Open in de app Alle boeken Klaagliederen ← 2 4 → Klaagliederen 3 Klaaglied van de man die ellende heeft gezien, en zijn hoop op Yahweh
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De man die ellende heeft gezien 1 Ik ben de man die ellende heeft gezien onder de stok van Zijn woede.
הַגֶּ֨בֶר֙
(hagever)
de man
בְּשֵׁ֖בֶט
(beshevet)
met de stok van
עֶבְרָתֽוֹ
(evrato)
Zijn woede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit hoofdstuk is een drievoudig alfabetgedicht (acrostichon): drie verzen achter elkaar beginnen met dezelfde letter.
Vers 1–3 beginnen met א (alef), 4–6 met ב (bet), 7–9 met ג (gimel), 10–12 met ד (dalet), 13–15 met ה (he), 16–18 met ו (vav), 19–21 met ז (zajin), 22–24 met ח (chet), 25–27 met ט (tet), 28–30 met י (jod), 31–33 met כ (kaf), 34–36 met ל (lamed), 37–39 met מ (mem), 40–42 met נ (noen), 43–45 met ס (samech), 46–48 met פ (pe), 49–51 met ע (ayin), 52–54 met צ (tsade), 55–57 met ק (qof), 58–60 met ר (resj), 61–63 met שׁ (sjin) en 64–66 met ת (tav).
Wij vervormen het Nederlands niet om die opbouw na te bootsen.
גֶּבֶר (gever), ‘man’: een sterke man. De ‘ik’ van dit hoofdstuk noemt zich zo, en spreekt voor allen die lijden.
שֵׁבֶט (shevet), ‘stok’: de stok waarmee men straft, zoals in Spr. 22:15.
עֶבְרָה (evrah), ‘woede’: zoals in 2:2.
2 Mij heeft Hij geleid en laten gaan in duisternis, en niet in licht.
נָהַ֛ג
(nahag)
Hij heeft geleid
וַיֹּלַ֖ךְ
(vayolakh)
en Hij heeft laten gaan
חֹ֥שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 Zeker, tegen mij keert Hij Zijn hand steeds opnieuw, de hele dag.
יָשֻׁ֛ב
(yashuv)
steeds opnieuw
יַהֲפֹ֥ךְ
(yahafokh)
Hij keert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen verslijten. Hij heeft mijn beenderen gebroken.
בִּלָּ֤ה
(bila)
Hij heeft doen verslijten
בְשָׂרִי֙
(besari)
mijn vlees
וְעוֹרִ֔י
(veori)
en mijn huid
שִׁבַּ֖ר
(shibar)
Hij heeft gebroken
עַצְמוֹתָֽי
(atsmotay)
mijn beenderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 Hij heeft tegen mij gebouwd en mij omringd met gif en moeite.
בָּנָ֥ה
(bana)
Hij heeft gebouwd
וַיַּקַּ֖ף
(vayaqaf)
en Hij heeft omringd
וּתְלָאָֽה
(utelaa)
en moeite
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֹאשׁ (rosh), ‘gif’: een giftige, bittere plant of het gif ervan.
Het staat vaak naast לַעֲנָה (la’anah), ‘alsem’, zoals in Deut. 29:17 (NL 29:18) en hier in vers 19.
תְּלָאָה (tela’ah), ‘moeite’: zwoegen en ellende.
6 In duistere plaatsen heeft Hij mij laten wonen, zoals zij die lang geleden gestorven zijn.
בְּמַחֲשַׁכִּ֥ים
(bemachashakim)
in duistere plaatsen
הוֹשִׁיבַ֖נִי
(hoshivani)
Hij heeft mij laten wonen
כְּמֵתֵ֥י
(kemetei)
zoals doden van
עוֹלָֽם
(olam)
lang geleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 6 staat in dezelfde woorden als Ps. 143:3: ‘zoals zij die lang geleden gestorven zijn’ (kemetei olam).
7 Hij heeft een muur om mij heen gebouwd, zodat ik niet naar buiten kan. Hij heeft mijn koperen boeien zwaar gemaakt.
גָּדַ֧ר
(gadar)
Hij heeft omheind
בַּעֲדִ֛י
(baadi)
om mij heen
אֵצֵ֖א
(etse)
ik kan naar buiten gaan
הִכְבִּ֥יד
(hikhbid)
Hij heeft zwaar gemaakt
נְחָשְׁתִּֽי
(nechashti)
mijn koperen boeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: het kan ook ‘brons’ betekenen.
Het woord נְחֹשְׁתִּי (nechoshti) staat hier voor ‘mijn koperen boeien’, ketens van koper.
8 Ook als ik roep en om hulp schreeuw, houdt Hij mijn gebed tegen.
וַאֲשַׁוֵּ֔עַ
(vaashavea)
en ik schreeuw om hulp
שָׂתַ֖ם
(satam)
Hij houdt tegen
תְּפִלָּתִֽי
(tefilati)
mijn gebed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂתַם (satam), ‘Hij houdt tegen’: letterlijk ‘Hij stopt dicht’.
Het gebed komt niet door.
Zie ook vers 44.
9 Hij heeft mijn wegen met gehouwen steen afgesloten. Hij heeft mijn paden krom gemaakt.
גָּדַ֤ר
(gadar)
Hij heeft omheind
דְּרָכַי֙
(derakhay)
mijn wegen
בְּגָזִ֔ית
(begazit)
met gehouwen steen
נְתִיבֹתַ֖י
(netivotay)
mijn paden
עִוָּֽה
(iva)
Hij heeft krom gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Een beer die op de loer ligt, is Hij voor mij, een leeuw in schuilplaatsen.
בְּמִסְתָּרִֽים
(bemistarim)
in schuilplaatsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Hij heeft mijn wegen doen afwijken en mij stukgescheurd. Hij heeft mij verwoest achtergelaten.
דְּרָכַ֥י
(derakhay)
mijn wegen
סוֹרֵ֛ר
(sorer)
Hij heeft laten afwijken
וַֽיְפַשְּׁחֵ֖נִי
(vayfashecheni)
en Hij heeft mij stukgescheurd
שָׂמַ֥נִי
(samani)
Hij heeft mij gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּשְׁחַנִי (pishchani), ‘Hij heeft mij stukgescheurd’: dit werkwoord komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker.
Sommige oude vertalingen lezen anders.
שֹׁמֵם (shomem), ‘verwoest’: iemand die geen tegenstand meer kan bieden en tot niets is gemaakt.
12 Hij heeft Zijn boog gespannen en mij als doelwit voor de pijl neergezet.
דָּרַ֤ךְ
(darakh)
Hij heeft gespannen
קַשְׁתוֹ֙
(qashto)
Zijn boog
וַיַּצִּיבֵ֔נִי
(vayatsiveni)
en Hij heeft mij neergezet
כַּמַּטָּרָ֖א
(kamatara)
als doelwit
לַחֵֽץ
(lachets)
voor de pijl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַטָּרָא (matara), ‘doelwit’: de schijf waarop men schiet, zoals in Job 16:12.
13 Hij heeft de zonen van Zijn pijlkoker in mijn nieren laten doordringen.
הֵבִיא֙
(hevi)
Hij heeft laten doordringen
בְּכִלְיוֹתָ֔י
(bekhilyotay)
in mijn nieren
אַשְׁפָּתֽוֹ
(ashpato)
Zijn pijlkoker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנֵי אַשְׁפָּתוֹ (benei ashpato), ‘de zonen van Zijn pijlkoker’: de pijlen.
Zij doorboren de ‘nieren’, het binnenste, de plaats van gevoel.
14 Ik ben de spot van heel mijn volk geworden, hun spotlied de hele dag.
הָיִ֤יתִי
(hayiti)
ik ben geworden
נְגִינָתָ֖ם
(neginatam)
hun spotlied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַמִּי (ammi), ‘mijn volk’: sommige oude vertalingen lezen anders.
Zie ook vers 63, waar de spot van de vijanden in dezelfde woorden terugkomt.
15 Hij heeft mij met bitterheid verzadigd. Hij heeft mij met alsem dronken gevoerd.
הִשְׂבִּיעַ֥נִי
(hisbiani)
Hij heeft mij verzadigd
בַמְּרוֹרִ֖ים
(bamerorim)
met bitterheden
הִרְוַ֥נִי
(hirvani)
Hij heeft mij dronken gevoerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Hij heeft mijn tanden op grind stukgebroken. Hij heeft mij in de as gedrukt.
וַיַּגְרֵ֤ס
(vayagres)
en Hij heeft stukgebroken
בֶּֽחָצָץ֙
(bechatsats)
op grind
שִׁנָּ֔י
(shinay)
mijn tanden
הִכְפִּישַׁ֖נִי
(hikhpishani)
Hij heeft mij gedrukt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִכְפִּישַׁנִי (hikpishani), ‘Hij heeft mij gedrukt’: dit werkwoord komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker: ‘Hij heeft mij laten wegzakken’ of ‘Hij heeft mij bedekt’.
חָצָץ (chatsats), ‘grind’: kleine steentjes in het brood. Wie erin bijt, breekt zijn tanden.
17 Mijn ziel is ver van de vrede verstoten. Ik ben het goede vergeten.
וַתִּזְנַ֧ח
(vatiznach)
en zij is verstoten
מִשָּׁל֛וֹם
(mishalom)
van vrede
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn ziel
נָשִׁ֥יתִי
(nashiti)
ik ben vergeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het werkwoord וַתִּזְנַח (vatiznach), ‘en zij is verstoten’, staat in de vrouwelijke vorm: ‘mijn ziel’ is het onderwerp.
Het werkwoord זָנַח (zanach), ‘verstoten’, staat ook in 2:7 en in vers 31.
18 Ik zei: „Mijn kracht is verdwenen, en mijn hoop op Yahweh.”
וָאֹמַר֙
(vaomar)
en ik zei
נִצְחִ֔י
(nitschi)
mijn kracht
וְתוֹחַלְתִּ֖י
(vetochalti)
en mijn hoop
מֵיְהוָֽה
(meYahweh)
op Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִצְחִי (nitsechi), ‘mijn kracht’: het woord is verwant aan נֶצַח (netsach), ‘duur, bestendigheid, roem’.
Het kan ook ‘mijn roem’ of ‘mijn uithoudingsvermogen’ betekenen.
De betekenis is niet helemaal zeker.
De wanhoop van vers 17–18 staat tegenover de hoop van vers 21–26.
Denk aan mijn ellende 19 Denk aan mijn ellende en mijn zwerven, aan alsem en gif.
עָנְיִ֥י
(aneyi)
mijn ellende
וּמְרוּדִ֖י
(umerudi)
en mijn zwerven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְרוּדִי (merudi), ‘mijn zwerven’: rusteloos rondtrekken.
Zie 1:7.
20 Mijn ziel denkt er voortdurend aan en is diep in mij gebogen.
זָכ֣וֹר
(zakhor)
eraan denken
תִּזְכּ֔וֹר
(tizkor)
zij zal eraan denken
וְתָשׁ֥וֹחַ
(vetashoach)
en zij is gebogen
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וְתָשׁוֹחַ (vetashoach), ‘en zij is gebogen’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft ותשיח , ‘en zij spreekt’.
Het gaat om dezelfde medeklinkers, in een andere klinkervorm.
Daarom blijf ik hopen 21 Dit neem ik mij ter harte; daarom blijf ik hopen.
אָשִׁ֥יב
(ashiv)
ik zal laten terugkeren
אוֹחִֽיל
(ochil)
ik zal hopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier begint de wending van het hoofdstuk: de man haalt zich de trouw van Yahweh voor de geest.
Het werkwoord יָחַל (yachal), ‘hopen’, staat ook in vers 24 en 26.
22 Door de trouw van Yahweh zijn wij niet ten einde gekomen, want Zijn ontferming houdt niet op.
חַֽסְדֵ֤י
(chasdei)
daden van trouw van
תָ֔מְנוּ
(tamenu)
wij zijn ten einde
כָל֖וּ
(kalu)
zij zijn ten einde
רַחֲמָֽיו
(rachamav)
Zijn ontferming
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַסְדֵי יְהוָה (chasdei Yahweh), ‘de trouw van Yahweh’: het woord חֶסֶד (chesed) betekent ‘verbondstrouw, goedertierenheid’.
Het staat hier in het meervoud, dus in vele daden van trouw.
תַּמְנוּ (tamnu), ‘wij zijn ten einde’: het Hebreeuwse woord heeft ‘wij’ als onderwerp. Sommige oude vertalingen lezen ‘zij zijn niet ten einde’, dus ‘de trouw van Yahweh houdt niet op’. Wij volgen het Hebreeuws zoals het er staat.
רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’: van רֶחֶם (rechem), ‘schoot’, dus ‘ontferming zoals van een moeder’.
23 Elke morgen zijn ze nieuw. Groot is Uw betrouwbaarheid.
חֲדָשִׁים֙
(chadashim)
nieuw
לַבְּקָרִ֔ים
(labeqarim)
elke morgen
אֱמוּנָתֶֽךָ
(emunatekha)
Uw betrouwbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’: dat waarop men kan bouwen.
Wij vertalen emunah in dit boek met ‘betrouwbaarheid’; dat is iets anders dan חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.
24 „Yahweh is mijn deel”, zegt mijn ziel. Daarom hoop ik op Hem.
חֶלְקִ֤י
(chelqi)
mijn deel
נַפְשִׁ֔י
(nafshi)
mijn ziel
אוֹחִ֥יל
(ochil)
ik zal hopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶלְקִי יְהוָה (chelqi Yahweh), ‘Yahweh is mijn deel’: het deel dat een Leviet kreeg in plaats van grond (Num. 18:20).
Zie ook Ps. 16:5 en Ps. 73:26.
Yahweh is goed 25 Yahweh is goed voor wie op Hem hopen, voor de ziel die Hem zoekt.
לְקוָֹ֔ו
(leqov)
voor wie op Hem hopen
לְנֶ֖פֶשׁ
(lenefesh)
voor de ziel
תִּדְרְשֶֽׁנּוּ
(tidreshenu)
die Hem zoekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Het is goed te hopen en stil te zijn, wachtend op de redding van Yahweh.
וְיָחִיל֙
(veyachil)
en hopen
וְדוּמָ֔ם
(vedumam)
en stil zijn
לִתְשׁוּעַ֖ת
(litshuat)
op de redding van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְיָחִיל (veyachil), ‘en te hopen’: de vorm is ongewoon en de betekenis niet helemaal zeker.
Sommige oude vertalingen lezen anders.
תְּשׁוּעָה (teshuah), ‘redding’: de hulp die Yahweh brengt.
27 Het is goed voor een man dat hij het juk draagt in zijn jeugd.
לַגֶּ֔בֶר
(lagever)
voor een man
בִּנְעוּרָֽיו
(binurav)
in zijn jeugd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֹל (ol), ‘juk’: het houten juk van een trekdier.
Hier is het beeld: de tucht van Yahweh dragen, vanaf jonge leeftijd.
28 Hij zit alleen en zwijgt, want Hij heeft het hem opgelegd.
וְיִדֹּ֔ם
(veyidom)
en hij zwijgt
נָטַ֖ל
(natal)
Hij heeft opgelegd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 28–30 zijn in de grondtekst een toelichting bij ‘het juk’ van vers 27.
De werkwoorden kunnen als aansporing (‘laat hij…’) of als beschrijving worden gelezen.
Wij vertalen beschrijvend.
29 Hij legt zijn mond in het stof; misschien is er hoop.
בֶּֽעָפָר֙
(beafar)
in het stof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het mond in het stof leggen is een beeld van diepe nederigheid, vergelijk Ps. 72:9 en Micha 7:17.
30 Hij geeft zijn wang aan wie hem slaat; hij wordt verzadigd met smaad.
לְמַכֵּ֛הוּ
(lemakehu)
aan wie hem slaat
יִשְׂבַּ֥ע
(yisba)
hij wordt verzadigd
בְּחֶרְפָּֽה
(becherpa)
met smaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31 Want de Heer verstoot niet voor eeuwig.
יִזְנַ֛ח
(yiznach)
Hij verstoot
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32 Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich ook, naar de grootte van Zijn trouw.
הוֹגָ֔ה
(hoga)
Hij heeft bedroefd
וְרִחַ֖ם
(vericham)
en Hij ontfermt Zich
כְּרֹ֥ב
(kerov)
naar de grootte van
חֲסָדָֽיו
(chasadav)
Zijn trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹגָה (hogah), ‘Hij heeft bedroefd’: zie 1:4, 1:5 en 1:12.
33 Want niet van harte vernedert Hij en bedroeft Hij de mensen.
עִנָּה֙
(ina)
Hij vernedert
מִלִּבּ֔וֹ
(milibo)
van harte
וַיַּגֶּ֖ה
(vayage)
en Hij bedroeft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עִנָּה (innah), ‘vernederen’: het werkwoord betekent ook ‘verdrukken, plagen’, zoals in Deut. 8:2 en 8:3.
מִלִּבּוֹ (millibbo), ‘van harte’: letterlijk ‘uit Zijn hart’. Hij doet het niet met plezier.
Wat de Heer ziet 34 Alle gevangenen van het land onder iemands voeten verbrijzelen;
לְדַכֵּא֙
(ledake)
om te verbrijzelen
רַגְלָ֔יו
(raglav)
zijn voeten
אֲסִ֥ירֵי
(asirei)
gevangenen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 34–36 bestaan in het Hebreeuws uit drie werkwoorden in de onbepaalde vorm (‘verbrijzelen, buigen, verdraaien’), gevolgd door de zin ‘de Heer heeft het niet gezien’.
Het onderwerp is niet genoemd: het gaat om onrecht, door wie dan ook gepleegd.
35 het recht van een man buigen voor het aangezicht van de Allerhoogste;
לְהַטּוֹת֙
(lehatot)
om te buigen
מִשְׁפַּט
(mishpat)
recht van
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
עֶלְיֽוֹן
(elyon)
de Allerhoogste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36 een mens in zijn rechtszaak verdraaien: heeft de Heer dat niet gezien?
לְעַוֵּ֤ת
(leavet)
om te verdraaien
בְּרִיב֔וֹ
(berivo)
in zijn rechtszaak
רָאָֽה
(raa)
Hij heeft gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws heeft hier geen vraagteken: ‘de Heer heeft het niet gezien’.
Dat kan een stelling zijn (‘de Heer ziet het niet’), een stelling dat Hij het niet goedkeurt, of een retorische vraag.
Wij kiezen de vraag: ‘Heeft de Heer dat niet gezien?’
Dat past bij vers 37–38.
37 Wie is het die iets zegt en het gebeurt, zonder dat de Heer het heeft bevolen?
וַתֶּ֔הִי
(vatehi)
en het gebeurde
צִוָּֽה
(tsiva)
heeft bevolen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38 Komen uit de mond van de Allerhoogste niet het onheil en het goede voort?
מִפִּ֤י
(mipi)
uit de mond van
עֶלְיוֹן֙
(elyon)
de Allerhoogste
הָרָע֖וֹת
(haraot)
het onheil
וְהַטּֽוֹב
(vehatov)
en het goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָרָעוֹת (hara’ot), ‘het onheil’: het woord staat in het meervoud en betekent hier rampen, niet zedelijk kwaad.
Ook hier staat geen vraagteken in het Hebreeuws; wij lezen een retorische vraag.
Vergelijk Jes. 45:7 en Amos 3:6.
39 Waarom klaagt een levend mens, een man, over zijn zonden?
יִּתְאוֹנֵן֙
(yitonen)
klaagt
חֲטָאָֽיו
(chataav)
zijn zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zin kan twee kanten op: ‘Waarom zou een levend mens klagen over zijn straf?’ of ‘Laat ieder klagen over zijn zonden.’
Wij laten de woorden zoals ze staan.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) חֲטָאָיו (chata’av), ‘zijn zonden’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft het enkelvoud חטאו .
Laten wij terugkeren tot Yahweh 40 Laten wij onze wegen onderzoeken en doorgronden, en laten wij terugkeren tot Yahweh.
נַחְפְּשָׂ֤ה
(nachpesa)
laten wij onderzoeken
דְרָכֵ֨ינוּ֙
(derakheinu)
onze wegen
וְֽנַחְקֹ֔רָה
(venachqora)
en laten wij doorgronden
וְנָשׁ֖וּבָה
(venashuva)
en laten wij terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41 Laten wij ons hart en onze handen opheffen tot El in de hemel.
נִשָּׂ֤א
(nisa)
laten wij opheffen
לְבָבֵ֨נוּ֙
(levavenu)
ons hart
כַּפָּ֔יִם
(kapayim)
handen
בַּשָּׁמָֽיִם
(bashamayim)
in de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֵל (El): een naam voor Elohim.
Het opheffen van het hart en de handen is een gebedshouding; zie Ps. 28:2 en Ps. 141:2.
42 Wij hebben overtreden en wij zijn weerspannig geweest. U hebt niet vergeven.
פָשַׁ֨עְנוּ֙
(pashanu)
wij hebben overtreden
וּמָרִ֔ינוּ
(umarinu)
en wij zijn weerspannig geweest
סָלָֽחְתָּ
(salachta)
U hebt vergeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּשַׁע (pasha), ‘overtreden’: het hoort bij פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’; zie 1:5.
מָרָה (marah), ‘weerspannig zijn’: zie 1:18 en 1:20.
43 U hebt U in toorn gehuld en ons achtervolgd. U hebt gedood, zonder medelijden.
סַכֹּ֤תָה
(sakota)
U hebt gehuld
וַֽתִּרְדְּפֵ֔נוּ
(vatirdefenu)
en U hebt ons achtervolgd
הָרַ֖גְתָּ
(haragta)
U hebt gedood
חָמָֽלְתָּ
(chamalta)
U had medelijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סַכֹּתָה (sakkota), ‘U hebt U gehuld’: het werkwoord סָכַךְ (sakhakh) betekent ‘bedekken, afschermen’.
Hetzelfde werkwoord staat in vers 44.
44 U hebt U in een wolk gehuld, zodat geen gebed erdoorheen kan.
סַכּ֤וֹתָה
(sakota)
U hebt gehuld
בֶֽעָנָן֙
(beanan)
in een wolk
מֵעֲב֖וֹר
(meavor)
zodat niet doorgaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Yahweh hult Zich in een wolk, zodat het gebed niet tot Hem doordringt.
Vergelijk vers 8.
45 U maakt ons tot afval en walging te midden van de volken.
וּמָא֛וֹס
(umaos)
en walging
תְּשִׂימֵ֖נוּ
(tesimenu)
U maakt ons
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
הָעַמִּֽים
(haamim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סְחִי (sechi), ‘afval’: het woord komt alleen hier voor en hoort bij het wegvegen van vuil.
46 Al onze vijanden sperren hun mond tegen ons open.
פָּצ֥וּ
(patsu)
zij sperren open
עָלֵ֛ינוּ
(aleinu)
tegen ons
אֹיְבֵֽינוּ
(oyeveinu)
onze vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47 Schrik en valkuil zijn ons deel geworden, verwoesting en breuk.
וָפַ֛חַת
(vafachat)
en valkuil
הַשֵּׁ֥את
(hashet)
verwoesting
וְהַשָּֽׁבֶר
(vehashaver)
en breuk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פַּחַד וָפַחַת (pachad vafachat), ‘schrik en valkuil’: een woordspel; de twee woorden klinken bijna hetzelfde.
Zie ook Jes. 24:17 en Jer. 48:43.
Mijn oog stroomt van tranen 48 Waterbeken stromen uit mijn oog over de breuk van de Dochter van mijn volk.
פַּלְגֵי
(palgei)
beken van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49 Mijn oog stroomt en houdt niet op, zonder onderbreking,
תִדְמֶ֖ה
(tidme)
zij houdt op
הֲפֻגֽוֹת
(hafugot)
onderbreking
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֲפֻגוֹת (hafugot), ‘onderbreking’: dit woord komt alleen hier voor.
Het hoort bij het woord פּוּגָה (pugah) in 2:18.
50 totdat Yahweh uit de hemel neerkijkt en ziet.
יַשְׁקִ֣יף
(yashqif)
Hij neerkijkt
וְיֵ֔רֶא
(veyere)
en Hij ziet
מִשָּׁמָֽיִם
(mishamayim)
uit de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
51 Mijn oog doet pijn aan mijn ziel, vanwege alle dochters van mijn stad.
עֽוֹלְלָ֣ה
(olela)
doet pijn
לְנַפְשִׁ֔י
(lenafshi)
aan mijn ziel
בְּנ֥וֹת
(benot)
dochters van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עוֹלְלָה (olelah), ‘doet pijn’: het werkwoord is hetzelfde als in 1:12 en 1:22, ‘aandoen’.
מִכֹּל (mikkol), ‘vanwege alle’: het voorzetsel kan ook ‘meer dan’ betekenen. De betekenis is onzeker.
Zij hebben op mij gejaagd 52 Mijn vijanden hebben op mij gejaagd als op een vogel, zonder reden.
צָד֛וּנִי
(tsaduni)
zij hebben mij gejaagd
כַּצִּפּ֖וֹר
(katsipor)
als een vogel
אֹיְבַ֥י
(oyevay)
mijn vijanden
חִנָּֽם
(chinam)
zonder reden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53 Zij hebben mijn leven in de kuil tot zwijgen gebracht en een steen op mij geworpen.
צָֽמְת֤וּ
(tsametu)
zij hebben tot zwijgen gebracht
בַבּוֹר֙
(babor)
in de kuil
חַיָּ֔י
(chayay)
mijn leven
וַיַּדּוּ
(vayadu)
en zij hebben geworpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צָמַת (tsamat), ‘tot zwijgen brengen’: het hoort bij het werkwoord ‘vernietigen’.
Het beeld is dat van iemand die levend in een kuil wordt gesmoord, zoals Jeremia in een put werd gezet (Jer. 38:6).
54 Water stroomde over mijn hoofd. Ik zei: „Ik ben afgesneden!”
צָֽפוּ
(tsafu)
zij stroomden
רֹאשִׁ֖י
(roshi)
mijn hoofd
אָמַ֥רְתִּי
(amarti)
ik zei
נִגְזָֽרְתִּי
(nigzarti)
ik ben afgesneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִגְזַרְתִּי (nigzarti), ‘ik ben afgesneden’: van het volk of van het leven, zoals in Jes. 53:8.
Ik riep Uw naam aan 55 Ik riep Uw naam aan, Yahweh, uit de diepste kuil.
קָרָ֤אתִי
(qarati)
ik riep aan
מִבּ֖וֹר
(mibor)
uit de kuil van
תַּחְתִּיּֽוֹת
(tachtiyot)
de diepten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
56 U hebt mijn stem gehoord. Verberg Uw oor niet voor mijn verlichting, voor mijn hulpgeroep.
שָׁמָ֑עְתָּ
(shamata)
U hebt gehoord
אָזְנְךָ֛
(azenekha)
Uw oor
לְרַוְחָתִ֖י
(leravchati)
voor mijn verlichting
לְשַׁוְעָתִֽי
(leshavati)
voor mijn hulpgeroep
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְרַוְחָתִי (leravchati), ‘voor mijn verlichting’: het woord hoort bij רֶוַח (revach), ‘ruimte, opluchting’.
De betekenis is niet helemaal zeker.
57 U kwam dichtbij op de dag dat ik U aanriep. U zei: „Wees niet bang.”
קָרַ֨בְתָּ֙
(qaravta)
U kwam dichtbij
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag dat
אֶקְרָאֶ֔ךָּ
(eqraeka)
ik U aanriep
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַל־תִּירָא (al tira), ‘wees niet bang’: een antwoord van Yahweh dat de dichter zich herinnert.
Woorden van Yahweh binnen een gebed van een mens staan zwart; wij zetten ze dus niet in rood.
58 U hebt, Heer, de zaak van mijn ziel gevoerd. U hebt mijn leven verlost.
רַ֧בְתָּ
(ravta)
U hebt gevoerd
רִיבֵ֥י
(rivei)
de zaak van
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn ziel
גָּאַ֥לְתָּ
(gaalta)
U hebt verlost
חַיָּֽי
(chayay)
mijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רִיב (riv), ‘rechtszaak’: Yahweh voert de zaak van de man als zijn advocaat.
גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: zie Jes. 43:1.
59 U hebt gezien, Yahweh, hoe mijn recht is verdraaid. Doe recht aan mijn zaak.
רָאִ֤יתָה
(raita)
U hebt gezien
עַוָּ֣תָתִ֔י
(avatati)
hoe mijn recht is verdraaid
שָׁפְטָ֖ה
(shafeta)
doe recht
מִשְׁפָּטִֽי
(mishpati)
aan mijn zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַוָּתָתִי (avvatati), ‘hoe mijn recht is verdraaid’: letterlijk ‘mijn verdraaiing’.
Het hoort bij het werkwoord in vers 36, ‘verdraaien’.
60 U hebt al hun wraak gezien, al hun plannen tegen mij.
רָאִ֨יתָה֙
(raita)
U hebt gezien
נִקְמָתָ֔ם
(niqmatam)
hun wraak
מַחְשְׁבֹתָ֖ם
(machshevotam)
hun plannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
61 U hebt hun smaad gehoord, Yahweh, al hun plannen tegen mij.
שָׁמַ֤עְתָּ
(shamata)
U hebt gehoord
חֶרְפָּתָם֙
(cherpatam)
hun smaad
מַחְשְׁבֹתָ֖ם
(machshevotam)
hun plannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
62 De lippen van mijn tegenstanders en hun gemompel zijn tegen mij, de hele dag.
שִׂפְתֵ֤י
(siftei)
lippen van
קָמַי֙
(qamay)
mijn tegenstanders
וְהֶגְיוֹנָ֔ם
(vehegyonam)
en hun gemompel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֶגְיוֹן (hegyon), ‘gemompel’: een zacht, voortdurend praten of overpeinzen.
Een verwant woord, ‘Higgajon’, staat in Ps. 9:17 (NL 9:16).
63 Kijk naar hun zitten en hun opstaan: ik ben hun spotlied.
שִׁבְתָּ֤ם
(shivtam)
hun zitten
וְקִֽימָתָם֙
(veqimatam)
en hun opstaan
מַנְגִּינָתָֽם
(manginatam)
hun spotlied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Geef hun terug wat zij verdienen 64 Geef hun een vergelding terug, Yahweh, naar het werk van hun handen.
תָּשִׁ֨יב
(tashiv)
U zult teruggeven
גְּמ֛וּל
(gemul)
vergelding
כְּמַעֲשֵׂ֥ה
(kemaase)
naar het werk van
יְדֵיהֶֽם
(yedeihem)
hun handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
65 Geef hun een versluierd hart, Uw vloek over hen.
תִּתֵּ֤ן
(titen)
U zult geven
מְגִנַּת
(meginat)
versluiering van
תַּאֲלָֽתְךָ֖
(taalatekha)
Uw vloek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְגִנַּת לֵב (meginnat lev), ‘versluiering van het hart’: dit woord komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker; sommige oude vertalingen lezen anders.
Het kan ‘verharding’ of ‘schild’ betekenen.
De bede is dat hun hart niet meer kan inzien.
66 Achtervolg hen in toorn en vernietig hen onder de hemel van Yahweh.
תִּרְדֹּ֤ף
(tirdof)
U zult achtervolgen
וְתַשְׁמִידֵ֔ם
(vetashmidem)
en U zult hen vernietigen
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
van onder
שְׁמֵ֥י
(shemei)
de hemel van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּחַת שְׁמֵי יְהוָה (tachat shemei Yahweh), ‘onder de hemel van Yahweh’: de aarde, voor zover die onder de hemel ligt.