Elohim Bijbel

Job 12

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Job antwoordt Zofar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Job antwoordt Zofar

1Job antwoordde en zei:
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
אִיּ֗וֹב
(iyov)
Job
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Jullie zijn dus echt het volk, en met jullie sterft de wijsheid!
אָ֭מְנָם
(amenam)
waarlijk
כִּ֣י
(ki)
dat
אַתֶּם
(atem)
jullie
עָ֑ם
(am)
het volk
וְ֝עִמָּכֶ֗ם
(veimakhem)
en met jullie
תָּמ֥וּת
(tamut)
sterft
חָכְמָֽה
(chakhema)
wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job is sarcastisch: zij zijn dus het volk dat alle wijsheid bezit, en met hen sterft de wijsheid uit.

3Ook ik heb verstand zoals jullie. Ik sta niet onder jullie. Wie kent zulke dingen niet?
גַּם
(gam)
ook
לִ֤י
(li)
voor mij
לֵבָ֨ב
(levav)
verstand
כְּֽמוֹכֶ֗ם
(kemokhem)
zoals jullie
לֹא
(lo)
niet
נֹפֵ֣ל
(nofel)
ben ik gevallen
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
מִכֶּ֑ם
(mikem)
beneden jullie
וְאֶת
(veet)
(lijdend voorwerp)
מִי
(mi)
wie
אֵ֥ין
(ein)
niet is er
כְּמוֹ
(kemo)
zoals
אֵֽלֶּה
(ele)
deze dingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Een voorwerp van spot voor zijn vriend ben ik, ik die tot Eloah riep en antwoord van Hem kreeg. De rechtvaardige, onberispelijke man is een bespotting geworden.
שְׂחֹ֤ק
(sechoq)
voorwerp van spot
לְרֵעֵ֨הוּ
(lereehu)
voor zijn vriend
אֶֽהְיֶ֗ה
(ehye)
word ik
קֹרֵ֣א
(qore)
een die roept
לֶ֭אֱלוֹהַּ
(leeloha)
tot Eloah
וַֽיַּעֲנֵ֑הוּ
(vayaanehu)
en Hij antwoordt hem
שְׂ֝ח֗וֹק
(sechoq)
spot
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
תָּמִֽים
(tamim)
onberispelijke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job beklaagt zich dat hij, die vroeger Eloah aanriep en antwoord kreeg, nu bespot wordt door zijn vrienden (vergelijk 1:8).

5Voor het ongeluk is er minachting, denkt wie zorgeloos is. Het is bestemd voor wie struikelt.
לַפִּ֣יד
(lapid)
een fakkel
בּ֭וּז
(buz)
minachting
לְעַשְׁתּ֣וּת
(leashtut)
in de gedachte van
שַׁאֲנָ֑ן
(shaanan)
zorgeloze
נָ֝כ֗וֹן
(nakhon)
gereed
לְמ֣וֹעֲדֵי
(lemoadei)
voor wie wankelt
רָֽגֶל
(ragel)
voet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6De tenten van de plunderaars zijn rustig, en zij die El tergen, zijn veilig: zij die hun god in hun eigen hand dragen.
יִשְׁלָ֤יוּ
(yishlayu)
zijn rustig
אֹֽהָלִ֨ים
(ohalim)
tenten
לְשֹׁ֥דְדִ֗ים
(leshodedim)
voor plunderaars
וּֽ֭בַטֻּחוֹת
(uvatuchot)
en zekerheid
לְמַרְגִּ֣יזֵי
(lemargizei)
voor tergers van
אֵ֑ל
(el)
El
לַאֲשֶׁ֤ר
(laasher)
voor degene die
הֵבִ֖יא
(hevi)
brengt
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

לַאֲשֶׁר הֵבִיא אֱלוֹהַּ בְּיָדוֹ (la’asher hevi Eloah beyado) is moeilijk: ‘zij die Eloah in hun hand brengen’.

Wij begrijpen het als: zij die hun eigen macht als hun god hebben (vergelijk Hab. 1:11, ‘zijn kracht is zijn god’).

Anderen lezen: ‘aan wie Eloah met rijke hand geeft’.

De dieren leren het

7Vraag het toch aan de dieren, en zij zullen het je leren, aan de vogels van de hemel, en zij zullen het je vertellen,
וְֽאוּלָ֗ם
(veulam)
maar
שְׁאַל
(sheal)
vraag
נָ֣א
(na)
toch
בְהֵמ֣וֹת
(behemot)
dieren
וְתֹרֶ֑ךָּ
(vetoreka)
en ze zullen je leren
וְע֥וֹף
(veof)
en vogel van
הַ֝שָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
וְיַגֶּד
(veyaged)
en ze zullen vertellen
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8of spreek tot de aarde, en zij zal het je leren. De vissen van de zee zullen het je vertellen.
א֤וֹ
(o)
of
שִׂ֣יחַ
(siach)
spreek
לָאָ֣רֶץ
(laarets)
tot de aarde
וְתֹרֶ֑ךָּ
(vetoreka)
en ze zal je leren
וִֽיסַפְּר֥וּ
(visaperu)
en zullen vertellen
לְ֝ךָ֗
(lekha)
aan jou
דְּגֵ֣י
(degei)
vissen van
הַיָּֽם
(hayam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Wie van al deze weet niet dat de hand van Yahweh dit gedaan heeft?
מִ֭י
(mi)
wie
לֹא
(lo)
niet
יָדַ֣ע
(yada)
weet
בְּכָל
(bekhal)
bij al
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze
כִּ֥י
(ki)
dat
יַד
(yad)
hand van
יְ֝הוָה
(Yahweh)
Yahweh
עָ֣שְׂתָה
(aseta)
heeft gedaan
זֹּֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה (Yahweh) staat in de gesprekken van Job vrijwel nooit; dit is de enige plaats in de redevoeringen van hoofdstuk 3–37 waar de naam voorkomt.

Daarna keert hij terug in 38:1.

Sommige handschriften lezen hier Eloah.

10In Zijn hand is de ziel van al wat leeft, en de adem van elk mensenvlees.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
in wiens
בְּ֭יָדוֹ
(beyado)
hand
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
ziel van
כָּל
(kal)
al
חָ֑י
(chay)
wat leeft
וְ֝ר֗וּחַ
(veruach)
en adem van
כָּל
(kal)
al
בְּשַׂר
(besar)
vlees van
אִֽישׁ
(ish)
een mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, is hier het leven van al wat leeft; רוּחַ (ruach), ‘adem’, is de levensadem van de mensen.

Vergelijk Gen. 2:7.

11Beproeft het oor niet de woorden, zoals het gehemelte voedsel proeft?
הֲלֹא
(halo)
niet?
אֹ֭זֶן
(ozen)
oor
מִלִּ֣ין
(milin)
woorden
תִּבְחָ֑ן
(tivchan)
beproeft
וְ֝חֵ֗ךְ
(vechekh)
en gehemelte
אֹ֣כֶל
(okhel)
voedsel
יִטְעַם
(yitam)
proeft
לֽוֹ
(lo)
voor zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een gezegde: net zoals het gehemelte voedsel proeft, moet het oor woorden toetsen.

Job eist dat zijn vrienden zijn woorden toetsen en niet zomaar afwijzen.

12Bij de ouden is wijsheid, en een lang leven brengt inzicht.
בִּֽישִׁישִׁ֥ים
(bishishim)
bij de ouden
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְאֹ֖רֶךְ
(veorekh)
en lengte van
יָמִ֣ים
(yamim)
dagen
תְּבוּנָֽה
(tevuna)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wijsheid en kracht zijn bij Hem

13Bij Hem is wijsheid en kracht. Hij heeft raad en inzicht.
עִ֭מּוֹ
(imo)
bij Hem
חָכְמָ֣ה
(chakhema)
wijsheid
וּגְבוּרָ֑ה
(ugevura)
en kracht
ל֝֗וֹ
(lo)
bij Hem
עֵצָ֥ה
(etsa)
raad
וּתְבוּנָֽה
(utevuna)
en inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier is het een lofzang op de macht van Eloah, maar met een scherpe bijklank: Hij gebruikt Zijn macht ook om koningen, rechters en priesters hun verstand te ontnemen (vers 17–25).

Job is het met zijn vrienden eens over Zijn macht, maar niet over de conclusie.

14Zie, Hij breekt af en het wordt niet herbouwd. Hij sluit iemand op en niemand opent.
הֵ֣ן
(hen)
zie
יַ֭הֲרוֹס
(yaharos)
Hij breekt af
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִבָּנֶ֑ה
(yibane)
wordt gebouwd
יִסְגֹּ֥ר
(yisgor)
Hij sluit op
עַל
(al)
over
אִ֝֗ישׁ
(ish)
een man
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִפָּתֵֽחַ
(yipateach)
wordt geopend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wat Hij afbreekt, wordt niet herbouwd; wie Hij opsluit, wordt niet bevrijd.

Job ziet daarin zijn eigen situatie.

15Zie, Hij houdt het water tegen en het droogt op. Hij laat het los en het keert het land om.
הֵ֤ן
(hen)
zie
יַעְצֹ֣ר
(yatsor)
Hij houdt tegen
בַּמַּ֣יִם
(bamayim)
het water
וְיִבָ֑שׁוּ
(veyivashu)
en ze drogen op
וִֽ֝ישַׁלְּחֵ֗ם
(vishalechem)
en Hij laat los
וְיַ֖הַפְכוּ
(veyahafkhu)
en ze keren om
אָֽרֶץ
(arets)
land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Bij Hem is kracht en succes. Van Hem is wie dwaalt en wie doet dwalen.
עִ֭מּוֹ
(imo)
bij Hem
עֹ֣ז
(oz)
kracht
וְתֽוּשִׁיָּ֑ה
(vetushiya)
en succes
ל֝֗וֹ
(lo)
van Hem
שֹׁגֵ֥ג
(shogeg)
de dwalende
וּמַשְׁגֶּֽה
(umashge)
en wie doet dwalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Hij leidt raadsheren beroofd weg, en rechters maakt Hij dwaas.
מוֹלִ֣יךְ
(molikh)
Hij die wegleidt
יוֹעֲצִ֣ים
(yoatsim)
raadgevers
שׁוֹלָ֑ל
(sholal)
beroofd
וְֽשֹׁפְטִ֥ים
(veshofetim)
en rechters
יְהוֹלֵֽל
(yeholel)
maakt Hij gek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hij maakt de band van koningen los en omgordt hun heupen met een koord.
מוּסַ֣ר
(musar)
band van
מְלָכִ֣ים
(melakhim)
koningen
פִּתֵּ֑חַ
(piteach)
maakt Hij los
וַיֶּאְסֹ֥ר
(vayesor)
en bindt
אֵ֝ז֗וֹר
(ezor)
een gordel
בְּמָתְנֵיהֶֽם
(bemateneihem)
om hun heupen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hij leidt priesters beroofd weg, en machtigen werpt Hij omver.
מוֹלִ֣יךְ
(molikh)
Hij die wegleidt
כֹּהֲנִ֣ים
(kohanim)
priesters
שׁוֹלָ֑ל
(sholal)
beroofd
וְאֵֽתָנִ֣ים
(veetanim)
en machtigen
יְסַלֵּֽף
(yesalef)
werpt Hij omver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Hij neemt de spraak weg van de betrouwbaren, en het oordeel van de oudsten neemt Hij weg.
מֵסִ֣יר
(mesir)
Hij die wegneemt
שָׂ֭פָה
(safa)
spraak
לְנֶאֱמָנִ֑ים
(leneemanim)
van betrouwbaren
וְטַ֖עַם
(vetaam)
en oordeel van
זְקֵנִ֣ים
(zeqenim)
ouderen
יִקָּֽח
(yiqach)
neemt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hij stort minachting uit over edelen, en de gordel van de sterken maakt Hij slap.
שׁוֹפֵ֣ךְ
(shofekh)
Hij die uitstort
בּ֭וּז
(buz)
minachting
עַל
(al)
over
נְדִיבִ֑ים
(nedivim)
edelen
וּמְזִ֖יחַ
(umeziach)
en de gordel van
אֲפִיקִ֣ים
(afiqim)
sterken
רִפָּֽה
(ripa)
maakt slap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Hij onthult diepten uit de duisternis en brengt diepe schaduw naar het licht.
מְגַלֶּ֣ה
(megale)
Hij die onthult
עֲ֭מֻקוֹת
(amuqot)
diepten
מִנִּי
(mini)
uit
חֹ֑שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וַיֹּצֵ֖א
(vayotse)
en brengt uit
לָא֣וֹר
(laor)
naar licht
צַלְמָֽוֶת
(tsalmavet)
diepe schaduw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’; zie 3:5.

23Hij maakt volken groot en laat ze omkomen. Hij breidt volken uit en leidt ze weg.
מַשְׂגִּ֣יא
(masgi)
Hij die groot maakt
לַ֭גּוֹיִם
(lagoyim)
volken
וַֽיְאַבְּדֵ֑ם
(vayabedem)
en laat ze omkomen
שֹׁטֵ֥חַ
(shoteach)
breidt uit
לַ֝גּוֹיִ֗ם
(lagoyim)
volken
וַיַּנְחֵֽם
(vayanchem)
en leidt ze weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Hij neemt het verstand weg van de leiders van het volk van de aarde, en laat ze dwalen in een leegte zonder weg.
מֵסִ֗יר
(mesir)
Hij die wegneemt
לֵ֭ב
(lev)
verstand van
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
עַם
(am)
volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַ֝יַּתְעֵ֗ם
(vayatem)
en laat ze dwalen
בְּתֹ֣הוּ
(betohu)
in leegte
לֹא
(lo)
niet
דָֽרֶךְ
(darekh)
weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Ze tasten in het donker zonder licht, en Hij laat ze waggelen als een dronkaard.”
יְמַֽשְׁשׁוּ
(yemashshu)
ze tasten
חֹ֥שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וְלֹא
(velo)
en niet
א֑וֹר
(or)
licht
וַ֝יַּתְעֵ֗ם
(vayatem)
en laat ze waggelen
כַּשִּׁכּֽוֹר
(kashikor)
als een dronkaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)