Zacharia 9
Oordeel over de steden rondom, en de koning op een ezel
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een last over Chadrak, Tyrus en Filistea
Zie Chadrak (Hatarikka?; ligging onzeker): Het land Chadrak is waarschijnlijk Hatarikka, in het noorden van Syrië, ten zuiden van Aleppo.
Dit is niet helemaal zeker.
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
מַשָּׂא (massa), ‘last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord.
Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’.
Wij vertalen massa in dit boek steeds met ‘last’.
Het woord staat ook boven Zach. 12:1 en boven Jes. 13, Nah. 1, Hab. 1 en Mal. 1.
Deze Uitleg staat alleen hier, bij de eerste vermelding in dit boek.
חַדְרָךְ (Chadrak): een land of gebied in het noorden van Syrië, ten noorden van Damascus. De ligging is niet zeker.
מְנֻחָתוֹ (menuchato), ‘zijn rustplaats’: het woord van Yahweh ‘rust’ op Damascus, het is er neergelaten.
לַיהוָה עֵין אָדָם וְכֹל שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל (ki laYahweh ein adam vekhol shivtei Yisra’el): het Hebreeuws is kort en kan op twee manieren gelezen worden. Of het oog van de mens en van alle stammen van Israël is gericht op Yahweh, of Yahweh heeft het oog op de mens en op alle stammen van Israël. Wij laten de zin letterlijk staan.
Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
חֲמָת (Chamat), ‘Chamat’: de stad Hama aan de Orontes in Syrië, noordelijk van Damascus.
תִּגְבָּל בָּהּ (tigbol bah), ‘dat eraan grenst’: Chamat grenst aan het land van vers 1. De zin is kort; wij vullen niets aan.
כִּי חָכְמָה מְאֹד (ki chakhemah me’od), ‘want zij is zeer wijs’: Tyrus en Sidon waren beroemd om hun wijsheid en handel. Vergelijk Ezech. 28:3–5.
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
מָצוֹר (matsor), ‘bolwerk’: een versterkte stad.
Het klinkt als צֹר (Tsor), ‘Tyrus’: een woordspel.
Tyrus lag op een eiland, vlak voor de kust.
וְחָרוּץ (charuts), ‘goud’: een woord voor edel of fijn goud, zoals in Spr. 3:14.
Zilver ‘als stof’ en goud ‘als modder’: zo overvloedig dat het niets meer waard lijkt.
אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: zonder het lidwoord, een titel voor Yahweh.
Voor ‘Heer Yahweh’ zie de Uitleg bij vers 14.
יוֹרִשֶׁנָּה (yorishenah), ‘zal haar van haar bezit beroven’: het werkwoord יָרַשׁ (yarash) betekent ‘bezitten, erven’; in deze vorm ‘iemand uit zijn bezit zetten’. Het kan ook ‘haar in bezit nemen’ betekenen. Wij kiezen ‘van haar bezit beroven’.
חֵילָהּ (cheilah), ‘haar macht’: ook ‘haar rijkdom’ of ‘haar vesting’. De zee is het bolwerk van Tyrus (vers 3): de macht van Tyrus wordt in de zee geslagen.
Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza.
Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land.
Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte.
אַשְׁקְלוֹן (Ashqelon), ‘Askelon’; וְעַזָּה (Azzah), ‘Gaza’; וְעֶקְרוֹן (Ekron): drie van de vijf grote steden van de Filistijnen.
Asdod volgt in vers 6; Gat wordt hier niet genoemd.
מֶבָּטָהּ (mabbatah), ‘haar hoop’: letterlijk ‘haar uitzien’, waar zij naar uitkeek. Zo ook in Jes. 20:5.
Het verdwijnen van de koning uit Gaza en het onbewoond raken van Askelon is een beeld van de ondergang van de stad.
Yahweh neemt Zijn huis in bescherming
Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.
מַמְזֵר (mamzer), ‘kind van een verboden verbintenis’: zoals in Deut. 23:3 (NL 23:2).
Het woord komt maar twee keer voor.
Hier is de bedoeling: een vreemdeling zonder afkomst, een mengvolk, zal de stad bewonen.
גְּאוֹן פְּלִשְׁתִּים (ge’on Pelishtim), ‘de trots van de Filistijnen’: wat zij groot achten. Vanaf dit vers spreekt Yahweh zelf; vandaar rood.
Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte.
דָמָיו מִפִּיו (damav mipiv), ‘zijn bloed uit zijn mond’, en וְשִׁקֻּצָיו (shiqqutsav), ‘zijn gruwelen’: waarschijnlijk vlees dat met bloed wordt gegeten (Lev. 17:10–14) en offervoedsel voor afgoden; het Hebreeuws zegt dat niet.
Yahweh haalt de afgoderij weg uit de mond van de Filistijn.
וְנִשְׁאַר גַּם הוּא לֵאלֹהֵינוּ (venish’ar gam hu lelohenu), ‘ook hij zal overblijven voor onze Elohim’: hier spreekt niet Yahweh maar de profeet (‘onze’). Daarom staat dit stuk zwart.
כְּאַלֻּף (ke’alluf), ‘als een stamhoofd’: een aanvoerder van een geslacht, zoals de ‘stamhoofden’ van Edom in Gen. 36.
כִּיבוּסִי (keYevusi), ‘als de Jebusiet’: de Jebusieten woonden in Jeruzalem voordat David de stad nam (2 Sam. 5:6–9). Ekron wordt zo opgenomen in het volk, zoals de Jebusieten bij Juda werden opgenomen.
וְחָנִיתִי (veChanitî), ‘Ik zal Mij legeren’: het werkwoord חָנָה (chanah) betekent ‘kamperen’.
Yahweh legert Zich als bewaker rond Zijn huis.
‘Mijn huis’ is de tempel, of het land.
מִצָּבָה (matsevah), ‘wachtpost’: een bezetting of een post van wachters. Het woord is zeldzaam; sommige oude vertalingen lezen anders.
נֹגֵשׂ (noges), ‘onderdrukker’: letterlijk ‘drijver’, wie anderen tot arbeid dwingt, zoals in Exod. 3:7. In Zach. 10:4 staat hetzelfde woord, daar over een heerser.
Zie, je koning komt
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon) en בַּת יְרוּשָׁלִַם (bat Yerushalaim), ‘Dochter Sion’ en ‘Dochter Jeruzalem’: de stad en haar inwoners, zoals in Jes. 1:8.
צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’, en וְנוֹשָׁע (venosha), ‘gered’: de tweede vorm is lijdend of wederkerend; hij kan ook ‘overwinnaar’ of ‘iemand die hulp heeft ontvangen’ betekenen. Wij houden ‘gered’.
עָנִי (ani), ‘arm’: ook ‘nederig’. De koning komt zonder oorlogspaard, zie vers 10.
De koning wordt niet bij naam genoemd. De evangeliën halen dit vers aan bij de intocht in Jeruzalem: Matt. 21:5 en Joh. 12:15.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land.
De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.
רֶכֶב (rekhev), ‘de wagen’: het Hebreeuwse woord staat in het enkelvoud en bedoelt de strijdwagens in het algemeen.
קֶשֶׁת מִלְחָמָה (qeshet milchamah), ‘oorlogsboog’: zonder wapens, in vrede. Het vers beschrijft het einde van de oorlog.
וּמָשְׁלוֹ (umoshlo), ‘zijn heerschappij’, met מִיָּם עַד יָם (mi-yam ad yam), ‘van zee tot zee’, en ‘van de Rivier tot de uiteinden van de aarde’: precies dezelfde woorden als in Ps. 72:8. De Rivier is de Eufraat.
Vanaf hier is de tekst weer rood: Yahweh spreekt in de eerste persoon (‘Ik zal uitroeien’). Over de koning spreekt Hij in de derde persoon.
Gevangenen van de hoop
בְּדַם בְּרִיתֵךְ (bedam beritekh), ‘door het bloed van je verbond’: het bloed van het verbond dat Yahweh met Israël sloot, zoals in Exod. 24:8.
Het ‘jij’ is vrouwelijk: Sion.
מִבּוֹר (mibbor), ‘uit de put’: een droge put was een gevangenis, zoals in Gen. 37:24 en Jer. 38:6. De gevangenen zijn de ballingen.
לְבִצָּרוֹן (levitsaron), ‘naar de vesting’: het woord בִּצָּרוֹן (bitstsaron) komt alleen hier voor en is verwant met ‘vesting’ (מִבְצָר, mivtsar).
De vesting is wellicht Sion, de veilige plaats.
אֲסִירֵי הַתִּקְוָה (asirei hatiqvah), ‘gevangenen van de hoop’: gevangenen die nog hoop hebben.
מִשְׁנֶה (mishneh), ‘dubbel’: het dubbele van wat men verloor, zoals in Jes. 61:7.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’, en מִלֵּאתִי (mille’ti), ‘Ik heb gevuld’: Juda is de gespannen boog en Efraïm wordt als pijl in de boog gelegd.
Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Ik heb Efraïm gevuld’.
יָוָן (Yavan), ‘Javan’: de Ionische Grieken, het gebied van Griekenland en de eilanden; vergelijk Gen. 10:2. De tekst zegt alleen ‘Javan’.
Efraïm en Juda staan hier samen: het ene volk van Israël, zie ook vers 10.
Yahweh verschijnt boven hen
אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: אֲדֹנָי (Adonai) betekent ‘mijn Heer’.
Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’.
Deze naam komt in Zacharia alleen hier voor.
בַּשּׁוֹפָר (bashofar), ‘op de ramshoorn’: de שׁוֹפָר (shofar) is de hoorn van een ram. Hij kondigt de komst van Yahweh aan, zoals in Exod. 19:16.
תֵּימָן (Teiman), ‘het zuiden’: Teman is een streek in Edom en betekent ‘zuiden’. In oude teksten komt Yahweh uit het zuiden, zoals in Deut. 33:2 en Hab. 3:3.
Vanaf dit vers spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon; dus zwart.
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie de Uitleg bij Zach. 1:3.
יָגֵן (yagen), ‘zal beschermen’: ook ‘zal een schild zijn’.
וְאָכְלוּ וְכָבְשׁוּ (ve’akhelu vekhavshu), ‘zij zullen verslinden en onderwerpen’: het Hebreeuws is kort en heeft geen voorwerp bij ‘verslinden’. Het kan ook ‘zij zullen de slingerstenen eten’ betekenen, als beeld van een overwinning waarin wapens hun kracht verliezen. Wij laten het kort.
כַּמִּזְרָק (mizraq), ‘offerschaal’: de schaal waarin het offerbloed werd opgevangen, zoals in Num. 7:13. Het beeld is dat zij zo vol zijn als de schaal en als de hoeken van het altaar. Wat het beeld precies bedoelt, is niet zeker.
מִתְנוֹסְסוֹת (mitnosesot), ‘glinsterend’: dit werkwoord is zeldzaam; het staat ook in Ps. 60:6 (NL 60:4), van een banier die wordt opgeheven.
De betekenis is hier onzeker; ‘stralen’, ‘schitteren’ en ‘omhoog geheven zijn’ zijn voorgesteld.
אַבְנֵי נֵזֶר (avnei nezer), ‘stenen van een kroon’: edelstenen in een koningskroon. Het volk is Yahwehs kostbare kroonjuweel.
טּוּבוֹ (tuvo), ‘Zijn goedheid’, en יָפְיוֹ (yofyo), ‘Zijn schoonheid’: het Hebreeuws laat open of ‘Zijn’ naar Yahweh of naar het volk verwijst.
Wij hebben ‘Zijn’ met hoofdletter, op Yahweh.
יְנוֹבֵב (yenovev), ‘laat bloeien’: de vorm is zeldzaam; hij hoort bij het werkwoord נוב (nuv), ‘bloeien, vrucht dragen’.