Elohim Bijbel

Job 37

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Elihu: de stem van El in de storm

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De donder van Zijn stem

1„Ook hierbij beeft mijn hart en springt het op van zijn plaats.
אַף
(af)
ook
לְ֭זֹאת
(lezot)
bij dit
יֶחֱרַ֣ד
(yecherad)
beeft
לִבִּ֑י
(libi)
mijn hart
וְ֝יִתַּ֗ר
(veyitar)
en springt op
מִמְּקוֹמֽוֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elihu beschrijft een onweer.

Misschien trekt er werkelijk een storm op, de voorbode van het antwoord van Yahweh uit de wervelstorm in 38:1.

Vergelijk Ps. 29, de ‘stem van Yahweh’ in de donder.

2Hoor, luister naar het razen van Zijn stem en het gerommel dat uit Zijn mond uitgaat.
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
hoort
שָׁמ֣וֹעַ
(shamoa)
luister
בְּרֹ֣גֶז
(berogez)
naar het razen van
קֹל֑וֹ
(qolo)
Zijn stem
וְ֝הֶ֗גֶה
(vehege)
en het gerommel
מִפִּ֥יו
(mipiv)
uit Zijn mond
יֵצֵֽא
(yetse)
gaat uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Onder heel de hemel laat Hij het los, en Zijn licht over de uiteinden van de aarde.
תַּֽחַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
heel
הַשָּׁמַ֥יִם
(hashamayim)
de hemel
יִשְׁרֵ֑הוּ
(yishrehu)
laat Hij het los
וְ֝אוֹר֗וֹ
(veoro)
en Zijn licht
עַל
(al)
over
כַּנְפ֥וֹת
(kanfot)
de uiteinden van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Daarna brult een stem; Hij dondert met de stem van Zijn majesteit, en Hij houdt de bliksems niet terug wanneer Zijn stem gehoord wordt.
אַחֲרָ֤יו
(acharav)
daarna
יִשְׁאַג
(yishag)
brult
ק֗וֹל
(qol)
een stem
יַ֭רְעֵם
(yarem)
Hij dondert
בְּק֣וֹל
(beqol)
met de stem van
גְּאוֹנ֑וֹ
(geono)
Zijn majesteit
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְ֝עַקְּבֵ֗ם
(yeaqevem)
houdt Hij ze terug
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִשָּׁמַ֥ע
(yishama)
gehoord wordt
קוֹלֽוֹ
(qolo)
Zijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Sneeuw, regen en ijs

5Wonderbaarlijk dondert El met Zijn stem; Hij doet grote dingen die wij niet begrijpen.
יַרְעֵ֤ם
(yarem)
dondert
אֵ֣ל
(el)
El
בְּ֭קוֹלוֹ
(beqolo)
met Zijn stem
נִפְלָא֑וֹת
(niflaot)
wonderen
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
doet Hij
גְ֝דֹל֗וֹת
(gedolot)
grote dingen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נֵדָֽע
(neda)
wij begrijpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Want tot de sneeuw zegt Hij: ‘Val op de aarde’, en tot de regenbui en de stortregen: ‘Wees krachtig.’
כִּ֤י
(ki)
want
לַשֶּׁ֨לַג
(lashelag)
tot de sneeuw
יֹאמַ֗ר
(yomar)
zegt Hij
הֱוֵ֫א
(heve)
val
אָ֥רֶץ
(arets)
op de aarde
וְגֶ֥שֶׁם
(vegeshem)
en de regenbui
מָטָ֑ר
(matar)
regen
וְ֝גֶ֗שֶׁם
(vegeshem)
en de regenbui
מִטְר֥וֹת
(mitrot)
regens van
עֻזּֽוֹ
(uzo)
Zijn kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7In de hand van elk mens verzegelt Hij, opdat alle mensen Zijn werk kennen.
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
כָּל
(kal)
elk
אָדָ֥ם
(adam)
mens
יַחְתּ֑וֹם
(yachtom)
verzegelt Hij
לָ֝דַ֗עַת
(ladaat)
opdat weten
כָּל
(kal)
alle
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mensen van
מַעֲשֵֽׂהוּ
(maasehu)
Zijn werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

‘In de hand van ieder mens verzegelt Hij’ betekent dat Hij door het winterweer het werk van mensen stillegt, zodat zij het werk van Elohim erkennen.

Vergelijk Job 9:7.

8Het wild komt in zijn schuilplaats en blijft in zijn holen.
וַתָּבֹ֣א
(vatavo)
en komt
חַיָּ֣ה
(chaya)
het wild
בְמוֹ
(bemo)
in
אָ֑רֶב
(arev)
schuilplaats
וּבִמְע֖וֹנֹתֶ֣יהָ
(uvimonoteiha)
en in haar holen
תִשְׁכֹּֽן
(tishkon)
blijft het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Uit de kamer komt de storm en uit de noordenwinden de kou.
מִן
(min)
uit
הַ֭חֶדֶר
(hacheder)
de kamer
תָּב֣וֹא
(tavo)
komt
סוּפָ֑ה
(sufa)
storm
וּֽמִמְּזָרִ֥ים
(umimezarim)
en uit de noordenwinden
קָרָֽה
(qara)
koude
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De kamer’ (hacheder) is de verborgen kamer van het zuiden (Job 9:9, ‘de kamers van het zuiden’).

Daarom komt de storm uit het zuiden en de kou uit het noorden.

10Door de adem van El wordt ijs gegeven, en de breedte van het water wordt vast.
מִנִּשְׁמַת
(minishmat)
door de adem van
אֵ֥ל
(el)
El
יִתֶּן
(yiten)
wordt gegeven
קָ֑רַח
(qarach)
ijs
וְרֹ֖חַב
(verochav)
en de breedte van
מַ֣יִם
(mayim)
water
בְּמוּצָֽק
(bemutsaq)
vast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Ook belast Hij de wolk met vocht, Hij verspreidt de wolken van Zijn licht.
אַף
(af)
ook
בְּ֭רִי
(beri)
met vocht
יַטְרִ֣יחַ
(yatriach)
belast Hij
עָ֑ב
(av)
de wolk
יָ֝פִ֗יץ
(yafits)
verspreidt Hij
עֲנַ֣ן
(anan)
de wolken van
אוֹרֽוֹ
(oro)
Zijn licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12En zij draaien rond, volgens Zijn leiding, om te doen wat Hij hun gebiedt over het oppervlak van de wereld op aarde,
וְה֤וּא
(vehu)
en zij
מְסִבּ֨וֹת
(mesibot)
rondgaand
מִתְהַפֵּ֣ךְ
(mithapekh)
draaien
בְּתַחְבּוּלֹתָ֣יו
(betachbulotav)
volgens Zijn leiding
לְפָעֳלָ֑ם
(lefaolam)
om te doen
כֹּ֖ל
(kol)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
יְצַוֵּ֓ם
(yetsavem)
Hij hun gebiedt
עַל
(al)
over
פְּנֵ֖י
(penei)
het oppervlak van
תֵבֵ֣ל
(tevel)
de wereld
אָֽרְצָה
(aretsa)
op aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13of tot straf, of voor Zijn land, of tot genade laat Hij het treffen.
אִם
(im)
of
לְשֵׁ֥בֶט
(leshevet)
tot de roede
אִם
(im)
of
לְאַרְצ֑וֹ
(leartso)
voor Zijn land
אִם
(im)
of
לְ֝חֶ֗סֶד
(lechesed)
tot genade
יַמְצִאֵֽהוּ
(yamtsiehu)
laat Hij het treffen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘tot de roede (sjevet), of tot Zijn land, of tot genade’.

Regen en weer kunnen dus tuchtiging zijn, zegen voor het land of genade.

Vergelijk Gen. 7:11–12 (de zondvloed) en Deut. 11:14.

Sta stil, Job, en overweeg

14Luister hiernaar, Job, sta stil en overweeg de wonderen van El.
הַאֲזִ֣ינָה
(haazina)
luister
זֹּ֣את
(zot)
hiernaar
אִיּ֑וֹב
(iyov)
Job
עֲ֝מֹ֗ד
(amod)
sta stil
וְהִתְבּוֹנֵ֤ן
(vehitbonen)
en overweeg
נִפְלְא֬וֹת
(nifleot)
wonderen van
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Weet u hoe Eloah hen opdraagt en het licht van Zijn wolk laat schijnen?
הֲ֭תֵדַע
(hateda)
weet u
בְּשׂוּם
(besum)
hoe stelt
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
hen
וְ֝הוֹפִ֗יעַ
(vehofia)
en laat schijnen
א֣וֹר
(or)
het licht van
עֲנָנֽוֹ
(anano)
Zijn wolk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Weet u van het zweven van de wolken, de wonderen van Hem die volmaakt is in kennis?
הֲ֭תֵדַע
(hateda)
weet u
עַל
(al)
van
מִפְלְשֵׂי
(miflesei)
het zweven van
עָ֑ב
(av)
wolken
מִ֝פְלְא֗וֹת
(mifleot)
de wonderen van
תְּמִ֣ים
(temim)
de Volmaakte in
דֵּעִֽים
(deim)
kennis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17U, wiens kleren warm zijn wanneer de aarde stil is door de zuidenwind,
אֲשֶׁר
(asher)
u wiens
בְּגָדֶ֥יךָ
(begadeikha)
kleren
חַמִּ֑ים
(chamim)
warm zijn
בְּהַשְׁקִ֥ט
(behashqit)
wanneer stil is
אֶ֝֗רֶץ
(erets)
de aarde
מִדָּרֽוֹם
(midarom)
door de zuidenwind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De zuidenwind’ is in Palestina de hete woestijnwind (sirocco); dan is de aarde stil en drukkend.

Vergelijk Luc. 12:55.

18kunt u met Hem de wolken uitspannen, sterk als een gegoten spiegel?
תַּרְקִ֣יעַ
(tarqia)
kunt u uitspannen
עִ֭מּוֹ
(imo)
met Hem
לִשְׁחָקִ֑ים
(lishchaqim)
de wolken
חֲ֝זָקִ֗ים
(chazaqim)
sterk
כִּרְאִ֥י
(kiri)
als een spiegel
מוּצָֽק
(mutsaq)
gegoten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De hemel wordt voorgesteld als een gegoten spiegel van metaal; vergelijk Gen. 1:6–8 en Ex. 24:10.

Wij weten niets te zeggen vanwege de duisternis

19Maak ons bekend wat wij Hem moeten zeggen; wij kunnen niets schikken vanwege de duisternis.
ה֭וֹדִיעֵנוּ
(hodienu)
maak ons bekend
מַה
(ma)
wat
נֹּ֣אמַר
(nomar)
wij zeggen
ל֑וֹ
(lo)
tot Hem
לֹ֥א
(lo)
niet
נַ֝עֲרֹ֗ךְ
(naarokh)
wij kunnen schikken
מִפְּנֵי
(mipenei)
vanwege
חֹֽשֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Zou men Hem vertellen dat ik spreek? Of zegt iemand dat hij zou willen worden verzwolgen?
הַֽיְסֻפַּר
(haysupar)
wordt verteld
ל֭וֹ
(lo)
aan Hem
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲדַבֵּ֑ר
(adaber)
ik spreek
אִֽם
(im)
of
אָ֥מַר
(amar)
zegt
אִ֝֗ישׁ
(ish)
iemand
כִּ֣י
(ki)
dat
יְבֻלָּֽע
(yevula)
hij zou worden verzwolgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Uit het noorden komt gouden glans

21En nu: men ziet het heldere licht niet dat in de wolken is; de wind gaat voorbij en reinigt ze.
וְעַתָּ֤ה
(veata)
en nu
לֹ֘א
(lo)
niet
רָ֤אוּ
(rau)
zien zij
א֗וֹר
(or)
licht
בָּהִ֣יר
(bahir)
helder
ה֭וּא
(hu)
het is
בַּשְּׁחָקִ֑ים
(bashechaqim)
in de wolken
וְר֥וּחַ
(veruach)
en wind
עָ֝בְרָ֗ה
(avera)
gaat voorbij
וַֽתְּטַהֲרֵֽם
(vatetaharem)
en reinigt hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Uit het noorden komt gouden glans; rondom Eloah is ontzagwekkende majesteit.
מִ֭צָּפוֹן
(mitsafon)
uit het noorden
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
יֶֽאֱתֶ֑ה
(yeete)
komt
עַל
(al)
over
אֱ֝ל֗וֹהַּ
(eloha)
Eloah
נ֣וֹרָא
(nora)
ontzagwekkend
הֽוֹד
(hod)
majesteit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מִצָּפוֹן זָהָב (mitsafon zahav): letterlijk ‘uit het noorden komt goud’.

Dat kan ‘gouden glans’ betekenen (licht dat uit de wolken doorbreekt), of letterlijk goud dat uit het noorden komt.

Vergelijk Ezech. 1:4, waar de gloed van de Heerlijkheid uit het noorden komt.

23Shaddai kunnen wij niet vinden: Hij is verheven in kracht, in recht en in overvloed van gerechtigheid. Hij onderdrukt niet.
שַׁדַּ֣י
(shaday)
Shaddai
לֹֽא
(lo)
niet
מְ֭צָאנֻהוּ
(metsanuhu)
vinden wij Hem
שַׂגִּיא
(sagi)
verheven
כֹ֑חַ
(koach)
in kracht
וּמִשְׁפָּ֥ט
(umishpat)
en recht
וְרֹב
(verov)
en overvloed van
צְ֝דָקָ֗ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
לֹ֣א
(lo)
niet
יְעַנֶּֽה
(yeane)
onderdrukt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Wij kunnen Hem niet vinden’: dit is de slotsom van Elihu, en ook de vraag van Job in 23:3.

Daarna antwoordt Yahweh zelf.

24Daarom vrezen mensen Hem; Hij ziet niemand aan die wijs is in eigen hart.”
לָ֭כֵן
(lakhen)
daarom
יְרֵא֣וּהוּ
(yereuhu)
vrezen Hem
אֲנָשִׁ֑ים
(anashim)
mensen
לֹֽא
(lo)
niet
יִ֝רְאֶ֗ה
(yire)
Hij ziet aan
כָּל
(kal)
alle
חַכְמֵי
(chakhmei)
wijzen van
לֵֽב
(lev)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Met ‘wijs in eigen hart’ bedoelt Elihu mensen die zichzelf wijs achten.

Vergelijk Spr. 3:7 en Jes. 5:21.