώθη
(eremothe)
is verwoest
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Stof op het hoofd werpen’ is een rouwgebaar (Joz. 7:6; Ezech. 27:30). τιμιότης (timiotes), ‘kostbaarheid, rijkdom’.

Zie ook Joz. 7:6; Ezech. 27:30.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij ἔκραξαν (ekraxan), ‘riepen’ en bij πενθοῦντες (penthountes), ‘rouwend’.

Wij volgen de SBLGNT.

Verheug je over haar

20„Verheug je over haar, hemel, en jullie heiligen en apostelen en profeten! Want Elohim heeft uitspraak gedaan in jullie zaak tegen haar.”
Εὐφραίνου
(Euphrainou)
verheug je
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτῇ
(aute)
haar
οὐρανέ
(ourane)
hemel
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἅγιοι
(hagioi)
heiligen
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀπόστολοι
(apostoloi)
apostelen
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
προφῆται
(prophetai)
profeten
ὅτι
(hoti)
omdat
ἔκρινεν
(ekrinen)
oordeelde
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
τὸ
(to)
het
κρίμα
(krima)
oordeel
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐφραίνω (eufraino), ‘zich verheugen’; het eerste woord is enkelvoud, gericht tot ‘hemel’, en daarna staan ‘heiligen, apostelen en profeten’ in de eerste naamval. ἔκρινεν τὸ κρίμα ὑμῶν ἐξ αὐτῆς (ekrinen to krima hymon ex autes), letterlijk ‘heeft jullie oordeel uit haar geoordeeld’: Elohim heeft in de zaak van de heiligen tegen haar uitspraak gedaan.

Het Grieks noemt niet wie spreekt; wij zetten het tussen aanhalingstekens.

Vergelijk Deut. 32:43 en Jer. 51:48 (hemel en aarde juichen over Babel); zie ook 19:2.

Zie ook Deut. 32:43; Jer. 51:48; Openb. 19:2.

De molensteen in de zee

21En een sterke engel nam een steen op, als een grote molensteen, en wierp die in de zee. Hij zei: „Zo zal Babylon, de grote stad, met geweld worden geworpen, en zij zal beslist niet meer gevonden worden.
Καὶ
(Kai)
En
ἦρεν
(eren)
nam op
εἷς
(heis)
een
ἄγγελος
(angelos)
engel
ἰσχυρὸς
(ischyros)
sterke
λίθον
(lithon)
steen
ὡς
(hos)
als
μύλινον
(mylinon)
molen-
μέγαν
(megan)
grote
καὶ
(kai)
en
ἔβαλεν
(ebalen)
wierp
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
λέγων
(legon)
zeggend
Οὕτως
(Houtos)
zo
ὁρμήματι
(hormemati)
met geweld
βληθήσεται
(blethesetai)
zal worden geworpen
Βαβυλὼν
(Babylon)
Babylon
ἡ
(he)
de
μεγάλη
(megale)
grote
πόλις
(polis)
stad
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
εὑρεθῇ
(heurethe)
zal worden gevonden
ἔτι
(eti)
meer
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἷς (heis), ‘één, een’: ‘een sterke engel’. μύλινος (mylinos), ‘van een molen’: een grote molensteen. ὅρμημα (hormema), ‘heftige beweging, geweld’.

Vergelijk Jer. 51:63–64, waar een boekrol met een steen in de Eufraat wordt geworpen.

De woorden van de engel lopen door tot het einde van vers 24.

Zie ook Jer. 51:63–64.

Lezing

De SBLGNT markeert bij μύλινον (mylinon), ‘molen-’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

22En het geluid van citerspelers en muzikanten en fluitspelers en bazuinblazers zal beslist niet meer in jou gehoord worden. En elke vakman van welk vak ook zal beslist niet meer in jou gevonden worden. En het geluid van een molen zal beslist niet meer in jou gehoord worden.
καὶ
(kai)
en
φωνὴ
(phone)
geluid
κιθαρῳδῶν
(kitharodon)
van citerspelers
καὶ
(kai)
en
μουσικῶν
(mousikon)
van muzikanten
καὶ
(kai)
en
αὐλητῶν
(auleton)
van fluitspelers
καὶ
(kai)
en
σαλπιστῶν
(salpiston)
van bazuinblazers
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
ἀκουσθῇ
(akousthe)
zal worden gehoord
ἐν
(en)
in
σοὶ
(soi)
jou
ἔτι
(eti)
meer
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
elke
τεχνίτης
(technites)
vakman
πάσης
(pases)
van elk
τέχνης
(technes)
vak
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
εὑρεθῇ
(heurethe)
zal worden gevonden
ἐν
(en)
in
σοὶ
(soi)
jou
ἔτι
(eti)
meer
καὶ
(kai)
en
φωνὴ
(phone)
geluid
μύλου
(mylou)
van een molen
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
ἀκουσθῇ
(akousthe)
zal worden gehoord
ἐν
(en)
in
σοὶ
(soi)
jou
ἔτι
(eti)
meer
Bron: SBLGNT
Uitleg

κιθαρῳδός (kitharodos), ‘citerspeler’, de zanger bij de citer; μουσικός (mousikos), ‘muzikant’; αὐλητής (auletes), ‘fluitspeler’; σαλπιστής (salpistes), ‘bazuinblazer’. τεχνίτης (technites), ‘vakman’.

Het Grieks herhaalt ‘beslist niet meer’ (οὐ μή … ἔτι, ou me … eti); wij houden de herhaling.

Zie ook Jer. 25:10.

Zie ookJer 25:10
23En het licht van een lamp zal beslist niet meer in jou schijnen. En de stem van bruidegom en bruid zal beslist niet meer in jou gehoord worden. Want jouw kooplieden waren de groten van de aarde, want door jouw toverij zijn alle volken misleid.
καὶ
(kai)
en
φῶς
(phos)
licht
λύχνου
(lychnou)
van een lamp
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
φάνῃ
(phane)
zal schijnen
ἐν
(en)
in
σοὶ
(soi)
jou
ἔτι
(eti)
meer
καὶ
(kai)
en
φωνὴ
(phone)
stem
νυμφίου
(nymphiou)
van bruidegom
καὶ
(kai)
en
νύμφης
(nymphes)
van bruid
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
ἀκουσθῇ
(akousthe)
zal worden gehoord
ἐν
(en)
in
σοὶ
(soi)
jou
ἔτι
(eti)
meer
ὅτι
(hoti)
omdat
οἱ
(hoi)
de
ἔμποροί
(emporoi)
kooplieden
σου
(sou)
jouw
ἦσαν
(esan)
waren
οἱ
(hoi)
de
μεγιστᾶνες
(megistanes)
groten
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐν
(en)
door
τῇ
(te)
de
φαρμακείᾳ
(pharmakeia)
toverij
σου
(sou)
jouw
ἐπλανήθησαν
(eplanethesan)
werden misleid
πάντα
(panta)
alle
τὰ
(ta)
de
ἔθνη
(ethne)
volken
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Jer. 25:10: ‘het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid, het geluid van de molenstenen en het licht van de lamp’ verdwijnen. μεγιστᾶνες (megistanes), ‘groten’. φαρμακεία (farmakeia), ‘toverij’: zoals in Nah. 3:4 (‘meesteres van de toverij’). πλανάω (planao), ‘op een dwaalspoor brengen, misleiden’.

Zie ook Jer. 25:10; Nah. 3:4.

24En in haar is het bloed van profeten en heiligen gevonden, en van allen die op de aarde zijn geslacht.”
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
αὐτῇ
(aute)
haar
αἷμα
(haima)
bloed
προφητῶν
(propheton)
van profeten
καὶ
(kai)
en
ἁγίων
(hagion)
van heiligen
εὑρέθη
(heurethe)
werd gevonden
καὶ
(kai)
en
πάντων
(panton)
van allen
τῶν
(ton)
de
ἐσφαγμένων
(esphagmenon)
geslachten
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
Bron: SBLGNT
Uitleg

σφάζω (sfazo), ‘slachten’: zoals het Lam ‘geslacht’ is (5:6).

Het bloed van de profeten en heiligen wordt ook genoemd in 16:6 en 17:6.

Vergelijk Jer. 51:49, waar Babel valt vanwege de gesneuvelden.

Zie ook Jer. 51:49; Openb. 16:6; Openb. 17:6.

Lezing

De SBLGNT markeert bij αἷμα (haima), ‘bloed’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.