Elohim Bijbel

Jesaja 13

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Last over Babel: de dag van Yahweh komt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Last over Babel

1Last over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, zag.
מַשָּׂ֖א
(masa)
last van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָזָ֔ה
(chaza)
zag
יְשַׁעְיָ֖הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶּן
(ben)
zoon van
אָמֽוֹץ
(amots)
Amoz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

מַשָּׂא (massa), ‘last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord over een volk.

Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’.

De hoofdstukken 13–23 bevatten zulke ‘lasten’ over volken.

יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: de naam betekent ‘Yahweh redt’.

De val van Babel komt ook voor in Jer. 50–51.

Een banier op de kale berg

2Hef op een kale berg een banier op. Roep hen luid toe. Zwaai met de hand, zodat zij door de poorten van de edelen binnenkomen.
עַ֤ל
(al)
op
הַר
(har)
berg
נִשְׁפֶּה֙
(nishpe)
kale
שְֽׂאוּ
(seu)
hef op
נֵ֔ס
(nes)
banier
הָרִ֥ימוּ
(harimu)
verhef
ק֖וֹל
(qol)
stem
לָהֶ֑ם
(lahem)
tot hen
הָנִ֣יפוּ
(hanifu)
zwaai
יָ֔ד
(yad)
hand
וְיָבֹ֖אוּ
(veyavou)
en laat binnenkomen
פִּתְחֵ֥י
(pitchei)
poorten van
נְדִיבִֽים
(nedivim)
edelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִשְׁפֶּה (nishpeh), ‘kale’: een berg zonder bomen, zodat de banier van ver te zien is.

נֵס (nes), ‘banier’: een teken om mensen te verzamelen.

Het Hebreeuws zegt niet wie hier spreekt en tegen wie de bevelen gericht zijn. In vers 3 spreekt Yahweh zelf.

3„Ik heb Mijn geheiligden opdracht gegeven. Ook heb Ik Mijn helden geroepen voor Mijn toorn, hen die juichen in Mijn hoogheid.”
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
צִוֵּ֖יתִי
(tsiveiti)
Ik heb opdracht gegeven
לִמְקֻדָּשָׁ֑י
(limqudashay)
aan Mijn geheiligden
גַּ֣ם
(gam)
ook
קָרָ֤אתִי
(qarati)
Ik heb geroepen
גִבּוֹרַי֙
(giboray)
Mijn helden
לְאַפִּ֔י
(leapi)
voor Mijn toorn
עַלִּיזֵ֖י
(alizei)
juichenden van
גַּאֲוָתִֽי
(gaavati)
Mijn hoogheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְקֻדָּשָׁי (mequddashai), ‘Mijn geheiligden’: mensen die door Yahweh voor een taak zijn afgezonderd, hier voor de strijd.

Vergelijk Joël 4:9: ‘Heilig een oorlog.’

גַּאֲוָתִי (ga’avati), ‘Mijn hoogheid’: hetzelfde woord als ‘hoogmoed’ in vers 11. Hier gaat het om de majesteit van Yahweh zelf.

4Een geluid van een menigte in de bergen, als van een talrijk volk! Een geluid van gedreun van koninkrijken, van volken die zich verzamelen! Yahweh van de legermachten houdt inspectie over het leger voor de strijd.
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
הָמ֛וֹן
(hamon)
menigte
בֶּֽהָרִ֖ים
(beharim)
in de bergen
דְּמ֣וּת
(demut)
gelijkenis van
עַם
(am)
volk
רָ֑ב
(rav)
talrijk
ק֠וֹל
(qol)
geluid van
שְׁא֞וֹן
(sheon)
gedreun van
מַמְלְכ֤וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
גּוֹיִם֙
(goyim)
volken
נֶֽאֱסָפִ֔ים
(neesafim)
die zich verzamelen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
מְפַקֵּ֖ד
(mefaqed)
die inspectie houdt
צְבָ֥א
(tseva)
leger van
מִלְחָמָֽה
(milchama)
strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְפַקֵּד (mefaqed), ‘houdt inspectie over’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘tellen’ en ‘monsteren’, en ook ‘straffen’ (zie vers 11).

צְבָאוֹת (Tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Voor Yahweh van de legermachten zie Jes. 1:9. Hier past het goed: Yahweh monstert Zijn leger.

5Zij komen uit een ver land, van het einde van de hemel: Yahweh en de wapens van Zijn verontwaardiging, om heel de aarde te verwoesten.
בָּאִ֛ים
(baim)
zij komen
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit een land
מֶרְחָ֖ק
(merchaq)
ver weg
מִקְצֵ֣ה
(miqtse)
van het einde van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּכְלֵ֣י
(ukhelei)
en wapens van
זַעְמ֔וֹ
(zamo)
Zijn verontwaardiging
לְחַבֵּ֖ל
(lechabel)
om te verwoesten
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלֵי זַעְמוֹ (kelei za’mo), ‘de wapens van Zijn verontwaardiging’: de werktuigen waarmee Yahweh Zijn oordeel uitvoert.

Vers 17 noemt wie dat zijn: de Meden.

De dag van Yahweh komt

6Jammer, want de dag van Yahweh is nabij! Als een verwoesting van Sjaddai komt hij.
הֵילִ֕ילוּ
(heililu)
jammer
כִּ֥י
(ki)
want
קָר֖וֹב
(qarov)
nabij
י֣וֹם
(yom)
dag van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּשֹׁ֖ד
(keshod)
als verwoesting
מִשַּׁדַּ֥י
(mishaday)
van Sjaddai
יָבֽוֹא
(yavo)
hij komt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh ingrijpt en oordeelt.

Zie Joël 1:15 en 2:1, en Amos 5:18.

כְּשֹׁד מִשַּׁדַּי (keshod mishaddai), ‘als een verwoesting van Sjaddai’: ‘verwoesting’ (shod) en ‘Sjaddai’ klinken bijna hetzelfde. Zo ook in Joël 1:15.

7Daarom worden alle handen slap, en het hart van elke sterveling smelt.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֖ן
(ken)
(zo)
כָּל
(kal)
alle
יָדַ֣יִם
(yadayim)
handen
תִּרְפֶּ֑ינָה
(tirpeina)
worden slap
וְכָל
(vekhal)
en alle
לְבַ֥ב
(levav)
hart van
אֱנ֖וֹשׁ
(enosh)
sterveling
יִמָּס
(yimas)
smelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zij worden door schrik overmand. Pijnscheuten en weeën grijpen hen. Zij krimpen ineen als een barende. Ieder staart verbijsterd naar zijn naaste. Hun gezichten zijn gezichten van vlammen.
וְֽנִבְהָ֓לוּ
(venivhalu)
en zij worden overmand door schrik
צִירִ֤ים
(tsirim)
pijnscheuten
וַֽחֲבָלִים֙
(vachavalim)
en weeën
יֹֽאחֵז֔וּן
(yochezun)
zij grijpen
כַּיּוֹלֵדָ֖ה
(kayoleda)
als een barende
יְחִיל֑וּן
(yechilun)
zij krimpen ineen
אִ֤ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
naar
רֵעֵ֨הוּ֙
(reehu)
zijn naaste
יִתְמָ֔הוּ
(yitmahu)
zij staren verbijsterd
פְּנֵ֥י
(penei)
gezichten van
לְהָבִ֖ים
(lehavim)
vlammen
פְּנֵיהֶֽם
(peneihem)
hun gezichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zie, de dag van Yahweh komt, wreed, met woede en brandende toorn, om de aarde tot een woestenij te maken. Haar zondaars zal Hij daaruit uitroeien.
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
יוֹם
(yom)
dag van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֔א
(ba)
komt
אַכְזָרִ֥י
(akhzari)
wreed
וְעֶבְרָ֖ה
(veevra)
en woede
וַחֲר֣וֹן
(vacharon)
en brandende
אָ֑ף
(af)
toorn
לָשׂ֤וּם
(lasum)
om te maken
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot woestenij
וְחַטָּאֶ֖יהָ
(vechataeiha)
en haar zondaars
יַשְׁמִ֥יד
(yashmid)
Hij zal uitroeien
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
daaruit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַכְזָרִי (akhzari), ‘wreed’: de dag zelf kent geen medelijden.

עֶבְרָה (evrah), ‘woede’, en חֲרוֹן אָף (charon af), ‘brandende toorn’: wij houden deze woorden in dit hoofdstuk gelijk (zie ook vers 13).

10Want de sterren van de hemel en hun sterrenbeelden geven hun licht niet. De zon is duister als zij opkomt, en de maan laat haar licht niet schijnen.
כִּֽי
(ki)
want
כוֹכְבֵ֤י
(kokhevei)
sterren van
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
וּכְסִ֣ילֵיהֶ֔ם
(ukhesileihem)
en hun sterrenbeelden
לֹ֥א
(lo)
niet
יָהֵ֖לּוּ
(yahelu)
geven licht
אוֹרָ֑ם
(oram)
hun licht
חָשַׁ֤ךְ
(chashakh)
is duister
הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙
(hashemesh)
de zon
בְּצֵאת֔וֹ
(betseto)
bij haar opkomst
וְיָרֵ֖חַ
(veyareach)
en de maan
לֹֽא
(lo)
niet
יַגִּ֥יהַ
(yagiha)
laat schijnen
אוֹרֽוֹ
(oro)
haar licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּסִילֵיהֶם (kesileyhem), ‘hun sterrenbeelden’: letterlijk ‘hun Orions’.

כְּסִיל (kesil) is de naam van het sterrenbeeld Orion (Amos 5:8).

Het meervoud met ‘hun’ wijst hier op de sterrenbeelden in het algemeen.

Vergelijk Joël 2:10 en 4:15.

Ik straf de wereld

11„Ik straf de wereld voor haar kwaad en de goddelozen voor hun schuld. Ik maak een einde aan de trots van de overmoedigen. De hoogmoed van de geweldenaars verneder Ik.
וּפָקַדְתִּ֤י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עַל
(al)
voor
תֵּבֵל֙
(tevel)
wereld
רָעָ֔ה
(raa)
kwaad
וְעַל
(veal)
en voor
רְשָׁעִ֖ים
(reshaim)
goddelozen
עֲוֺנָ֑ם
(avonam)
hun schuld
וְהִשְׁבַּתִּי֙
(vehishbati)
en Ik zal doen ophouden
גְּא֣וֹן
(geon)
trots van
זֵדִ֔ים
(zedim)
overmoedigen
וְגַאֲוַ֥ת
(vegaavat)
en hoogmoed van
עָרִיצִ֖ים
(aritsim)
geweldenaars
אַשְׁפִּֽיל
(ashpil)
Ik zal vernederen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: zoals in Hos. 1:4.

Het woord betekent ook ‘monsteren’ (vers 4).

זֵדִים (zedim), ‘overmoedigen’: mensen die zich te groot voelen en tegen Elohim in opstand komen. עָרִיצִים (aritsim), ‘geweldenaars’: harde, gewelddadige heersers.

12Ik maak de sterveling zeldzamer dan fijn goud, en de mens dan goud van Ofir.
אוֹקִ֥יר
(oqir)
Ik zal zeldzamer maken
אֱנ֖וֹשׁ
(enosh)
sterveling
מִפָּ֑ז
(mipaz)
dan fijn goud
וְאָדָ֖ם
(veadam)
en mens
מִכֶּ֥תֶם
(miketem)
dan goud van
אוֹפִֽיר
(ofir)
Ofir
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ofir (Arabië?): De ligging van Ofir is onzeker.

Eén voorstel is het zuidwesten van Arabië.

Zie Ofir (Oost-Afrika?): Een ander voorstel voor Ofir is de kust van Oost-Afrika (de Hoorn van Afrika); ook India is voorgesteld.

Uitleg

אֱנוֹשׁ (enosh), ‘sterveling’, en אָדָם (adam), ‘mens’: twee woorden voor mensen.

Er blijven zo weinig mensen over dat zij zeldzamer zijn dan goud.

פָּז (paz), ‘fijn goud’, en כֶּתֶם אוֹפִיר (ketem Ofir), ‘goud van Ofir’: goud van de beste soort. Ofir was een land dat bekend was om zijn goud; zie 1 Kon. 9:28. De ligging is onzeker.

13Daarom laat Ik de hemel beven. De aarde schudt van haar plaats, in de woede van Yahweh van de legermachten, op de dag van Zijn brandende toorn.”
עַל
(al)
daarom
כֵּן֙
(ken)
(zo)
שָׁמַ֣יִם
(shamayim)
hemel
אַרְגִּ֔יז
(argiz)
Ik zal doen beven
וְתִרְעַ֥שׁ
(vetirash)
en zal schudden
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
מִמְּקוֹמָ֑הּ
(mimeqomah)
van haar plaats
בְּעֶבְרַת֙
(beevrat)
in de woede van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וּבְי֖וֹם
(uveyom)
en op de dag van
חֲר֥וֹן
(charon)
brandende
אַפּֽוֹ
(apo)
Zijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘In de woede van Yahweh van de legermachten’: Yahweh spreekt hier in de derde persoon over Zichzelf.

Het zijn Zijn eigen woorden; daarom blijft ook dit rood (vergelijk Hos. 1:7).

14Zij worden als een opgejaagde gazelle en als schapen die niemand bijeenbrengt. Ieder keert zich naar zijn volk, en ieder vlucht naar zijn land.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כִּצְבִ֣י
(kitsvi)
als een gazelle
מֻדָּ֔ח
(mudach)
opgejaagde
וּכְצֹ֖אן
(ukhetson)
en als schapen
וְאֵ֣ין
(veein)
en niemand
מְקַבֵּ֑ץ
(meqabets)
die bijeenbrengt
אִ֤ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
naar
עַמּוֹ֙
(amo)
zijn volk
יִפְנ֔וּ
(yifnu)
zij keren zich
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en man
אֶל
(el)
naar
אַרְצ֖וֹ
(artso)
zijn land
יָנֽוּסוּ
(yanusu)
zij vluchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְבִי (tsevi), ‘gazelle’: dit woord wordt hetzelfde geschreven als ‘sieraad’ in vers 19.

15Ieder die wordt gevonden, wordt doorstoken. Ieder die wordt meegesleurd, valt door het zwaard.
כָּל
(kal)
ieder
הַנִּמְצָ֖א
(hanimtsa)
die gevonden wordt
יִדָּקֵ֑ר
(yidaqer)
wordt doorstoken
וְכָל
(vekhal)
en ieder
הַנִּסְפֶּ֖ה
(hanispe)
die wordt meegesleurd
יִפּ֥וֹל
(yipol)
valt
בֶּחָֽרֶב
(becharev)
door het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Hun kleine kinderen worden voor hun ogen verpletterd. Hun huizen worden geplunderd en hun vrouwen worden verkracht.
וְעֹלְלֵיהֶ֥ם
(veoleleihem)
en hun kleine kinderen
יְרֻטְּשׁ֖וּ
(yeruteshu)
worden verpletterd
לְעֵֽינֵיהֶ֑ם
(leeineihem)
voor hun ogen
יִשַּׁ֨סּוּ֙
(yishasu)
worden geplunderd
בָּֽתֵּיהֶ֔ם
(bateihem)
hun huizen
וּנְשֵׁיהֶ֖ם
(unesheihem)
en hun vrouwen
תִּשָּׁכַֽבְנָה
(tishakhavna)
worden verkracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹלְלֵיהֶם (olleleyhem), ‘hun kleine kinderen’: zuigelingen en peuters.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat תשגלנה (tishgalnah), een grof woord.

De voorgelezen tekst (qere) is תִּשָּׁכַבְנָה (tishakhavnah), ‘zij worden beslapen’.

Wij volgen de qere.

Het werkwoord שָׁכַב (shakhav) betekent ‘liggen met’; in dit oorlogsbeeld gaat het om geweld, daarom vertalen wij ‘verkracht’.

Ik wek de Meden op

17„Zie, Ik wek de Meden tegen hen op. Zij achten zilver niet en hebben geen behagen in goud.
הִנְנִ֛י
(hinni)
zie Ik
מֵעִ֥יר
(meir)
die opwekt
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tegen hen
אֶת
(et)
(obj.)
מָדָ֑י
(maday)
de Meden
אֲשֶׁר
(asher)
die
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
zilver
לֹ֣א
(lo)
niet
יַחְשֹׁ֔בוּ
(yachshovu)
zij achten
וְזָהָ֖ב
(vezahav)
en goud
לֹ֥א
(lo)
niet
יַחְפְּצוּ
(yachpetsu)
zij hebben behagen
בֽוֹ
(bo)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָדַי (Maday), ‘de Meden’: een volk in het oosten, in Medië.

Yahweh wekt hen op.

Dat zij zilver en goud niet achten, betekent waarschijnlijk dat zij zich niet laten omkopen.

18Hun bogen verpletteren de jongens. Zij ontfermen zich niet over de vrucht van de schoot. Hun oog spaart de kinderen niet.”
וּקְשָׁת֖וֹת
(uqeshatot)
en bogen
נְעָרִ֣ים
(nearim)
jongens
תְּרַטַּ֑שְׁנָה
(teratashna)
verpletteren
וּפְרִי
(uferi)
en de vrucht van
בֶ֨טֶן֙
(beten)
schoot
לֹ֣א
(lo)
niet
יְרַחֵ֔מוּ
(yerachemu)
zij ontfermen zich
עַל
(al)
over
בָּנִ֖ים
(banim)
kinderen
לֹֽא
(lo)
niet
תָח֥וּס
(tachus)
spaart
עֵינָֽם
(einam)
hun oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִחֵם (richem), ‘zich ontfermen’: hetzelfde werkwoord als in Hos. 1:6 (‘Lo-Ruchama’).

Babel wordt een woestenij

19Babel, het sieraad van de koninkrijken, de pracht, de trots van de Chaldeeën, zal worden zoals Sodom en Gomorra toen Elohim ze omkeerde.
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zij zal zijn
בָבֶל֙
(bavel)
Babel
צְבִ֣י
(tsevi)
sieraad van
מַמְלָכ֔וֹת
(mamlakhot)
koninkrijken
תִּפְאֶ֖רֶת
(tiferet)
pracht van
גְּא֣וֹן
(geon)
trots van
כַּשְׂדִּ֑ים
(kasdim)
Chaldeeën
כְּמַהְפֵּכַ֣ת
(kemahpekhat)
als de omkering door
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
סְדֹ֖ם
(sedom)
Sodom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲמֹרָֽה
(amora)
Gomorra
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

צְבִי מַמְלָכוֹת (tsevi mamlakhot), ‘het sieraad van de koninkrijken’: Babel was de schitterendste stad van zijn tijd.

כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldeeën’: het volk van Babel.

Sodom en Gomorra: zie Gen. 19:24–25 en Amos 4:11.

20Zij wordt voor altijd niet meer bewoond en van generatie op generatie niet bevolkt. Geen Arabier slaat daar zijn tent op, en herders laten er hun kudden niet neerliggen.
לֹֽא
(lo)
niet
תֵשֵׁ֣ב
(teshev)
zij zal bewoond worden
לָנֶ֔צַח
(lanetsach)
voor altijd
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִשְׁכֹּ֖ן
(tishkon)
zij zal bevolkt worden
עַד
(ad)
tot
דּ֣וֹר
(dor)
generatie
וָד֑וֹר
(vador)
en generatie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַהֵ֥ל
(yahel)
zal zijn tent opslaan
שָׁם֙
(sham)
daar
עֲרָבִ֔י
(aravi)
Arabier
וְרֹעִ֖ים
(veroim)
en herders
לֹא
(lo)
niet
יַרְבִּ֥צוּ
(yarbitsu)
zullen laten neerliggen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲרָבִי (aravi), ‘Arabier’: iemand uit de woestijn, die in tenten woont.

יַהֵל (yahel), ‘zijn tent opslaan’: het woord komt zo alleen hier voor en hangt waarschijnlijk samen met אֹהֶל (ohel), ‘tent’. De betekenis is niet helemaal zeker.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘herders laten niet neerliggen’. De woorden ‘hun kudden’ vullen wij aan.

Vergelijk Jer. 50:39–40.

21Woestijndieren zullen daar neerliggen, en hun huizen zullen vol zijn van huilende dieren. Struisvogels zullen daar wonen, en bokgeesten zullen daar dansen.
וְרָבְצוּ
(veravetsu)
en zullen neerliggen
שָׁ֣ם
(sham)
daar
צִיִּ֔ים
(tsiyim)
woestijndieren
וּמָלְא֥וּ
(umaleu)
en zullen vol zijn
בָתֵּיהֶ֖ם
(bateihem)
hun huizen
אֹחִ֑ים
(ochim)
huilende dieren
וְשָׁ֤כְנוּ
(veshakhenu)
en zullen wonen
שָׁם֙
(sham)
daar
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
יַֽעֲנָ֔ה
(yaana)
struisvogel
וּשְׂעִירִ֖ים
(useirim)
en bokgeesten
יְרַקְּדוּ
(yeraqedu)
zullen dansen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִיִּים (tsiyyim), ‘woestijndieren’: letterlijk ‘dieren van de dorre streken’.

Elders, zoals in Ps. 74:14, vertalen wij ‘woestijnbewoners’; hier gaat het om dieren, zoals bij de andere namen in dit vers.

אֹחִים (ochim), ‘huilende dieren’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Het gaat waarschijnlijk om dieren die jammerend roepen.

בְּנוֹת יַעֲנָה (benot ya’anah), ‘struisvogels’: letterlijk ‘dochters van de struisvogel’ (zie Lev. 11:16).

שְׂעִירִים (se’irim), ‘bokgeesten’: letterlijk ‘harigen’; zie Lev. 17:7. Het zijn spookachtige wezens in verlaten streken. Wat zij precies zijn, is niet zeker.

22Hyena's zullen roepen in zijn burchten en jakhalzen in de paleizen van genot. Haar tijd is bijna aangebroken, en haar dagen worden niet verlengd.
וְעָנָ֤ה
(veana)
en zullen roepen
אִיִּים֙
(iyim)
hyena's
בְּאַלְמנוֹתָ֔יו
(bealmnotav)
in zijn burchten
וְתַנִּ֖ים
(vetanim)
en jakhalzen
בְּהֵ֣יכְלֵי
(beheikhelei)
in paleizen van
עֹ֑נֶג
(oneg)
genot
וְקָר֤וֹב
(veqarov)
en nabij
לָבוֹא֙
(lavo)
om te komen
עִתָּ֔הּ
(itah)
haar tijd
וְיָמֶ֖יהָ
(veyameiha)
en haar dagen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמָּשֵֽׁכוּ
(yimashekhu)
worden verlengd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִיִּים (iyyim), ‘hyena’s’: letterlijk ‘huilers’; de vertaling is onzeker.

Dezelfde letters kunnen ook ‘eilanden’ betekenen.

תַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’.

Lezing

De Masoretische tekst heeft אַלְמְנוֹתָיו (almenotav), ‘zijn weduwen’.

Dat past niet naast ‘paleizen van genot’.

Sommige oude vertalingen lezen hier een ander woord, met de betekenis ‘burchten’.

Wij vertalen ‘burchten’.