Simson verbrandt de oogst en slaat de Filistijnen met een kaakbeen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Simsons vrouw is aan zijn vriend gegeven
1Na enige tijd, in de dagen van de tarweoogst, bezocht Simson zijn vrouw met een geitenbokje. Hij zei: „Laat mij naar mijn vrouw gaan, naar de kamer.” Maar haar vader liet hem niet binnengaan.
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
מִיָּמִ֜ים
(miyamim)
na enige tijd
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
קְצִיר
(qetsir)
oogst van
חִטִּ֗ים
(chitim)
tarwe
וַיִּפְקֹ֨ד
(vayifqod)
en bezocht
שִׁמְשׁ֤וֹן
(shimshon)
Simson
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּוֹ֙
(ishto)
zijn vrouw
בִּגְדִ֣י
(bigdi)
met een bokje van
עִזִּ֔ים
(izim)
geiten
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
אָבֹ֥אָה
(avoa)
laat mij binnengaan
אֶל
(el)
tot
אִשְׁתִּ֖י
(ishti)
mijn vrouw
הֶחָ֑דְרָה
(hechadera)
in de kamer
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נְתָנ֥וֹ
(netano)
liet toe
אָבִ֖יהָ
(aviha)
haar vader
לָבֽוֹא
(lavo)
om binnen te gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Simson brengt een geitenbokje mee als geschenk.
Met ‘de kamer’ (חֶדֶר, cheder) is haar slaapvertrek bedoeld.
2Haar vader zei: „Ik dacht echt dat je haar haatte. Daarom heb ik haar aan je vriend gegeven. Is haar jongere zus niet beter dan zij? Laat die toch jouw vrouw zijn in plaats van haar.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אָבִ֗יהָ
(aviha)
haar vader
אָמֹ֤ר
(amor)
zeggen
אָמַ֨רְתִּי֙
(amarti)
ik zei
כִּי
(ki)
dat
שָׂנֹ֣א
(sano)
haten
שְׂנֵאתָ֔הּ
(senetah)
je haatte haar
וָאֶתְּנֶ֖נָּה
(vaetenena)
en ik gaf haar
לְמֵרֵעֶ֑ךָ
(lemereekha)
aan je vriend
הֲלֹ֨א
(halo)
is niet
אֲחֹתָ֤הּ
(achotah)
haar zus
הַקְּטַנָּה֙
(haqetana)
de jongere
טוֹבָ֣ה
(tova)
beter
מִמֶּ֔נָּה
(mimena)
dan zij
תְּהִי
(tehi)
laat zijn
נָ֥א
(na)
toch
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
תַּחְתֶּֽיהָ
(tachteiha)
in plaats van haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Simson ging weg en ving 300 vossen. Hij nam fakkels. Hij keerde de vossen staart aan staart en plaatste één fakkel tussen elke twee staarten, in het midden.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
שִׁמְשׁ֔וֹן
(shimshon)
Simson
וַיִּלְכֹּ֖ד
(vayilkod)
en ving
שְׁלֹשׁ
(shelosh)
drie
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
שׁוּעָלִ֑ים
(shualim)
vossen
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
לַפִּדִ֗ים
(lapidim)
fakkels
וַיֶּ֤פֶן
(vayefen)
en keerde
זָנָב֙
(zanav)
staart
אֶל
(el)
naar
זָנָ֔ב
(zanav)
staart
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en plaatste
לַפִּ֥יד
(lapid)
fakkel
אֶחָ֛ד
(echad)
één
בֵּין
(bein)
tussen
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
הַזְּנָב֖וֹת
(hazenavot)
de staarten
בַּתָּֽוֶךְ
(batavekh)
in het midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁוּעָלִים (shu’alim), ‘vossen’: het woord kan ook ‘jakhalzen’ betekenen.
5Hij stak de fakkels aan en liet de vossen los in het staande graan van de Filistijnen. Zo brandde alles af, van de schoven tot het staande graan, en ook de olijfgaard.
וַיַּבְעֶר
(vayaver)
en stak aan
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
בַּלַּפִּידִ֔ים
(balapidim)
met de fakkels
וַיְשַׁלַּ֖ח
(vayshalach)
en liet los
בְּקָמ֣וֹת
(beqamot)
in het staande graan van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיַּבְעֵ֛ר
(vayaver)
en brandde af
מִגָּדִ֥ישׁ
(migadish)
van de schoven
וְעַד
(vead)
en tot
קָמָ֖ה
(qama)
staand graan
וְעַד
(vead)
en tot
כֶּ֥רֶם
(kerem)
wijngaard van
זָֽיִת
(zayit)
olijf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
כֶּרֶם זַיִת (kerem zayit), ‘olijfgaard’: letterlijk ‘wijngaard van olijf’.
6De Filistijnen vroegen: „Wie heeft dit gedaan?” Zij zeiden: „Simson, de schoonzoon van de Timniet. Want de Timniet heeft zijn vrouw genomen en aan zijn vriend gegeven.” Toen trokken de Filistijnen op en verbrandden haar en haar vader met vuur.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
פְלִשְׁתִּים֮
(pelishtim)
Filistijnen
מִ֣י
(mi)
wie
עָ֣שָׂה
(asa)
deed
זֹאת֒
(zot)
dit
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zij zeiden
שִׁמְשׁוֹן֙
(shimshon)
Simson
חֲתַ֣ן
(chatan)
schoonzoon van
הַתִּמְנִ֔י
(hatimni)
de Timniet
כִּ֚י
(ki)
want
לָקַ֣ח
(laqach)
hij nam
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַֽיִּתְּנָ֖הּ
(vayitenah)
en gaf haar
לְמֵרֵעֵ֑הוּ
(lemereehu)
aan zijn vriend
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en trokken op
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיִּשְׂרְפ֥וּ
(vayisrefu)
en verbrandden
אוֹתָ֛הּ
(otah)
haar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אָבִ֖יהָ
(aviha)
haar vader
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Lezing
De tekst zegt alleen ‘hij nam’.
Wij noemen de Timniet, omdat die de vrouw aan Simsons vriend gaf (vers 2).
Het vuur komt zo bij de vrouw en haar vader (vergelijk Richt. 14:15).
10De mannen van Juda vroegen: „Waarom zijn jullie tegen ons opgetrokken?” Zij zeiden: „Wij zijn opgetrokken om Simson te binden. Wij willen hem doen wat hij ons heeft gedaan.”
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
לָמָ֖ה
(lama)
waarom
עֲלִיתֶ֣ם
(alitem)
zijn jullie opgetrokken
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
tegen ons
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לֶאֱס֤וֹר
(leesor)
om te binden
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁמְשׁוֹן֙
(shimshon)
Simson
עָלִ֔ינוּ
(alinu)
wij zijn opgetrokken
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
ל֔וֹ
(lo)
hem
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
עָ֥שָׂה
(asa)
hij deed
לָֽנוּ
(lanu)
ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
113000 man uit Juda gingen naar de kloof van de rots Etam af. Zij zeiden tegen Simson: „Weet je niet dat de Filistijnen over ons heersen? Wat heb je ons aangedaan?” Hij zei tegen hen: „Zoals zij mij gedaan hebben, zo heb ik hen gedaan.”
וַיֵּרְד֡וּ
(vayeredu)
en daalden af
שְׁלֹשֶׁת֩
(sheloshet)
drie
אֲלָפִ֨ים
(alafim)
duizend
אִ֜ישׁ
(ish)
man
מִֽיהוּדָ֗ה
(mihuda)
uit Juda
אֶל
(el)
naar
סְעִיף֮
(seif)
kloof van
סֶ֣לַע
(sela)
rots
עֵיטָם֒
(eitam)
Etam
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
לְשִׁמְשׁ֗וֹן
(leshimshon)
tot Simson
הֲלֹ֤א
(halo)
is het niet
יָדַ֨עְתָּ֙
(yadata)
dat je weet
כִּֽי
(ki)
dat
מֹשְׁלִ֥ים
(moshelim)
heersers
בָּ֨נוּ֙
(banu)
over ons
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וּמַה
(uma)
en wat
זֹּ֖את
(zot)
dit
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
heb je gedaan
לָּ֑נוּ
(lanu)
aan ons
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
כַּאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
עָ֣שׂוּ
(asu)
zij deden
לִ֔י
(li)
aan mij
כֵּ֖ן
(ken)
zo
עָשִׂ֥יתִי
(asiti)
deed ik
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
12Zij zeiden tegen hem: „Wij zijn afgedaald om je te binden en je in de hand van de Filistijnen te geven.” Simson zei tegen hen: „Zweer mij dat jullie zelf mij niet zullen aanvallen.”
וַיֹּ֤אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
לוֹ֙
(lo)
tot hem
לֶאֱסָרְךָ֣
(leesarekha)
om je te binden
יָרַ֔דְנוּ
(yaradnu)
zijn wij afgedaald
לְתִתְּךָ֖
(letitekha)
om je te geven
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
שִׁמְשׁ֔וֹן
(shimshon)
Simson
הִשָּׁבְע֣וּ
(hishaveu)
zweer
לִ֔י
(li)
aan mij
פֶּֽן
(pen)
dat niet
תִּפְגְּע֥וּן
(tifgeun)
jullie aanvallen
בִּ֖י
(bi)
mij
אַתֶּֽם
(atem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
13Zij zeiden tegen hem: „Nee, wij willen je alleen binden en in hun hand geven. Wij zullen je niet doden.” Zij bonden hem met twee nieuwe touwen en haalden hem omhoog van de rots.
וַיֹּ֧אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לֹ֚א
(lo)
nee
כִּֽי
(ki)
maar
אָסֹ֤ר
(asor)
binden
נֶֽאֱסָרְךָ֙
(neesarekha)
wij zullen je binden
וּנְתַנּ֣וּךָ
(unetanukha)
en wij zullen je geven
בְיָדָ֔ם
(beyadam)
in hun hand
וְהָמֵ֖ת
(vehamet)
en doden
לֹ֣א
(lo)
niet
נְמִיתֶ֑ךָ
(nemitekha)
wij zullen je doden
וַיַּאַסְרֻ֗הוּ
(vayaasruhu)
en zij bonden hem
בִּשְׁנַ֨יִם֙
(bishnayim)
met twee
עֲבֹתִ֣ים
(avotim)
touwen
חֲדָשִׁ֔ים
(chadashim)
nieuwe
וַֽיַּעֲל֖וּהוּ
(vayaaluhu)
en zij haalden hem omhoog
מִן
(min)
van
הַסָּֽלַע
(hasala)
de rots
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Het kaakbeen van een ezel
14Hij kwam bij Lechi. De Filistijnen juichten hem tegemoet. Toen kwam de Geest van Yahweh met kracht over hem. De touwen om zijn armen werden als vlas dat in vuur verbrand is. Zijn banden smolten weg van zijn handen.
הוּא
(hu)
hij
בָ֣א
(ba)
kwam
עַד
(ad)
tot
לֶ֔חִי
(lechi)
Lechi
וּפִלְשִׁתִּ֖ים
(ufilshitim)
en Filistijnen
הֵרִ֣יעוּ
(heriu)
juichten
לִקְרָאת֑וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַתִּצְלַ֨ח
(vatitslach)
en kwam met kracht
עָלָ֜יו
(alav)
over hem
ר֣וּחַ
(ruach)
Geest van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתִּהְיֶ֨ינָה
(vatihyeina)
en werden
הָעֲבֹתִ֜ים
(haavotim)
de touwen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
om
זְרוֹעוֹתָ֗יו
(zerootav)
zijn armen
כַּפִּשְׁתִּים֙
(kapishtim)
als vlas
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בָּעֲר֣וּ
(baaru)
verbrand is
בָאֵ֔שׁ
(baesh)
in vuur
וַיִּמַּ֥סּוּ
(vayimasu)
en smolten
אֱסוּרָ֖יו
(esurav)
zijn banden
מֵעַ֥ל
(meal)
van
יָדָֽיו
(yadav)
zijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Lechi (ligging onzeker): Lechi lag in Juda, vermoedelijk in de Sefela.
De precieze plaats is niet bekend.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
וַיִּמַּסּוּ (vayimmasu), ‘smolten weg’: de touwen losten op als verbrand vlas.
16Simson zei: „Met het kaakbeen van de ezel: een hoop, twee hopen! Met het kaakbeen van de ezel heb ik 1000 man verslagen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שִׁמְשׁ֔וֹן
(shimshon)
Simson
בִּלְחִ֣י
(bilchi)
met het kaakbeen van
הַחֲמ֔וֹר
(hachamor)
de ezel
חֲמ֖וֹר
(chamor)
een hoop
חֲמֹרָתָ֑יִם
(chamoratayim)
twee hopen
בִּלְחִ֣י
(bilchi)
met het kaakbeen van
הַחֲמ֔וֹר
(hachamor)
de ezel
הִכֵּ֖יתִי
(hikeiti)
heb ik verslagen
אֶ֥לֶף
(elef)
duizend
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit korte lied van Simson heeft een woordspel: חֲמוֹר (chamor), ‘ezel’, klinkt als חֲמֹרָתַיִם (chamoratayim), ‘twee hopen’, van חָמַר (chamar), ‘ophopen’.
17Toen hij uitgesproken was, wierp hij het kaakbeen uit zijn hand. Die plaats noemde hij Ramat-Lechi.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כְּכַלֹּת֣וֹ
(kekhaloto)
toen hij klaar was
לְדַבֵּ֔ר
(ledaber)
met spreken
וַיַּשְׁלֵ֥ךְ
(vayashlekh)
en wierp
הַלְּחִ֖י
(halechi)
het kaakbeen
מִיָּד֑וֹ
(miyado)
uit zijn hand
וַיִּקְרָ֛א
(vayiqra)
en noemde
לַמָּק֥וֹם
(lamaqom)
die plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
רָ֥מַת
(ramat)
Ramat
לֶֽחִי
(lechi)
Lechi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Lechi (ligging onzeker): Lechi lag in Juda, vermoedelijk in de Sefela.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
רָמַת לֶחִי (ramat lechi) betekent ‘worp van het kaakbeen’ of ‘hoogte van Lechi’.
De betekenis is niet zeker.
Water uit de holte
18Hij kreeg zeer veel dorst en riep tot Yahweh. Hij zei: „U heeft deze grote redding door de hand van Uw dienaar gegeven. Nu zal ik van dorst sterven en in de hand van de onbesnedenen vallen.”
וַיִּצְמָא֮
(vayitsma)
en kreeg dorst
מְאֹד֒
(meod)
zeer
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en zei
אַתָּה֙
(ata)
U
נָתַ֣תָּ
(natata)
heeft gegeven
בְיַֽד
(beyad)
in de hand van
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
אֶת
(et)
(obj.)
הַתְּשׁוּעָ֥ה
(hateshua)
de redding
הַגְּדֹלָ֖ה
(hagedola)
de grote
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
אָמ֣וּת
(amut)
zal ik sterven
בַּצָּמָ֔א
(batsama)
van dorst
וְנָפַלְתִּ֖י
(venafalti)
en ik zal vallen
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
הָעֲרֵלִֽים
(haarelim)
de onbesnedenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Elohim spleet de holte die in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk, zijn geest keerde terug en hij leefde weer op. Daarom gaf hij haar de naam En-Hakkore. Die ligt in Lechi, tot op de dag van vandaag.
וַיִּבְקַ֨ע
(vayivqa)
en spleet
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּכְתֵּ֣שׁ
(hamakhtesh)
de holte
אֲשֶׁר
(asher)
die
בַּלֶּ֗חִי
(balechi)
in Lechi
וַיֵּצְא֨וּ
(vayetseu)
en kwamen uit
מִמֶּ֤נּוּ
(mimenu)
eruit
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
וַיֵּ֔שְׁתְּ
(vayesht)
en hij dronk
וַתָּ֥שָׁב
(vatashav)
en keerde terug
רוּח֖וֹ
(rucho)
zijn geest
וַיֶּ֑חִי
(vayechi)
en leefde op
עַל
(al)
op
כֵּ֣ן
(ken)
zo
קָרָ֣א
(qara)
hij noemde
שְׁמָ֗הּ
(shemah)
haar naam
עֵ֤ין
(ein)
bron van
הַקּוֹרֵא֙
(haqore)
de roeper
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּלֶּ֔חִי
(balechi)
in Lechi
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)