Romeinen 6
Gedoopt in de dood van de Messias: dood voor de zonde, levend voor Elohim
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Moeten wij in de zonde blijven?
Paulus vraagt wat uit 5:20 zou volgen: ‘waar de zonde toenam, werd de genade nog veel overvloediger’.
De vraag is een tegenwerping; het antwoord staat in vers 2. ἁμαρτία (hamartia), ‘zonde’: ook hier een macht, zoals in hoofdstuk 5.
Zie ook Rom. 5:20.
De SBLGNT markeert bij ἐπιμένωμεν (epimenomen) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
μὴ γένοιτο (me genoito), ‘Dat nooit!’: een scherpe afwijzing, letterlijk ‘dat het niet gebeure’; zo ook in 6:15, in Gal. 2:17 en 3:21. ἀπεθάνομεν τῇ ἁμαρτίᾳ (apethanomen te hamartia), ‘wij zijn voor de zonde gestorven’: de datief kan ‘voor’ of ‘ten opzichte van’ de zonde zijn; Paulus bedoelt dat de macht van de zonde over ons gebroken is.
Gedoopt in de dood van de Messias
βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen. εἰς Χριστόν (eis Christon), ‘in de Messias’: ook ‘tot de Messias’; wie gedoopt wordt, wordt met Hem verbonden.
‘Gedoopt in Zijn dood’: verbonden met Zijn dood.
Paulus gaat ervan uit dat de lezers dit weten.
Zie ook Gal. 3:27; Kol. 2:12.
συνθάπτω (synthapto), ‘met begraven’: de ondergedompelde wordt als het ware met Hem begraven. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: de manier van leven; het Hebreeuwse הָלַךְ (halakh) heeft dezelfde beeldspraak. καινότης (kainotes), ‘nieuwheid’.
Wij splitsen de lange Griekse zin; ἵνα (hina) geeft het doel.
‘De heerlijkheid van de Vader’ (δόξα, doxa): Elohims glanzende kracht, waardoor Hij de Messias opwekte.
Zie ook Kol. 2:12; Rom. 8:11.
σύμφυτος (symfytos), ‘vergroeid, samen aangegroeid’: zoals een ent aan een stam groeit. τὸ ὁμοίωμα τοῦ θανάτου αὐτοῦ (to homoioma tou thanatou autou), ‘de gelijkenis van Zijn dood’: het Grieks zegt niet precies waar wij mee vergroeid zijn; wij laten het zo staan en vertalen ‘vergroeid met de gelijkenis van Zijn dood’. ἀλλὰ καὶ (alla kai), ‘maar zeker ook’: de opstanding hoort er onlosmakelijk bij.
De tijd is toekomend: ‘zullen wij zijn’.
ὁ παλαιὸς ἡμῶν ἄνθρωπος (ho palaios hemon anthropos), ‘onze oude mens’: wie wij waren onder de macht van de zonde. συσταυρόω (systauroo), ‘met gekruisigd worden’. καταργέω (katargeo), ‘buiten werking stellen’: onwerkzaam maken, zoals in Gal. 3:17. τὸ σῶμα τῆς ἁμαρτίας (to soma tes hamartias), ‘het lichaam van de zonde’: het lichaam zolang de zonde het beheerst. δουλεύω (douleuo), ‘als knecht dienen’: δοῦλος (doulos) betekent letterlijk ‘slaaf’.
Zie ook Gal. 2:19–20; Gal. 3:17.
δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’: in dit vers ‘vrijspreken’; dat is hetzelfde werkwoord als ‘rechtvaardig verklaard’ in 5:1 en 5:9.
Wie gestorven is, valt niet meer onder het vonnis van de zonde.
Paulus spreekt hier beeldend: wie met de Messias gestorven is, staat vrij.
Zie ook Rom. 5:1.
ἐφάπαξ (efapax), ‘eens voor altijd’: een eenmalige gebeurtenis die niet herhaald wordt.
De dood en het leven van de Messias zijn beide ‘voor’ (datief): de zonde en Elohim.
λογίζομαι (logizomai), ‘rekenen’: tellen, vaststellen; hetzelfde woord als ‘toerekenen’ in Gal. 3:6.
Het is een gebod aan de lezers, geen mededeling. ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ (en Christo Iesou), ‘in de Messias Yeshua’: verbonden met Hem.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ‘te zijn’ (εἶναι), ‘wel’ (μέν) en ‘Yeshua’.
Wij volgen de SBLGNT.
Laat de zonde niet heersen
βασιλεύω (basileuo), ‘als koning heersen’: zoals in 5:14, 5:17 en 5:21. θνητός (thnetos), ‘sterfelijk’.
‘De begeerten ervan’ (ταῖς ἐπιθυμίαις αὐτοῦ, tais epithymiais autou): αὐτοῦ is mannelijk of onzijdig en wijst terug op het lichaam (σῶμα is onzijdig); ἁμαρτία is vrouwelijk. ἐπιθυμία (epithymia), ‘begeerte’.
De SBLGNT markeert bij ὑπακούειν (hypakouein) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
μέλος (melos), ‘lid, ledemaat’: de delen van het lichaam. ὅπλον (hoplon), ‘wapen’: ook ‘gereedschap, werktuig’. παρίστημι (paristemi), ‘ter beschikking stellen’: zoals men iets voor een koning neerzet om hem te dienen. ἀδικία (adikia), ‘onrecht’; δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’.
‘Als mensen die uit de doden levend zijn’: levend geworden na de dood.
De SBLGNT markeert bij ὡσεί (hosei) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ὑπὸ νόμον (hypo nomon), ‘onder de wet’: onder het gezag van de wet; νόμος (nomos), ‘wet’: Hebr. tora, ‘onderwijs, instructie’. ὑπὸ χάριν (hypo charin), ‘onder de genade’.
Paulus noemt hier niet wat dat voor de wet zelf betekent; hij schrijft het in 7:1–6 en 8:1–4 verder uit.
Zie ook Gal. 5:18; Rom. 7:1–6.
Knechten van de zonde of van de gehoorzaamheid
δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand die het eigendom van een heer is.
Paulus zet twee heren naast elkaar: de zonde, die tot de dood leidt, en de gehoorzaamheid, die tot gerechtigheid leidt. ὑπακοή (hypakoe), ‘gehoorzaamheid’: zoals in 5:19.
χάρις τῷ θεῷ (charis to theo), ‘dank aan Elohim’: χάρις (charis) betekent hier ‘dank’, niet ‘genade’. τύπος διδαχῆς (typos didaches), ‘voorbeeld van onderricht’: een gietvorm of model van de leer; het Grieks zegt niet welke leer bedoeld is.
‘Waaraan jullie overgegeven zijn’ (παρεδόθητε, paredothete): het onderricht is een vorm waarin zij gegoten zijn.
ἐλευθερόω (eleutheroo), ‘vrijmaken’; ἐλεύθερος (eleutheros), ‘vrije’. δουλόω (douloo), ‘tot knecht maken’.
Wie vrij is van de zonde, is knecht van de gerechtigheid: een nieuwe heer, geen onafhankelijkheid.
ἀνθρώπινον λέγω (anthropinon lego), ‘ik spreek menselijk’: Paulus gebruikt het beeld van knechtschap omdat zijn lezers zo’n beeld begrijpen; het beeld schiet tekort. ἀσθένεια τῆς σαρκός (astheneia tes sarkos), ‘zwakheid van het vlees’: σάρξ (sarx), ‘vlees’, is hier de zwakke menselijke natuur, niet alleen het lichaam (zoals in Gal. 3:3). ἀκαθαρσία (akatharsia), ‘onreinheid’; ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’: zonder wet leven. ἁγιασμός (hagiasmos), ‘heiliging’: toegewijd zijn aan Elohim.
De vrucht en het einde
ἐλεύθεροι τῇ δικαιοσύνῃ (eleutheroi te dikaiosyne), ‘vrij ten opzichte van de gerechtigheid’: zij dienden de gerechtigheid niet.
Voor de zonde waren zij geen vrije, maar voor de gerechtigheid wel.
καρπός (karpos), ‘vrucht’: wat een leven oplevert. ἐπαισχύνομαι (epaischynomai), ‘zich schamen’. τέλος (telos), ‘einde, uitkomst’: waar het op uitloopt.
Zie ook Gal. 5:19–23.
νυνὶ δέ (nuni de), ‘nu echter’: een scherpe tegenstelling met ‘toen’ (vers 21). ζωὴ αἰώνιος (zoe aionios), ‘eeuwig leven’: leven dat blijft, het leven van de komende tijd.
ὀψώνια (opsonia), ‘loon’: de soldij van een soldaat; het loon dat de zonde als werkgever betaalt. χάρισμα (charisma), ‘genadegave’: een gave die niet verdiend is, tegenover het loon. ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ τῷ κυρίῳ ἡμῶν: ‘in de Messias Yeshua, onze Heer’.
Zie ook Rom. 5:21.