Elohim Bijbel

Zacharia 9

1234567891011121314

Oordeel over de steden rondom, en de koning op een ezel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een last over Chadrak, Tyrus en Filistea

1Last van het woord van Yahweh in het land Chadrak, en Damascus is zijn rustplaats. Want voor Yahweh is het oog van de mens, en van alle stammen van Israël.
מַשָּׂ֤א
(masa)
last van
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
חַדְרָ֔ךְ
(chadrakh)
Chadrak
וְדַמֶּ֖שֶׂק
(vedameseq)
en Damascus
מְנֻחָת֑וֹ
(menuchato)
zijn rustplaats
כִּ֤י
(ki)
want
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
עֵ֣ין
(ein)
oog van
אָדָ֔ם
(adam)
de mens
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chadrak (Hatarikka?; ligging onzeker): Het land Chadrak is waarschijnlijk Hatarikka, in het noorden van Syrië, ten zuiden van Aleppo.

Dit is niet helemaal zeker.

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

מַשָּׂא (massa), ‘last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord.

Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’.

Wij vertalen massa in dit boek steeds met ‘last’.

Het woord staat ook boven Zach. 12:1 en boven Jes. 13, Nah. 1, Hab. 1 en Mal. 1.

Deze Uitleg staat alleen hier, bij de eerste vermelding in dit boek.

חַדְרָךְ (Chadrak): een land of gebied in het noorden van Syrië, ten noorden van Damascus. De ligging is niet zeker.

מְנֻחָתוֹ (menuchato), ‘zijn rustplaats’: het woord van Yahweh ‘rust’ op Damascus, het is er neergelaten.

לַיהוָה עֵין אָדָם וְכֹל שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל (ki laYahweh ein adam vekhol shivtei Yisra’el): het Hebreeuws is kort en kan op twee manieren gelezen worden. Of het oog van de mens en van alle stammen van Israël is gericht op Yahweh, of Yahweh heeft het oog op de mens en op alle stammen van Israël. Wij laten de zin letterlijk staan.

2Ook Chamat, dat eraan grenst, Tyrus en Sidon, want zij is zeer wijs.
וְגַם
(vegam)
en ook
חֲמָ֖ת
(chamat)
Chamat
תִּגְבָּל
(tigbal)
grenst
בָּ֑הּ
(bah)
eraan
צֹ֣ר
(tsor)
Tyrus
וְצִיד֔וֹן
(vetsidon)
en Sidon
כִּ֥י
(ki)
want
חָֽכְמָ֖ה
(chakhema)
zij is wijs
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Uitleg

חֲמָת (Chamat), ‘Chamat’: de stad Hama aan de Orontes in Syrië, noordelijk van Damascus.

תִּגְבָּל בָּהּ (tigbol bah), ‘dat eraan grenst’: Chamat grenst aan het land van vers 1. De zin is kort; wij vullen niets aan.

כִּי חָכְמָה מְאֹד (ki chakhemah me’od), ‘want zij is zeer wijs’: Tyrus en Sidon waren beroemd om hun wijsheid en handel. Vergelijk Ezech. 28:3–5.

3Tyrus bouwde zich een bolwerk. Zij stapelde zilver op als stof en goud als modder van de straten.
וַתִּ֥בֶן
(vativen)
en bouwde
צֹ֛ר
(tsor)
Tyrus
מָצ֖וֹר
(matsor)
een bolwerk
לָ֑הּ
(lah)
voor zich
וַתִּצְבָּר
(vatitsbar)
en stapelde op
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
zilver
כֶּֽעָפָ֔ר
(keafar)
als stof
וְחָר֖וּץ
(vecharuts)
en goud
כְּטִ֥יט
(ketit)
als modder van
חוּצֽוֹת
(chutsot)
de straten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Uitleg

מָצוֹר (matsor), ‘bolwerk’: een versterkte stad.

Het klinkt als צֹר (Tsor), ‘Tyrus’: een woordspel.

Tyrus lag op een eiland, vlak voor de kust.

וְחָרוּץ (charuts), ‘goud’: een woord voor edel of fijn goud, zoals in Spr. 3:14.

Zilver ‘als stof’ en goud ‘als modder’: zo overvloedig dat het niets meer waard lijkt.

4Zie, de Heer zal haar van haar bezit beroven. Hij slaat haar macht in de zee, en zijzelf wordt door vuur verteerd.
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אֲדֹנָי֙
(adonay)
de Heer
יֽוֹרִשֶׁ֔נָּה
(yorishena)
zal haar bezit afnemen
וְהִכָּ֥ה
(vehika)
en Hij slaat
בַיָּ֖ם
(bayam)
in de zee
חֵילָ֑הּ
(cheilah)
haar macht
וְהִ֖יא
(vehi)
en zijzelf
בָּאֵ֥שׁ
(baesh)
door vuur
תֵּאָכֵֽל
(teakhel)
wordt verteerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: zonder het lidwoord, een titel voor Yahweh.

Voor ‘Heer Yahweh’ zie de Uitleg bij vers 14.

יוֹרִשֶׁנָּה (yorishenah), ‘zal haar van haar bezit beroven’: het werkwoord יָרַשׁ (yarash) betekent ‘bezitten, erven’; in deze vorm ‘iemand uit zijn bezit zetten’. Het kan ook ‘haar in bezit nemen’ betekenen. Wij kiezen ‘van haar bezit beroven’.

חֵילָהּ (cheilah), ‘haar macht’: ook ‘haar rijkdom’ of ‘haar vesting’. De zee is het bolwerk van Tyrus (vers 3): de macht van Tyrus wordt in de zee geslagen.

5Askelon zal het zien en vrezen. Gaza ook, en zij zal zeer sidderen. Ekron ook, want haar hoop is beschaamd. De koning zal uit Gaza verdwijnen, en Askelon zal niet bewoond worden.
תֵּרֶ֨א
(tere)
zal zien
אַשְׁקְל֜וֹן
(ashqelon)
Askelon
וְתִירָ֗א
(vetira)
en zal vrezen
וְעַזָּה֙
(veaza)
en Gaza
וְתָחִ֣יל
(vetachil)
en zal sidderen
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וְעֶקְר֖וֹן
(veeqron)
en Ekron
כִּֽי
(ki)
want
הֹבִ֣ישׁ
(hovish)
is beschaamd
מֶבָּטָ֑הּ
(mebatah)
haar hoop
וְאָ֤בַד
(veavad)
en zal verdwijnen
מֶ֨לֶךְ֙
(melekh)
koning
מֵֽעַזָּ֔ה
(meaza)
uit Gaza
וְאַשְׁקְל֖וֹן
(veashqelon)
en Askelon
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵשֵֽׁב
(teshev)
zal bewoond worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza.

Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land.

Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte.

Uitleg

אַשְׁקְלוֹן (Ashqelon), ‘Askelon’; וְעַזָּה (Azzah), ‘Gaza’; וְעֶקְרוֹן (Ekron): drie van de vijf grote steden van de Filistijnen.

Asdod volgt in vers 6; Gat wordt hier niet genoemd.

מֶבָּטָהּ (mabbatah), ‘haar hoop’: letterlijk ‘haar uitzien’, waar zij naar uitkeek. Zo ook in Jes. 20:5.

Het verdwijnen van de koning uit Gaza en het onbewoond raken van Askelon is een beeld van de ondergang van de stad.

Yahweh neemt Zijn huis in bescherming

6„En een kind van een verboden verbintenis zal in Asdod wonen. Ik zal de trots van de Filistijnen uitroeien.
וְיָשַׁ֥ב
(veyashav)
en zal wonen
מַמְזֵ֖ר
(mamzer)
kind van een verboden verbintenis
בְּאַשְׁדּ֑וֹד
(beashdod)
in Asdod
וְהִכְרַתִּ֖י
(vehikhrati)
en Ik zal uitroeien
גְּא֥וֹן
(geon)
trots van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.

Uitleg

מַמְזֵר (mamzer), ‘kind van een verboden verbintenis’: zoals in Deut. 23:3 (NL 23:2).

Het woord komt maar twee keer voor.

Hier is de bedoeling: een vreemdeling zonder afkomst, een mengvolk, zal de stad bewonen.

גְּאוֹן פְּלִשְׁתִּים (ge’on Pelishtim), ‘de trots van de Filistijnen’: wat zij groot achten. Vanaf dit vers spreekt Yahweh zelf; vandaar rood.

7Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegnemen en zijn gruwelen van tussen zijn tanden.” Ook hij zal overblijven voor onze Elohim. Hij zal zijn als een stamhoofd in Juda, en Ekron als de Jebusiet.
וַהֲסִרֹתִ֨י
(vahasiroti)
en Ik zal wegnemen
דָמָ֜יו
(damav)
zijn bloed
מִפִּ֗יו
(mipiv)
uit zijn mond
וְשִׁקֻּצָיו֙
(veshiqutsav)
en zijn gruwelen
מִבֵּ֣ין
(mibein)
van tussen
שִׁנָּ֔יו
(shinav)
zijn tanden
וְנִשְׁאַ֥ר
(venishar)
en zal overblijven
גַּם
(gam)
ook
ה֖וּא
(hu)
hij
לֵֽאלֹהֵ֑ינוּ
(leloheinu)
voor onze Elohim
וְהָיָה֙
(vehaya)
en hij zal zijn
כְּאַלֻּ֣ף
(kealuf)
als een stamhoofd
בִּֽיהוּדָ֔ה
(bihuda)
in Juda
וְעֶקְר֖וֹן
(veeqron)
en Ekron
כִּיבוּסִֽי
(kivusi)
als de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte.

Uitleg

דָמָיו מִפִּיו (damav mipiv), ‘zijn bloed uit zijn mond’, en וְשִׁקֻּצָיו (shiqqutsav), ‘zijn gruwelen’: waarschijnlijk vlees dat met bloed wordt gegeten (Lev. 17:10–14) en offervoedsel voor afgoden; het Hebreeuws zegt dat niet.

Yahweh haalt de afgoderij weg uit de mond van de Filistijn.

וְנִשְׁאַר גַּם הוּא לֵאלֹהֵינוּ (venish’ar gam hu lelohenu), ‘ook hij zal overblijven voor onze Elohim’: hier spreekt niet Yahweh maar de profeet (‘onze’). Daarom staat dit stuk zwart.

כְּאַלֻּף (ke’alluf), ‘als een stamhoofd’: een aanvoerder van een geslacht, zoals de ‘stamhoofden’ van Edom in Gen. 36.

כִּיבוּסִי (keYevusi), ‘als de Jebusiet’: de Jebusieten woonden in Jeruzalem voordat David de stad nam (2 Sam. 5:6–9). Ekron wordt zo opgenomen in het volk, zoals de Jebusieten bij Juda werden opgenomen.

8„Ik zal Mij legeren bij Mijn huis als wachtpost, tegen wie voorbijtrekt en terugkeert. Geen onderdrukker zal nog over hen heen trekken, want nu heb Ik het met Mijn ogen gezien.”
וְחָנִ֨יתִי
(vechaniti)
en Ik zal Mij legeren
לְבֵיתִ֤י
(leveiti)
bij Mijn huis
מִצָּבָה֙
(mitsava)
als wachtpost
מֵעֹבֵ֣ר
(meover)
tegen wie voorbijtrekt
וּמִשָּׁ֔ב
(umishav)
en terugkeert
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַעֲבֹ֧ר
(yaavor)
zal trekken
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
over hen
ע֖וֹד
(od)
meer
נֹגֵ֑שׂ
(noges)
een onderdrukker
כִּ֥י
(ki)
want
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
רָאִ֥יתִי
(raiti)
heb Ik gezien
בְעֵינָֽי
(beeinay)
met Mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְחָנִיתִי (veChanitî), ‘Ik zal Mij legeren’: het werkwoord חָנָה (chanah) betekent ‘kamperen’.

Yahweh legert Zich als bewaker rond Zijn huis.

‘Mijn huis’ is de tempel, of het land.

מִצָּבָה (matsevah), ‘wachtpost’: een bezetting of een post van wachters. Het woord is zeldzaam; sommige oude vertalingen lezen anders.

נֹגֵשׂ (noges), ‘onderdrukker’: letterlijk ‘drijver’, wie anderen tot arbeid dwingt, zoals in Exod. 3:7. In Zach. 10:4 staat hetzelfde woord, daar over een heerser.

Zie, je koning komt

9Jubel luid, Dochter Sion. Juich, Dochter Jeruzalem. Zie, je koning komt tot jou. Hij is rechtvaardig en gered, arm en rijdend op een ezel, op een jonge ezel, een jong van ezelinnen.
גִּילִ֨י
(gili)
jubel
מְאֹ֜ד
(meod)
zeer
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֗וֹן
(tsiyon)
Sion
הָרִ֨יעִי֙
(harii)
juich
בַּ֣ת
(bat)
dochter van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
מַלְכֵּךְ֙
(malkekh)
je koning
יָ֣בוֹא
(yavo)
komt
לָ֔ךְ
(lakh)
tot jou
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
rechtvaardig
וְנוֹשָׁ֖ע
(venosha)
en gered
ה֑וּא
(hu)
hij
עָנִי֙
(ani)
arm
וְרֹכֵ֣ב
(verokhev)
en rijdend
עַל
(al)
op
חֲמ֔וֹר
(chamor)
een ezel
וְעַל
(veal)
en op
עַ֖יִר
(ayir)
een jonge ezel
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲתֹנֽוֹת
(atonot)
ezelinnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon) en בַּת יְרוּשָׁלִַם (bat Yerushalaim), ‘Dochter Sion’ en ‘Dochter Jeruzalem’: de stad en haar inwoners, zoals in Jes. 1:8.

צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’, en וְנוֹשָׁע (venosha), ‘gered’: de tweede vorm is lijdend of wederkerend; hij kan ook ‘overwinnaar’ of ‘iemand die hulp heeft ontvangen’ betekenen. Wij houden ‘gered’.

עָנִי (ani), ‘arm’: ook ‘nederig’. De koning komt zonder oorlogspaard, zie vers 10.

De koning wordt niet bij naam genoemd. De evangeliën halen dit vers aan bij de intocht in Jeruzalem: Matt. 21:5 en Joh. 12:15.

10„Ik zal de wagen uit Efraïm uitroeien en het paard uit Jeruzalem. De oorlogsboog zal worden uitgeroeid. Hij zal vrede spreken tot de volken. Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee en van de Rivier tot de uiteinden van de aarde.
וְהִכְרַתִּי
(vehikhrati)
en Ik zal uitroeien
רֶ֣כֶב
(rekhev)
de wagen
מֵאֶפְרַ֗יִם
(meefrayim)
uit Efraïm
וְסוּס֙
(vesus)
en het paard
מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
וְנִכְרְתָה֙
(venikhreta)
en zal worden uitgeroeid
קֶ֣שֶׁת
(qeshet)
boog van
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
וְדִבֶּ֥ר
(vediber)
en hij zal spreken
שָׁל֖וֹם
(shalom)
vrede
לַגּוֹיִ֑ם
(lagoyim)
tot de volken
וּמָשְׁלוֹ֙
(umashelo)
en zijn heerschappij
מִיָּ֣ם
(miyam)
van zee
עַד
(ad)
tot
יָ֔ם
(yam)
zee
וּמִנָּהָ֖ר
(uminahar)
en van de Rivier
עַד
(ad)
tot
אַפְסֵי
(afsei)
uiteinden van
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land.

De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Uitleg

רֶכֶב (rekhev), ‘de wagen’: het Hebreeuwse woord staat in het enkelvoud en bedoelt de strijdwagens in het algemeen.

קֶשֶׁת מִלְחָמָה (qeshet milchamah), ‘oorlogsboog’: zonder wapens, in vrede. Het vers beschrijft het einde van de oorlog.

וּמָשְׁלוֹ (umoshlo), ‘zijn heerschappij’, met מִיָּם עַד יָם (mi-yam ad yam), ‘van zee tot zee’, en ‘van de Rivier tot de uiteinden van de aarde’: precies dezelfde woorden als in Ps. 72:8. De Rivier is de Eufraat.

Vanaf hier is de tekst weer rood: Yahweh spreekt in de eerste persoon (‘Ik zal uitroeien’). Over de koning spreekt Hij in de derde persoon.

Gevangenen van de hoop

11Ook jij: door het bloed van je verbond heb Ik je gevangenen vrijgelaten uit de put, waarin geen water is.
גַּם
(gam)
ook
אַ֣תְּ
(at)
jij
בְּדַם
(bedam)
door het bloed van
בְּרִיתֵ֗ךְ
(beritekh)
je verbond
שִׁלַּ֤חְתִּי
(shilachti)
heb Ik vrijgelaten
אֲסִירַ֨יִךְ֙
(asirayikh)
je gevangenen
מִבּ֔וֹר
(mibor)
uit een put
אֵ֥ין
(ein)
niet is
מַ֖יִם
(mayim)
water
בּֽוֹ
(bo)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּדַם בְּרִיתֵךְ (bedam beritekh), ‘door het bloed van je verbond’: het bloed van het verbond dat Yahweh met Israël sloot, zoals in Exod. 24:8.

Het ‘jij’ is vrouwelijk: Sion.

מִבּוֹר (mibbor), ‘uit de put’: een droge put was een gevangenis, zoals in Gen. 37:24 en Jer. 38:6. De gevangenen zijn de ballingen.

12Keer terug naar de vesting, gevangenen van de hoop. Ook vandaag verkondig Ik: dubbel zal Ik je teruggeven.
שׁ֚וּבוּ
(shuvu)
keert terug
לְבִצָּר֔וֹן
(levitsaron)
naar de vesting
אֲסִירֵ֖י
(asirei)
gevangenen van
הַתִּקְוָ֑ה
(hatiqva)
de hoop
גַּם
(gam)
ook
הַיּ֕וֹם
(hayom)
vandaag
מַגִּ֥יד
(magid)
verkondig Ik
מִשְׁנֶ֖ה
(mishne)
dubbel
אָשִׁ֥יב
(ashiv)
zal Ik teruggeven
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְבִצָּרוֹן (levitsaron), ‘naar de vesting’: het woord בִּצָּרוֹן (bitstsaron) komt alleen hier voor en is verwant met ‘vesting’ (מִבְצָר, mivtsar).

De vesting is wellicht Sion, de veilige plaats.

אֲסִירֵי הַתִּקְוָה (asirei hatiqvah), ‘gevangenen van de hoop’: gevangenen die nog hoop hebben.

מִשְׁנֶה (mishneh), ‘dubbel’: het dubbele van wat men verloor, zoals in Jes. 61:7.

13Want Ik heb Juda voor Mij gespannen als een boog. Ik heb hem gevuld met Efraïm. Ik zal je zonen, Sion, opwekken tegen je zonen, Javan. Ik zal je maken als het zwaard van een held.”
כִּֽי
(ki)
want
דָרַ֨כְתִּי
(darakhti)
Ik heb gespannen
לִ֜י
(li)
voor Mij
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
קֶ֚שֶׁת
(qeshet)
een boog
מִלֵּ֣אתִי
(mileti)
Ik heb gevuld
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וְעוֹרַרְתִּ֤י
(veorarti)
en Ik zal opwekken
בָנַ֨יִךְ֙
(banayikh)
je zonen
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
עַל
(al)
tegen
בָּנַ֖יִךְ
(banayikh)
je zonen
יָוָ֑ן
(yavan)
Javan
וְשַׂמְתִּ֖יךְ
(vesamtikh)
en Ik zal je maken
כְּחֶ֥רֶב
(kecherev)
als het zwaard van
גִּבּֽוֹר
(gibor)
een held
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’, en מִלֵּאתִי (mille’ti), ‘Ik heb gevuld’: Juda is de gespannen boog en Efraïm wordt als pijl in de boog gelegd.

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Ik heb Efraïm gevuld’.

יָוָן (Yavan), ‘Javan’: de Ionische Grieken, het gebied van Griekenland en de eilanden; vergelijk Gen. 10:2. De tekst zegt alleen ‘Javan’.

Efraïm en Juda staan hier samen: het ene volk van Israël, zie ook vers 10.

Yahweh verschijnt boven hen

14Yahweh zal boven hen verschijnen, en Zijn pijl zal uitgaan als de bliksem. Heer Yahweh zal op de ramshoorn blazen en gaan in de stormen van het zuiden.
וַֽיהוָה֙
(vaYahweh)
en Yahweh
עֲלֵיהֶ֣ם
(aleihem)
boven hen
יֵֽרָאֶ֔ה
(yerae)
zal verschijnen
וְיָצָ֥א
(veyatsa)
en zal uitgaan
כַבָּרָ֖ק
(kabaraq)
als de bliksem
חִצּ֑וֹ
(chitso)
Zijn pijl
וַֽאדֹנָ֤י
(vadonay)
en Heer
יְהֹוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
בַּשּׁוֹפָ֣ר
(bashofar)
op de ramshoorn
יִתְקָ֔ע
(yitqa)
zal blazen
וְהָלַ֖ךְ
(vehalakh)
en zal gaan
בְּסַעֲר֥וֹת
(besaarot)
in stormen van
תֵּימָֽן
(teiman)
het zuiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: אֲדֹנָי (Adonai) betekent ‘mijn Heer’.

Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’.

Deze naam komt in Zacharia alleen hier voor.

בַּשּׁוֹפָר (bashofar), ‘op de ramshoorn’: de שׁוֹפָר (shofar) is de hoorn van een ram. Hij kondigt de komst van Yahweh aan, zoals in Exod. 19:16.

תֵּימָן (Teiman), ‘het zuiden’: Teman is een streek in Edom en betekent ‘zuiden’. In oude teksten komt Yahweh uit het zuiden, zoals in Deut. 33:2 en Hab. 3:3.

Vanaf dit vers spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon; dus zwart.

15Yahweh van de legermachten zal hen beschermen. Zij zullen verslinden en slingerstenen onderwerpen. Zij zullen drinken en razen als van wijn. Zij zullen vol zijn als de offerschaal, als de hoeken van het altaar.
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֮
(tsevaot)
van de legermachten
יָגֵ֣ן
(yagen)
zal beschermen
עֲלֵיהֶם֒
(aleihem)
hen
וְאָכְל֗וּ
(veakhelu)
en zij zullen eten
וְכָֽבְשׁוּ֙
(vekhaveshu)
en onderwerpen
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
קֶ֔לַע
(qela)
slinger
וְשָׁת֥וּ
(veshatu)
en zij zullen drinken
הָמ֖וּ
(hamu)
razen
כְּמוֹ
(kemo)
als
יָ֑יִן
(yayin)
wijn
וּמָֽלְאוּ֙
(umaleu)
en zij zullen vol zijn
כַּמִּזְרָ֔ק
(kamizraq)
als de offerschaal
כְּזָוִיּ֖וֹת
(kezaviyot)
als de hoeken van
מִזְבֵּֽחַ
(mizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie de Uitleg bij Zach. 1:3.

יָגֵן (yagen), ‘zal beschermen’: ook ‘zal een schild zijn’.

וְאָכְלוּ וְכָבְשׁוּ (ve’akhelu vekhavshu), ‘zij zullen verslinden en onderwerpen’: het Hebreeuws is kort en heeft geen voorwerp bij ‘verslinden’. Het kan ook ‘zij zullen de slingerstenen eten’ betekenen, als beeld van een overwinning waarin wapens hun kracht verliezen. Wij laten het kort.

כַּמִּזְרָק (mizraq), ‘offerschaal’: de schaal waarin het offerbloed werd opgevangen, zoals in Num. 7:13. Het beeld is dat zij zo vol zijn als de schaal en als de hoeken van het altaar. Wat het beeld precies bedoelt, is niet zeker.

16Op die dag zal Yahweh, hun Elohim, hen redden als de kudde van Zijn volk. Want zij zijn stenen van een kroon, die glinsteren boven Zijn land.
וְֽהוֹשִׁיעָ֞ם
(vehoshiam)
en zal hen redden
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֛ם
(eloheihem)
hun Elohim
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
כְּצֹ֣אן
(ketson)
als een kudde
עַמּ֑וֹ
(amo)
Zijn volk
כִּ֚י
(ki)
want
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
נֵ֔זֶר
(nezer)
een kroon
מִֽתְנוֹסְס֖וֹת
(mitnosesot)
glinsterend
עַל
(al)
boven
אַדְמָתֽוֹ
(admato)
Zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִתְנוֹסְסוֹת (mitnosesot), ‘glinsterend’: dit werkwoord is zeldzaam; het staat ook in Ps. 60:6 (NL 60:4), van een banier die wordt opgeheven.

De betekenis is hier onzeker; ‘stralen’, ‘schitteren’ en ‘omhoog geheven zijn’ zijn voorgesteld.

אַבְנֵי נֵזֶר (avnei nezer), ‘stenen van een kroon’: edelstenen in een koningskroon. Het volk is Yahwehs kostbare kroonjuweel.

17Want hoe groot is Zijn goedheid en hoe groot Zijn schoonheid! Koren laat jongemannen bloeien en most de maagden.
כִּ֥י
(ki)
want
מַה
(ma)
hoe
טּוּב֖וֹ
(tuvo)
groot is Zijn goedheid
וּמַה
(uma)
en hoe
יָפְי֑וֹ
(yafeyo)
Zijn schoonheid
דָּגָן֙
(dagan)
koren
בַּֽחוּרִ֔ים
(bachurim)
jongemannen
וְתִיר֖וֹשׁ
(vetirosh)
en most
יְנוֹבֵ֥ב
(yenovev)
laat bloeien
בְּתֻלֽוֹת
(betulot)
maagden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טּוּבוֹ (tuvo), ‘Zijn goedheid’, en יָפְיוֹ (yofyo), ‘Zijn schoonheid’: het Hebreeuws laat open of ‘Zijn’ naar Yahweh of naar het volk verwijst.

Wij hebben ‘Zijn’ met hoofdletter, op Yahweh.

יְנוֹבֵב (yenovev), ‘laat bloeien’: de vorm is zeldzaam; hij hoort bij het werkwoord נוב (nuv), ‘bloeien, vrucht dragen’.