Openbaring 18
De val van Babylon, de rouw van koningen, kooplieden en zeelieden en de molensteen in de zee
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een andere engel: Babylon is gevallen
ἄλλος (allos), ‘andere’. ἐξουσία (exousia), ‘gezag’. φωτίζω (fotizo), ‘verlichten’.
Vergelijk Ezech. 43:2, waar de aarde straalt van de heerlijkheid van de Elohim van Israël.
Zie ook Ezech. 43:2.
‘Gevallen, gevallen is Babylon’: de woorden van Jes. 21:9, ook in 14:8. κατοικητήριον (katoiketerion), ‘woonplaats’. φυλακή (fylake), ‘gevangenis’, ook ‘bewaakte plaats, wachtpost’: de ruïne is een plaats waar onreine geesten en dieren opgesloten zijn.
Vergelijk Jes. 13:21; Jes. 34:11; Jer. 50:39; Jer. 51:37, waar verwoeste steden bewoond worden door wilde dieren. θηρίον (therion), ‘dier’: hier zonder lidwoord, ‘elk dier’, en niet ‘het beest’ van hoofdstuk 13. Βαβυλών (Babylon): zie 14:8, 16:19 en 17:5; de tekst zegt niet welke plaats bedoeld is, en wij kiezen niet.
Zie ook Jes. 21:9; Jes. 13:21; Jes. 34:11; Jer. 50:39; Jer. 51:8; Jer. 51:37; Openb. 14:8.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ἐν (en), ‘met’, bij ἔπεσεν (epesen), ‘gevallen’, bij δαιμονίων (daimonion), ‘van demonen’ en bij de woorden καὶ φυλακὴ παντὸς θηρίου ἀκαθάρτου (kai fylake pantos theriou akathartou), ‘en gevangenis van elk dier onrein’.
Wij volgen de SBLGNT.
στρῆνος (strenos), ‘overdaad, weelde’: een zeldzaam woord; het werkwoord στρηνιάω (strenia) staat in de verzen 7 en 9. ἔμπορος (emporos), ‘koopman’.
De ‘wijn van de woede van haar ontucht’ is de wijn waarvan 14:8 spreekt.
Vergelijk Jes. 23:8 en Ezech. 27:33, waar de kooplieden van Tyrus rijkdom brengen aan de koningen van de aarde.
Zie ook Jes. 23:8; Ezech. 27:33; Jer. 51:7; Openb. 14:8; Openb. 17:2.
De SBLGNT markeert bij πέπτωκαν (peptokan), ‘zijn gevallen’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
„Ga weg uit haar, mijn volk”
Het Grieks zegt niet wie spreekt: ‘een andere stem uit de hemel’.
De stem zegt ‘mijn volk’, en spreekt in vers 5 over Elohim in de derde persoon; wij zetten de woorden zwart en schrijven ‘mijn’ met een kleine letter.
De oproep klinkt als Jes. 48:20; Jes. 52:11; Jer. 50:8; Jer. 51:6 en Jer. 51:45 (‘Ga uit haar midden, Mijn volk’). συγκοινωνέω (sygkoinoneo), ‘deel hebben aan’.
De woorden van de stem lopen door tot het einde van vers 8.
Zie ook Jes. 48:20; Jes. 52:11; Jer. 50:8; Jer. 51:6; Jer. 51:45.
De SBLGNT markeert hier varianten bij Ἐξέλθατε (exelthate), ‘ga weg’ en bij de woorden ὁ λαός μου ἐξ αὐτῆς (ho laos mou ex autes), ‘het volk mijn uit haar’.
Wij volgen de SBLGNT.
κολλάω (kollao), ‘vastkleven, vasthechten’: de zonden hebben zich tot aan de hemel aaneengehecht.
Vergelijk Jer. 51:9: ‘haar vonnis reikt tot aan de hemel’. μνημονεύω (mnemoneuo), ‘denken aan’: zoals in 16:19. ἀδίκημα (adikema), ‘onrechtvaardige daad’.
Zie ook Jer. 51:9; Openb. 16:19.
ἀποδίδωμι (apodidomi), ‘teruggeven’, ‘betalen’. διπλόω (diploo), ‘verdubbelen’. κεράννυμι (kerannymi), ‘mengen, inschenken’: zoals in 14:10.
De oproep is dezelfde als Jer. 50:29 (‘Betaal haar naar haar daad terug’); vergelijk ook Ps. 137:8 en Jer. 16:18 (‘dubbel vergelden’).
Het Grieks zegt niet tot wie de oproep ‘Geef haar terug’ gericht is.
Zie ook Jer. 50:29; Jer. 16:18; Ps. 137:8; Openb. 14:10.
De SBLGNT markeert hier varianten bij διπλώσατε (diplosate), ‘verdubbel’ en bij τὰ (ta), ‘het’.
Wij volgen de SBLGNT.
δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: zichzelf eer geven. στρηνιάω (strenia), ‘overdadig leven’. βασανισμός (basanismos), ‘kwelling’; πένθος (penthos), ‘rouw’.
Haar woorden lijken sterk op Jes. 47:8 (‘Ik zal niet als weduwe zitten’) en Zef. 2:15.
Haar woorden, die zij ‘in haar hart’ zegt, zetten wij apart, zoals elders de woorden van de tegenstanders van Elohim (bijvoorbeeld de slang in Gen. 3:1), tussen enkele aanhalingstekens binnen de woorden van de stem.
Zie ook Jes. 47:8; Jes. 47:9; Zef. 2:15.
‘Op één dag’: vergelijk Jes. 47:9, waar kinderverlies en weduwschap ‘op één dag’ komen. λιμός (limos), ‘honger’. κατακαίω (katakaio), ‘verbranden’: zie 17:16. κύριος ὁ θεός (kyrios ho theos): ‘Yahweh Elohim’, de Naam van de Elohim van Israël, zoals in 15:3.
De woorden van de stem eindigen hier.
Zie ook Jes. 47:9; Openb. 15:3; Openb. 17:16.
De klacht van de koningen
κόπτω (kopto), ‘slaan’: zich in rouw op de borst slaan, de rouwklacht aanheffen. πύρωσις (pyrosis), ‘brand’: een brand die iets zuivert of verteert.
Vergelijk Ezech. 26:16–17 en Ezech. 27:30–35, waar vorsten en zeelieden de ondergang van Tyrus bewenen.
Zie ook Ezech. 26:16; Ezech. 27:30–35.
οὐαί (ouai), ‘wee’.
‘In één uur’ (μιᾷ ὥρᾳ, mia hora): zoals in 17:12 en in de verzen 17 en 19.
Het Grieks heeft ‘de stad, de grote, Babylon, de stad, de sterke’ in de eerste naamval; wij laten het zo staan.
Zie ook Openb. 17:12; Openb. 18:17; Openb. 18:19.
De klacht van de kooplieden
γόμος (gomos), ‘lading, vracht’: de goederen van een schip.
De verzen 11–13 zijn een lijst; vergelijk Ezech. 27:12–25, waar de handelswaar van Tyrus wordt opgesomd.
Zie ook Ezech. 27:12–25.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden κλαίουσιν καὶ πενθοῦσιν (klaiousin kai penthousin), ‘huilen en rouwen’ en bij αὐτήν (auten), ‘haar’.
Wij volgen de SBLGNT.
βύσσινον (byssinon), ‘fijn linnen’; σιρικόν (sirikon), ‘zijde’; θύϊνον ξύλον (thyinon xylon), ‘thuja-hout’: een kostbaar hout; de precieze boomsoort is onzeker; ἐλεφάντινος (elefantinos), ‘ivoren’; μάρμαρος (marmaros), ‘marmer’. χαλκός (chalkos), ‘koper’: zoals in het Oude Testament (Exod. 25:3).
Zie ook Exod. 25:3; Ezech. 27:12–22.
De SBLGNT markeert hier varianten bij μαργαριτῶν (margariton), ‘van parels’, en bij πορφύρας (porfyras), ‘van purper’.
Wij volgen de SBLGNT.
κιννάμωμον (kinnamomon), ‘kaneel’; ἄμωμον (amomon), ‘amomum’: een specerij. θυμίαμα (thymiama), ‘wierook’: wat men brandt voor de geur; zo vertalen wij θυμίαμα in heel Openbaring (5:8; 8:3–4) en in Luc. 1:9–11. λίβανος (libanos) is een ander Grieks woord, de hars zelf; om het verschil te laten zien schrijven wij hier ‘wierookhars’.
Het Hebreeuwse woord daarvoor is לְבוֹנָה (levonah), zoals in Lev. 2:1, waar wij ‘wierook’ schrijven. μύρον (myron), ‘zalfolie’. σεμίδαλις (semidalis), ‘meelbloem’. ῥέδη (rhede), ‘wagen’: een leenwoord uit het Latijn. σῶμα (soma), ‘lichaam’: het woord wordt in de Griekse wereld ook voor slaven gebruikt; daarna staat ψυχαὶ ἀνθρώπων (psychai anthropon), ‘zielen van mensen’.
Vergelijk Ezech. 27:13, waar ‘mensenzielen’ worden verhandeld.
Zie ook Lev. 2:1; Ezech. 27:13; Luc. 1:9.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden καὶ ἄμωμον (kai amomon), ‘en amomum’ en bij de woorden κτήνη καὶ πρόβατα (ktene kai probata), ‘vee en schapen’.
Wij volgen de SBLGNT.
Dit vers richt zich tot de stad (‘je’, ‘jou’); het Grieks noemt de spreker niet.
Wij zetten het tussen aanhalingstekens. ὀπώρα (opora), ‘vrucht, oogst’; ἐπιθυμία (epithymia), ‘verlangen’; λιπαρός (liparos), ‘weelderig, rijk’; λαμπρός (lampros), ‘schitterend’.
De dubbele ontkenning οὐκέτι οὐ μή (ouketi ou me) vertalen wij met ‘beslist niet meer’.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden σου τῆς ἐπιθυμίας τῆς ψυχῆς (sou tes epithymias tes psyches), ‘je van het verlangen van de ziel’, bij οὐκέτι (ouketi), ‘niet meer’ en bij de woorden οὐ μὴ αὐτὰ εὑρήσουσιν (ou me auta heuresousin), ‘niet beslist die zullen vinden’.
Wij volgen de SBLGNT.
De kooplieden gaan ‘van verre’ staan, zoals de koningen in vers 10.
Vergelijk Ezech. 27:29–32.
Zie ook Ezech. 27:29–32.
De rouwklacht van de kooplieden begint hier (‘Wee, wee, de grote stad’) en loopt tot het eerste deel van vers 17.
De kleding van de stad (‘fijn linnen, purper, scharlaken’) is die van de vrouw in 17:4.
Zie ook Openb. 17:4.
De SBLGNT markeert bij λέγοντες (legontes), ‘zeggend’, en bij κεχρυσωμένη (kechrysomene), ‘getooid’, en bij μαργαρίτῃ (margarite), ‘parel’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De klacht van de zeelieden
κυβερνήτης (kybernetes), ‘stuurman’; ναύτης (nautes), ‘zeeman’. ἐπὶ τόπον πλέων (epi topon pleon), ‘wie naar een plaats vaart’: ook de reizigers. ὅσοι τὴν θάλασσαν ἐργάζονται (hosoi ten thalassan ergazontai), ‘allen die de zee bewerken’: allen die op zee werken.
Vergelijk Ezech. 27:29.
Zie ook Ezech. 27:29.
De vraag ‘Wie is gelijk aan de grote stad?’ klinkt als de vraag over Tyrus in Ezech. 27:32 (‘Wie was als Tyrus’) en als de vraag over het beest in 13:4.
Zie ook Ezech. 27:32; Openb. 13:4.
De SBLGNT markeert bij ἔκραξαν (ekraxan), ‘riepen’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘Stof op het hoofd werpen’ is een rouwgebaar (Joz. 7:6; Ezech. 27:30). τιμιότης (timiotes), ‘kostbaarheid, rijkdom’.
Zie ook Joz. 7:6; Ezech. 27:30.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ἔκραξαν (ekraxan), ‘riepen’ en bij πενθοῦντες (penthountes), ‘rouwend’.
Wij volgen de SBLGNT.
Verheug je over haar
εὐφραίνω (eufraino), ‘zich verheugen’; het eerste woord is enkelvoud, gericht tot ‘hemel’, en daarna staan ‘heiligen, apostelen en profeten’ in de eerste naamval. ἔκρινεν τὸ κρίμα ὑμῶν ἐξ αὐτῆς (ekrinen to krima hymon ex autes), letterlijk ‘heeft jullie oordeel uit haar geoordeeld’: Elohim heeft in de zaak van de heiligen tegen haar uitspraak gedaan.
Het Grieks noemt niet wie spreekt; wij zetten het tussen aanhalingstekens.
Vergelijk Deut. 32:43 en Jer. 51:48 (hemel en aarde juichen over Babel); zie ook 19:2.
Zie ook Deut. 32:43; Jer. 51:48; Openb. 19:2.
De molensteen in de zee
εἷς (heis), ‘één, een’: ‘een sterke engel’. μύλινος (mylinos), ‘van een molen’: een grote molensteen. ὅρμημα (hormema), ‘heftige beweging, geweld’.
Vergelijk Jer. 51:63–64, waar een boekrol met een steen in de Eufraat wordt geworpen.
De woorden van de engel lopen door tot het einde van vers 24.
Zie ook Jer. 51:63–64.
De SBLGNT markeert bij μύλινον (mylinon), ‘molen-’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
κιθαρῳδός (kitharodos), ‘citerspeler’, de zanger bij de citer; μουσικός (mousikos), ‘muzikant’; αὐλητής (auletes), ‘fluitspeler’; σαλπιστής (salpistes), ‘bazuinblazer’. τεχνίτης (technites), ‘vakman’.
Het Grieks herhaalt ‘beslist niet meer’ (οὐ μή … ἔτι, ou me … eti); wij houden de herhaling.
Zie ook Jer. 25:10.
Vergelijk Jer. 25:10: ‘het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid, het geluid van de molenstenen en het licht van de lamp’ verdwijnen. μεγιστᾶνες (megistanes), ‘groten’. φαρμακεία (farmakeia), ‘toverij’: zoals in Nah. 3:4 (‘meesteres van de toverij’). πλανάω (planao), ‘op een dwaalspoor brengen, misleiden’.
Zie ook Jer. 25:10; Nah. 3:4.
σφάζω (sfazo), ‘slachten’: zoals het Lam ‘geslacht’ is (5:6).
Het bloed van de profeten en heiligen wordt ook genoemd in 16:6 en 17:6.
Vergelijk Jer. 51:49, waar Babel valt vanwege de gesneuvelden.
Zie ook Jer. 51:49; Openb. 16:6; Openb. 17:6.
De SBLGNT markeert bij αἷμα (haima), ‘bloed’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.