Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Last over Babel
1Last over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, zag.
מַשָּׂ֖א
(masa)
last van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָזָ֔ה
(chaza)
zag
יְשַׁעְיָ֖הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶּן
(ben)
zoon van
אָמֽוֹץ
(amots)
Amoz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
מַשָּׂא (massa), ‘last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord over een volk.
Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’.
De hoofdstukken 13–23 bevatten zulke ‘lasten’ over volken.
יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: de naam betekent ‘Yahweh redt’.
4Een geluid van een menigte in de bergen, als van een talrijk volk! Een geluid van gedreun van koninkrijken, van volken die zich verzamelen! Yahweh van de legermachten houdt inspectie over het leger voor de strijd.
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
הָמ֛וֹן
(hamon)
menigte
בֶּֽהָרִ֖ים
(beharim)
in de bergen
דְּמ֣וּת
(demut)
gelijkenis van
עַם
(am)
volk
רָ֑ב
(rav)
talrijk
ק֠וֹל
(qol)
geluid van
שְׁא֞וֹן
(sheon)
gedreun van
מַמְלְכ֤וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
גּוֹיִם֙
(goyim)
volken
נֶֽאֱסָפִ֔ים
(neesafim)
die zich verzamelen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
מְפַקֵּ֖ד
(mefaqed)
die inspectie houdt
צְבָ֥א
(tseva)
leger van
מִלְחָמָֽה
(milchama)
strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְפַקֵּד (mefaqed), ‘houdt inspectie over’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘tellen’ en ‘monsteren’, en ook ‘straffen’ (zie vers 11).
צְבָאוֹת (Tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Voor Yahweh van de legermachten zie Jes. 1:9. Hier past het goed: Yahweh monstert Zijn leger.
6Jammer, want de dag van Yahweh is nabij! Als een verwoesting van Sjaddai komt hij.
הֵילִ֕ילוּ
(heililu)
jammer
כִּ֥י
(ki)
want
קָר֖וֹב
(qarov)
nabij
י֣וֹם
(yom)
dag van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּשֹׁ֖ד
(keshod)
als verwoesting
מִשַּׁדַּ֥י
(mishaday)
van Sjaddai
יָבֽוֹא
(yavo)
hij komt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh ingrijpt en oordeelt.
Zie Joël 1:15 en 2:1, en Amos 5:18.
כְּשֹׁד מִשַּׁדַּי (keshod mishaddai), ‘als een verwoesting van Sjaddai’: ‘verwoesting’ (shod) en ‘Sjaddai’ klinken bijna hetzelfde. Zo ook in Joël 1:15.
8Zij worden door schrik overmand. Pijnscheuten en weeën grijpen hen. Zij krimpen ineen als een barende. Ieder staart verbijsterd naar zijn naaste. Hun gezichten zijn gezichten van vlammen.
וְֽנִבְהָ֓לוּ
(venivhalu)
en zij worden overmand door schrik
צִירִ֤ים
(tsirim)
pijnscheuten
וַֽחֲבָלִים֙
(vachavalim)
en weeën
יֹֽאחֵז֔וּן
(yochezun)
zij grijpen
כַּיּוֹלֵדָ֖ה
(kayoleda)
als een barende
יְחִיל֑וּן
(yechilun)
zij krimpen ineen
אִ֤ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
naar
רֵעֵ֨הוּ֙
(reehu)
zijn naaste
יִתְמָ֔הוּ
(yitmahu)
zij staren verbijsterd
פְּנֵ֥י
(penei)
gezichten van
לְהָבִ֖ים
(lehavim)
vlammen
פְּנֵיהֶֽם
(peneihem)
hun gezichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11„Ik straf de wereld voor haar kwaad en de goddelozen voor hun schuld. Ik maak een einde aan de trots van de overmoedigen. De hoogmoed van de geweldenaars verneder Ik.
וּפָקַדְתִּ֤י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עַל
(al)
voor
תֵּבֵל֙
(tevel)
wereld
רָעָ֔ה
(raa)
kwaad
וְעַל
(veal)
en voor
רְשָׁעִ֖ים
(reshaim)
goddelozen
עֲוֺנָ֑ם
(avonam)
hun schuld
וְהִשְׁבַּתִּי֙
(vehishbati)
en Ik zal doen ophouden
גְּא֣וֹן
(geon)
trots van
זֵדִ֔ים
(zedim)
overmoedigen
וְגַאֲוַ֥ת
(vegaavat)
en hoogmoed van
עָרִיצִ֖ים
(aritsim)
geweldenaars
אַשְׁפִּֽיל
(ashpil)
Ik zal vernederen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: zoals in Hos. 1:4.
Het woord betekent ook ‘monsteren’ (vers 4).
זֵדִים (zedim), ‘overmoedigen’: mensen die zich te groot voelen en tegen Elohim in opstand komen. עָרִיצִים (aritsim), ‘geweldenaars’: harde, gewelddadige heersers.
12Ik maak de sterveling zeldzamer dan fijn goud, en de mens dan goud van Ofir.
אוֹקִ֥יר
(oqir)
Ik zal zeldzamer maken
אֱנ֖וֹשׁ
(enosh)
sterveling
מִפָּ֑ז
(mipaz)
dan fijn goud
וְאָדָ֖ם
(veadam)
en mens
מִכֶּ֥תֶם
(miketem)
dan goud van
אוֹפִֽיר
(ofir)
Ofir
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ofir (Arabië?): De ligging van Ofir is onzeker.
Eén voorstel is het zuidwesten van Arabië.
Zie Ofir (Oost-Afrika?): Een ander voorstel voor Ofir is de kust van Oost-Afrika (de Hoorn van Afrika); ook India is voorgesteld.
Uitleg
אֱנוֹשׁ (enosh), ‘sterveling’, en אָדָם (adam), ‘mens’: twee woorden voor mensen.
Er blijven zo weinig mensen over dat zij zeldzamer zijn dan goud.
פָּז (paz), ‘fijn goud’, en כֶּתֶם אוֹפִיר (ketem Ofir), ‘goud van Ofir’: goud van de beste soort. Ofir was een land dat bekend was om zijn goud; zie 1 Kon. 9:28. De ligging is onzeker.
20Zij wordt voor altijd niet meer bewoond en van generatie op generatie niet bevolkt. Geen Arabier slaat daar zijn tent op, en herders laten er hun kudden niet neerliggen.
לֹֽא
(lo)
niet
תֵשֵׁ֣ב
(teshev)
zij zal bewoond worden
לָנֶ֔צַח
(lanetsach)
voor altijd
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִשְׁכֹּ֖ן
(tishkon)
zij zal bevolkt worden
עַד
(ad)
tot
דּ֣וֹר
(dor)
generatie
וָד֑וֹר
(vador)
en generatie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַהֵ֥ל
(yahel)
zal zijn tent opslaan
שָׁם֙
(sham)
daar
עֲרָבִ֔י
(aravi)
Arabier
וְרֹעִ֖ים
(veroim)
en herders
לֹא
(lo)
niet
יַרְבִּ֥צוּ
(yarbitsu)
zullen laten neerliggen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲרָבִי (aravi), ‘Arabier’: iemand uit de woestijn, die in tenten woont.
יַהֵל (yahel), ‘zijn tent opslaan’: het woord komt zo alleen hier voor en hangt waarschijnlijk samen met אֹהֶל (ohel), ‘tent’. De betekenis is niet helemaal zeker.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘herders laten niet neerliggen’. De woorden ‘hun kudden’ vullen wij aan.
21Woestijndieren zullen daar neerliggen, en hun huizen zullen vol zijn van huilende dieren. Struisvogels zullen daar wonen, en bokgeesten zullen daar dansen.
וְרָבְצוּ
(veravetsu)
en zullen neerliggen
שָׁ֣ם
(sham)
daar
צִיִּ֔ים
(tsiyim)
woestijndieren
וּמָלְא֥וּ
(umaleu)
en zullen vol zijn
בָתֵּיהֶ֖ם
(bateihem)
hun huizen
אֹחִ֑ים
(ochim)
huilende dieren
וְשָׁ֤כְנוּ
(veshakhenu)
en zullen wonen
שָׁם֙
(sham)
daar
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
יַֽעֲנָ֔ה
(yaana)
struisvogel
וּשְׂעִירִ֖ים
(useirim)
en bokgeesten
יְרַקְּדוּ
(yeraqedu)
zullen dansen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צִיִּים (tsiyyim), ‘woestijndieren’: letterlijk ‘dieren van de dorre streken’.
Elders, zoals in Ps. 74:14, vertalen wij ‘woestijnbewoners’; hier gaat het om dieren, zoals bij de andere namen in dit vers.
אֹחִים (ochim), ‘huilende dieren’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Het gaat waarschijnlijk om dieren die jammerend roepen.
בְּנוֹת יַעֲנָה (benot ya’anah), ‘struisvogels’: letterlijk ‘dochters van de struisvogel’ (zie Lev. 11:16).
שְׂעִירִים (se’irim), ‘bokgeesten’: letterlijk ‘harigen’; zie Lev. 17:7. Het zijn spookachtige wezens in verlaten streken. Wat zij precies zijn, is niet zeker.