Elohim Bijbel

Ezechiël 36

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Aan de bergen van Israël: een nieuw hart en een nieuwe geest

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Bergen van Israël, hoor het woord van Yahweh

1„En jij, mensenkind, profeteer tegen de bergen van Israël en zeg: ‘Bergen van Israël, hoor het woord van Yahweh.’”
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
הִנָּבֵ֖א
(hinave)
profeteer
אֶל
(el)
tegen
הָרֵ֣י
(harei)
bergen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְאָ֣מַרְתָּ֔
(veamarta)
en zeg
הָרֵי֙
(harei)
bergen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
hoor
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרֵי יִשְׂרָאֵל (harei Yisra’el), ‘bergen van Israël’: het hele land, zoals in Ezech. 6:2–3.

Daar sprak Yahweh tegen de bergen over oordeel; hier spreekt Hij tot hen over herstel.

De opdracht aan Ezechiël staat rood, de formules ‘Zo zegt Heer Yahweh’ zwart.

2Zo zegt Heer Yahweh: „Omdat de vijand over jullie heeft gezegd: ‘Aha! Ook de eeuwige hoogten zijn ons tot bezit geworden’,
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
אָמַ֧ר
(amar)
heeft gezegd
הָאוֹיֵ֛ב
(haoyev)
de vijand
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
over jullie
הֶאָ֑ח
(heach)
aha
וּבָמ֣וֹת
(uvamot)
en hoogten van
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwigheid
לְמֽוֹרָשָׁ֖ה
(lemorasha)
tot bezit
הָ֥יְתָה
(hayeta)
zijn geworden
לָּֽנוּ
(lanu)
voor ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת עוֹלָם (bamot olam), ‘de eeuwige hoogten’: de oude bergen van het land, die Israël als bezit kreeg.

De vijand, vooral Edom (vers 5), noemt ze ‘ons bezit’.

Het woord ‘hoogten’ is hetzelfde als in Ezech. 6:3.

3profeteer daarom en zeg:” Zo zegt Heer Yahweh: „Juist omdat men jullie van alle kanten heeft verwoest en naar jullie heeft gehapt, zodat jullie een bezit werden voor de overgebleven volken. Jullie zijn op de lippen van de tong gekomen en in de roddel van het volk,
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
הִנָּבֵ֣א
(hinave)
profeteer
וְאָמַרְתָּ֔
(veamarta)
en zeg
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
בְּיַ֡עַן
(beyaan)
juist omdat
שַׁמּוֹת֩
(shamot)
verwoesten
וְשָׁאֹ֨ף
(veshaof)
en happen
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
naar jullie
מִסָּבִ֗יב
(misaviv)
van alle kanten
לִֽהְיוֹתְכֶ֤ם
(lihyotekhem)
opdat jullie zijn
מֽוֹרָשָׁה֙
(morasha)
bezit
לִשְׁאֵרִ֣ית
(lisherit)
voor de overgeblevenen van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
וַתֵּֽעֲל֛וּ
(vatealu)
en jullie zijn gekomen
עַל
(al)
op
שְׂפַ֥ת
(sefat)
lip van
לָשׁ֖וֹן
(lashon)
tong
וְדִבַּת
(vedibat)
en roddel van
עָֽם
(am)
volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁמוֹת וְשְׁאֹף (shamot veshe’of), ‘verwoesten en happen’: het tweede werkwoord is zeldzaam en betekent letterlijk ‘snakken, hijgen naar’, als een dier dat zijn prooi grijpt.

De betekenis is niet helemaal zeker.

עַל שְׂפַת לָשׁוֹן (al sefat lashon), ‘op de lippen van de tong’: zij zijn het onderwerp van gepraat geworden.

4daarom, bergen van Israël, hoor het woord van Heer Yahweh.” Zo zegt Heer Yahweh tot de bergen en de heuvels, tot de beekbeddingen en de dalen, tot de verwoeste puinhopen en de verlaten steden, die tot roof en tot spot zijn geworden voor de overgebleven volken rondom:
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
הָרֵ֣י
(harei)
bergen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
hoor
דְּבַר
(devar)
woord van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְ֠הוִה
(Yahweh)
Yahweh
לֶהָרִ֨ים
(leharim)
tot de bergen
וְלַגְּבָע֜וֹת
(velagevaot)
en tot de heuvels
לָאֲפִיקִ֣ים
(laafiqim)
tot de beekbeddingen
וְלַגֵּאָי֗וֹת
(velageayot)
en tot de dalen
וְלֶחֳרָב֤וֹת
(velechoravot)
en tot de puinhopen
הַשֹּֽׁמְמוֹת֙
(hashomemot)
de verwoeste
וְלֶעָרִ֣ים
(velearim)
en tot de steden
הַנֶּעֱזָב֔וֹת
(haneezavot)
de verlaten
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הָי֤וּ
(hayu)
zijn geworden
לְבַז֙
(levaz)
tot roof
וּלְלַ֔עַג
(ulelaag)
en tot spot
לִשְׁאֵרִ֥ית
(lisherit)
voor de overgeblevenen van
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מִסָּבִֽיב
(misaviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרִים (harim), ‘bergen’, גְּבָעוֹת (geva’ot), ‘heuvels’, אֲפִיקִים (afiqim), ‘beekbeddingen’ en גֵּאָיוֹת (ge’ayot), ‘dalen’: dezelfde opsomming als in Ezech. 6:3.

5Daarom, zo zegt Heer Yahweh: „Zeker, in het vuur van Mijn ijver heb Ik gesproken tegen de overgebleven volken en tegen heel Edom. Zij hebben Mijn land tot hun bezit gemaakt, met de vreugde van hun hele hart en met minachting in hun ziel, om zijn weideland tot buit te maken.”
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
לֹ֠א
(lo)
niet
בְּאֵ֨שׁ
(beesh)
in het vuur van
קִנְאָתִ֥י
(qinati)
Mijn ijver
דִבַּ֛רְתִּי
(dibarti)
heb Ik gesproken
עַל
(al)
over
שְׁאֵרִ֥ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
וְעַל
(veal)
en over
אֱד֣וֹם
(edom)
Edom
כֻּלָּ֑א
(kula)
helemaal
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָתְנֽוּ
(natenu)
hebben gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצִ֣י
(artsi)
Mijn land
לָ֠הֶם
(lahem)
aan zichzelf
לְמ֨וֹרָשָׁ֜ה
(lemorasha)
tot bezit
בְּשִׂמְחַ֤ת
(besimchat)
met vreugde van
כָּל
(kal)
heel
לֵבָב֙
(levav)
hart
בִּשְׁאָ֣ט
(bishat)
met minachting van
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
ziel
לְמַ֥עַן
(lemaan)
om
מִגְרָשָׁ֖הּ
(migrashah)
zijn weideland
לָבַֽז
(lavaz)
tot buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: zoals in Ezech. 5:11.

אֱדוֹם (Edom): zie Ezech. 35.

מִגְרָשָׁהּ (migrashah), ‘zijn weideland’: het land dat rond een stad ligt, waar vee graast.

6„Profeteer daarom over de grond van Israël en zeg tegen de bergen en de heuvels, tegen de beekbeddingen en de dalen:” Zo zegt Heer Yahweh: „Zie, in Mijn ijver en in Mijn woede heb Ik gesproken, omdat jullie de smaad van de volken hebben gedragen.”
לָכֵ֕ן
(lakhen)
daarom
הִנָּבֵ֖א
(hinave)
profeteer
עַל
(al)
over
אַדְמַ֣ת
(admat)
grond van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֡
(veamarta)
en zeg
לֶהָרִ֣ים
(leharim)
tot de bergen
וְ֠לַגְּבָעוֹת
(velagevaot)
en tot de heuvels
לָאֲפִיקִ֨ים
(laafiqim)
tot de beekbeddingen
וְלַגֵּאָי֜וֹת
(velageayot)
en tot de dalen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
בְקִנְאָתִ֤י
(beqinati)
in Mijn ijver
וּבַחֲמָתִי֙
(uvachamati)
en in Mijn woede
דִּבַּ֔רְתִּי
(dibarti)
heb Ik gesproken
יַ֛עַן
(yaan)
omdat
כְּלִמַּ֥ת
(kelimat)
smaad van
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
נְשָׂאתֶֽם
(nesatem)
hebben jullie gedragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלִמַּת גּוֹיִם (kelimmat goyim), ‘de smaad van de volken’: de schande die de volken over het land brachten.

7Daarom, zo zegt Heer Yahweh: „Ik, Ik heb Mijn hand opgeheven: zeker, de volken die rondom jullie zijn, zij zullen zelf hun smaad dragen.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
נָשָׂ֣אתִי
(nasati)
heb opgeheven
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֑י
(yadi)
Mijn hand
אִם
(im)
als
לֹ֤א
(lo)
niet
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לָכֶ֣ם
(lakhem)
rondom jullie
מִסָּבִ֔יב
(misaviv)
rondom
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
כְּלִמָּתָ֥ם
(kelimatam)
hun smaad
יִשָּֽׂאוּ
(yisau)
zullen dragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂאתִי אֶת יָדִי (nasati et yadi), ‘Ik heb Mijn hand opgeheven’: de beweging van een eed; vergelijk Ezech. 20:5 en Exod. 6:8.

Jullie zullen weer vrucht dragen

8Maar jullie, bergen van Israël, zullen jullie takken geven en jullie vrucht dragen voor Mijn volk Israël, want zij zullen spoedig komen.
וְאַתֶּ֞ם
(veatem)
en jullie
הָרֵ֤י
(harei)
bergen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
עַנְפְּכֶ֣ם
(anpekhem)
jullie takken
תִּתֵּ֔נוּ
(titenu)
zullen geven
וּפֶרְיְכֶ֥ם
(uferyekhem)
en jullie vrucht
תִּשְׂא֖וּ
(tisu)
zullen dragen
לְעַמִּ֣י
(leami)
voor Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּ֥י
(ki)
want
קֵרְב֖וּ
(qerevu)
zijn dichtbij
לָבֽוֹא
(lavo)
om te komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָרְבוּ לָבוֹא (qarevu lavo), ‘zij zullen spoedig komen’: letterlijk ‘zij zijn nabij om te komen’; het gaat om de terugkeer van Israël uit de ballingschap.

9Want zie, Ik ben voor jullie. Ik wend Mij tot jullie, en jullie zullen bewerkt en bezaaid worden.
כִּ֖י
(ki)
want
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
אֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
voor jullie
וּפָנִ֣יתִי
(ufaniti)
en Ik wend Mij
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
tot jullie
וְנֶעֱבַדְתֶּ֖ם
(veneevadtem)
en jullie zullen bewerkt worden
וְנִזְרַעְתֶּֽם
(venizratem)
en jullie zullen bezaaid worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנַעֲבַדְתֶּם וְנִזְרַעְתֶּם (vena’avadtem venizra’tem), ‘en jullie zullen bewerkt en bezaaid worden’: de bergen worden weer akkerland.

10Ik zal mensen over jullie vermenigvuldigen, heel het huis van Israël, helemaal. De steden zullen bewoond worden en de puinhopen zullen herbouwd worden.
וְהִרְבֵּיתִ֤י
(vehirbeiti)
en Ik zal vermenigvuldigen
עֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
over jullie
אָדָ֔ם
(adam)
mensen
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כֻּלֹּ֑ה
(kulo)
helemaal
וְנֹֽשְׁבוּ֙
(venoshevu)
en zullen bewoond worden
הֶֽעָרִ֔ים
(hearim)
de steden
וְהֶחֳרָב֖וֹת
(vehechoravot)
en de puinhopen
תִּבָּנֶֽינָה
(tibaneina)
zullen herbouwd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Ik zal mensen en vee over jullie vermenigvuldigen. Zij zullen talrijk worden en vruchtbaar zijn. Ik zal jullie laten wonen zoals vroeger en Ik zal jullie meer goeds doen dan in jullie beginperiode. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.
וְהִרְבֵּיתִ֧י
(vehirbeiti)
en Ik zal vermenigvuldigen
עֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
over jullie
אָדָ֥ם
(adam)
mensen
וּבְהֵמָ֖ה
(uvehema)
en vee
וְרָב֣וּ
(veravu)
en zij zullen talrijk worden
וּפָר֑וּ
(ufaru)
en zij zullen vruchtbaar zijn
וְהוֹשַׁבְתִּ֨י
(vehoshavti)
en Ik zal laten wonen
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
כְּקַדְמֽוֹתֵיכֶ֗ם
(keqadmoteikhem)
zoals vroeger
וְהֵטִֽבֹתִי֙
(vehetivoti)
en Ik zal goed doen
מֵרִאשֹׁ֣תֵיכֶ֔ם
(merishoteikhem)
meer dan in jullie beginperiode
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּקַדְמוֹתֵיכֶם (keqadmoteikhem), ‘zoals vroeger’: zoals in de tijd voor het oordeel.

12Ik zal mensen over jullie laten gaan, Mijn volk Israël. Zij zullen je in bezit nemen en jij zult hun erfdeel zijn. Je zult hen niet meer kinderloos maken.”
וְהוֹלַכְתִּי֩
(veholakhti)
en Ik zal laten gaan
עֲלֵיכֶ֨ם
(aleikhem)
over jullie
אָדָ֜ם
(adam)
mensen
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֤י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וִֽירֵשׁ֔וּךָ
(vireshukha)
en zij zullen je in bezit nemen
וְהָיִ֥יתָ
(vehayita)
en je zult zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְנַחֲלָ֑ה
(lenachala)
tot erfdeel
וְלֹא
(velo)
en niet
תוֹסִ֥ף
(tosif)
zul je voortgaan
ע֖וֹד
(od)
nog
לְשַׁכְּלָֽם
(leshakelam)
om hen kinderloos te maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְשַׁכְּלָם (leshakkelam), ‘hen kinderloos maken’: het land wordt voorgesteld als een dier dat zijn bewoners verslindt, zoals in vers 13.

13Zo zegt Heer Yahweh: „Omdat zij tegen je zeggen: ‘Je bent een menseneter en je hebt je volken kinderloos gemaakt’,
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
אֹמְרִ֣ים
(omerim)
zeggen zij
לָכֶ֔ם
(lakhem)
tot jullie
אֹכֶ֥לֶת
(okhelet)
etend
אָדָ֖ם
(adam)
mensen
אָ֑תְּ
(at)
jij
וּמְשַׁכֶּ֥לֶת
(umeshakelet)
en kinderloos makend
גּוֹיַ֖יִךְ
(goyayikh)
je volken
הָיִֽית
(hayit)
je bent geweest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֹכֶלֶת אָדָם (okhelet adam), ‘menseneter’: de bergen kregen de naam een land te zijn dat zijn bewoners verslindt (vergelijk Num. 13:32).

נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11.

Lezing

In de geschreven tekst staat אָתִּי (atti), ‘jij’ (vrouwelijk, met een extra letter); de overlevering leest אַתְּ (att).

Ook staat er in de geschreven tekst גּוֹיֵךְ (goyekh), ‘je volk’; de overlevering leest גּוֹיַיִךְ (goyayikh), ‘je volken’.

Wij volgen de overlevering.

14daarom zul je geen mensen meer eten en je volken niet meer kinderloos maken, godsspraak van Heer Yahweh.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
אָדָם֙
(adam)
mensen
לֹא
(lo)
niet
תֹ֣אכְלִי
(tokhli)
zul je eten
ע֔וֹד
(od)
meer
וְגוֹיַ֖יִךְ
(vegoyayikh)
en je volken
לֹ֣א
(lo)
niet
תְשַׁכְּלִי
(teshakeli)
zul je kinderloos maken
ע֑וֹד
(od)
meer
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In de geschreven tekst staat וְגוֹיֵךְ (vegoyekh), ‘je volk’; de overlevering leest וְגוֹיַיִךְ (vegoyayikh), ‘je volken’.

Voor het werkwoord staat in de geschreven tekst תַּכְשִׁלִי (takhshili), ‘laten struikelen’; de overlevering leest תְשַׁכְּלִי (teshakkeli), ‘kinderloos maken’.

Wij volgen de overlevering.

15Ik zal de smaad van de volken niet meer over je laten horen. De hoon van de volken zul je niet meer dragen en je volken zul je niet meer laten struikelen, godsspraak van Heer Yahweh.”
וְלֹא
(velo)
en niet
אַשְׁמִ֨יעַ
(ashmia)
zal Ik laten horen
אֵלַ֤יִךְ
(elayikh)
aan jou
עוֹד֙
(od)
meer
כְּלִמַּ֣ת
(kelimat)
smaad van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
וְחֶרְפַּ֥ת
(vecherpat)
en hoon van
עַמִּ֖ים
(amim)
volken
לֹ֣א
(lo)
niet
תִשְׂאִי
(tisi)
zul je dragen
ע֑וֹד
(od)
meer
וְגוֹיַ֨יִךְ֙
(vegoyayikh)
en je volken
לֹא
(lo)
niet
תַכְשִׁ֣לִי
(takhshili)
zul je laten struikelen
ע֔וֹד
(od)
meer
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּכְשִׁילִי (takhshili), ‘laten struikelen’: zoals in vers 14 in de geschreven tekst.

Lezing

In de geschreven tekst staat וְגוֹיֵךְ (vegoyekh), ‘je volk’; de overlevering leest וְגוֹיַיִךְ (vegoyayikh), ‘je volken’.

Wij volgen de overlevering.

Het huis van Israël ontheiligde Mijn naam

16Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17„Mensenkind, toen het huis van Israël op hun grond woonde, maakten zij die onrein door hun weg en hun daden. Hun weg was voor Mij als de onreinheid van een vrouw in haar maandstonden.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
בֵּ֤ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יֹשְׁבִ֣ים
(yoshevim)
wonend
עַל
(al)
op
אַדְמָתָ֔ם
(admatam)
hun grond
וַיְטַמְּא֣וּ
(vaytameu)
en zij maakten onrein
אוֹתָ֔הּ
(otah)
haar
בְּדַרְכָּ֖ם
(bedarkam)
door hun weg
וּבַעֲלִֽילוֹתָ֑ם
(uvaalilotam)
en door hun daden
כְּטֻמְאַת֙
(ketumat)
als de onreinheid van
הַנִּדָּ֔ה
(hanida)
de vrouw in haar maandstonden
הָיְתָ֥ה
(hayeta)
was
דַרְכָּ֖ם
(darkam)
hun weg
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּטֻמְאַת הַנִּדָּה (ketum’at hanniddah), ‘als de onreinheid van een vrouw in haar maandstonden’: zie Lev. 15:19–30.

Een beeld van de grootste onreinheid.

18Toen goot Ik Mijn woede over hen uit, vanwege het bloed dat zij over het land hadden vergoten. Ook hadden zij het met hun mestgoden onrein gemaakt.
וָאֶשְׁפֹּ֤ךְ
(vaeshpokh)
en Ik goot uit
חֲמָתִי֙
(chamati)
Mijn woede
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
עַל
(al)
over
הַדָּ֖ם
(hadam)
het bloed
אֲשֶׁר
(asher)
dat
שָׁפְכ֣וּ
(shafekhu)
zij hadden vergoten
עַל
(al)
over
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וּבְגִלּוּלֵיהֶ֖ם
(uvegiluleihem)
en met hun mestgoden
טִמְּאֽוּהָ
(timeuha)
hadden zij het onrein gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּלּוּלֵיהֶם (gillulehem), ‘hun mestgoden’: zie de uitleg bij Ezech. 6:4.

שָׁפַךְ (shafakh), ‘uitgieten’: de woede wordt uitgegoten, zoals het bloed werd vergoten.

19Ik verstrooide hen onder de volken en zij werden over de landen verspreid. Naar hun weg en naar hun daden heb Ik hen geoordeeld.
וָאָפִ֤יץ
(vaafits)
en Ik verstrooide
אֹתָם֙
(otam)
hen
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
וַיִּזָּר֖וּ
(vayizaru)
en zij werden verspreid
בָּאֲרָצ֑וֹת
(baaratsot)
over de landen
כְּדַרְכָּ֥ם
(kedarkam)
naar hun weg
וְכַעֲלִילוֹתָ֖ם
(vekhaalilotam)
en naar hun daden
שְׁפַטְתִּֽים
(shefattim)
heb Ik hen geoordeeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Zij kwamen bij de volken waarheen zij gingen. Zij ontheiligden Mijn heilige naam, doordat men over hen zei: ‘Dit is het volk van Yahweh, en uit Zijn land zijn zij weggegaan.’
וַיָּב֗וֹא
(vayavo)
en hij kwam
אֶל
(el)
naar
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
בָּ֣אוּ
(bau)
zij gekomen waren
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וַֽיְחַלְּל֖וּ
(vaychalelu)
en zij ontheiligden
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
קָדְשִׁ֑י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
בֶּאֱמֹ֤ר
(beemor)
door te zeggen
לָהֶם֙
(lahem)
over hen
עַם
(am)
volk van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֔לֶּה
(ele)
dezen
וּמֵאַרְצ֖וֹ
(umeartso)
en uit Zijn land
יָצָֽאוּ
(yatsau)
zijn zij uitgegaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁם קָדְשִׁי (shem qodshi), ‘Mijn heilige naam’: de naam van Yahweh, met alles wat Hij is.

Doordat Israël werd weggevoerd, dachten de volken dat Yahweh Zijn volk niet kon beschermen.

21Toen had Ik medelijden met Mijn heilige naam, die het huis van Israël had ontheiligd onder de volken waarheen zij gekomen waren.”
וָאֶחְמֹ֖ל
(vaechmol)
en Ik had medelijden
עַל
(al)
met
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
קָדְשִׁ֑י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
חִלְּל֨וּהוּ֙
(chileluhu)
hadden ontheiligd
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בַּגּוֹיִ֖ם
(bagoyim)
onder de volken
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
בָּ֥אוּ
(bau)
zij gekomen waren
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Omwille van Mijn heilige naam

22„Zeg daarom tegen het huis van Israël:” Zo zegt Heer Yahweh: „Niet omwille van jullie doe Ik het, huis van Israël. Het is omwille van Mijn heilige naam, die jullie hebben ontheiligd onder de volken waarheen jullie gekomen zijn.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
לְבֵֽית
(leveit)
tot het huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֧א
(lo)
niet
לְמַעַנְכֶ֛ם
(lemaankhem)
omwille van jullie
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
עֹשֶׂ֖ה
(ose)
doe het
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּ֤י
(ki)
maar
אִם
(im)
omwille van
לְשֵׁם
(leshem)
naam van
קָדְשִׁי֙
(qadeshi)
Mijn heiligheid
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חִלַּלְתֶּ֔ם
(chilaltem)
hebben jullie ontheiligd
בַּגּוֹיִ֖ם
(bagoyim)
onder de volken
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
בָּ֥אתֶם
(batem)
zijn jullie gekomen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא לְמַעַנְכֶם (lo lema’ankhem), ‘niet omwille van jullie’: Yahweh redt Israël niet om wat het verdient, maar omwille van Zijn naam.

Vergelijk Ezech. 20:9, 14, 22.

23Ik zal Mijn grote naam heiligen, die onder de volken is ontheiligd, die jullie in hun midden hebben ontheiligd. Dan zullen de volken weten dat Ik Yahweh ben, godsspraak van Heer Yahweh, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan jullie heilig.
וְקִדַּשְׁתִּ֞י
(veqidashti)
en Ik zal heiligen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִ֣י
(shemi)
Mijn naam
הַגָּד֗וֹל
(hagadol)
de grote
הַֽמְחֻלָּל֙
(hamchulal)
de ontheiligde
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חִלַּלְתֶּ֖ם
(chilaltem)
hebben jullie ontheiligd
בְּתוֹכָ֑ם
(betokham)
in hun midden
וְיָדְע֨וּ
(veyadeu)
en zullen weten
הַגּוֹיִ֜ם
(hagoyim)
de volken
כִּי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּהִקָּדְשִׁ֥י
(behiqadeshi)
wanneer Ik Mij heilig
בָכֶ֖ם
(bakhem)
aan jullie
לְעֵינֵיהֶֽם
(leeineihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11.

וְקִדַּשְׁתִּי (veqiddashti), ‘Ik zal heiligen’: Yahweh laat Zijn heiligheid zien in wat Hij met Israël doet.

Rein water, een nieuw hart

24Ik zal jullie uit de volken nemen, jullie uit alle landen verzamelen en jullie naar jullie eigen grond brengen.
וְלָקַחְתִּ֤י
(velaqachti)
en Ik zal nemen
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
וְקִבַּצְתִּ֥י
(veqibatsti)
en Ik zal verzamelen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הָאֲרָצ֑וֹת
(haaratsot)
de landen
וְהֵבֵאתִ֥י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
אֶל
(el)
naar
אַדְמַתְכֶֽם
(admatkhem)
jullie grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Ik zal rein water over jullie sprenkelen, en jullie zullen rein worden. Van al jullie onreinheden en van al jullie mestgoden zal Ik jullie reinigen.
וְזָרַקְתִּ֧י
(vezaraqti)
en Ik zal sprenkelen
עֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
over jullie
מַ֥יִם
(mayim)
water
טְהוֹרִ֖ים
(tehorim)
rein
וּטְהַרְתֶּ֑ם
(utehartem)
en jullie zullen rein worden
מִכֹּ֧ל
(mikol)
van al
טֻמְאוֹתֵיכֶ֛ם
(tumoteikhem)
jullie onreinheden
וּמִכָּל
(umikal)
en van al
גִּלּ֥וּלֵיכֶ֖ם
(giluleikhem)
jullie mestgoden
אֲטַהֵ֥ר
(ataher)
zal Ik reinigen
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְזָרַקְתִּי עֲלֵיכֶם מַיִם טְהוֹרִים (vezaraqti aleikhem mayim tehorim), ‘Ik zal rein water over jullie sprenkelen’: vergelijk het water van reiniging in Num. 19:17–19.

גִּלּוּלֵיכֶם (gillulekhem), ‘jullie mestgoden’: zie Ezech. 6:4.

26Ik zal jullie een nieuw hart geven en een nieuwe geest in jullie binnenste leggen. Ik zal het hart van steen uit jullie vlees wegnemen en jullie een hart van vlees geven.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
לָכֶם֙
(lakhem)
aan jullie
לֵ֣ב
(lev)
hart
חָדָ֔שׁ
(chadash)
nieuw
וְר֥וּחַ
(veruach)
en geest
חֲדָשָׁ֖ה
(chadasha)
nieuwe
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal Ik leggen
בְּקִרְבְּכֶ֑ם
(beqirbekhem)
in jullie binnenste
וַהֲסִ֨רֹתִ֜י
(vahasiroti)
en Ik zal wegnemen
אֶת
(et)
(obj.)
לֵ֤ב
(lev)
hart van
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
מִבְּשַׂרְכֶ֔ם
(mibesarkhem)
uit jullie vlees
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
לֵ֥ב
(lev)
hart van
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֵב חָדָשׁ (lev chadash), ‘een nieuw hart’, en רוּחַ חֲדָשָׁה (ruach chadashah), ‘een nieuwe geest’: zie Ezech. 11:19.

Het hart is in het Hebreeuws de plaats van denken en willen.

לֵב הָאֶבֶן (lev ha’even), ‘het hart van steen’, tegenover לֵב בָּשָׂר (lev basar), ‘een hart van vlees’: een hard hart dat niet reageert tegenover een levend hart.

27Mijn Geest zal Ik in jullie binnenste leggen. Ik zal ervoor zorgen dat jullie in Mijn voorschriften gaan en Mijn rechtsregels bewaren en ze doen.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רוּחִ֖י
(ruchi)
Mijn Geest
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal Ik leggen
בְּקִרְבְּכֶ֑ם
(beqirbekhem)
in jullie binnenste
וְעָשִׂ֗יתִי
(veasiti)
en Ik zal maken
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בְּחֻקַּי֙
(bechuqay)
in Mijn voorschriften
תֵּלֵ֔כוּ
(telekhu)
jullie zullen gaan
וּמִשְׁפָּטַ֥י
(umishpatay)
en Mijn rechtsregels
תִּשְׁמְר֖וּ
(tishmeru)
jullie zullen bewaren
וַעֲשִׂיתֶֽם
(vaasitem)
en jullie zullen doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: de Geest van Yahweh zelf, die Hij in Zijn volk legt; vergelijk Ezech. 37:14.

Het woord ruach is hier met hoofdletter vertaald omdat het om Yahweh’s eigen Geest gaat.

וְעָשִׂיתִי אֵת אֲשֶׁר (ve’asiti et asher), ‘Ik zal ervoor zorgen dat’: letterlijk ‘Ik zal maken wat’. Yahweh laat het volk Zijn voorschriften doen.

28Jullie zullen wonen in het land dat Ik aan jullie vaders gegeven heb. Jullie zullen Mijn volk zijn en Ik zal jullie Elohim zijn.
וִישַׁבְתֶּ֣ם
(vishavtem)
en jullie zullen wonen
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik gaf
לַאֲבֹֽתֵיכֶ֑ם
(laavoteikhem)
aan jullie vaders
וִהְיִ֤יתֶם
(vihyitem)
en jullie zullen zijn
לִי֙
(li)
voor Mij
לְעָ֔ם
(leam)
tot volk
וְאָ֣נֹכִ֔י
(veanokhi)
en Ik
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
zal zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וִהְיִיתֶם לִי לְעָם (vihyitem li le’am), ‘jullie zullen Mij tot volk zijn’, en אֲנִי אֶהְיֶה לָכֶם לֵאלֹהִים (ani ehyeh lakhem lelohim), ‘Ik zal jullie tot Elohim zijn’: de verbondsformule, zoals in Lev. 26:12 en Ezech. 11:20.

29Ik zal jullie redden van al jullie onreinheden. Ik zal het koren roepen en het talrijk maken, en Ik zal jullie geen honger meer opleggen.
וְהוֹשַׁעְתִּ֣י
(vehoshati)
en Ik zal redden
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van al
טֻמְאֽוֹתֵיכֶ֑ם
(tumoteikhem)
jullie onreinheden
וְקָרָ֤אתִי
(veqarati)
en Ik zal roepen
אֶל
(el)
tot
הַדָּגָן֙
(hadagan)
het koren
וְהִרְבֵּיתִ֣י
(vehirbeiti)
en Ik zal talrijk maken
אֹת֔וֹ
(oto)
het
וְלֹא
(velo)
en niet
אֶתֵּ֥ן
(eten)
zal Ik leggen
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
op jullie
רָעָֽב
(raav)
honger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהוֹשַׁעְתִּי (vehoshati), ‘Ik zal redden’: wij vertalen hoshia steeds met ‘redden’.

וְקָרָאתִי אֶל הַדָּגָן (veqarati el haddagan), ‘Ik zal het koren roepen’: Yahweh roept de oogst tevoorschijn; vergelijk Hos. 2:23–24.

30Ik zal de vrucht van de bomen en de opbrengst van het veld talrijk maken. Zo dragen jullie onder de volken geen smaad van honger meer.
וְהִרְבֵּיתִי֙
(vehirbeiti)
en Ik zal talrijk maken
אֶת
(et)
(obj.)
פְּרִ֣י
(peri)
vrucht van
הָעֵ֔ץ
(haets)
de boom
וּתְנוּבַ֖ת
(utenuvat)
en opbrengst van
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
אֲ֠שֶׁר
(asher)
dat
לֹ֣א
(lo)
niet
תִקְח֥וּ
(tiqchu)
jullie dragen
ע֛וֹד
(od)
meer
חֶרְפַּ֥ת
(cherpat)
smaad van
רָעָ֖ב
(raav)
honger
בַּגּוֹיִֽם
(bagoyim)
onder de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Dan zullen jullie denken aan jullie kwade wegen en aan jullie daden, die niet goed waren. Jullie zullen van jezelf walgen vanwege jullie schuld en jullie gruwelen.
וּזְכַרְתֶּם֙
(uzekhartem)
en jullie zullen denken aan
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכֵיכֶ֣ם
(darkheikhem)
jullie wegen
הָרָעִ֔ים
(haraim)
de kwade
וּמַעַלְלֵיכֶ֖ם
(umaalleikhem)
en jullie daden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
טוֹבִ֑ים
(tovim)
goed
וּנְקֹֽטֹתֶם֙
(uneqototem)
en jullie zullen walgen
בִּפְנֵיכֶ֔ם
(bifneikhem)
van jezelf
עַ֚ל
(al)
over
עֲוֺנֹ֣תֵיכֶ֔ם
(avonoteikhem)
jullie schuld
וְעַ֖ל
(veal)
en over
תּוֹעֲבֽוֹתֵיכֶֽם
(toavoteikhem)
jullie gruwelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּנְקֹטֹתֶם בִּפְנֵיכֶם (unqotem bifneikhem), ‘jullie zullen van jezelf walgen’: letterlijk ‘jullie zullen walgen voor jullie gezichten’.

Het werkwoord kan ook ‘afkeer voelen’ betekenen; vergelijk Ezech. 6:9.

תּוֹעֲבוֹתֵיכֶם (to’avoteikhem), ‘jullie gruwelen’: zoals in Ezech. 5:9.

32Niet omwille van jullie doe Ik het, godsspraak van Heer Yahweh, dat moeten jullie weten. Schaam je en bloos om jullie wegen, huis van Israël.”
לֹ֧א
(lo)
niet
לְמַעַנְכֶ֣ם
(lemaankhem)
omwille van jullie
אֲנִֽי
(ani)
Ik
עֹשֶׂ֗ה
(ose)
doe het
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יִוָּדַ֖ע
(yivada)
bekend
לָכֶ֑ם
(lakhem)
aan jullie
בּ֧וֹשׁוּ
(boshu)
schaam je
וְהִכָּלְמ֛וּ
(vehikalemu)
en bloos
מִדַּרְכֵיכֶ֖ם
(midarkheikhem)
om jullie wegen
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11.

De puinhopen herbouwd

33Zo zegt Heer Yahweh: „Op de dag dat Ik jullie reinig van al jullie schuld, zal Ik de steden laten bewonen en zullen de puinhopen herbouwd worden.
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיוֹם֙
(beyom)
op de dag van
טַהֲרִ֣י
(tahari)
Mijn reinigen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van al
עֲוֺנֽוֹתֵיכֶ֑ם
(avonoteikhem)
jullie schuld
וְהֽוֹשַׁבְתִּי֙
(vehoshavti)
en Ik zal laten bewonen
אֶת
(et)
(obj.)
הֶ֣עָרִ֔ים
(hearim)
de steden
וְנִבְנ֖וּ
(venivnu)
en zullen herbouwd worden
הֶחֳרָבֽוֹת
(hechoravot)
de puinhopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Het verwoeste land zal bewerkt worden, terwijl het woest was voor de ogen van ieder die voorbijging.
וְהָאָ֥רֶץ
(vehaarets)
en het land
הַנְּשַׁמָּ֖ה
(haneshama)
het verwoeste
תֵּֽעָבֵ֑ד
(teaved)
zal bewerkt worden
תַּ֚חַת
(tachat)
in plaats van
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
het was
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
woest
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
alle
עוֹבֵֽר
(over)
voorbijganger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Dan zullen zij zeggen: ‘Dit land, dat verwoest was, is geworden als de tuin van Eden. De steden die in puin lagen, verwoest en afgebroken waren, zijn versterkt en bewoond.’
וְאָמְר֗וּ
(veameru)
en zij zullen zeggen
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
het land
הַלֵּ֨זוּ֙
(halezu)
dat
הַנְּשַׁמָּ֔ה
(haneshama)
het verwoeste
הָיְתָ֖ה
(hayeta)
is geworden
כְּגַן
(kegan)
als de tuin van
עֵ֑דֶן
(eden)
Eden
וְהֶעָרִ֧ים
(vehearim)
en de steden
הֶחֳרֵב֛וֹת
(hechorevot)
de verwoeste
וְהַֽנְשַׁמּ֥וֹת
(vehanshamot)
en de woeste
וְהַנֶּהֱרָס֖וֹת
(vehaneherasot)
en de afgebroken
בְּצוּר֥וֹת
(betsurot)
versterkt
יָשָֽׁבוּ
(yashavu)
zijn bewoond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּגַן עֵדֶן (kegan Eden), ‘als de tuin van Eden’: een verwijzing naar de tuin van Gen. 2:8.

Het verwoeste land wordt zo vruchtbaar als de eerste tuin; vergelijk Joël 2:3 en Jes. 51:3.

36Dan zullen de volken die rondom jullie overblijven weten dat Ik, Yahweh, het afgebrokene herbouwd heb en het verwoeste beplant heb. Ik, Yahweh, heb het gesproken en Ik zal het doen.”
וְיָדְע֣וּ
(veyadeu)
en zullen weten
הַגּוֹיִ֗ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יִֽשָּׁאֲרוּ֮
(yishaaru)
overblijven
סְבִיבוֹתֵיכֶם֒
(sevivoteikhem)
rondom jullie
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּנִ֨יתִי֙
(baniti)
heb herbouwd
הַנֶּ֣הֱרָס֔וֹת
(haneherasot)
het afgebrokene
נָטַ֖עְתִּי
(natati)
heb beplant
הַנְּשַׁמָּ֑ה
(haneshama)
het verwoeste
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּ֥רְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
וְעָשִֽׂיתִי
(veasiti)
en Ik zal doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Talrijk als een kudde mensen

37Zo zegt Heer Yahweh: „Ook hierom zal Ik door het huis van Israël laten vragen, om het voor hen te doen: Ik zal hen talrijk maken als een kudde mensen.
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
ע֗וֹד
(od)
nog
זֹ֛את
(zot)
dit
אִדָּרֵ֥שׁ
(idaresh)
zal Ik laten vragen
לְבֵֽית
(leveit)
door het huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
אַרְבֶּ֥ה
(arbe)
Ik zal talrijk maken
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
כַּצֹּ֖אן
(katson)
als een kudde
אָדָֽם
(adam)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִדָּרֵשׁ (iddaresh), ‘Ik zal laten vragen’: het werkwoord darash is ‘zoeken, vragen’; Yahweh laat Zich door Israël om dit bidden.

אַרְבֶּה אֹתָם כַּצֹּאן אָדָם (arbeh otam katso’n adam), ‘Ik zal hen talrijk maken als een kudde mensen’: het volk wordt een kudde, een beeld dat past bij Ezech. 34.

38Als een kudde offerdieren, als de kudde van Jeruzalem op haar feesten, zo zullen de verwoeste steden vol zijn van kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”
כְּצֹ֣אן
(ketson)
als een kudde
קָֽדָשִׁ֗ים
(qadashim)
heiligen
כְּצֹ֤אן
(ketson)
als de kudde van
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
בְּמ֣וֹעֲדֶ֔יהָ
(bemoadeiha)
op haar feesten
כֵּ֤ן
(ken)
zo
תִּהְיֶ֨ינָה֙
(tihyeina)
zullen zijn
הֶעָרִ֣ים
(hearim)
de steden
הֶחֳרֵב֔וֹת
(hechorevot)
de verwoeste
מְלֵא֖וֹת
(meleot)
vol van
צֹ֣אן
(tson)
kudde
אָדָ֑ם
(adam)
mensen
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

צֹאן קָדָשִׁים (tso’n qodashim), ‘een kudde offerdieren’: dieren die tot een offer zijn geheiligd.

Op de feesten in Jeruzalem zijn het er zeer veel; vergelijk 2 Kron. 35:7–9.