Sanherib tegen Jeruzalem; Hizkia's ziekte, rijkdom en dood
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Sanherib valt Juda binnen
1Na deze zaken en deze waarheid kwam Sanherib, de koning van Assyrië. Hij drong Juda binnen en legerde zich tegen de versterkte steden. Hij nam zich voor ze voor zichzelf open te breken.
אַחֲרֵ֨י
(acharei)
na
הַדְּבָרִ֤ים
(hadevarim)
de zaken
וְהָאֱמֶת֙
(vehaemet)
en de waarheid
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
בָּ֖א
(ba)
kwam
סַנְחֵרִ֣יב
(sancheriv)
Sanherib
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֑וּר
(ashur)
Assyrië
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en hij kwam binnen
בִֽיהוּדָ֗ה
(bihuda)
in Juda
וַיִּ֨חַן֙
(vayichan)
en hij legerde zich
עַל
(al)
tegen
הֶעָרִ֣ים
(hearim)
de steden
הַבְּצֻר֔וֹת
(habetsurot)
de versterkte
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְבִקְעָ֥ם
(leviqam)
om ze open te breken
אֵלָֽיו
(elav)
voor zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 18:13–20:21 en Jes. 36–39.
Kronieken vertelt korter en laat veel weg, zoals de betaling van Hizkia (2 Kon. 18:14–16).
הַדְּבָרִים וְהָאֱמֶת (haddevarim vehe’emet), ‘de zaken en de waarheid’: letterlijk ‘de woorden en de waarheid’. Het verwijst naar wat Hizkia deed in 2 Kron. 29–31, vooral naar 31:20, waar ook ‘de waarheid’ staat. Wij laten het woord ‘waarheid’ staan.
סַנְחֵרִיב (Sancheriv), ‘Sanherib’: koning van Assyrië.
וַיֹּאמֶר (vayomer), ‘hij zei’: letterlijk staat er ‘hij zei’. Wij lezen: hij nam zich dit voor, in zijn hart.
4Een grote groep mensen kwam samen. Zij sloten alle bronnen af en de beek die midden door het land stroomde. Zij zeiden: „Waarom zouden de koningen van Assyrië komen en veel water vinden?”
וַיִּקָּבְצ֣וּ
(vayiqavetsu)
en zij kwamen samen
עַם
(am)
volk
רָ֔ב
(rav)
groot
וַֽיִּסְתְּמוּ֙
(vayistemu)
en zij sloten af
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַמַּעְיָנ֔וֹת
(hamayanot)
de bronnen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנַּ֛חַל
(hanachal)
de beek
הַשּׁוֹטֵ֥ף
(hashotef)
die stroomt
בְּתוֹךְ
(betokh)
midden in
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
יָב֨וֹאוּ֙
(yavou)
zouden komen
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וּמָצְא֖וּ
(umatseu)
en vinden
מַ֥יִם
(mayim)
water
רַבִּֽים
(rabim)
veel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
הַנַּחַל הַשּׁוֹטֵף בְּתוֹךְ הָאָרֶץ (hannachal hashoteph betokh ha’arets), ‘de beek die midden door het land stroomde’: welke beek dit is, weten wij niet zeker.
Men denkt aan een beek bij Jeruzalem.
מַלְכֵי אַשּׁוּר (malkhei ashur), ‘de koningen van Assyrië’: het meervoud. Zo ook in 2 Kron. 28:16. Wij volgen de Masoretische tekst.
5Hij sterkte zichzelf en bouwde heel de muur op die doorbroken was. Hij liet torens op de muur bouwen. Aan de buitenkant bouwde hij nog een muur. Hij versterkte de Millo in de stad van David. Ook maakte hij in grote aantallen werpwapens en schilden.
וַיִּתְחַזַּ֡ק
(vayitchazaq)
en hij sterkte zich
וַיִּבֶן֩
(vayiven)
en bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַחוֹמָ֨ה
(hachoma)
de muur
הַפְּרוּצָ֜ה
(haperutsa)
die doorbroken was
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en hij ging omhoog
עַל
(al)
op
הַמִּגְדָּל֗וֹת
(hamigdalot)
de torens
וְלַח֨וּצָה֙
(velachutsa)
en aan de buitenkant van
הַחוֹמָ֣ה
(hachoma)
de muur
אַחֶ֔רֶת
(acheret)
een andere
וַיְחַזֵּ֥ק
(vaychazeq)
en hij versterkte
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּלּ֖וֹא
(hamilo)
de Millo
עִ֣יר
(ir)
stad van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
שֶׁ֛לַח
(shelach)
werpwapens
לָרֹ֖ב
(larov)
in overvloed
וּמָגִנִּֽים
(umaginim)
en schilden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Millo (הַמִּלּוֹא) lag in de stad van David, in Jeruzalem.
De precieze ligging is onzeker.
Zie 1 Kon. 9:15 en 1 Kron. 11:8.
Uitleg
שֶׁלַח (shelach), ‘werpwapen’: een wapen dat men werpt, zoals een speer of een werpspies.
Wij kiezen het algemene woord ‘werpwapens’.
Lezing
וַיַּעַל עַל הַמִּגְדָּלוֹת (vaya’al al hammigdalot), ‘hij ging omhoog op de torens’: de tekst is kort en niet zeker.
Mogelijk wordt de muur tot aan de torens verhoogd, of worden er torens op gebouwd.
7„Wees sterk en moedig. Wees niet bang en laat jullie niet ontmoedigen voor de koning van Assyrië en voor heel de menigte die bij hem is. Want met ons is er meer dan met hem.
חִזְק֣וּ
(chizqu)
wees sterk
וְאִמְצ֔וּ
(veimtsu)
en wees moedig
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֣וּ
(tireu)
wees bang
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּחַ֗תּוּ
(techatu)
wees ontmoedigd
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
voor
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וּמִלִּפְנֵ֖י
(umilifnei)
en voor het aangezicht van
כָּל
(kal)
heel
הֶהָמ֣וֹן
(hehamon)
de menigte
אֲשֶׁר
(asher)
die
עִמּ֑וֹ
(imo)
bij hem is
כִּֽי
(ki)
want
עִמָּ֥נוּ
(imanu)
met ons
רַ֖ב
(rav)
is meer
מֵעִמּֽוֹ
(meimo)
dan met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
חִזְקוּ וְאִמְצוּ (chizqu ve’imtsu), ‘wees sterk en moedig’: dezelfde woorden als in Deut. 31:6.
אַל תִּירְאוּ וְאַל תֵּחַתּוּ (al tir’u ve’al techattu), ‘wees niet bang en laat jullie niet ontmoedigen’.
הָהָמוֹן (hehamon), ‘de menigte’: het leger van Sanherib. Zie ook 2 Kron. 31:10, waar hetzelfde woord een grote hoop voorraad is.
8Met hem is de arm van vlees. Maar met ons is Yahweh, onze Elohim, om ons te helpen en om onze strijd te voeren.” Het volk steunde op de woorden van Hizkia, de koning van Juda.
עִמּוֹ֙
(imo)
met hem
זְר֣וֹעַ
(zeroa)
de arm van
בָּשָׂ֔ר
(basar)
vlees
וְעִמָּ֜נוּ
(veimanu)
maar met ons
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
לְעָזְרֵ֔נוּ
(leazerenu)
om ons te helpen
וּלְהִלָּחֵ֖ם
(ulehilachem)
en om te strijden
מִלְחֲמֹתֵ֑נוּ
(milchamotenu)
onze strijd
וַיִּסָּמְכ֣וּ
(vayisamekhu)
en zij steunden
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
עַל
(al)
op
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
de woorden van
יְחִזְקִיָּ֥הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זְרוֹעַ בָּשָׂר (zero’a basar), ‘de arm van vlees’: menselijke kracht.
Het staat tegenover Yahweh, onze Elohim.
Het woord ‘vlees’ staat voor wat zwak en sterfelijk is.
וַיִּסָּמְכוּ (vayissamkhu), ‘zij steunden’: het volk leunde op de woorden van de koning.
9Hierna stuurde Sanherib, de koning van Assyrië, zijn dienaren naar Jeruzalem. Zelf lag hij met al zijn macht voor Lachis. Zijn boodschap was voor Hizkia, de koning van Juda, en voor heel Juda dat in Jeruzalem was. Hij zei:
אַ֣חַר
(achar)
hierna
זֶ֗ה
(ze)
dit
שָׁ֠לַח
(shalach)
stuurde
סַנְחֵרִ֨יב
(sancheriv)
Sanherib
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֤וּר
(ashur)
Assyrië
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
יְר֣וּשָׁלַ֔יְמָה
(yerushalayma)
naar Jeruzalem
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
עַל
(al)
voor
לָכִ֔ישׁ
(lakhish)
Lachis
וְכָל
(vekhal)
en heel
מֶמְשַׁלְתּ֖וֹ
(memshalto)
zijn macht
עִמּ֑וֹ
(imo)
met hem
עַל
(al)
tegen
יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙
(yechizqiyahu)
Hizkia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְעַל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
heel
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Lachis lag in het laagland van Juda, bij het huidige Tel Lachish, Israël.
Sanherib belegerde de stad.
In 2 Kon. 18:17 stuurt hij zijn mannen vanuit Lachis naar Jeruzalem.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
מֶמְשַׁלְתּוֹ (memshaltoh), ‘zijn macht’: letterlijk ‘zijn heerschappij’: alles wat bij zijn heerschappij hoorde, zijn leger en zijn gevolg.
11Misleidt Hizkia jullie niet, om jullie te laten sterven van honger en dorst? Hij zegt: ‘Yahweh, onze Elohim, zal ons redden uit de hand van de koning van Assyrië.’
הֲלֹ֤א
(halo)
is het niet
יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙
(yechizqiyahu)
Hizkia
מַסִּ֣ית
(masit)
die misleidt
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
לָתֵ֣ת
(latet)
om over te geven
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
לָמ֛וּת
(lamut)
om te sterven
בְּרָעָ֥ב
(beraav)
door honger
וּבְצָמָ֖א
(uvetsama)
en door dorst
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
יַצִּילֵ֕נוּ
(yatsilenu)
zal ons redden
מִכַּ֖ף
(mikaf)
uit de hand van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
מַסִּית (massit), ‘misleidt’: het werkwoord betekent ook ‘aanzetten’ of ‘verleiden’.
12Is het niet Hizkia zelf die Zijn hoogten en Zijn altaren heeft weggenomen? Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd: ‘Voor één altaar moeten jullie je neerbuigen, en daarop moeten jullie wierook laten opgaan.’
הֲלֹא
(halo)
is het niet
הוּא֙
(hu)
hij
יְחִזְקִיָּ֔הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
הֵסִ֥יר
(hesir)
die heeft weggenomen
אֶת
(et)
(obj.)
בָּמֹתָ֖יו
(bamotav)
Zijn hoogten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִזְבְּחֹתָ֑יו
(mizbechotav)
Zijn altaren
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לִֽיהוּדָ֤ה
(lihuda)
tegen Juda
וְלִֽירוּשָׁלִַ֨ם֙
(velirushaliam)
en tegen Jeruzalem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מִזְבֵּ֧חַ
(mizbeach)
altaar
אֶחָ֛ד
(echad)
één
תִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ
(tishtachavu)
moeten jullie je neerbuigen
וְעָלָ֥יו
(vealav)
en daarop
תַּקְטִֽירוּ
(taqtiru)
moeten jullie wierook laten opgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Sanherib spreekt over de hoogten en altaren van Yahweh alsof het gewone offerplaatsen van een god zijn.
Hizkia had ze weggenomen (2 Kon. 18:4; 2 Kron. 31:1).
Zie ook Deut. 12:5.
In 2 Kon. 18:22 staat dit vers in een andere vorm.
13Weten jullie niet wat ik en mijn vaderen hebben gedaan met alle volken van de landen? Waren de goden van de volken van de landen in staat om hun land uit mijn hand te redden?
הֲלֹ֣א
(halo)
is het niet
תֵדְע֗וּ
(tedeu)
jullie weten
מֶ֤ה
(me)
wat
עָשִׂ֨יתִי֙
(asiti)
ik heb gedaan
אֲנִ֣י
(ani)
ik
וַאֲבוֹתַ֔י
(vaavotay)
en mijn vaderen
לְכֹ֖ל
(lekhol)
aan alle
עַמֵּ֣י
(amei)
volken van
הָאֲרָצ֑וֹת
(haaratsot)
de landen
הֲיָכ֣וֹל
(hayakhol)
zijn zij in staat
יָֽכְל֗וּ
(yakhelu)
konden zij
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
de goden van
גּוֹיֵ֣
(goye)
de volken van
הָאֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
לְהַצִּ֥יל
(lehatsil)
om te redden
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצָ֖ם
(artsam)
hun land
מִיָּדִֽי
(miyadi)
uit mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלֹהֵי גוֹיֵ הָאֲרָצוֹת (elohei goyei ha’aratsot), ‘de goden van de volken van de landen’: hier is Elohim een meervoud voor goden.
14Wie onder alle goden van deze volken, die mijn vaderen aan de ban hebben gewijd, kon zijn volk uit mijn hand redden? Hoe zou dan jullie Elohim jullie uit mijn hand kunnen redden?
מִ֠י
(mi)
wie
בְּֽכָל
(bekhal)
onder alle
אֱלֹהֵ֞י
(elohei)
goden van
הַגּוֹיִ֤ם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֶחֱרִ֣ימוּ
(hecherimu)
aan de ban hebben gewijd
אֲבוֹתַ֔י
(avotay)
mijn vaderen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָכ֔וֹל
(yakhol)
in staat was
לְהַצִּ֥יל
(lehatsil)
om te redden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
מִיָּדִ֑י
(miyadi)
uit mijn hand
כִּ֤י
(ki)
dat
יוּכַל֙
(yukhal)
zal kunnen
אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
לְהַצִּ֥יל
(lehatsil)
om te redden
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִיָּדִֽי
(miyadi)
uit mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֶחֱרִימוּ (hecherimu), ‘zij hebben aan de ban gewijd’: de ban (cherem) is de volledige vernietiging van een stad of volk.
15En nu: laat Hizkia jullie niet bedriegen en jullie niet zo misleiden. Geloof hem niet. Want geen enkele god van enig volk of rijk kon zijn volk redden uit mijn hand en uit de hand van mijn vaderen. Hoeveel minder zullen jullie Elohim jullie redden uit mijn hand!”
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
אַל
(al)
niet
יַשִּׁיא֩
(yashi)
laat bedriegen
אֶתְכֶ֨ם
(etkhem)
jullie
חִזְקִיָּ֜הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
וְאַל
(veal)
en niet
יַסִּ֨ית
(yasit)
laat misleiden
אֶתְכֶ֣ם
(etkhem)
jullie
כָּזֹאת֮
(kazot)
zo
וְאַל
(veal)
en niet
תַּאֲמִ֣ינוּ
(taaminu)
geloof
לוֹ֒
(lo)
hem
כִּי
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
יוּכַ֗ל
(yukhal)
kon
כָּל
(kal)
enige
אֱל֨וֹהַ֙
(eloha)
god van
כָּל
(kal)
enig
גּ֣וֹי
(goy)
volk
וּמַמְלָכָ֔ה
(umamlakha)
en rijk
לְהַצִּ֥יל
(lehatsil)
om te redden
עַמּ֛וֹ
(amo)
zijn volk
מִיָּדִ֖י
(miyadi)
uit mijn hand
וּמִיַּ֣ד
(umiyad)
en uit de hand van
אֲבוֹתָ֑י
(avotay)
mijn vaderen
אַ֚ף
(af)
hoeveel minder
כִּ֣י
(ki)
dat
אֱֽלֹהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
לֹא
(lo)
niet
יַצִּ֥ילוּ
(yatsilu)
zullen redden
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִיָּדִֽי
(miyadi)
uit mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יַצִּילוּ (yatsilu), ‘zij zullen redden’: een meervoudig werkwoord bij אֱלֹהֵיכֶם (elohekhem), ‘jullie Elohim’.
Sanherib spreekt over Yahweh alsof Hij een van de vele goden is.
Wij vertalen ‘jullie Elohim’.
אֱלוֹהַּ (eloah), ‘god’: enkelvoud, ‘geen enkele god’.
17Ook schreef hij brieven om Yahweh, de Elohim van Israël, te smaden en over Hem te spreken. Hij schreef: „De goden van de volken van de landen hebben hun volk niet uit mijn hand gered. Zo zal ook de Elohim van Hizkia zijn volk niet uit mijn hand redden.”
וּסְפָרִ֣ים
(usefarim)
en brieven
כָּתַ֔ב
(katav)
schreef hij
לְחָרֵ֕ף
(lecharef)
om te smaden
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְלֵֽאמֹ֨ר
(velemor)
en om te zeggen
עָלָ֜יו
(alav)
over Hem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כֵּֽאלֹהֵ֞י
(kelohei)
zoals de goden van
גּוֹיֵ֤
(goye)
de volken van
הָאֲרָצוֹת֙
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
הִצִּ֤ילוּ
(hitsilu)
hebben gered
עַמָּם֙
(amam)
hun volk
מִיָּדִ֔י
(miyadi)
uit mijn hand
כֵּ֣ן
(ken)
zo
לֹֽא
(lo)
niet
יַצִּ֞יל
(yatsil)
zal redden
אֱלֹהֵ֧י
(elohei)
de Elohim van
יְחִזְקִיָּ֛הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
מִיָּדִֽי
(miyadi)
uit mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סְפָרִים (sefarim), ‘brieven’: in 2 Kon. 19:9–14 stuurt Sanherib boodschappers met een brief naar Hizkia.
לְחָרֵף (lecharef), ‘smaden’: Yahweh uitdagen en bespotten, zoals in 2 Kon. 19:4 en 19:16.
18Zij riepen met luide stem in het Judees naar het volk van Jeruzalem dat op de muur stond. Zij wilden hen bang maken en schrik aanjagen, zodat zij de stad zouden innemen.
וַיִּקְרְא֨וּ
(vayiqreu)
en zij riepen
בְקוֹל
(beqol)
met stem
גָּד֜וֹל
(gadol)
luide
יְהוּדִ֗ית
(yehudit)
in het Judees
עַל
(al)
tegen
עַ֤ם
(am)
het volk van
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הַֽחוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
לְיָֽרְאָ֖ם
(leyaream)
om hen bang te maken
וּֽלְבַהֲלָ֑ם
(ulevahalam)
en om hen schrik aan te jagen
לְמַ֖עַן
(lemaan)
opdat
יִלְכְּד֥וּ
(yilkedu)
zij zouden innemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
יְהוּדִית (yehudit), ‘in het Judees’: de taal van Juda.
Zie 2 Kon. 18:26–28, waar de Rabsake in het Judees roept, zodat het volk het kan verstaan.
21Yahweh stuurde een engel. Die vernietigde elke dappere held, leider en bevelhebber in het kamp van de koning van Assyrië. Hij keerde met een beschaamd gezicht terug naar zijn land. Hij ging het huis van zijn god binnen. Daar lieten zij die uit zijn eigen lichaam waren voortgekomen hem vallen door het zwaard.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מַלְאָ֔ךְ
(malakh)
een engel
וַיַּכְחֵ֞ד
(vayakhched)
en die vernietigde
כָּל
(kal)
elke
גִּבּ֥וֹר
(gibor)
held van
חַ֨יִל֙
(chayil)
kracht
וְנָגִ֣יד
(venagid)
en leider
וְשָׂ֔ר
(vesar)
en bevelhebber
בְּמַחֲנֵ֖ה
(bemachane)
in het kamp van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֑וּר
(ashur)
Assyrië
וַיָּשָׁב֩
(vayashav)
en hij keerde terug
בְּבֹ֨שֶׁת
(bevoshet)
met schaamte van
פָּנִ֜ים
(panim)
gezicht
לְאַרְצ֗וֹ
(leartso)
naar zijn land
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij ging binnen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אֱלֹהָ֔יו
(elohav)
zijn god
וּמִֽיצִיאֵ֣י
(umitsiei)
en die voortkwamen uit
מֵעָ֔יו
(meav)
zijn lichaam
שָׁ֖ם
(sham)
daar
הִפִּילֻ֥הוּ
(hipiluhu)
lieten hem vallen
בֶחָֽרֶב
(becharev)
door het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
מַלְאָךְ (mal’akh), ‘een engel’: zonder lidwoord en zonder de naam ‘engel van Yahweh’.
Wij vertalen neutraal ‘een engel’.
Zie 2 Kon. 19:35–37 en Jes. 37:36–38.
מִיצִיאֵי מֵעָיו (mitsi’ei me’av), ‘zij die uit zijn lichaam voortkwamen’: letterlijk ‘die uit zijn ingewanden kwamen’: zijn eigen zonen. In 2 Kon. 19:37 worden twee zonen met naam genoemd. De ‘god’ van Sanherib is daar Nisroch.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat een andere spelling van het woord ‘zij die voortkwamen uit’.
22Zo redde Yahweh Hizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de hand van Sanherib, de koning van Assyrië, en uit de hand van allen. Hij leidde hen aan alle kanten.
וַיּוֹשַׁע֩
(vayosha)
en redde
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יְחִזְקִיָּ֜הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מִיַּ֛ד
(miyad)
uit de hand van
סַנְחֵרִ֥יב
(sancheriv)
Sanherib
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
וּמִיַּד
(umiyad)
en uit de hand van
כֹּ֑ל
(kol)
allen
וַֽיְנַהֲלֵ֖ם
(vaynahalem)
en hij leidde hen
מִסָּבִֽיב
(misaviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
וַיְנַהֲלֵם (vaynahalem), ‘hij leidde hen’: het werkwoord betekent ‘zorgzaam leiden’, zoals ook in 2 Kron. 28:15.
Lezing
Het Hebreeuws zegt alleen ‘uit de hand van allen’ (כֹּל, kol).
23Velen brachten een offergave voor Yahweh naar Jeruzalem en kostbare geschenken voor Hizkia, de koning van Juda. Daarna werd hij verheven in de ogen van alle volken.
וְ֠רַבִּים
(verabim)
en velen
מְבִיאִ֨ים
(meviim)
die brengen
מִנְחָ֤ה
(mincha)
offergave
לַיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
לִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
וּמִ֨גְדָּנ֔וֹת
(umigdanot)
en kostbare geschenken
לִֽיחִזְקִיָּ֖הוּ
(lichizqiyahu)
voor Hizkia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּנַּשֵּׂ֛א
(vayinase)
en hij werd verheven
לְעֵינֵ֥י
(leeinei)
in de ogen van
כָל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
מֵאַֽחֲרֵי
(meacharei)
na
כֵֽן
(ken)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מִנְחָה (minchah), ‘offergave’: hier een gave die men aan Yahweh bracht, niet specifiek een graanoffer.
מִגְדָּנוֹת (migdanot), ‘kostbare geschenken’: zoals in Gen. 24:53.
Hizkia werd groot in de ogen van de volken, ná de redding.
26Toen boog Hizkia zich neer over de hoogmoed van zijn hart, hij en de inwoners van Jeruzalem. En de toorn van Yahweh kwam niet over hen in de dagen van Hizkia.
וַיִּכָּנַ֤ע
(vayikana)
en boog zich neer
יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙
(yechizqiyahu)
Hizkia
בְּגֹ֣בַהּ
(begovah)
over de hoogte van
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
ה֖וּא
(hu)
hij
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en de inwoners van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְלֹא
(velo)
en niet
בָ֤א
(ba)
kwam
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
קֶ֣צֶף
(qetsef)
toorn van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּימֵ֖י
(bimei)
in de dagen van
יְחִזְקִיָּֽהוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
בְּגֹבַהּ לִבּוֹ (begovah libbo), ‘over de hoogte van zijn hart’: over zijn hoogmoed.
Hij boog zich neer en erkende dit, samen met de inwoners van Jeruzalem.
27Hizkia had zeer veel rijkdom en eer. Hij liet voor zichzelf schatkamers maken voor het zilver, het goud, de kostbare stenen, de specerijen, de schilden en alle kostbare voorwerpen.
וַיְהִ֧י
(vayhi)
en er was
לִֽיחִזְקִיָּ֛הוּ
(lichizqiyahu)
voor Hizkia
עֹ֥שֶׁר
(osher)
rijkdom
וְכָב֖וֹד
(vekhavod)
en eer
הַרְבֵּ֣ה
(harbe)
zeer
מְאֹ֑ד
(meod)
veel
וְאֹֽצָר֣וֹת
(veotsarot)
en schatkamers
עָֽשָׂה
(asa)
maakte hij
ל֠וֹ
(lo)
voor zich
לְכֶ֨סֶף
(lekhesef)
voor zilver
וּלְזָהָ֜ב
(ulezahav)
en voor goud
וּלְאֶ֣בֶן
(uleeven)
en voor steen
יְקָרָ֗ה
(yeqara)
kostbare
וְלִבְשָׂמִים֙
(velivsamim)
en voor specerijen
וּלְמָ֣גִנִּ֔ים
(ulemaginim)
en voor schilden
וּלְכֹ֖ל
(ulekhol)
en voor alle
כְּלֵ֥י
(kelei)
voorwerpen van
חֶמְדָּֽה
(chemda)
kostbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אוֹצָרוֹת (otsarot), ‘schatkamers’: ruimtes voor kostbare voorwerpen.
Zie 2 Kon. 20:13, waar Hizkia zijn schatten laat zien.
28Ook maakte hij voorraadhuizen voor de opbrengst van koren, most en olie. Hij maakte stallen voor elk soort vee, en kudden in stallen.
וּמִ֨סְכְּנ֔וֹת
(umiskenot)
en voorraadhuizen
לִתְבוּאַ֥ת
(litvuat)
voor de opbrengst van
דָּגָ֖ן
(dagan)
koren
וְתִיר֣וֹשׁ
(vetirosh)
en most
וְיִצְהָ֑ר
(veyitshar)
en olie
וְאֻֽרָוֺת֙
(veuravot)
en stallen
לְכָל
(lekhal)
voor alle
בְּהֵמָ֣ה
(behema)
soorten vee
וּבְהֵמָ֔ה
(uvehema)
en vee
וַעֲדָרִ֖ים
(vaadarim)
en kudden
לָאֲוֵרֽוֹת
(laaverot)
in stallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִסְכְּנוֹת (miskenot), ‘voorraadhuizen’: zoals ‘voorraadsteden’ in 2 Kron. 8:4.
Lezing
אָרוֹת (arot) en אוּרוֹת (urot), ‘stallen’: het woord wordt twee keer verschillend gespeld en het zinsdeel ‘en vee en kudden in stallen’ is kort en niet zeker.
Wij vertalen: ‘stallen voor elk soort vee, en kudden in stallen’.
30Het was Hizkia zelf die de bovenste uitgang van het water van de Gihon afsloot. Hij leidde het recht naar beneden, westwaarts naar de stad van David. Hizkia had succes in al zijn werk.
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
יְחִזְקִיָּ֗הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
סָתַם֙
(satam)
sloot af
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹצָ֞א
(motsa)
de uitgang van
מֵימֵ֤י
(meimei)
het water van
גִיחוֹן֙
(gichon)
Gihon
הָֽעֶלְי֔וֹן
(haelyon)
de bovenste
וַֽיַּישְּׁרֵ֥ם
(vayayshrem)
en hij leidde het recht
לְמַֽטָּה
(lemata)
naar beneden
מַּעְרָ֖בָה
(marava)
westwaarts
לְעִ֣יר
(leir)
naar de stad van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיַּצְלַ֥ח
(vayatslach)
en had succes
יְחִזְקִיָּ֖הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
בְּכָֽל
(bekhal)
in al
מַעֲשֵֽׂהוּ
(maasehu)
zijn werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Gihon (גִּיחוֹן) is de bron aan de oostkant van de oude stad Jeruzalem, in het Kidrondal, nu de Maagdenbron.
Zie 1 Kon. 1:33.
De tunnel die het water van de Gihon naar het zuidwesten leidt naar de vijver van Siloam, wordt de tunnel van Hizkia genoemd.
De verbinding met 2 Kon. 20:20 is waarschijnlijk.
Zie Vijver van Siloam (tunnel van Hizkia): Hizkia liet het water van de Gihon door een tunnel naar de vijver van Siloam leiden, aan de zuidkant van de oude stad van Jeruzalem.
De tekst noemt Siloam zelf niet.
Uitleg
מוֹצָא (motsa), ‘uitgang’: de plek waar het water uit de rots komt.
וַיַּיְשְׁרֵם (vayyashrem), ‘hij leidde het recht’: hij liet het recht naar beneden stromen.
31Maar in de zaak van de gezanten van de leiders van Babel liet Elohim hem aan zichzelf over. Zij waren naar hem gestuurd om te vragen naar het wonderteken dat in het land was gebeurd. Hij wilde hem op de proef stellen en weten wat er in heel zijn hart was.
וְכֵ֞ן
(vekhen)
en zo
בִּמְלִיצֵ֣י
(bimlitsei)
bij de gezanten van
שָׂרֵ֣י
(sarei)
de leiders van
בָּבֶ֗ל
(bavel)
Babel
הַֽמְשַׁלְּחִ֤ים
(hamshalechim)
die gestuurd waren
עָלָיו֙
(alav)
naar hem
לִדְרֹ֗שׁ
(lidrosh)
om te vragen naar
הַמּוֹפֵת֙
(hamofet)
het wonderteken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֣ה
(haya)
had plaatsgevonden
בָאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
עֲזָב֖וֹ
(azavo)
liet hem alleen
הָֽאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
לְנַ֨סּוֹת֔וֹ
(lenasoto)
om hem op de proef te stellen
לָדַ֖עַת
(ladaat)
om te weten
כָּל
(kal)
alles
בִּלְבָבֽוֹ
(bilvavo)
in zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
מְלִיצֵי (melitsei), ‘gezanten’: ook ‘tolken’ of ‘woordvoerders’.
In 2 Kon. 20:12–19 en Jes. 39 stuurt Berodach-Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk.
Hier wordt hij niet bij naam genoemd.
הַמּוֹפֵת (hammofet), ‘het wonderteken’: het teken van de ziekte en genezing (vers 24).
עֲזָבוֹ הָאֱלֹהִים (azavo ha’Elohim), ‘Elohim liet hem alleen’: Elohim hield Zijn hand van hem af om hem te beproeven. Zie ook 2 Kron. 15:2.
32De rest van de geschiedenis van Hizkia en zijn daden van trouw: zie, die staan opgeschreven in het visioen van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, in het dagboek van de koningen van Juda en Israël.
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de zaken van
יְחִזְקִיָּ֖הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
וַחֲסָדָ֑יו
(vachasadav)
en zijn daden van trouw
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie ze
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
opgeschreven
בַּחֲז֞וֹן
(bachazon)
in het visioen van
יְשַֽׁעְיָ֤הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶן
(ben)
zoon van
אָמוֹץ֙
(amots)
Amoz
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
עַל
(al)
in
סֵ֥פֶר
(sefer)
het dagboek van
מַלְכֵי
(malkhei)
de koningen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וְיִשְׂרָאֵֽל
(veyisrael)
en Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲסָדָיו (chasadav), ‘zijn daden van trouw’: chesed is ‘trouw’.
בְּחֲזוֹן יְשַׁעְיָהוּ (bechazon Yesha’yahu), ‘in het visioen van Jesaja’: zie Jes. 1:1.
סֵפֶר מַלְכֵי יְהוּדָה וְיִשְׂרָאֵל (sefer malkhei yehudah veyisra’el), ‘het dagboek van de koningen van Juda en Israël’: letterlijk ‘boek van de koningen van Juda en Israël’. Wij schrijven overal ‘dagboek’, ook waar het Hebreeuws in Koningen ‘boek van de woorden van de dagen’ heeft (1 Kon. 14:19). Zie ook 2 Kron. 27:7.
33Hizkia ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem bij de opgang naar de graven van de zonen van David. Heel Juda en de inwoners van Jeruzalem bewezen hem eer bij zijn dood. Zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֨ב
(vayishkav)
en ging liggen
יְחִזְקִיָּ֜הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֗יו
(avotav)
zijn vaderen
וַֽיִּקְבְּרֻהוּ֮
(vayiqberuhu)
en zij begroeven hem
בְּֽמַעֲלֵה֮
(bemaale)
bij de opgang naar
קִבְרֵ֣י
(qivrei)
de graven van
בְנֵי
(benei)
de zonen van
דָוִיד֒
(david)
David
וְכָבוֹד֙
(vekhavod)
en eer
עָֽשׂוּ
(asu)
bewezen
ל֣וֹ
(lo)
hem
בְמוֹת֔וֹ
(bemoto)
bij zijn dood
כָּל
(kal)
heel
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en de inwoners van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
מְנַשֶּׁ֥ה
(menashe)
Manasse
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De graven van de zonen van David lagen in de stad van David, het oudste deel van Jeruzalem.
Uitleg
מַעֲלֵה (ma’aleh), ‘opgang’: de helling of de trap naar de graven.