Elohim Bijbel

Richteren 6

123456789101112131415161718192021

Midian, de roeping van Gideon en de vacht

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Midian onderdrukt Israël

1De zonen van Israël deden wat slecht was in de ogen van Yahweh. Yahweh gaf hen zeven jaar lang in de hand van Midian.
וַיַּעֲשׂ֧וּ
(vayaasu)
en deden
בְנֵי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתְּנֵ֧ם
(vayitenem)
en gaf hen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
in hand van
מִדְיָ֖ן
(midyan)
Midian
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִֽים
(shanim)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Midian is een volk van nomaden, nakomelingen van Abrahams zoon Midian (Gen. 25:2).

Het leeft ten oosten van de Araba en in het noordwesten van het Arabische schiereiland.

Zeven jaar is de duur van deze onderdrukking.

2De hand van Midian kreeg de overhand over Israël. Vanwege Midian maakten de zonen van Israël voor zichzelf de bergholen die in het bergland liggen, de grotten en de burchten.
וַתָּ֥עָז
(vataaz)
en werd sterk
יַד
(yad)
hand van
מִדְיָ֖ן
(midyan)
Midian
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מִפְּנֵ֨י
(mipenei)
vanwege
מִדְיָ֜ן
(midyan)
Midian
עָשֽׂוּ
(asu)
maakten
לָהֶ֣ם
(lahem)
voor zich
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְהָרוֹת֙
(haminharot)
de bergholen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בֶּֽהָרִ֔ים
(beharim)
in de bergen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּעָר֖וֹת
(hamearot)
de grotten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּצָדֽוֹת
(hametsadot)
de burchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמִּנְהָרוֹת (haminharot), ‘de bergholen’: schuilplaatsen in kloven en rotsen.

Het woord komt maar één keer voor, dus de betekenis is niet zeker.

Wij houden ons aan de gangbare verklaring ‘holen’.

3Telkens wanneer Israël had gezaaid, trok Midian op, en Amalek en de zonen van het oosten. Zij trokken tegen hem op.
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het was
אִם
(im)
als
זָרַ֣ע
(zara)
had gezaaid
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְעָלָ֨ה
(veala)
en trok op
מִדְיָ֧ן
(midyan)
Midian
וַֽעֲמָלֵ֛ק
(vaamaleq)
en Amalek
וּבְנֵי
(uvenei)
en zonen van
קֶ֖דֶם
(qedem)
het oosten
וְעָל֥וּ
(vealu)
en trokken op
עָלָֽיו
(alav)
tegen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי־קֶדֶם (bnei qedem), ‘de zonen van het oosten’: volken van de woestijn ten oosten van de Jordaan, bekend uit Gen. 29:1.

Amalek is het volk uit de Negev (Exod. 17:8).

4Zij sloegen hun kamp tegen hen op. Zij vernietigden de opbrengst van het land, tot aan Gaza. Zij lieten niets te leven over in Israël: geen schaap, geen rund en geen ezel.
וַיַּחֲנ֣וּ
(vayachanu)
en legerden zich
עֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tegen hen
וַיַּשְׁחִ֨יתוּ֙
(vayashchitu)
en vernietigden
אֶת
(et)
(obj.)
יְב֣וּל
(yevul)
opbrengst van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
עַד
(ad)
tot
בּוֹאֲךָ֖
(boakha)
je komst
עַזָּ֑ה
(aza)
Gaza
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַשְׁאִ֤ירוּ
(yashiru)
lieten over
מִֽחְיָה֙
(michya)
levensonderhoud
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
וְשֶׂ֥ה
(vese)
en schaap
וָשׁ֖וֹר
(vashor)
en rund
וַחֲמֽוֹר
(vachamor)
en ezel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van Kanaän (de huidige Gazastrook).

De plundertochten van Midian reikten dus van de Jizreëlvlakte in het noorden tot helemaal in het zuiden.

5Want zij trokken op met hun vee en hun tenten. Zij kwamen zo talrijk als sprinkhanen. Zij en hun kamelen waren niet te tellen. Zij kwamen in het land om het te verwoesten.
כִּ֡י
(ki)
want
הֵם֩
(hem)
zij
וּמִקְנֵיהֶ֨ם
(umiqneihem)
en hun vee
יַעֲל֜וּ
(yaalu)
trokken op
וְאָהֳלֵיהֶ֗ם
(veaholeihem)
en hun tenten
וּבָ֤אוּ
(uvau)
en kwamen
כְדֵֽי
(kedei)
zoals
אַרְבֶּה֙
(arbe)
sprinkhaan
לָרֹ֔ב
(larov)
in menigte
וְלָהֶ֥ם
(velahem)
en voor hen
וְלִגְמַלֵּיהֶ֖ם
(veligmaleihem)
en voor hun kamelen
אֵ֣ין
(ein)
geen
מִסְפָּ֑ר
(mispar)
getal
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en kwamen
בָאָ֖רֶץ
(baarets)
in het land
לְשַׁחֲתָֽהּ
(leshachatah)
om het te verwoesten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Midian kwam met kamelen: een heel nieuwe manier van oorlog voeren, snel en ver.

Zie ook Richt. 7:12 en 8:21, 26.

De vergelijking met sprinkhanen komt terug in Richt. 7:12.

Israël roept om hulp

6Israël werd zeer arm door Midian. Toen riepen de zonen van Israël om hulp tot Yahweh.
וַיִּדַּ֧ל
(vayidal)
en werd arm
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
מִדְיָ֑ן
(midyan)
Midian
וַיִּזְעֲק֥וּ
(vayizaqu)
en riepen om hulp
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.

Uitleg

וַיִּזְעֲקוּ (vayiz’aqu), ‘zij riepen om hulp’: de roep van wie in nood is.

Hetzelfde woord staat in Exod. 2:23.

Dit is het patroon in Richteren: zonde, onderdrukking, een roep om hulp en een redder.

Zie Richt. 3:9, 15.

7Toen de zonen van Israël om hulp riepen tot Yahweh vanwege Midian,
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כִּֽי
(ki)
toen
זָעֲק֥וּ
(zaaqu)
riepen om hulp
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עַ֖ל
(al)
vanwege
אֹד֥וֹת
(odot)
de zaak van
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De profeet van Yahweh

8stuurde Yahweh een man, een profeet, naar de zonen van Israël. Hij zei tegen hen: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Ik heb jullie uit Egypte laten optrekken. Ik heb jullie uit het slavenhuis geleid.
וַיִּשְׁלַ֧ח
(vayishlach)
en stuurde
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אִ֥ישׁ
(ish)
man
נָבִ֖יא
(navi)
profeet
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֜ם
(lahem)
tot hen
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אָנֹכִ֞י
(anokhi)
ik
הֶעֱלֵ֤יתִי
(heeleiti)
liet optrekken
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וָאֹצִ֥יא
(vaotsi)
en leidde uit
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
עֲבָדִֽים
(avadim)
slaven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אִישׁ נָבִיא (ish navi), ‘een man, een profeet’: de naam van deze profeet noemt de tekst niet.

Hij brengt een woord van Yahweh.

Wij zetten dat woord rood, omdat Yahweh er in de ik-vorm in spreekt.

Vergelijk Exod. 5:1 en Richt. 2:1–3.

בֵּית עֲבָדִים (beit avadim), ‘slavenhuis’: Egypte. Zie Exod. 13:3 en Deut. 5:6.

9Ik heb jullie gered uit de hand van Egypte en uit de hand van allen die jullie onderdrukten. Ik heb hen voor jullie uit verdreven en jullie hun land gegeven.
וָאַצִּ֤ל
(vaatsil)
en redde
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּמִיַּ֖ד
(umiyad)
en uit de hand van
כָּל
(kal)
alle
לֹחֲצֵיכֶ֑ם
(lochatseikhem)
die jullie onderdrukten
וָאֲגָרֵ֤שׁ
(vaagaresh)
en verdreef
אוֹתָם֙
(otam)
hen
מִפְּנֵיכֶ֔ם
(mipeneikhem)
voor jullie uit
וָאֶתְּנָ֥ה
(vaetena)
en gaf
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצָֽם
(artsam)
hun land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit woord herinnert aan de verdrijving van de volken uit Kanaän (Exod. 23:28–31; Joz. 24:11–13).

10Ik zei tegen jullie: Ik ben Yahweh, jullie Elohim. Vrees de goden van de Amorieten niet, in wier land jullie wonen. Maar jullie hebben niet naar Mijn stem geluisterd.’”
וָאֹמְרָ֣ה
(vaomera)
en zei
לָכֶ֗ם
(lakhem)
tot jullie
אֲנִי֙
(ani)
ik
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
לֹ֤א
(lo)
niet
תִֽירְאוּ֙
(tireu)
vrees
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
goden van
הָאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
יוֹשְׁבִ֣ים
(yoshevim)
wonende
בְּאַרְצָ֑ם
(beartsam)
in hun land
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֖ם
(shematem)
hebben jullie geluisterd
בְּקוֹלִֽי
(beqoli)
naar Mijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘goden van de Amorieten’ zijn de goden van de volken in het land, zoals Baäl en Asjera (vers 25).

Dat Israël niet naar Yahweh luisterde, is de reden van de onderdrukking.

Zie Exod. 20:2–5 en Richt. 2:1–3.

De engel van Yahweh roept Gideon

11De engel van Yahweh kwam en ging zitten onder de terebint bij Ofra. Die was van Joas, de Abiëzeriet. Zijn zoon Gideon sloeg tarwe uit in de wijnpers, om het in veiligheid te brengen voor Midian.
וַיָּבֹ֞א
(vayavo)
en kwam
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֨שֶׁב֙
(vayeshev)
en zat
תַּ֤חַת
(tachat)
onder
הָֽאֵלָה֙
(haela)
de terebint
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּעָפְרָ֔ה
(beafera)
in Ofra
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לְיוֹאָ֖שׁ
(leyoash)
van Joas
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
הָֽעֶזְרִ֑י
(haezri)
de Ezriet
וְגִדְע֣וֹן
(vegidon)
en Gideon
בְּנ֗וֹ
(beno)
zijn zoon
חֹבֵ֤ט
(chovet)
sloeg uit
חִטִּים֙
(chitim)
tarwe
בַּגַּ֔ת
(bagat)
in de wijnpers
לְהָנִ֖יס
(lehanis)
om in veiligheid te brengen
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ofra, de stad van Joas en de Abiëzerieten, lag in het gebied van Manasse, ten westen van de Jordaan.

De juiste ligging is niet bekend.

Vaak noemt men Afula (Israël) of een plaats in het bergland ten zuidwesten van de Jizreëlvlakte.

Dit is onzeker.

Er is ook een andere Ofra in Benjamin (Joz. 18:23).

Uitleg

אֵלָה (elah), ‘terebint’: een grote boom, zoals in Gen. 35:4.

אֲבִי הָעֶזְרִי (avi ha’ezri), ‘de Abiëzeriet’: het geslacht van Abiëzer, uit Manasse (Joz. 17:2). In Num. 26:30 heet hij Iëzer. Zie ook vers 34.

גַּת (gat), ‘wijnpers’: een uitgehouwen kuip in de rots. Gideon dorst daar in het geheim, omdat een dorsvloer in de open lucht te opvallend was. Zie ook vers 37.

מַלְאַךְ יְהוָה (mal’ak Yahweh), ‘engel van Yahweh’: in dit verhaal gaat de engel over in Yahweh Zelf (vers 14, 16 en 23). Vergelijk Exod. 3:2–4 en Gen. 16:7–13.

12De engel van Yahweh verscheen aan hem en zei tegen hem: „Yahweh is met je, dappere held.”
וַיֵּרָ֥א
(vayera)
en verscheen
אֵלָ֖יו
(elav)
aan hem
מַלְּאַ֣ךְ
(maleakh)
engel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמְּךָ֖
(imekha)
met je
גִּבּ֥וֹר
(gibor)
held van
הֶחָֽיִל
(hechayil)
de kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבּוֹר הֶחָיִל (gibbor hechayil), ‘dappere held’: letterlijk ‘held van de kracht’.

Zo wordt een krijger of een man van aanzien genoemd.

Gideon is op dat moment juist bang en verborgen.

Lezing

De engel spreekt hier over Yahweh in de derde persoon (‘Yahweh is met je’).

Daarom zetten wij deze woorden niet rood.

Vanaf vers 14 noemt de tekst zelf Yahweh als spreker en staat het rood.

13Gideon zei tegen hem: „Ach, mijn heer, als Yahweh met ons is, waarom is ons dan dit alles overkomen? Waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaders ons vertelden toen zij zeiden: ‘Heeft Yahweh ons niet uit Egypte laten optrekken?’ Maar nu heeft Yahweh ons verlaten. Hij heeft ons in de hand van Midian gegeven.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֤יו
(elav)
tot hem
גִּדְעוֹן֙
(gidon)
Gideon
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
וְיֵ֤שׁ
(veyesh)
en indien er is
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּ֔נוּ
(imanu)
met ons
וְלָ֥מָּה
(velama)
en waarom
מְצָאַ֖תְנוּ
(metsaatnu)
is overkomen ons
כָּל
(kal)
al
זֹ֑את
(zot)
dit
וְאַיֵּ֣ה
(veaye)
en waar
כָֽל
(kal)
al
נִפְלְאֹתָ֡יו
(nifleotav)
Zijn wonderen
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
סִפְּרוּ
(siperu)
vertelden
לָ֨נוּ
(lanu)
aan ons
אֲבוֹתֵ֜ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
הֲלֹ֤א
(halo)
niet
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
uit Egypte
הֶעֱלָ֣נוּ
(heelanu)
liet ons optrekken
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
נְטָשָׁ֣נוּ
(netashanu)
heeft ons verlaten
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיִּתְּנֵ֖נוּ
(vayitenenu)
en gaf ons
בְּכַף
(bekhaf)
in de hand van
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

בִּי אֲדוֹנִי (bi adoni), ‘ach, mijn heer’: Gideon spreekt de onbekende man respectvol aan met een gewone aanspreektitel, met kleine letter.

Hij weet nog niet dat het de engel van Yahweh is (vers 22).

Vergelijk vers 15, waar de klinkers אֲדֹנָי (Adonai) geven.

De vraag van Gideon sluit aan op Richt. 2:1–3 en op de verhalen over de uittocht, zoals Exod. 14.

14Yahweh wendde Zich naar hem toe en zei: „Ga met deze kracht van je en red Israël uit de hand van Midian. Heb Ik je niet gestuurd?”
וַיִּ֤פֶן
(vayifen)
en wendde zich
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
לֵ֚ךְ
(lekh)
ga
בְּכֹחֲךָ֣
(bekhochakha)
met je kracht
זֶ֔ה
(ze)
deze
וְהוֹשַׁעְתָּ֥
(vehoshata)
en red
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִכַּ֣ף
(mikaf)
uit de hand van
מִדְיָ֑ן
(midyan)
Midian
הֲלֹ֖א
(halo)
niet
שְׁלַחְתִּֽיךָ
(shelachtikha)
heb Ik je gestuurd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier noemt de tekst Yahweh Zelf als spreker.

Wij zetten de woorden rood.

De engel van Yahweh en Yahweh zijn in dit verhaal niet te onderscheiden.

Zie de voetnoot bij vers 11.

בְּכֹחֲךָ זֶה (bechochakha ze), ‘met deze kracht van je’: de kracht die Gideon heeft, of de kracht die Yahweh nu geeft. Het Hebreeuws laat dat open.

15Hij zei tegen Hem: „Ach, mijn Heer, waarmee zou ik Israël redden? Zie, mijn familie is de zwakste in Manasse. En ik ben de jongste in het huis van mijn vader.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot Hem
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדֹנָ֔י
(adonay)
mijn Heer
בַּמָּ֥ה
(bama)
waarmee
אוֹשִׁ֖יעַ
(oshia)
zal ik redden
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אַלְפִּי֙
(alpi)
mijn familie
הַדַּ֣ל
(hadal)
de zwakste
בִּמְנַשֶּׁ֔ה
(bimnashe)
in Manasse
וְאָנֹכִ֥י
(veanokhi)
en ik
הַצָּעִ֖יר
(hatsair)
de jongste
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in huis van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: de klinkers van deze vorm worden gebruikt als aanspreking van Elohim.

Wij schrijven ‘mijn Heer’ met hoofdletter, omdat Gideon nu tot Yahweh spreekt.

אַלְפִּי (alpi), ‘mijn familie’: letterlijk ‘mijn duizend’. Een ‘duizend’ is een onderdeel van een stam, een groep families. Zie Num. 1:16 en Mich. 5:1.

16Yahweh zei tegen hem: „Want Ik zal met je zijn. Je zult Midian slaan als was het één man.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
אֶהְיֶ֖ה
(ehye)
Ik zal zijn
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met je
וְהִכִּיתָ֥
(vehikita)
en je zult slaan
אֶת
(et)
(obj.)
מִדְיָ֖ן
(midyan)
Midian
כְּאִ֥ישׁ
(keish)
als man
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het teken van het offer

17Hij zei tegen Hem: „Als ik gunst in Uw ogen heb gevonden, geef mij dan een teken dat U het bent die met mij spreekt.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tot Hem
אִם
(im)
indien
נָ֛א
(na)
toch
מָצָ֥אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in Uw ogen
וְעָשִׂ֤יתָ
(veasita)
en doe
לִּי֙
(li)
voor mij
א֔וֹת
(ot)
teken
שָׁאַתָּ֖ה
(shaata)
dat U
מְדַבֵּ֥ר
(medaber)
spreekt
עִמִּֽי
(imi)
met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gideon vraagt om een teken, zoals ook Mozes dat kreeg (Exod. 3:12; 4:1–9).

Zie ook Richt. 6:36–40.

חֵן (chen), ‘gunst’: vergelijk Gen. 6:8 en Exod. 33:12–13.

18Wijk toch niet hier vandaan, totdat ik bij U kom. Dan breng ik mijn offergave naar buiten en leg die voor U neer.” Hij zei: „Ik zal blijven tot je terugkeert.”
אַל
(al)
niet
נָ֨א
(na)
toch
תָמֻ֤שׁ
(tamush)
wijk
מִזֶּה֙
(mize)
hiervandaan
עַד
(ad)
totdat
בֹּאִ֣י
(boi)
ik kom
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot U
וְהֹֽצֵאתִי֙
(vehotseti)
en breng naar buiten
אֶת
(et)
(obj.)
מִנְחָתִ֔י
(minchati)
mijn offergave
וְהִנַּחְתִּ֖י
(vehinachti)
en leg neer
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor U
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en zei
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
אֵשֵׁ֖ב
(eshev)
zal blijven
עַ֥ד
(ad)
totdat
שׁוּבֶֽךָ
(shuvekha)
je terugkeert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘offergave’: hier een maaltijd voor een gast die ook een offer wordt.

In vers 19 maakt Gideon die gave voor Hem klaar.

Wij houden ‘offergave’, zoals in Gen. 4:3–5.

19Gideon ging naar binnen en maakte een bokje klaar. Van een efa meel maakte hij ongezuurde broden. Het vlees legde hij in een mand en de jus deed hij in een pot. Hij bracht het naar buiten, naar Hem toe, onder de terebint, en bood het aan.
וְגִדְע֣וֹן
(vegidon)
en Gideon
בָּ֗א
(ba)
kwam
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en maakte klaar
גְּדִֽי
(gedi)
bokje van
עִזִּים֙
(izim)
geiten
וְאֵיפַת
(veeifat)
en efa van
קֶ֣מַח
(qemach)
meel
מַצּ֔וֹת
(matsot)
ongezuurde broden
הַבָּשָׂר֙
(habasar)
het vlees
שָׂ֣ם
(sam)
legde hij
בַּסַּ֔ל
(basal)
in de mand
וְהַמָּרַ֖ק
(vehamaraq)
en de jus
שָׂ֣ם
(sam)
legde hij
בַּפָּר֑וּר
(baparur)
in de pot
וַיּוֹצֵ֥א
(vayotse)
en bracht naar buiten
אֵלָ֛יו
(elav)
naar Hem
אֶל
(el)
tot
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הָאֵלָ֖ה
(haela)
de terebint
וַיַּגַּֽשׁ
(vayagash)
en bood aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een efa is ongeveer 22 liter.

Dit is veel meel voor één maaltijd, een gave voor een bijzondere gast.

Vergelijk Gen. 18:6.

מָרַק (marak), ‘jus’: het vocht waarin het vlees is gekookt.

20De engel van Elohim zei tegen hem: „Neem het vlees en de ongezuurde broden. Leg ze neer op die rots daar. Giet de jus uit.” Hij deed dat.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
קַ֣ח
(qach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּשָׂ֤ר
(habasar)
het vlees
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמַּצּוֹת֙
(hamatsot)
de ongezuurde broden
וְהַנַּח֙
(vehanach)
en leg neer
אֶל
(el)
op
הַסֶּ֣לַע
(hasela)
de rots
הַלָּ֔ז
(halaz)
die daar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמָּרַ֖ק
(hamaraq)
de jus
שְׁפ֑וֹךְ
(shefokh)
giet uit
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en deed
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאַךְ הָאֱלֹהִים (mal’ak haElohim), ‘engel van Elohim’: dezelfde engel als de ‘engel van Yahweh’ in vers 11, 12 en 21.

Wij laten deze woorden zwart, omdat het opdrachten zijn aan Gideon en niet duidelijk is of de engel hier als Yahweh Zelf spreekt.

21De engel van Yahweh stak het uiteinde van de staf uit die in zijn hand was. Hij raakte het vlees en de ongezuurde broden aan. Er kwam vuur uit de rots omhoog dat het vlees en de ongezuurde broden verteerde. Toen verdween de engel van Yahweh uit zijn ogen.
וַיִּשְׁלַ֞ח
(vayishlach)
en stak uit
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
קְצֵ֤ה
(qetse)
uiteinde van
הַמִּשְׁעֶ֨נֶת֙
(hamishenet)
de staf
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיִּגַּ֥ע
(vayiga)
en raakte aan
בַּבָּשָׂ֖ר
(babasar)
het vlees
וּבַמַּצּ֑וֹת
(uvamatsot)
en de ongezuurde broden
וַתַּ֨עַל
(vataal)
en kwam omhoog
הָאֵ֜שׁ
(haesh)
het vuur
מִן
(min)
uit
הַצּ֗וּר
(hatsur)
de rots
וַתֹּ֤אכַל
(vatokhal)
en verteerde
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּשָׂר֙
(habasar)
het vlees
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמַּצּ֔וֹת
(hamatsot)
de ongezuurde broden
וּמַלְאַ֣ךְ
(umalakh)
en engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הָלַ֖ךְ
(halakh)
ging weg
מֵעֵינָֽיו
(meeinav)
uit zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het vuur dat het offer verteert, bevestigt het teken (vers 17).

Zo gebeurde het ook in Lev. 9:24 en 1 Kon. 18:38.

De engel verdwijnt: zijn gestalte is niet meer te zien.

22Gideon zag dat het de engel van Yahweh was. Gideon zei: „Ach, mijn Heer Yahweh! Want ik heb de engel van Yahweh van aangezicht tot aangezicht gezien.”
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
גִּדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
כִּֽי
(ki)
dat
מַלְאַ֥ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
ה֑וּא
(hu)
hij
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
גִּדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
אֲהָהּ֙
(ahah)
ach
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
daarom
כֵּ֤ן
(ken)
dit
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
heb ik gezien
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
פָּנִ֖ים
(panim)
aangezicht
אֶל
(el)
tot
פָּנִֽים
(panim)
aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘mijn Heer Yahweh’: Gideon beseft nu dat hij met de engel van Yahweh heeft gesproken.

פָּנִים אֶל־פָּנִים (panim el panim), ‘van aangezicht tot aangezicht’: wie zo Yahweh zag, vreesde te sterven. Zie Gen. 32:31, Exod. 33:20 en Richt. 13:22.

23Yahweh zei tegen hem: „Vrede voor je. Wees niet bang. Je zult niet sterven.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֧וֹ
(lo)
tot hem
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁל֥וֹם
(shalom)
vrede
לְךָ֖
(lekha)
voor je
אַל
(al)
niet
תִּירָ֑א
(tira)
vrees
לֹ֖א
(lo)
niet
תָּמֽוּת
(tamut)
zult sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: heelheid en welzijn.

Yahweh stelt Gideon gerust voordat hij met zijn opdracht begint.

24Gideon bouwde daar een altaar voor Yahweh. Hij noemde het ‘Yahweh is vrede’. Tot op deze dag staat het nog in Ofra van de Abiëzeriet.
וַיִּבֶן֩
(vayiven)
en bouwde
שָׁ֨ם
(sham)
daar
גִּדְע֤וֹן
(gidon)
Gideon
מִזְבֵּ֨חַ֙
(mizbeach)
altaar
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיִּקְרָא
(vayiqra)
en noemde
ל֥וֹ
(lo)
het
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁל֑וֹם
(shalom)
vrede
עַ֚ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
עוֹדֶ֕נּוּ
(odenu)
nog
בְּעָפְרָ֖ת
(beaferat)
in Ofra van
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
הָעֶזְרִֽי
(haezri)
de Ezriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ofra (van de Abiëzeriet, ligging onzeker): Ofra, de stad van Gideon, lag in het gebied van Manasse.

De precieze plaats is niet zeker; Afula in het noorden is voorgesteld.

Uitleg

יְהוָה שָׁלוֹם (Yahweh Shalom), ‘Yahweh is vrede’: de naam van het altaar.

Het blijft staan in Ofra tot de tijd van de schrijver.

Gideon breekt het altaar van Baäl af

25In diezelfde nacht zei Yahweh tegen hem: „Neem de stier van je vader en de tweede stier, zeven jaar oud. Breek het altaar van Baäl af dat je vader heeft. Kap de heilige paal om die erbij staat.
וַיְהִי֮
(vayhi)
en het was
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַהוּא֒
(hahu)
die
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
קַ֤ח
(qach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
פַּר
(par)
stier van
הַשּׁוֹר֙
(hashor)
de os
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְאָבִ֔יךָ
(leavikha)
van je vader
וּפַ֥ר
(ufar)
en tweede stier
הַשֵּׁנִ֖י
(hasheni)
de tweede
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaar
וְהָרַסְתָּ֗
(veharasta)
en breek af
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבַּ֤ח
(mizbach)
altaar van
הַבַּ֨עַל֙
(habaal)
de Baäl
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְאָבִ֔יךָ
(leavikha)
van je vader
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֲשֵׁרָ֥ה
(haashera)
de heilige paal
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָלָ֖יו
(alav)
erbij
תִּכְרֹֽת
(tikhrot)
kap om
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֲשֵׁרָה (ha’asherah), ‘de heilige paal’: een paal of boom bij een heiligdom van Baäl en de godin Asjera.

Zie Exod. 34:13 en Deut. 7:5.

Lezing

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Neem de stier van je vader en een tweede stier, zeven jaar’.

Er kunnen twee stieren bedoeld zijn: een stier van het vee van Joas en een tweede stier van zeven jaar.

Het kan ook om één stier gaan, die met twee beschrijvingen wordt genoemd (vergelijk vers 26, waar maar één tweede stier wordt geofferd).

Wij houden de woorden zoals ze staan.

De zevenjarige stier past bij de zeven jaar van de onderdrukking (vers 1).

26Bouw een altaar voor Yahweh, je Elohim, boven op deze vesting, op de juiste wijze. Neem de tweede stier en breng die als brandoffer, met het hout van de heilige paal die je omkapt.”
וּבָנִ֨יתָ
(uvanita)
en bouw
מִזְבֵּ֜חַ
(mizbeach)
altaar
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
je Elohim
עַ֣ל
(al)
op
רֹ֧אשׁ
(rosh)
top van
הַמָּע֛וֹז
(hamaoz)
de vesting
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
בַּמַּֽעֲרָכָ֑ה
(bamaarakha)
op de juiste wijze
וְלָֽקַחְתָּ֙
(velaqachta)
en neem
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֣ר
(hapar)
de stier
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
וְהַעֲלִ֣יתָ
(vehaalita)
en breng op
עוֹלָ֔ה
(ola)
brandoffer
בַּעֲצֵ֥י
(baatsei)
met hout van
הָאֲשֵׁרָ֖ה
(haashera)
de heilige paal
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תִּכְרֹֽת
(tikhrot)
je omkapt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמָּעוֹז (hamaoz), ‘de vesting’: een versterkte hoogte, vermoedelijk bij Ofra.

בַּמַּעֲרָכָה (bamma’arakhah), ‘op de juiste wijze’: letterlijk ‘in de orde’.

Het gaat om het ordelijk opstapelen van het hout en het offer, zoals in Lev. 1:7–8.

Het hout van de heilige paal wordt het brandhout.

27Gideon nam tien mannen van zijn dienaren en deed wat Yahweh tegen hem had gezegd. Hij was bang voor het huis van zijn vader en de mannen van de stad. Daarom durfde hij het niet overdag te doen. Hij deed het 's nachts.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
גִּדְע֜וֹן
(gidon)
Gideon
עֲשָׂרָ֤ה
(asara)
tien
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
מֵֽעֲבָדָ֔יו
(meavadav)
van zijn dienaren
וַיַּ֕עַשׂ
(vayaas)
en deed
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
omdat
יָרֵא֩
(yare)
hij vreesde
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֨ית
(beit)
huis van
אָבִ֜יו
(aviv)
zijn vader
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
הָעִ֛יר
(hair)
de stad
מֵעֲשׂ֥וֹת
(measot)
om te doen
יוֹמָ֖ם
(yomam)
overdag
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
לָֽיְלָה
(layela)
's nachts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gideon gehoorzaamt, maar uit angst doet hij het ’s nachts.

Zijn vrees voor zijn vaders huis was reëel: zie vers 30.

28Toen de mannen van de stad 's morgens vroeg opstonden, zie: het altaar van Baäl was omgehaald. De heilige paal die erbij stond was omgekapt. En de tweede stier was als offer gebracht op het altaar dat gebouwd was.
וַיַּשְׁכִּ֜ימוּ
(vayashkimu)
en stonden vroeg op
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
בַּבֹּ֔קֶר
(baboqer)
's morgens
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
נֻתַּץ֙
(nutats)
omgehaald
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
altaar van
הַבַּ֔עַל
(habaal)
de Baäl
וְהָאֲשֵׁרָ֥ה
(vehaashera)
en de heilige paal
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָלָ֖יו
(alav)
erbij
כֹּרָ֑תָה
(korata)
omgekapt
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
הַפָּ֣ר
(hapar)
de stier
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
הֹֽעֲלָ֔ה
(hoala)
opgebracht
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
הַבָּנֽוּי
(habanuy)
het gebouwde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Zij zeiden tegen elkaar: „Wie heeft dit gedaan?” Zij zochten en vroegen rond. Toen zeiden zij: „Gideon, de zoon van Joas, heeft dit gedaan.”
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֔הוּ
(reehu)
zijn naaste
מִ֥י
(mi)
wie
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het ding
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וַֽיִּדְרְשׁוּ֙
(vayidreshu)
en onderzochten
וַיְבַקְשׁ֔וּ
(vayvaqshu)
en zochten
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
גִּדְעוֹן֙
(gidon)
Gideon
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹאָ֔שׁ
(yoash)
Joas
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
het ding
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30De mannen van de stad zeiden tegen Joas: „Breng je zoon naar buiten. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baäl afgebroken en de heilige paal omgekapt die erbij stond.”
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zeiden
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֔שׁ
(yoash)
Joas
הוֹצֵ֥א
(hotse)
breng naar buiten
אֶת
(et)
(obj.)
בִּנְךָ֖
(binkha)
je zoon
וְיָמֹ֑ת
(veyamot)
en laat hem sterven
כִּ֤י
(ki)
want
נָתַץ֙
(natats)
hij brak af
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
altaar van
הַבַּ֔עַל
(habaal)
de Baäl
וְכִ֥י
(vekhi)
en want
כָרַ֖ת
(karat)
hij kapte om
הָאֲשֵׁרָ֥ה
(haashera)
de heilige paal
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָלָֽיו
(alav)
erbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Joas zei tegen allen die tegenover hem stonden: „Willen jullie een strijd voeren voor Baäl? Willen jullie hem redden? Wie voor hem strijdt, zal gedood worden vóór de morgen. Als hij een god is, laat hij dan zelf strijden. Want iemand heeft zijn altaar afgebroken.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֡שׁ
(yoash)
Joas
לְכֹל֩
(lekhol)
tot allen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָמְד֨וּ
(amedu)
stonden
עָלָ֜יו
(alav)
tegenover hem
הַאַתֶּ֣ם
(haatem)
zullen jullie
תְּרִיב֣וּן
(terivun)
strijden
לַבַּ֗עַל
(labaal)
voor de Baäl
אִם
(im)
of
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
תּוֹשִׁיע֣וּן
(toshiun)
zullen redden
אוֹת֔וֹ
(oto)
hem
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wie
יָרִ֥יב
(yariv)
strijdt
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
יוּמַ֖ת
(yumat)
wordt gedood
עַד
(ad)
tot
הַבֹּ֑קֶר
(haboqer)
de morgen
אִם
(im)
indien
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
god
הוּא֙
(hu)
hij
יָ֣רֶב
(yarev)
laat strijden
ל֔וֹ
(lo)
voor zichzelf
כִּ֥י
(ki)
want
נָתַ֖ץ
(natats)
afbrak
אֶֽת
(et)
(obj.)
מִזְבְּחֽוֹ
(mizbecho)
zijn altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws gebruikt het werkwoord רִיב (riv), ‘strijden’, ‘een geschil voeren’.

Joas zegt: als Baäl een god is, moet hij zijn eigen zaak verdedigen.

Zo komt het in vers 32 tot de naam Jerubbaal.

32Op die dag noemde men hem Jerubbaal. Men zei: „Laat Baäl tegen hem strijden, want hij heeft zijn altaar afgebroken.”
וַיִּקְרָא
(vayiqra)
en noemde
ל֥וֹ
(lo)
hem
בַיּוֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
יְרֻבַּ֣עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
יָ֤רֶב
(yarev)
laat strijden
בּוֹ֙
(bo)
tegen hem
הַבַּ֔עַל
(habaal)
de Baäl
כִּ֥י
(ki)
want
נָתַ֖ץ
(natats)
hij brak af
אֶֽת
(et)
(obj.)
מִזְבְּחֽוֹ
(mizbecho)
zijn altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְרֻבַּעַל (Yerubba’al), ‘Baäl strijde’: de naam is een uitdaging aan Baäl.

Gideon draagt deze naam ook in Richt. 7:1; 8:29, 35 en 9:1.

Midian trekt op

33Heel Midian, Amalek en de zonen van het oosten verzamelden zich. Zij trokken de Jordaan over en sloegen hun kamp op in de vallei van Jizreël.
וְכָל
(vekhal)
en heel
מִדְיָ֧ן
(midyan)
Midian
וַעֲמָלֵ֛ק
(vaamaleq)
en Amalek
וּבְנֵי
(uvenei)
en zonen van
קֶ֖דֶם
(qedem)
het oosten
נֶאֶסְפ֣וּ
(neesfu)
verzamelden zich
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
וַיַּעַבְר֥וּ
(vayaavru)
en trokken over
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en legerden zich
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in de vallei van
יִזְרְעֶֽאל
(yizreel)
Jizreël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De vallei van Jizreël is een brede vlakte in het noorden van Israël, tussen Galilea en Samaria.

De Jordaan is de rivier ten oosten van die vlakte, die uitmondt in de Dode Zee.

De Geest van Yahweh komt over Gideon

34De Geest van Yahweh bekleedde Gideon. Hij blies op de ramshoorn. Abiëzer werd opgeroepen om hem te volgen.
וְר֣וּחַ
(veruach)
en Geest van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לָבְשָׁ֖ה
(lavesha)
bekleedde
אֶת
(et)
(obj.)
גִּדְע֑וֹן
(gidon)
Gideon
וַיִּתְקַע֙
(vayitqa)
en blies
בַּשּׁוֹפָ֔ר
(bashofar)
op de ramshoorn
וַיִזָּעֵ֥ק
(vayizaeq)
en werd opgeroepen
אֲבִיעֶ֖זֶר
(aviezer)
Abiëzer
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לָבְשָׁה (lavshah), ‘bekleedde’: letterlijk ‘trok aan’, ‘kleedde zich met’.

De Geest van Yahweh nam bezit van Gideon als een gewaad.

Zie ook 1 Kron. 12:19 en 2 Kron. 24:20.

Bij andere rechters ‘kwam’ de Geest over hen (Richt. 3:10; 11:29; 14:6).

וַיִּזָּעֵק (vayizza’eq), ‘werd opgeroepen’: hetzelfde werkwoord als ‘om hulp roepen’ in vers 6, hier in de zin van ‘bijeengeroepen worden’.

35Hij stuurde boodschappers door heel Manasse. Ook Manasse werd opgeroepen om hem te volgen. Hij stuurde ook boodschappers naar Aser, naar Zebulon en naar Naftali. Zij trokken hun tegemoet.
וּמַלְאָכִים֙
(umalakhim)
en boodschappers
שָׁלַ֣ח
(shalach)
stuurde hij
בְּכָל
(bekhal)
door heel
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
וַיִזָּעֵ֥ק
(vayizaeq)
en werd opgeroepen
גַּם
(gam)
ook
ה֖וּא
(hu)
hij
אַחֲרָ֑יו
(acharav)
achter hem
וּמַלְאָכִ֣ים
(umalakhim)
en boodschappers
שָׁלַ֗ח
(shalach)
stuurde hij
בְּאָשֵׁ֤ר
(beasher)
naar Aser
וּבִזְבֻלוּן֙
(uvizvulun)
en naar Zebulon
וּבְנַפְתָּלִ֔י
(uvenaftali)
en naar Naftali
וַֽיַּעֲל֖וּ
(vayaalu)
en trokken op
לִקְרָאתָֽם
(liqratam)
hun tegemoet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gideon roept vier stammen op: Manasse, Aser, Zebulon en Naftali.

Efraïm wordt pas later gevraagd (Richt. 7:24).

De vacht

36Gideon zei tegen Elohim: „Als U Israël door mijn hand wilt redden, zoals U gesproken hebt,
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
גִּדְע֖וֹן
(gidon)
Gideon
אֶל
(el)
tot
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
אִם
(im)
indien
יֶשְׁךָ֞
(yeshkha)
U
מוֹשִׁ֧יעַ
(moshia)
redt
בְּיָדִ֛י
(beyadi)
door mijn hand
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּֽרְתָּ
(dibarta)
U gesproken hebt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gideon vraagt een tweede teken.

Hij twijfelt niet aan Yahweh, maar vraagt zekerheid voor de moeilijke taak.

Vergelijk het teken in vers 17.

37zie, dan leg ik een vacht van wol op de dorsvloer. Als er alleen dauw op de vacht ligt en de hele grond droog blijft, dan weet ik: U zult Israël door mijn hand redden, zoals U gesproken hebt.”
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
מַצִּ֛יג
(matsig)
leg neer
אֶת
(et)
(obj.)
גִּזַּ֥ת
(gizat)
vacht van
הַצֶּ֖מֶר
(hatsemer)
de wol
בַּגֹּ֑רֶן
(bagoren)
op de dorsvloer
אִ֡ם
(im)
indien
טַל֩
(tal)
dauw
יִהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
עַֽל
(al)
op
הַגִּזָּ֜ה
(hagiza)
de vacht
לְבַדָּ֗הּ
(levadah)
alleen
וְעַל
(veal)
en op
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
חֹ֔רֶב
(chorev)
droog
וְיָדַעְתִּ֗י
(veyadati)
dan weet ik
כִּֽי
(ki)
dat
תוֹשִׁ֧יעַ
(toshia)
U zult redden
בְּיָדִ֛י
(beyadi)
door mijn hand
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּֽרְתָּ
(dibarta)
U gesproken hebt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּזַּת הַצֶּמֶר (gizzat hatsemer), ‘een vacht van wol’: een vacht met de wol er nog aan, net geschoren.

De dorsvloer is een vlakke, harde plaats in de open lucht.

38Zo gebeurde het. De volgende morgen stond hij vroeg op en kneep de vacht uit. Hij wrong er dauw uit, een schaal vol water.
וַיְהִי
(vayhi)
en het was
כֵ֕ן
(ken)
zo
וַיַּשְׁכֵּם֙
(vayashkem)
en stond vroeg op
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַיָּ֖זַר
(vayazar)
en kneep uit
אֶת
(et)
(obj.)
הַגִּזָּ֑ה
(hagiza)
de vacht
וַיִּ֤מֶץ
(vayimets)
en wrong
טַל֙
(tal)
dauw
מִן
(min)
uit
הַגִּזָּ֔ה
(hagiza)
de vacht
מְל֥וֹא
(melo)
volheid van
הַסֵּ֖פֶל
(hasefel)
de schaal
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een ‘schaal’ (סֵפֶל, sefel) is een grote kom, zoals in Richt. 5:25.

39Gideon zei tegen Elohim: „Laat Uw toorn niet tegen mij ontbranden. Ik wil nog één keer spreken. Laat mij nog één keer een proef doen met de vacht. Laat alleen de vacht droog zijn en op de hele grond dauw liggen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
גִּדְעוֹן֙
(gidon)
Gideon
אֶל
(el)
tot
הָ֣אֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
אַל
(al)
niet
יִ֤חַר
(yichar)
ontbrande
אַפְּךָ֙
(apekha)
Uw toorn
בִּ֔י
(bi)
tegen mij
וַאֲדַבְּרָ֖ה
(vaadabera)
en laat mij spreken
אַ֣ךְ
(akh)
maar
הַפָּ֑עַם
(hapaam)
deze keer
אֲנַסֶּ֤ה
(anase)
laat mij een proef doen
נָּא
(na)
toch
רַק
(raq)
alleen
הַפַּ֨עַם֙
(hapaam)
deze keer
בַּגִּזָּ֔ה
(bagiza)
met de vacht
יְהִי
(yehi)
laat zijn
נָ֨א
(na)
toch
חֹ֤רֶב
(chorev)
droog
אֶל
(el)
op
הַגִּזָּה֙
(hagiza)
de vacht
לְבַדָּ֔הּ
(levadah)
alleen
וְעַל
(veal)
en op
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
טָּֽל
(tal)
dauw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Laat Uw toorn niet ontbranden’: Gideon weet dat hij veel vraagt.

Vergelijk Gen. 18:30–32.

40Elohim deed dat in die nacht. Alleen de vacht was droog en op de hele grond lag dauw.
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en deed
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
כֵּ֖ן
(ken)
zo
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַיְהִי
(vayhi)
en was
חֹ֤רֶב
(chorev)
droog
אֶל
(el)
op
הַגִּזָּה֙
(hagiza)
de vacht
לְבַדָּ֔הּ
(levadah)
alleen
וְעַל
(veal)
en op
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
הָ֥יָה
(haya)
was
טָֽל
(tal)
dauw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)