Elohim Bijbel

Daniël 4

123456789101112

De droom van de grote boom en de ballingschap van Nebukadnezar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Nebukadnezar vertelt zijn droom

1Ik, Nebukadnezar, leefde zorgeloos in mijn huis en bloeide in mijn paleis.
אֲנָ֣ה
(ana)
ik
נְבוּכַדְנֶצַּ֗ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
שְׁלֵ֤ה
(shele)
zorgeloos
הֲוֵית֙
(haveit)
was
בְּבֵיתִ֔י
(beveiti)
in mijn huis
וְרַעְנַ֖ן
(veranan)
en bloeiend
בְּהֵיכְלִֽי
(beheikheli)
in mijn paleis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse telling is dit vers 1 van hoofdstuk 4.

Nederlandse bijbels tellen dit als 4:4: Hebr. 3:31–33 = NL 4:1–3 en Hebr. 4:1–34 = NL 4:4–37.

De app zet de kruisverwijzingen zelf om.

Dit hoofdstuk is het vervolg van de brief van de koning die in Hebr. 3:31 begint en eindigt in vers 34 (NL 4:37). De hele brief staat tussen aanhalingstekens „ ”. Toespraken in de brief staan tussen ‘ ’. Wat daarin weer wordt aangehaald (de woorden van de wachter in vers 11–14 en 20) staat opnieuw tussen „ ”.

נְבוּכַדְנֶצַּר (Nevukhadnetsar), ‘Nebukadnezar’: in Daniël staat de naam met een n, in Jeremia en Ezechiël vaak met een r. Wij schrijven overal Nebukadnezar.

שְׁלֵה (shelé), ‘zorgeloos’, en רַעְנַן (ra’nan), ‘bloeiend’: letterlijk ‘rustig’ en ‘groen, fris’.

הֵיכַל (heikal), ‘paleis’: hier het koninklijk huis.

2Ik zag een droom, en die joeg mij angst aan. De gedachten op mijn bed en de gezichten van mijn hoofd verschrikten mij.
חֵ֥לֶם
(chelem)
een droom
חֲזֵ֖ית
(chazeit)
zag ik
וִֽידַחֲלִנַּ֑נִי
(vidachalinani)
en hij joeg mij angst aan
וְהַרְהֹרִין֙
(veharhorin)
en gedachten
עַֽל
(al)
op
מִשְׁכְּבִ֔י
(mishkevi)
mijn bed
וְחֶזְוֵ֥י
(vechezvei)
en gezichten van
רֵאשִׁ֖י
(reshi)
mijn hoofd
יְבַהֲלֻנַּֽנִי
(yevahalunani)
verschrikten mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Door mij werd bevolen alle wijzen van Babel voor mij te brengen. Zij moesten mij de uitleg van de droom bekendmaken.
וּמִנִּי֙
(umini)
en door mij
שִׂ֣ים
(sim)
werd gesteld
טְעֵ֔ם
(teem)
een bevel
לְהַנְעָלָ֣ה
(lehanala)
om binnen te brengen
קָֽדָמַ֔י
(qadamay)
voor mij
לְכֹ֖ל
(lekhol)
alle
חַכִּימֵ֣י
(chakimei)
wijzen van
בָבֶ֑ל
(bavel)
Babel
דִּֽי
(di)
opdat
פְשַׁ֥ר
(peshar)
de uitleg van
חֶלְמָ֖א
(chelma)
de droom
יְהֽוֹדְעֻנַּֽנִי
(yehodeunani)
zij bekend zouden maken aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

בָּבֶל (Bavel), ‘Babel’: de hoofdstad van Nebukadnezar, aan de Eufraat, in het huidige Irak.

4Toen kwamen de magiërs, de bezweerders, de Chaldeeën en de waarzeggers binnen. Ik vertelde hun de droom, maar zij maakten mij de uitleg niet bekend.
בֵּאדַ֣יִן
(bedayin)
toen
עָלִּ֗ין
(alin)
kwamen binnen
חַרְטֻמַיָּא֙
(chartumaya)
de magiërs
אָֽשְׁפַיָּ֔א
(ashefaya)
de bezweerders
כַּשְׂדָּאֵ֖י
(kasdaei)
de Chaldeeën
וְגָזְרַיָּ֑א
(vegazeraya)
en de waarzeggers
וְחֶלְמָ֗א
(vechelma)
en de droom
אָמַ֤ר
(amar)
zei
אֲנָה֙
(ana)
ik
קֳדָ֣מֵיה֔וֹן
(qodameihon)
voor hen
וּפִשְׁרֵ֖הּ
(ufishreh)
en de uitleg ervan
לָא
(la)
niet
מְהוֹדְעִ֥ין
(mehodein)
makend bekend
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַרְטֻמַּיָּא (chartummayya), ‘de magiërs’, אָשְׁפַיָּא (ashfayya), ‘de bezweerders’, כַּשְׂדָּאֵי (kasdaé), ‘de Chaldeeën’, en גָּזְרַיָּא (gazrayya), ‘de waarzeggers’: vier groepen geleerden aan het hof.

‘Magiërs’ staat ook in Exod. 7:11.

Hier is ‘Chaldeeën’ de naam van een groep geleerden, niet van een volk.

Daniël wordt geroepen

5Ten slotte kwam Daniël bij mij binnen. Zijn naam is Beltsazar, naar de naam van mijn god, en de geest van heilige goden is in hem. Ik vertelde hem de droom:
וְעַ֣ד
(vead)
en tot
אָחֳרֵ֡ין
(achorein)
het laatst
עַל֩
(al)
kwam binnen
קָֽדָמַ֨י
(qadamay)
voor mij
דָּנִיֵּ֜אל
(daniyel)
Daniël
דִּֽי
(di)
wiens
שְׁמֵ֤הּ
(shemeh)
naam
בֵּלְטְשַׁאצַּר֙
(beleteshatsar)
Beltsazar
כְּשֻׁ֣ם
(keshum)
naar de naam van
אֱלָהִ֔י
(elahi)
mijn god
וְדִ֛י
(vedi)
en in wie
רֽוּחַ
(ruach)
de geest van
אֱלָהִ֥ין
(elahin)
goden
קַדִּישִׁ֖ין
(qadishin)
heilige
בֵּ֑הּ
(beh)
in hem
וְחֶלְמָ֖א
(vechelma)
en de droom
קָֽדָמ֥וֹהִי
(qadamohi)
voor hem
אַמְרֵֽת
(amret)
vertelde ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּלְטְשַׁאצַּר (Beltshatsar), ‘Beltsazar’: de naam die Daniël aan het hof kreeg.

De koning zegt dat die is ‘naar de naam van mijn god’.

Bel was een god van Babel (vergelijk Jes. 46:1 en Jer. 51:44).

אֱלָהִין קַדִּישִׁין (elahin qaddishin), ‘heilige goden’: een meervoud. Nebukadnezar spreekt als heiden. Het kan ook als één Elohim gelezen worden (‘heilige Elohim’). Wij laten de woorden van de koning staan zoals hij ze zegt. Zie ook 5:11, 5:14 en 5:18.

6‘Beltsazar, hoofd van de magiërs, ik weet dat de geest van heilige goden in jou is en dat geen enkel geheim je te zwaar is. Vertel de gezichten van mijn droom die ik gezien heb, en de uitleg ervan.
בֵּלְטְשַׁאצַּר֮
(beleteshatsar)
Beltsazar
רַ֣ב
(rav)
hoofd van
חַרְטֻמַיָּא֒
(chartumaya)
de magiërs
דִּ֣י
(di)
dat
אֲנָ֣ה
(ana)
ik
יִדְעֵ֗ת
(yidet)
weet
דִּ֠י
(di)
dat
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
אֱלָהִ֤ין
(elahin)
goden
קַדִּישִׁין֙
(qadishin)
heilige
בָּ֔ךְ
(bakh)
in jou
וְכָל
(vekhal)
en elk
רָ֖ז
(raz)
geheim
לָא
(la)
niet
אָנֵ֣ס
(anes)
beklemt
לָ֑ךְ
(lakh)
jou
חֶזְוֵ֨י
(chezvei)
gezichten van
חֶלְמִ֧י
(chelmi)
mijn droom
דִֽי
(di)
die
חֲזֵ֛ית
(chazeit)
ik zag
וּפִשְׁרֵ֖הּ
(ufishreh)
en de uitleg ervan
אֱמַֽר
(emar)
zeg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָז (raz), ‘geheim’: iets verborgens, ook het verborgen van een droom.

אָנֵס (anes), ‘te zwaar zijn’: letterlijk ‘dwingen, benauwen’. Geen enkel geheim is te moeilijk voor Daniël.

De boom die tot de hemel reikte

7Dit zijn de gezichten van mijn hoofd op mijn bed: ik keek, en zie, een boom midden op de aarde. Zijn hoogte was groot.
וְחֶזְוֵ֥י
(vechezvei)
en de gezichten van
רֵאשִׁ֖י
(reshi)
mijn hoofd
עַֽל
(al)
op
מִשְׁכְּבִ֑י
(mishkevi)
mijn bed
חָזֵ֣ה
(chaze)
ziende
הֲוֵ֔ית
(haveit)
was ik
וַאֲל֥וּ
(vaalu)
en zie
אִילָ֛ן
(ilan)
een boom
בְּג֥וֹא
(bego)
midden in
אַרְעָ֖א
(ara)
de aarde
וְרוּמֵ֥הּ
(verumeh)
en zijn hoogte
שַׂגִּֽיא
(sagi)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De boom werd groot en sterk. Zijn hoogte reikte tot de hemel en hij was zichtbaar tot het einde van heel de aarde.
רְבָ֥ה
(reva)
groot werd
אִֽילָנָ֖א
(ilana)
de boom
וּתְקִ֑ף
(uteqif)
en sterk
וְרוּמֵהּ֙
(verumeh)
en zijn hoogte
יִמְטֵ֣א
(yimte)
reikte
לִשְׁמַיָּ֔א
(lishmaya)
tot de hemel
וַחֲזוֹתֵ֖הּ
(vachazoteh)
en zijn zichtbaarheid
לְס֥וֹף
(lesof)
tot het einde van
כָּל
(kal)
heel
אַרְעָֽא
(ara)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zijn bladeren waren mooi, zijn vrucht was overvloedig en er was in hem voedsel voor allen. Onder hem zochten de dieren van het veld schaduw. In zijn takken woonden de vogels van de hemel, en van hem werd alle vlees gevoed.
עָפְיֵ֤הּ
(afeyeh)
zijn bladeren
שַׁפִּיר֙
(shapir)
mooi
וְאִנְבֵּ֣הּ
(veinbeh)
en zijn vrucht
שַׂגִּ֔יא
(sagi)
overvloedig
וּמָז֨וֹן
(umazon)
en voedsel
לְכֹ֖לָּא
(lekhola)
voor allen
בֵ֑הּ
(beh)
in hem
תְּחֹת֜וֹהִי
(techotohi)
onder hem
תַּטְלֵ֣ל
(tatlel)
zochten schaduw
חֵיוַ֣ת
(cheivat)
dieren van
בָּרָ֗א
(bara)
het veld
וּבְעַנְפ֨וֹהִי֙
(uveanfohi)
en in zijn takken
יְדוּרָן֙
(yeduran)
woonden
צִפֲּרֵ֣י
(tsiparei)
vogels van
שְׁמַיָּ֔א
(shemaya)
de hemel
וּמִנֵּ֖הּ
(umineh)
en van hem
יִתְּזִ֥ין
(yitezin)
werd gevoed
כָּל
(kal)
alle
בִּשְׂרָֽא
(bisra)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een wachter daalt uit de hemel af

10In de gezichten van mijn hoofd op mijn bed keek ik, en zie, een wachter, een heilige, daalde uit de hemel af.
חָזֵ֥ה
(chaze)
ziende
הֲוֵ֛ית
(haveit)
was ik
בְּחֶזְוֵ֥י
(bechezvei)
in de gezichten van
רֵאשִׁ֖י
(reshi)
mijn hoofd
עַֽל
(al)
op
מִשְׁכְּבִ֑י
(mishkevi)
mijn bed
וַאֲלוּ֙
(vaalu)
en zie
עִ֣יר
(ir)
een wachter
וְקַדִּ֔ישׁ
(veqadish)
en een heilige
מִן
(min)
uit
שְׁמַיָּ֖א
(shemaya)
de hemel
נָחִֽת
(nachit)
daalde af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִיר (ir), ‘wachter’: een wezen uit de hemel, dat in vers 14 samen met ‘de heiligen’ het besluit uitspreekt.

Het woord komt alleen in dit hoofdstuk voor (verzen 10, 14, 20).

Wij vertalen letterlijk en laten open wie of wat het is.

11Hij riep luid en zei: „Hak de boom om en kap zijn takken af. Schud zijn bladeren eraf en strooi zijn vrucht uiteen. Laat de dieren onder hem wegvluchten en de vogels uit zijn takken.
קָרֵ֨א
(qare)
riep
בְחַ֜יִל
(bechayil)
met kracht
וְכֵ֣ן
(vekhen)
en zo
אָמַ֗ר
(amar)
zei hij
גֹּ֤דּוּ
(godu)
hak om
אִֽילָנָא֙
(ilana)
de boom
וְקַצִּ֣צוּ
(veqatsitsu)
en kap af
עַנְפ֔וֹהִי
(anfohi)
zijn takken
אַתַּ֥רוּ
(ataru)
schud af
עָפְיֵ֖הּ
(afeyeh)
zijn bladeren
וּבַדַּ֣רוּ
(uvadaru)
en strooi uiteen
אִנְבֵּ֑הּ
(inbeh)
zijn vrucht
תְּנֻ֤ד
(tenud)
laat vluchten
חֵֽיוְתָא֙
(cheiveta)
de dieren
מִן
(min)
van
תַּחְתּ֔וֹהִי
(tachtohi)
onder hem
וְצִפְּרַיָּ֖א
(vetsiperaya)
en de vogels
מִן
(min)
van
עַנְפֽוֹהִי
(anfohi)
zijn takken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Maar laat de stronk van zijn wortels in de aarde achter, in een band van ijzer en koper, in het jonge gras van het veld. Laat hem nat worden van de dauw van de hemel. Laat zijn deel bij de dieren zijn, in het gras van de aarde.
בְּרַ֨ם
(beram)
nochtans
עִקַּ֤ר
(iqar)
de stronk van
שָׁרְשׁ֨וֹהִי֙
(shareshohi)
zijn wortels
בְּאַרְעָ֣א
(beara)
in de aarde
שְׁבֻ֔קוּ
(shevuqu)
laat achter
וּבֶֽאֱסוּר֙
(uveesur)
en in een band
דִּֽי
(di)
van
פַרְזֶ֣ל
(parzel)
ijzer
וּנְחָ֔שׁ
(unechash)
en koper
בְּדִתְאָ֖א
(bedita)
in het jonge gras
דִּ֣י
(di)
van
בָרָ֑א
(bara)
het veld
וּבְטַ֤ל
(uvetal)
en met de dauw
שְׁמַיָּא֙
(shemaya)
van de hemel
יִצְטַבַּ֔ע
(yitstaba)
laat hem nat worden
וְעִם
(veim)
en met
חֵיוְתָ֥א
(cheiveta)
de dieren
חֲלָקֵ֖הּ
(chalaqeh)
zijn deel
בַּעֲשַׂ֥ב
(baasav)
in het gras van
אַרְעָֽא
(ara)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zijn hart wordt veranderd, weg van dat van een mens, en een dierenhart wordt hem gegeven. Zeven tijden zullen over hem heen gaan.
לִבְבֵהּ֙
(livveh)
zijn hart
מִן
(min)
van
אֲנָשָׁ֣א
(anasha)
de mens
יְשַׁנּ֔וֹן
(yeshanon)
wordt veranderd
וּלְבַ֥ב
(ulevav)
en het hart van
חֵיוָ֖ה
(cheiva)
een dier
יִתְיְהִ֣ב
(yityehiv)
wordt gegeven
לֵ֑הּ
(leh)
aan hem
וְשִׁבְעָ֥ה
(veshiva)
en zeven
עִדָּנִ֖ין
(idanin)
tijden
יַחְלְפ֥וּן
(yachlefun)
zullen voorbijgaan
עֲלֽוֹהִי
(alohi)
over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִדָּנִין (iddanin), ‘tijden’: een tijdsduur die de tekst niet noemt.

Het kunnen jaren zijn of seizoenen.

Wij laten het open: ‘zeven tijden’.

14De uitspraak komt voort uit een besluit van de wachters. De eis is een woord van de heiligen. Zo zullen de levenden weten dat de Hoogste heerst over het koninkrijk van de mensen. Hij geeft het aan wie Hij wil, en Hij stelt de geringste van de mensen erover aan.”
בִּגְזֵרַ֤ת
(bigzerat)
door het besluit van
עִירִין֙
(irin)
de wachters
פִּתְגָמָ֔א
(pitgama)
de uitspraak
וּמֵאמַ֥ר
(umemar)
en het woord van
קַדִּישִׁ֖ין
(qadishin)
de heiligen
שְׁאֵֽלְתָ֑א
(sheeleta)
de eis
עַד
(ad)
tot
דִּבְרַ֡ת
(divrat)
zodat
דִּ֣י
(di)
dat
יִנְדְּע֣וּן
(yindeun)
zij zullen weten
חַ֠יַּיָּא
(chayaya)
de levenden
דִּֽי
(di)
dat
שַׁלִּ֨יט
(shalit)
heerst
עִלָּאָ֜ה
(ilaa)
de Hoogste
בְּמַלְכ֣וּת
(bemalkhut)
over het koninkrijk van
אֲנָשָׁ֗א
(anasha)
de mensen
וּלְמַן
(uleman)
en aan wie
דִּ֤י
(di)
dat
יִצְבֵּא֙
(yitsbe)
Hij wil
יִתְּנִנַּ֔הּ
(yiteninah)
Hij geeft het
וּשְׁפַ֥ל
(ushefal)
en de geringste van
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
de mensen
יְקִ֥ים
(yeqim)
Hij stelt aan
עֲלַֽהּ
(alah)
erover
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִלָּאָה (illa’ah), ‘de Hoogste’: de Aramese naam voor Elohim, vergelijk 4:21, 4:22 en 4:29 (NL 4:24, 4:25 en 4:32) en 7:25.

גְּזֵרַת (gezerat), ‘besluit’: zoals in vers 21, ‘het besluit van de Hoogste’. פִּתְגָמָא (pitgama), ‘uitspraak’: de uitspraak waarover de wachters en de heiligen beslissen.

שְׁפַל אֲנָשִׁים (shefal anashim), ‘de geringste van de mensen’: iemand zonder rang, die Hij toch over het koninkrijk kan aanstellen.

15Dit is de droom die ik, koning Nebukadnezar, gezien heb. En jij, Beltsazar, zeg de uitleg. Want alle wijzen van mijn koninkrijk kunnen mij de uitleg niet bekendmaken. Maar jij kunt het, want de geest van heilige goden is in jou.’
דְּנָה֙
(dena)
dit
חֶלְמָ֣א
(chelma)
de droom
חֲזֵ֔ית
(chazeit)
zag
אֲנָ֖ה
(ana)
ik
מַלְכָּ֣א
(malka)
koning
נְבוּכַדְנֶצַּ֑ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
וְאַ֨נְתְּ
(veant)
en jij
בֵּלְטְשַׁאצַּ֜ר
(beleteshatsar)
Beltsazar
פִּשְׁרֵ֣א
(pishre)
de uitleg
אֱמַ֗ר
(emar)
zeg
כָּל
(kal)
heel
קֳבֵל֙
(qovel)
omdat
דִּ֣י
(di)
dat
כָּל
(kal)
alle
חַכִּימֵ֣י
(chakimei)
wijzen van
מַלְכוּתִ֗י
(malkhuti)
mijn koninkrijk
לָֽא
(la)
niet
יָכְלִ֤ין
(yakhelin)
kunnen
פִּשְׁרָא֙
(pishra)
de uitleg
לְהוֹדָ֣עֻתַ֔נִי
(lehodautani)
om bekend te maken aan mij
וְאַ֣נְתְּ
(veant)
en jij
כָּהֵ֔ל
(kahel)
bent in staat
דִּ֛י
(di)
dat
רֽוּחַ
(ruach)
geest van
אֱלָהִ֥ין
(elahin)
goden
קַדִּישִׁ֖ין
(qadishin)
heilige
בָּֽךְ
(bakh)
in jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Daniël legt de droom uit

16Toen stond Daniël, wiens naam Beltsazar is, een tijdlang verbijsterd, en zijn gedachten verontrustten hem. De koning antwoordde en zei: ‘Beltsazar, laat de droom en de uitleg je niet verontrusten.’ Beltsazar antwoordde en zei: ‘Mijn heer, laat de droom voor wie u haat zijn en de uitleg ervan voor uw vijand.
אֱדַ֨יִן
(edayin)
toen
דָּֽנִיֵּ֜אל
(daniyel)
Daniël
דִּֽי
(di)
wiens
שְׁמֵ֣הּ
(shemeh)
naam
בֵּלְטְשַׁאצַּ֗ר
(beleteshatsar)
Beltsazar
אֶשְׁתּוֹמַם֙
(eshtomam)
stond verbijsterd
כְּשָׁעָ֣ה
(keshaa)
als een uur
חֲדָ֔ה
(chada)
een
וְרַעְיֹנֹ֖הִי
(verayonohi)
en zijn gedachten
יְבַהֲלֻנֵּ֑הּ
(yevahaluneh)
verontrustten hem
עָנֵ֨ה
(ane)
antwoordde
מַלְכָּ֜א
(malka)
de koning
וְאָמַ֗ר
(veamar)
en zei
בֵּלְטְשַׁאצַּר֙
(beleteshatsar)
Beltsazar
חֶלְמָ֤א
(chelma)
de droom
וּפִשְׁרֵא֙
(ufishre)
en de uitleg
אַֽל
(al)
niet
יְבַהֲלָ֔ךְ
(yevahalakh)
laat verontrusten jou
עָנֵ֤ה
(ane)
antwoordde
בֵלְטְשַׁאצַּר֙
(beleteshatsar)
Beltsazar
וְאָמַ֔ר
(veamar)
en zei
מָרִ֕י
(mari)
mijn heer
חֶלְמָ֥א
(chelma)
de droom
לְשָֽׂנְאָ֖ךְ
(lesaneakh)
voor wie jou haat
וּפִשְׁרֵ֥הּ
(ufishreh)
en de uitleg ervan
לְעָרָֽךְ
(learakh)
voor jouw vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲנָה (ana), ‘antwoordde’: het Aramees gebruikt dit woord ook om een toespraak aan te heffen.

Wij vertalen steeds ‘antwoordde en zei’.

In dit vers spreekt de koning over zichzelf in de derde persoon (‘de koning antwoordde’), hoewel de brief verder in de eerste persoon staat.

Daniël zegt ‘u’ tegen de koning; de koning zegt ‘je’ tegen Daniël.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de meervoudsvormen לשנאיך (lesan’ayikh), ‘wie u haten’, en לעריך (le’arayikh), ‘uw vijanden’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft de enkelvoudsvormen לְשָׂנְאָךְ (lesan’akh), ‘wie u haat’, en לְעָרָךְ (le’arakh), ‘uw vijand’.

Wij volgen het qere.

17De boom die u gezien hebt, die groot en sterk werd, wiens hoogte tot de hemel reikte en die zichtbaar was voor heel de aarde,
אִֽילָנָא֙
(ilana)
de boom
דִּ֣י
(di)
die
חֲזַ֔יְתָ
(chazayta)
jij zag
דִּ֥י
(di)
die
רְבָ֖ה
(reva)
groot werd
וּתְקִ֑ף
(uteqif)
en sterk
וְרוּמֵהּ֙
(verumeh)
en zijn hoogte
יִמְטֵ֣א
(yimte)
reikte
לִשְׁמַיָּ֔א
(lishmaya)
tot de hemel
וַחֲזוֹתֵ֖הּ
(vachazoteh)
en zijn zichtbaarheid
לְכָל
(lekhal)
voor heel
אַרְעָֽא
(ara)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18wiens bladeren mooi waren en wiens vrucht overvloedig was, waarin voedsel was voor allen, waaronder de dieren van het veld woonden en in wiens takken de vogels van de hemel nestelden:
וְעָפְיֵ֤הּ
(veafeyeh)
en zijn bladeren
שַׁפִּיר֙
(shapir)
mooi
וְאִנְבֵּ֣הּ
(veinbeh)
en zijn vrucht
שַׂגִּ֔יא
(sagi)
overvloedig
וּמָז֨וֹן
(umazon)
en voedsel
לְכֹ֖לָּא
(lekhola)
voor allen
בֵ֑הּ
(beh)
in hem
תְּחֹת֗וֹהִי
(techotohi)
onder hem
תְּדוּר֙
(tedur)
woonden
חֵיוַ֣ת
(cheivat)
dieren van
בָּרָ֔א
(bara)
het veld
וּבְעַנְפ֕וֹהִי
(uveanfohi)
en in zijn takken
יִשְׁכְּנָ֖ן
(yishkenan)
nestelden
צִפֲּרֵ֥י
(tsiparei)
vogels van
שְׁמַיָּֽא
(shemaya)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19dat bent u, koning. U bent groot en sterk geworden. Uw grootheid is toegenomen en reikt tot de hemel, en uw heerschappij tot het einde van de aarde.
אַנְתְּ
(ant)
jij
ה֣וּא
(hu)
die
מַלְכָּ֔א
(malka)
koning
דִּ֥י
(di)
die
רְבַ֖ית
(revayt)
groot werd
וּתְקֵ֑פְתְּ
(uteqeft)
en sterk werd
וּרְבוּתָ֤ךְ
(urevutakh)
en je grootheid
רְבָת֙
(revat)
is toegenomen
וּמְטָ֣ת
(umetat)
en reikt
לִשְׁמַיָּ֔א
(lishmaya)
tot de hemel
וְשָׁלְטָנָ֖ךְ
(veshaletanakh)
en je heerschappij
לְס֥וֹף
(lesof)
tot het einde van
אַרְעָֽא
(ara)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20En dat de koning een wachter, een heilige, uit de hemel zag afdalen die zei: „Hak de boom om en vernietig hem. Maar laat de stronk van zijn wortels in de aarde achter, in een band van ijzer en koper, in het jonge gras van het veld. Laat hem nat worden van de dauw van de hemel. Laat zijn deel bij de dieren van het veld zijn, totdat zeven tijden over hem heen zijn gegaan”;
וְדִ֣י
(vedi)
en dat
חֲזָ֣ה
(chaza)
zag
מַלְכָּ֡א
(malka)
de koning
עִ֣יר
(ir)
een wachter
וְקַדִּ֣ישׁ
(veqadish)
en een heilige
נָחִ֣ת
(nachit)
daalde af
מִן
(min)
uit
שְׁמַיָּ֡א
(shemaya)
de hemel
וְאָמַר֩
(veamar)
en zei
גֹּ֨דּוּ
(godu)
hak om
אִֽילָנָ֜א
(ilana)
de boom
וְחַבְּל֗וּהִי
(vechabeluhi)
en vernietig hem
בְּרַ֨ם
(beram)
nochtans
עִקַּ֤ר
(iqar)
de stronk van
שָׁרְשׁ֨וֹהִי֙
(shareshohi)
zijn wortels
בְּאַרְעָ֣א
(beara)
in de aarde
שְׁבֻ֔קוּ
(shevuqu)
laat achter
וּבֶאֱסוּר֙
(uveesur)
en in een band
דִּֽי
(di)
van
פַרְזֶ֣ל
(parzel)
ijzer
וּנְחָ֔שׁ
(unechash)
en koper
בְּדִתְאָ֖א
(bedita)
in het jonge gras
דִּ֣י
(di)
van
בָרָ֑א
(bara)
het veld
וּבְטַ֧ל
(uvetal)
en met de dauw
שְׁמַיָּ֣א
(shemaya)
van de hemel
יִצְטַבַּ֗ע
(yitstaba)
laat hem nat worden
וְעִם
(veim)
en met
חֵיוַ֤ת
(cheivat)
de dieren
בָּרָא֙
(bara)
van het veld
חֲלָקֵ֔הּ
(chalaqeh)
zijn deel
עַ֛ד
(ad)
totdat
דִּֽי
(di)
dat
שִׁבְעָ֥ה
(shiva)
zeven
עִדָּנִ֖ין
(idanin)
tijden
יַחְלְפ֥וּן
(yachlefun)
zullen voorbijgaan
עֲלֽוֹהִי
(alohi)
over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze zin loopt door in vers 21: ‘En dat de koning … zag, dit is de uitleg, koning’.

Daniël herhaalt de droom van de verzen 10–14 in korte vorm.

21dit is de uitleg, koning, en dit is het besluit van de Hoogste dat over mijn heer, de koning, is gekomen:
דְּנָ֥ה
(dena)
dit
פִשְׁרָ֖א
(pishra)
de uitleg
מַלְכָּ֑א
(malka)
koning
וּגְזֵרַ֤ת
(ugezerat)
en het besluit van
עִלָּאָה֙
(ilaa)
de Hoogste
הִ֔יא
(hi)
het
דִּ֥י
(di)
dat
מְטָ֖ת
(metat)
is gekomen
עַל
(al)
over
מָרִ֥י
(mari)
mijn heer
מַלְכָּֽא
(malka)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Men zal u uit het midden van de mensen verjagen. Bij de dieren van het veld zal uw woonplaats zijn. Men zal u gras laten eten als runderen en u nat laten worden van de dauw van de hemel. Zeven tijden zullen over u heen gaan, totdat u weet dat de Hoogste heerst over het koninkrijk van de mensen. Hij geeft het aan wie Hij wil.
וְלָ֣ךְ
(velakh)
en jou
טָֽרְדִ֣ין
(taredin)
verjagen zij
מִן
(min)
van
אֲנָשָׁ֡א
(anasha)
de mensen
וְעִם
(veim)
en met
חֵיוַ֣ת
(cheivat)
de dieren van
בָּרָא֩
(bara)
het veld
לֶהֱוֵ֨ה
(leheve)
zal zijn
מְדֹרָ֜ךְ
(medorakh)
je woonplaats
וְעִשְׂבָּ֥א
(veisba)
en gras
כְתוֹרִ֣ין
(ketorin)
als runderen
לָ֣ךְ
(lakh)
aan jou
יְטַֽעֲמ֗וּן
(yetaamun)
laten zij eten
וּמִטַּ֤ל
(umital)
en van de dauw van
שְׁמַיָּא֙
(shemaya)
de hemel
לָ֣ךְ
(lakh)
aan jou
מְצַבְּעִ֔ין
(metsabein)
laten zij nat worden
וְשִׁבְעָ֥ה
(veshiva)
en zeven
עִדָּנִ֖ין
(idanin)
tijden
יַחְלְפ֣וּן
(yachlefun)
zullen voorbijgaan
עֲלָ֑יךְ
(alaykh)
over jou
עַ֣ד
(ad)
totdat
דִּֽי
(di)
dat
תִנְדַּ֗ע
(tinda)
je weet
דִּֽי
(di)
dat
שַׁלִּ֤יט
(shalit)
heerst
עִלָּיָא֙
(ilaya)
de Hoogste
בְּמַלְכ֣וּת
(bemalkhut)
over het koninkrijk van
אֲנָשָׁ֔א
(anasha)
de mensen
וּלְמַן
(uleman)
en aan wie
דִּ֥י
(di)
dat
יִצְבֵּ֖א
(yitsbe)
Hij wil
יִתְּנִנַּֽהּ
(yiteninah)
Hij geeft het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Aramees heeft hier een onbepaald meervoud (‘zij verjagen u’), vergelijk de verzen 29 en 30.

Wij vertalen met ‘men’.

De tekst zegt niet wie het doet.

23En dat men zei de stronk van de wortels van de boom te laten staan: uw koningschap blijft voor u overeind. Dat geldt vanaf het moment dat u weet dat de hemel heerst.
וְדִ֣י
(vedi)
en dat
אֲמַ֗רוּ
(amaru)
zeiden zij
לְמִשְׁבַּ֞ק
(lemishbaq)
om te laten staan
עִקַּ֤ר
(iqar)
de stronk van
שָׁרְשׁ֨וֹהִי֙
(shareshohi)
wortels
דִּ֣י
(di)
van
אִֽילָנָ֔א
(ilana)
de boom
מַלְכוּתָ֖ךְ
(malkhutakh)
je koningschap
לָ֣ךְ
(lakh)
voor jou
קַיָּמָ֑ה
(qayama)
blijft overeind
מִן
(min)
vanaf
דִּ֣י
(di)
dat
תִנְדַּ֔ע
(tinda)
je weet
דִּ֥י
(di)
dat
שַׁלִּטִ֖ן
(shalitin)
heerst
שְׁמַיָּֽא
(shemaya)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁמַיָּא (shemayya), ‘de hemel’: staat hier voor Elohim zelf.

Vergelijk vers 22: ‘de Hoogste heerst’.

De raad van Daniël

24Daarom, koning, laat mijn raad u goed lijken. Maak een einde aan uw zonde door gerechtigheid en aan uw schuld door ontferming met de armen. Misschien wordt uw voorspoed dan verlengd.’
לָהֵ֣ן
(lahen)
daarom
מַלְכָּ֗א
(malka)
koning
מִלְכִּי֙
(milki)
mijn raad
יִשְׁפַּ֣ר
(yishpar)
moge goed zijn
עֲלָ֔ךְ
(alakh)
voor jou
וַחֲטָאָךְ֙
(vachataakh)
en je zonde
בְּצִדְקָ֣ה
(betsidqa)
door gerechtigheid
פְרֻ֔ק
(peruq)
maak los
וַעֲוָיָתָ֖ךְ
(vaavayatakh)
en je schuld
בְּמִחַ֣ן
(bemichan)
door ontferming met
עֲנָ֑יִן
(anayin)
armen
הֵ֛ן
(hen)
indien
תֶּהֱוֵ֥א
(teheve)
het zal zijn
אַרְכָ֖ה
(arkha)
een verlenging
לִשְׁלֵוְתָֽךְ
(lishlevetakh)
van je voorspoed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִלְכִּי (milki), ‘mijn raad’: de raad van een mens, anders dan het ‘besluit’ van de Hoogste in vers 21.

פְּרַק (peraq), ‘maak los, breek af’: de koning moet met zijn zonde breken.

צִדְקָה (tsidqah), ‘gerechtigheid’: in het Aramees kan dit ook ‘weldadigheid’ betekenen. Het volgende deel van het vers, ‘ontferming met de armen’, legt uit hoe die gerechtigheid eruitziet.

הֵן (hen), ‘misschien’: letterlijk ‘indien’. Er wordt niets beloofd.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft het meervoud וחטיך (vachateykh), ‘uw zonden’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft het enkelvoud וַחֲטָאָךְ (vachata’akh), ‘uw zonde’.

Wij volgen het qere.

De droom komt uit

25Dit alles overkwam koning Nebukadnezar.
כֹּ֣לָּא
(kola)
alles
מְּטָ֔א
(meta)
kwam
עַל
(al)
over
נְבוּכַדְנֶצַּ֖ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מַלְכָּֽא
(malka)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de verzen 25–30 spreekt de tekst over de koning in de derde persoon.

In vers 31 spreekt de koning weer zelf, in de eerste persoon.

26Na twaalf maanden wandelde hij op het koninklijk paleis van Babel.
לִקְצָ֥ת
(liqtsat)
aan het einde van
יַרְחִ֖ין
(yarchin)
maanden
תְּרֵֽי
(terei)
twee
עֲשַׂ֑ר
(asar)
tien
עַל
(al)
op
הֵיכַ֧ל
(heikhal)
het paleis van
מַלְכוּתָ֛א
(malkhuta)
het koninkrijk
דִּ֥י
(di)
van
בָבֶ֖ל
(bavel)
Babel
מְהַלֵּ֥ךְ
(mehalekh)
wandelend
הֲוָֽה
(hava)
was hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

עַל הֵיכַל (al heikal), ‘op het paleis’: het voorzetsel kan ‘op’ of ‘bij’ betekenen.

Wij houden ‘op’; het gaat waarschijnlijk om het dak of de terrassen van het paleis.

27De koning antwoordde en zei: ‘Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb als koninklijke woonplaats, door de kracht van mijn macht en tot eer van mijn majesteit?’
עָנֵ֤ה
(ane)
antwoordde
מַלְכָּא֙
(malka)
de koning
וְאָמַ֔ר
(veamar)
en zei
הֲלָ֥א
(hala)
is niet
דָא
(da)
dit
הִ֖יא
(hi)
het
בָּבֶ֣ל
(bavel)
Babel
רַבְּתָ֑א
(rabeta)
het grote
דִּֽי
(di)
dat
אֲנָ֤ה
(ana)
ik
בֱנַיְתַהּ֙
(benaytah)
heb gebouwd
לְבֵ֣ית
(leveit)
tot een huis van
מַלְכ֔וּ
(malkhu)
koningschap
בִּתְקַ֥ף
(bitqaf)
door de kracht van
חִסְנִ֖י
(chisni)
mijn macht
וְלִיקָ֥ר
(veliqar)
en tot de eer van
הַדְרִֽי
(hadri)
mijn majesteit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Een stem uit de hemel

28Het woord was nog in de mond van de koning, toen een stem uit de hemel neerviel: ‘Er wordt tegen u gezegd, koning Nebukadnezar: het koningschap is van u weggegaan.
ע֗וֹד
(od)
nog
מִלְּתָא֙
(mileta)
het woord
בְּפֻ֣ם
(befum)
in de mond van
מַלְכָּ֔א
(malka)
de koning
קָ֖ל
(qal)
een stem
מִן
(min)
uit
שְׁמַיָּ֣א
(shemaya)
de hemel
נְפַ֑ל
(nefal)
viel
לָ֤ךְ
(lakh)
aan jou
אָֽמְרִין֙
(amerin)
zij zeggen
נְבוּכַדְנֶצַּ֣ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מַלְכָּ֔א
(malka)
koning
מַלְכוּתָ֖ה
(malkhuta)
het koningschap
עֲדָ֥ת
(adat)
is weggegaan
מִנָּֽךְ
(minakh)
van jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hebr. 4:28–29 is NL 4:31–32.

קָל מִן שְׁמַיָּא (qal min shemayya), ‘een stem uit de hemel’: wij zetten de woorden zwart. De stem spreekt over ‘de Hoogste’ in de derde persoon (verzen 28–29) en wordt niet als de stem van Yahweh zelf aangeduid.

29Men zal u uit het midden van de mensen verjagen. Bij de dieren van het veld zal uw woonplaats zijn. Men zal u gras laten eten als runderen. Zeven tijden zullen over u heen gaan, totdat u weet dat de Hoogste heerst over het koninkrijk van de mensen. Hij geeft het aan wie Hij wil.’
וּמִן
(umin)
en van
אֲנָשָׁא֩
(anasha)
de mensen
לָ֨ךְ
(lakh)
jou
טָֽרְדִ֜ין
(taredin)
verjagen zij
וְֽעִם
(veim)
en met
חֵיוַ֧ת
(cheivat)
de dieren van
בָּרָ֣א
(bara)
het veld
מְדֹרָ֗ךְ
(medorakh)
je woonplaats
עִשְׂבָּ֤א
(isba)
gras
כְתוֹרִין֙
(ketorin)
als runderen
לָ֣ךְ
(lakh)
aan jou
יְטַעֲמ֔וּן
(yetaamun)
laten zij eten
וְשִׁבְעָ֥ה
(veshiva)
en zeven
עִדָּנִ֖ין
(idanin)
tijden
יַחְלְפ֣וּן
(yachlefun)
zullen voorbijgaan
עֲלָ֑ךְ
(alakh)
over jou
עַ֣ד
(ad)
totdat
דִּֽי
(di)
dat
תִנְדַּ֗ע
(tinda)
je weet
דִּֽי
(di)
dat
שַׁלִּ֤יט
(shalit)
heerst
עִלָּיָא֙
(ilaya)
de Hoogste
בְּמַלְכ֣וּת
(bemalkhut)
over het koninkrijk van
אֲנָשָׁ֔א
(anasha)
de mensen
וּלְמַן
(uleman)
en aan wie
דִּ֥י
(di)
dat
יִצְבֵּ֖א
(yitsbe)
Hij wil
יִתְּנִנַּֽהּ
(yiteninah)
Hij geeft het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30In datzelfde uur werd het woord voltrokken over Nebukadnezar. Hij werd uit het midden van de mensen verjaagd en at gras als runderen. Zijn lichaam werd nat van de dauw van de hemel. Zo ging het, totdat zijn haar zo lang was als dat van arenden en zijn nagels als die van vogels.
בַּהּ
(bah)
in dat
שַׁעֲתָ֗א
(shaata)
uur
מִלְּתָא֮
(mileta)
het woord
סָ֣פַת
(safat)
werd voltrokken
עַל
(al)
over
נְבוּכַדְנֶצַּר֒
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
וּמִן
(umin)
en van
אֲנָשָׁ֣א
(anasha)
de mensen
טְרִ֔יד
(terid)
verjaagd
וְעִשְׂבָּ֤א
(veisba)
en gras
כְתוֹרִין֙
(ketorin)
als runderen
יֵאכֻ֔ל
(yekhul)
at hij
וּמִטַּ֥ל
(umital)
en van de dauw van
שְׁמַיָּ֖א
(shemaya)
de hemel
גִּשְׁמֵ֣הּ
(gishmeh)
zijn lichaam
יִצְטַבַּ֑ע
(yitstaba)
werd nat
עַ֣ד
(ad)
totdat
דִּ֥י
(di)
dat
שַׂעְרֵ֛הּ
(sareh)
zijn haar
כְּנִשְׁרִ֥ין
(kenishrin)
als arenden
רְבָ֖ה
(reva)
groot werd
וְטִפְר֥וֹהִי
(vetifrohi)
en zijn nagels
כְצִפְּרִֽין
(ketsiperin)
als vogels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְפַת (sefat), ‘werd voltrokken’: letterlijk ‘kwam tot een einde’; het woord is helemaal uitgekomen.

נִשְׁרִין (nishrin), ‘arenden’: grote roofvogels.

De koning looft de Hoogste

31Na afloop van die dagen sloeg ik, Nebukadnezar, mijn ogen op naar de hemel, en mijn verstand keerde bij mij terug. Ik zegende de Hoogste. Ik prees en eerde Hem die voor eeuwig leeft. Zijn heerschappij is een heerschappij voor eeuwig en Zijn koninkrijk duurt van generatie op generatie.
וְלִקְצָ֣ת
(veliqtsat)
en aan het einde van
יֽוֹמַיָּה֩
(yomaya)
die dagen
אֲנָ֨ה
(ana)
ik
נְבוּכַדְנֶצַּ֜ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
עַיְנַ֣י
(aynay)
mijn ogen
לִשְׁמַיָּ֣א
(lishmaya)
naar de hemel
נִטְלֵ֗ת
(nitlet)
sloeg ik op
וּמַנְדְּעִי֙
(umandei)
en mijn verstand
עֲלַ֣י
(alay)
bij mij
יְת֔וּב
(yetuv)
keerde terug
וּלְעִלָּאָה֙
(uleilaa)
en de Hoogste
בָּרְכֵ֔ת
(barekhet)
zegende ik
וּלְחַ֥י
(ulechay)
en Hem die leeft
עָלְמָ֖א
(alema)
eeuwig
שַׁבְּחֵ֣ת
(shabechet)
prees ik
וְהַדְּרֵ֑ת
(vehaderet)
en eerde ik
דִּ֤י
(di)
die
שָׁלְטָנֵהּ֙
(shaletaneh)
Zijn heerschappij
שָׁלְטָ֣ן
(shaletan)
heerschappij van
עָלַ֔ם
(alam)
eeuwig
וּמַלְכוּתֵ֖הּ
(umalkhuteh)
en Zijn koninkrijk
עִם
(im)
met
דָּ֥ר
(dar)
generatie
וְדָֽר
(vedar)
en generatie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier begint de koning weer in de eerste persoon te spreken (‘ik, Nebukadnezar’).

מַנְדְּעִי (mandei), ‘mijn verstand’: zijn inzicht en denkvermogen, dat hij kwijt was.

חַי עָלְמָא (chai alma), ‘Hem die voor eeuwig leeft’: zie ook 6:27 (NL 6:26) ‘de levende Elohim’.

32Alle bewoners van de aarde worden als niets geacht. Hij doet naar Zijn wil met het leger van de hemel en met de bewoners van de aarde. Niemand kan Zijn hand tegenhouden of tegen Hem zeggen: ‘Wat hebt U gedaan?’
וְכָל
(vekhal)
en alle
דָּיְרֵ֤י
(dayerei)
bewoners van
אַרְעָא֙
(ara)
de aarde
כְּלָ֣ה
(kela)
als niets
חֲשִׁיבִ֔ין
(chashivin)
worden geacht
וּֽכְמִצְבְּיֵ֗הּ
(ukhemitsbeyeh)
en naar Zijn wil
עָבֵד֙
(aved)
doet Hij
בְּחֵ֣יל
(becheil)
met het leger van
שְׁמַיָּ֔א
(shemaya)
de hemel
וְדָיְרֵ֖י
(vedayerei)
en de bewoners van
אַרְעָ֑א
(ara)
de aarde
וְלָ֤א
(vela)
en niet
אִיתַי֙
(itay)
er is
דִּֽי
(di)
wie
יְמַחֵ֣א
(yemache)
kan slaan
בִידֵ֔הּ
(bideh)
op Zijn hand
וְיֵ֥אמַר
(veyemar)
of zal zeggen
לֵ֖הּ
(leh)
tot Hem
מָ֥ה
(ma)
wat
עֲבַֽדְתְּ
(avadt)
hebt U gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵיל שְׁמַיָּא (chel shemayya), ‘het leger van de hemel’: de hemelse machten.

יִמְחֵא בִידֵהּ (yimcha bideh), ‘kan op Zijn hand slaan’: een uitdrukking voor ‘Hem tegenhouden’.

33Op datzelfde moment keerde mijn verstand bij mij terug. Tot de eer van mijn koningschap keerden mijn majesteit en mijn glans bij mij terug. Mijn raadsheren en mijn edelen zochten mij op. Ik werd hersteld in mijn koninkrijk, en nog meer grootheid werd mij toegevoegd.
בֵּהּ
(beh)
in dat
זִמְנָ֞א
(zimna)
moment
מַנְדְּעִ֣י
(mandei)
mijn verstand
יְת֣וּב
(yetuv)
keerde terug
עֲלַ֗י
(alay)
bij mij
וְלִיקַ֨ר
(veliqar)
en tot de eer van
מַלְכוּתִ֜י
(malkhuti)
mijn koningschap
הַדְרִ֤י
(hadri)
mijn majesteit
וְזִוִי֙
(vezivi)
en mijn glans
יְת֣וּב
(yetuv)
keerden terug
עֲלַ֔י
(alay)
bij mij
וְלִ֕י
(veli)
en bij mij
הַדָּֽבְרַ֥י
(hadaveray)
mijn raadsheren
וְרַבְרְבָנַ֖י
(veravrevanay)
en mijn edelen
יְבַע֑וֹן
(yevaon)
zochten
וְעַל
(veal)
en in
מַלְכוּתִ֣י
(malkhuti)
mijn koninkrijk
הָתְקְנַ֔ת
(hateqenat)
werd ik hersteld
וּרְב֥וּ
(urevu)
en grootheid
יַתִּירָ֖ה
(yatira)
extra
ה֥וּסְפַת
(husefat)
werd toegevoegd
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Nu loof, verhoog en eer ik, Nebukadnezar, de Koning van de hemel. Want al Zijn werken zijn waarheid en Zijn wegen zijn recht. En wie in hoogmoed wandelen, kan Hij vernederen.”
כְּעַ֞ן
(kean)
nu
אֲנָ֣ה
(ana)
ik
נְבוּכַדְנֶצַּ֗ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מְשַׁבַּ֨ח
(meshabach)
loof
וּמְרוֹמֵ֤ם
(umeromem)
en verhoog
וּמְהַדַּר֙
(umehadar)
en eer
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
de Koning van
שְׁמַיָּ֔א
(shemaya)
de hemel
דִּ֤י
(di)
omdat
כָל
(kal)
alle
מַעֲבָד֨וֹהִי֙
(maavadohi)
Zijn werken
קְשֹׁ֔ט
(qeshot)
waarheid
וְאֹרְחָתֵ֖הּ
(veorechateh)
en Zijn wegen
דִּ֑ין
(din)
recht
וְדִי֙
(vedi)
en wie
מַהְלְכִ֣ין
(mahlekhin)
wandelen
בְּגֵוָ֔ה
(begeva)
in hoogmoed
יָכִ֖ל
(yakhil)
kan Hij
לְהַשְׁפָּלָֽה
(lehashpala)
vernederen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֶלֶךְ שְׁמַיָּא (melekh shemayya), ‘Koning van de hemel’: hier een naam van Elohim; ‘hemel’ staat voor Elohim, zoals in vers 23.

קְשֹׁט (qeshot), ‘waarheid’ (zoals emet), en דִּין (din), ‘recht’ (zoals mishpat).

בְּגֵוָה (begavah), ‘in hoogmoed’: het woord is van de wortel ‘zich verheffen’. Wie zich verheft, kan Hij vernederen.