Elohim Bijbel

Job 8

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Bildad spreekt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Bildad spreekt

1Bildad uit Sjuach nam het woord en zei:
וַ֭יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
בִּלְדַּ֥ד
(bildad)
Bildad
הַשּׁוּחִ֗י
(hashuchi)
de Sjuchiet
וַיֹאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bildad komt uit Sjuach (zie 2:11).

Uitleg

Hij spreekt korter en scherper dan Elifaz en beroept zich op de overlevering van de voorouders.

Zie ookJob 2:11
2„Hoe lang nog zeg je dit? Hoe lang zijn de woorden van je mond een geweldige storm?
עַד
(ad)
tot
אָ֥ן
(an)
waar
תְּמַלֶּל
(temalel)
spreek je
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze dingen
וְר֥וּחַ
(veruach)
en een wind
כַּ֝בִּיר
(kabir)
geweldige
אִמְרֵי
(imrei)
woorden van
פִֽיךָ
(pikha)
je mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Verdraait El het recht? Verdraait Sjaddai de gerechtigheid?
הַ֭אֵל
(hael)
El?
יְעַוֵּ֣ת
(yeavet)
verdraait
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
recht
וְאִם
(veim)
of
שַׁ֝דַּ֗י
(shaday)
Sjaddai
יְעַוֵּֽת
(yeavet)
verdraait
צֶֽדֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bildads vraag is retorisch: natuurlijk verdraait El het recht niet.

Dit is de kern van zijn leer: Elohim is rechtvaardig, dus wie lijdt, heeft gezondigd.

4Als je zonen tegen Hem gezondigd hebben, dan heeft Hij hen overgeleverd aan hun eigen overtreding.
אִם
(im)
indien
בָּנֶ֥יךָ
(baneikha)
je zonen
חָֽטְאוּ
(chateu)
zondigden
ל֑וֹ
(lo)
tegen Hem
וַֽ֝יְשַׁלְּחֵ֗ם
(vayshalechem)
dan zond Hij hen weg
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
פִּשְׁעָֽם
(pisham)
hun overtreding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een harde uitspraak over Jobs gestorven kinderen (1:19).

Bildad zegt het onverbloemd: hun dood was de straf voor hun zonde.

5Maar als jij El ernstig zoekt en Sjaddai om genade smeekt,
אִם
(im)
indien
אַ֭תָּה
(ata)
jij
תְּשַׁחֵ֣ר
(teshacher)
zoekt
אֶל
(el)
naar
אֵ֑ל
(el)
El
וְאֶל
(veel)
en tot
שַׁ֝דַּ֗י
(shaday)
Sjaddai
תִּתְחַנָּֽן
(titchanan)
smeekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

El (אֵל) en Sjaddai (שַׁדַּי) staan parallel als namen voor Elohim.

6als jij zuiver en oprecht bent, dan zal Hij nu voor je opstaan en je rechtmatige woning herstellen.
אִם
(im)
indien
זַ֥ךְ
(zakh)
zuiver
וְיָשָׁ֗ר
(veyashar)
en oprecht
אָ֥תָּה
(ata)
jij bent
כִּי
(ki)
want
עַ֭תָּה
(ata)
nu
יָעִ֣יר
(yair)
zal Hij ontwaken
עָלֶ֑יךָ
(aleikha)
voor jou
וְ֝שִׁלַּ֗ם
(veshilam)
en zal herstellen
נְוַ֣ת
(nevat)
woning van
צִדְקֶֽךָ
(tsidqekha)
je rechtvaardigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Dan zal je begin klein lijken en je einde zeer groot worden.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en zal zijn
רֵאשִׁיתְךָ֣
(reshitekha)
je begin
מִצְעָ֑ר
(mitsar)
klein
וְ֝אַחֲרִיתְךָ֗
(veacharitekha)
en je einde
יִשְׂגֶּ֥ה
(yisge)
zal groot worden
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Leer van de vorige generaties

8Vraag het toch aan de vorige generatie, en let op wat hun vaders hebben ontdekt.
כִּֽי
(ki)
want
שְׁאַל
(sheal)
vraag
נָ֭א
(na)
toch
לְדֹ֣ר
(ledor)
aan generatie
רִישׁ֑וֹן
(rishon)
vorige
וְ֝כוֹנֵ֗ן
(vekhonen)
en richt je
לְחֵ֣קֶר
(lecheqer)
op het onderzoek van
אֲבוֹתָֽם
(avotam)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bildad beroept zich niet op een visioen zoals Elifaz (4:12–16) maar op de ervaring van eerdere generaties.

9Want wij zijn van gisteren en weten niets. Onze dagen op aarde zijn een schaduw.
כִּֽי
(ki)
want
תְמ֣וֹל
(temol)
gisteren
אֲ֭נַחְנוּ
(anachnu)
wij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נֵדָ֑ע
(neda)
weten wij
כִּ֤י
(ki)
want
צֵ֖ל
(tsel)
schaduw
יָמֵ֣ינוּ
(yameinu)
onze dagen
עֲלֵי
(alei)
op
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Zullen zij je niet onderwijzen en tot je spreken, en woorden uit hun hart voortbrengen?
הֲלֹא
(halo)
niet?
הֵ֣ם
(hem)
zij
י֭וֹרוּךָ
(yorukha)
zullen je onderwijzen
יֹ֣אמְרוּ
(yomru)
zullen zeggen
לָ֑ךְ
(lakh)
tot jou
וּ֝מִלִּבָּ֗ם
(umilibam)
en uit hun hart
יוֹצִ֥אוּ
(yotsiu)
brengen ze voort
מִלִּֽים
(milim)
woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Groeit riet zonder moeras? Groeit gras zonder water?
הֲיִֽגְאֶה
(hayige)
groeit hoog
גֹּ֭מֶא
(gome)
riet
בְּלֹ֣א
(belo)
zonder
בִצָּ֑ה
(bitsa)
moeras
יִשְׂגֶּה
(yisge)
groeit
אָ֥חוּ
(achu)
gras
בְלִי
(beli)
zonder
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹּמֶא (gome) is papyrusriet, dat alleen groeit waar water is.

Het beeld: iets wat afhankelijk is van water verdort zonder water; zo verdort wie El vergeet.

12Het staat nog in zijn groen en wordt niet gesneden, maar toch verdort het eerder dan alle gras.
עֹדֶ֣נּוּ
(odenu)
nog
בְ֭אִבּוֹ
(beibo)
in zijn groen
לֹ֣א
(lo)
niet
יִקָּטֵ֑ף
(yiqatef)
wordt het gesneden
וְלִפְנֵ֖י
(velifnei)
en voor
כָל
(kal)
elk
חָצִ֣יר
(chatsir)
gras
יִיבָֽשׁ
(yivash)
verdort het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zo zijn de paden van allen die El vergeten, en de hoop van de goddeloze vergaat.
כֵּ֗ן
(ken)
zo
אָ֭רְחוֹת
(arechot)
paden van
כָּל
(kal)
allen
שֹׁ֣כְחֵי
(shokhechei)
die vergeten
אֵ֑ל
(el)
El
וְתִקְוַ֖ת
(vetiqvat)
en hoop van
חָנֵ֣ף
(chanef)
de goddeloze
תֹּאבֵֽד
(toved)
vergaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָנֵף (chanef), ‘goddeloze’, is iemand die de verbinding met Elohim verbroken heeft, ook al ziet het er van buiten anders uit.

14Zijn vertrouwen breekt af, en wat hij vertrouwt, is een spinnenweb.
אֲשֶׁר
(asher)
wiens
יָק֥וֹט
(yaqot)
breekt af
כִּסְל֑וֹ
(kislo)
vertrouwen
וּבֵ֥ית
(uveit)
en een huis van
עַ֝כָּבִ֗ישׁ
(akavish)
spin
מִבְטַחֽוֹ
(mivtacho)
zijn vertrouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Hij leunt op zijn huis, maar het blijft niet staan. Hij klampt zich eraan vast, maar het houdt geen stand.
יִשָּׁעֵ֣ן
(yishaen)
leunt hij
עַל
(al)
op
בֵּ֭יתוֹ
(beito)
zijn huis
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַעֲמֹ֑ד
(yaamod)
staat het
יַחֲזִ֥יק
(yachaziq)
hij klampt zich vast
בּ֝֗וֹ
(bo)
eraan
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָקֽוּם
(yaqum)
houdt het stand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Hij is groen in de zon, en zijn scheuten spreiden zich uit over zijn tuin.
רָטֹ֣ב
(ratov)
sappig
ה֭וּא
(hu)
hij
לִפְנֵי
(lifnei)
voor
שָׁ֑מֶשׁ
(shamesh)
de zon
וְעַ֥ל
(veal)
en over
גַּ֝נָּת֗וֹ
(ganato)
zijn tuin
יֹֽנַקְתּ֥וֹ
(yonaqto)
zijn scheuten
תֵצֵֽא
(tetse)
gaan uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zijn wortels strengelen zich om een steenhoop, hij ziet een huis van stenen.
עַל
(al)
over
גַּ֭ל
(gal)
een steenhoop
שָֽׁרָשָׁ֣יו
(sharashav)
zijn wortels
יְסֻבָּ֑כוּ
(yesubakhu)
strengelen
בֵּ֖ית
(beit)
een huis van
אֲבָנִ֣ים
(avanim)
stenen
יֶחֱזֶֽה
(yecheze)
ziet hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is onzeker.

Het beeld: een plant die zich met zijn wortels om een steenhoop windt, denkt in een huis van stenen te leven, maar zit vast op de stenen.

18Als iemand hem van zijn plaats wegrukt, loochent die plaats hem: ‘Ik heb je nooit gezien.’
אִם
(im)
indien
יְבַלְּעֶ֥נּוּ
(yevaleenu)
men hem opslokt
מִמְּקוֹמ֑וֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
וְכִ֥חֶשׁ
(vekhichesh)
dan loochent
בּ֝֗וֹ
(bo)
hem
לֹ֣א
(lo)
niet
רְאִיתִֽיךָ
(reitikha)
ik zag je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Zie, dat is de vreugde van zijn weg, en uit het stof groeit een ander op.
הֶן
(hen)
zie
ה֭וּא
(hu)
dit
מְשׂ֣וֹשׂ
(mesos)
vreugde van
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
zijn weg
וּ֝מֵעָפָ֗ר
(umeafar)
en uit stof
אַחֵ֥ר
(acher)
anderen
יִצְמָֽחוּ
(yitsmachu)
zullen opgroeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De vreugde van zijn weg’ is bitter bedoeld: dat is alles wat de goddeloze krijgt.

Een ander groeit uit het stof op en neemt zijn plaats in.

El verwerpt de onberispelijke niet

20Zie, El verwerpt de onberispelijke niet, en geeft de boosdoeners geen hand.
הֶן
(hen)
zie
אֵ֭ל
(el)
El
לֹ֣א
(lo)
niet
יִמְאַס
(yimas)
verwerpt
תָּ֑ם
(tam)
de onberispelijke
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַ֝חֲזִ֗יק
(yachaziq)
grijpt
בְּיַד
(beyad)
bij de hand
מְרֵעִֽים
(mereim)
boosdoeners
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hij zal je mond nog vullen met lachen en je lippen met gejuich.
עַד
(ad)
totdat
יְמַלֵּ֣ה
(yemale)
Hij vult
שְׂח֣וֹק
(sechoq)
lachen
פִּ֑יךָ
(pikha)
je mond
וּשְׂפָתֶ֥יךָ
(usefateikha)
en je lippen
תְרוּעָֽה
(terua)
gejuich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bildad eindigt met een belofte: als Job zich bekeert, zal Elohim hem herstellen.

Dat gebeurt aan het einde van het boek, maar anders dan Bildad denkt (42:7–9).

22Je vijanden zullen zich met schaamte kleden, en de tent van de goddelozen bestaat niet meer.”
שֹׂנְאֶ֥יךָ
(soneeikha)
je haters
יִלְבְּשׁוּ
(yilbeshu)
zullen zich kleden
בֹ֑שֶׁת
(boshet)
in schaamte
וְאֹ֖הֶל
(veohel)
en tent van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
אֵינֶֽנּוּ
(einenu)
niet is er
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)