Elohim Bijbel

Job 39

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Yahweh: de dieren in het wild

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Steenbokken en hinden

1„Weet je wanneer de steenbokken van de rots baren? Let je op de barensnood van de hinden?
הֲיָדַ֗עְתָּ
(hayadata)
weet je
עֵ֭ת
(et)
de tijd
לֶ֣דֶת
(ledet)
van het baren van
יַעֲלֵי
(yaalei)
steenbokken van
סָ֑לַע
(sala)
de rots
חֹלֵ֖ל
(cholel)
het kreunen van
אַיָּל֣וֹת
(ayalot)
hinden
תִּשְׁמֹֽר
(tishmor)
let je op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Na de schepping van aarde, zee, licht, regen en sterren (hoofdstuk 38) gaat Yahweh over naar het dierenrijk: acht dieren (steenbok en hinde, wilde ezel, wilde stier, struisvogel, paard, havik, arend), allemaal wild en niet te temmen.

Zij leven voor Hem, niet voor de mens.

Vergelijk Ps. 104:10–30.

2Kun je de maanden tellen die zij vervullen, en weet je de tijd waarop zij baren?
תִּסְפֹּ֣ר
(tispor)
tel je
יְרָחִ֣ים
(yerachim)
maanden
תְּמַלֶּ֑אנָה
(temalena)
zij vervullen
וְ֝יָדַ֗עְתָּ
(veyadata)
en weet je
עֵ֣ת
(et)
de tijd van
לִדְתָּֽנָה
(lidtana)
haar baren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De dracht van de steenbok en hinde, en de tijd van baren, zijn aan de mens verborgen.

Alleen Elohim kent die tijden.

Vergelijk Ps. 29:9 (‘de stem van Yahweh doet de hinden baren’).

3Zij buigen zich neer, brengen hun jongen voort en werpen hun weeën af.
תִּ֭כְרַעְנָה
(tikhrana)
zij buigen zich neer
יַלְדֵיהֶ֣ן
(yaldeihen)
hun jongen
תְּפַלַּ֑חְנָה
(tefalachna)
zij brengen voort
חֶבְלֵיהֶ֥ם
(chevleihem)
hun weeën
תְּשַׁלַּֽחְנָה
(teshalachna)
zij laten gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Hun jongen worden sterk, groeien op in het veld; zij gaan uit en keren niet naar hen terug.
יַחְלְמ֣וּ
(yachlemu)
worden sterk
בְ֭נֵיהֶם
(beneihem)
hun jongen
יִרְבּ֣וּ
(yirbu)
groeien op
בַבָּ֑ר
(babar)
in het veld
יָ֝צְא֗וּ
(yatseu)
zij gaan uit
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁ֥בוּ
(shavu)
keren terug
לָֽמוֹ
(lamo)
naar hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De wilde ezel

5Wie liet de wilde ezel vrij, en wie maakte de banden van de woudezel los,
מִֽי
(mi)
wie
שִׁלַּ֣ח
(shilach)
zond
פֶּ֣רֶא
(pere)
wilde ezel
חָפְשִׁ֑י
(chafeshi)
vrij
וּמֹסְר֥וֹת
(umoserot)
en de banden van
עָ֝ר֗וֹד
(arod)
de woudezel
מִ֣י
(mi)
wie
פִתֵּֽחַ
(piteach)
maakte los
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De wilde ezel (pere’) en de woudezel (‘arod) zijn dieren van de woestijn (Gen. 16:12; Job 24:5; 11:12).

Zij gaan vrij, tegenover de tamme ezel.

6aan wie Ik de steppe tot huis gaf en het zoutland tot woonplaats?
אֲשֶׁר
(asher)
aan wie
שַׂ֣מְתִּי
(samti)
Ik gaf
עֲרָבָ֣ה
(arava)
de steppe
בֵית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וּֽמִשְׁכְּנוֹתָ֥יו
(umishkenotav)
en zijn woonplaatsen
מְלֵֽחָה
(melecha)
het zoutland
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het zoutland (מְלֵחָה, melechah) is het onvruchtbare zoutgebied, de woestenij bij de Dode Zee.

Vergelijk Ps. 107:34 (‘vruchtbaar land tot zoutland’) en Jer. 17:6.

7Om het gewoel van de stad lacht hij; het geschreeuw van de drijver hoort hij niet.
יִ֭שְׂחַק
(yischaq)
hij lacht
לַהֲמ֣וֹן
(lahamon)
om het gewoel van
קִרְיָ֑ה
(qirya)
de stad
תְּשֻׁא֥וֹת
(teshuot)
het geschreeuw van
נ֝וֹגֵ֗שׂ
(noges)
de drijver
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁמָֽע
(yishma)
hoort hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De bergen speurt hij af voor zijn weide, en hij zoekt achter al wat groen is aan.
יְת֣וּר
(yetur)
hij speurt
הָרִ֣ים
(harim)
bergen
מִרְעֵ֑הוּ
(mirehu)
zijn weide
וְאַחַ֖ר
(veachar)
en achter
כָּל
(kal)
alle
יָר֣וֹק
(yaroq)
groen
יִדְרֽוֹשׁ
(yidrosh)
zoekt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De wilde stier

9Is de wilde stier bereid je te dienen, of overnacht hij bij je kribbe?
הֲיֹ֣אבֶה
(hayove)
is bereid
רֵּ֣ים
(reim)
de wilde stier
עָבְדֶ֑ךָ
(avedekha)
je te dienen
אִם
(im)
of
יָ֝לִ֗ין
(yalin)
overnacht hij
עַל
(al)
bij
אֲבוּסֶֽךָ
(avusekha)
je kribbe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De wilde stier (re’em) is waarschijnlijk de oeros, het uitgestorven wilde rund (Num. 23:22; Deut. 33:17; Ps. 22:22).

De oude vertalers vertaalden het met ‘eenhoorn’ (Septuaginta monokeros), maar de oeros past beter bij de tekst.

10Kun je de wilde stier met zijn touw in de voor binden, of eggen dalen achter je aan?
הֲֽתִקְשָׁר
(hatiqshar)
kun je binden
רֵ֭ים
(reim)
de wilde stier
בְּתֶ֣לֶם
(betelem)
in de voor
עֲבֹת֑וֹ
(avoto)
zijn touw
אִם
(im)
of
יְשַׂדֵּ֖ד
(yesaded)
egt hij
עֲמָקִ֣ים
(amaqim)
dalen
אַחֲרֶֽיךָ
(achareikha)
achter je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Vertrouw je op hem omdat zijn kracht groot is, en laat je je arbeid aan hem over?
הֲֽתִבְטַח
(hativtach)
vertrouw je
בּ֭וֹ
(bo)
op hem
כִּי
(ki)
omdat
רַ֣ב
(rav)
groot is
כֹּח֑וֹ
(kocho)
zijn kracht
וְתַעֲזֹ֖ב
(vetaazov)
en laat je over
אֵלָ֣יו
(elav)
aan hem
יְגִיעֶֽךָ
(yegiekha)
je arbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Geloof je in hem, dat hij je zaad terugbrengt en je dorsvloer binnenhaalt?
הֲתַאֲמִ֣ין
(hataamin)
geloof je
בּ֭וֹ
(bo)
in hem
כִּי
(ki)
dat
יָשִׁ֣יב
(yashiv)
hij terugbrengt
זַרְעֶ֑ךָ
(zarekha)
je zaad
וְֽגָרְנְךָ֥
(vegarenekha)
en je dorsvloer
יֶאֱסֹֽף
(yeesof)
binnenhaalt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De struisvogel

13De vleugel van de struisvogelhen klapwiekt vrolijk, maar is het de vleugel en het verenkleed van de ooievaar?
כְּנַף
(kenaf)
de vleugel van
רְנָנִ֥ים
(renanim)
struisvogels
נֶעֱלָ֑סָה
(neelasa)
klapwiekt vrolijk
אִם
(im)
of
אֶ֝בְרָ֗ה
(evra)
de vleugel
חֲסִידָ֥ה
(chasida)
van de ooievaar
וְנֹצָֽה
(venotsa)
en verenkleed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Vers 13 is moeilijk.

Wij lezen: ‘De vleugel van de struisvogelhen klapwiekt vrolijk; maar is het de vleugel en het verenkleed van de ooievaar (chasidah, ‘de liefdevolle’)?’

De ooievaar staat bekend om zijn zorg voor zijn jongen; de struisvogel niet (Klaagl. 4:3).

14Want zij laat haar eieren op de aarde en verwarmt ze in het stof,
כִּֽי
(ki)
want
תַעֲזֹ֣ב
(taazov)
zij laat
לָאָ֣רֶץ
(laarets)
op de aarde
בֵּצֶ֑יהָ
(betseiha)
haar eieren
וְֽעַל
(veal)
en op
עָפָ֥ר
(afar)
stof
תְּחַמֵּֽם
(techamem)
verwarmt zij ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15en vergeet dat een voet ze kan verbrijzelen of het wild van het veld ze kan vertrappen.
וַ֭תִּשְׁכַּח
(vatishkach)
en vergeet
כִּי
(ki)
dat
רֶ֣גֶל
(regel)
een voet
תְּזוּרֶ֑הָ
(tezureha)
kan verbrijzelen
וְחַיַּ֖ת
(vechayat)
en het wild van
הַשָּׂדֶ֣ה
(hasade)
het veld
תְּדוּשֶֽׁהָ
(tedusheha)
kan vertrappen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Zij behandelt haar jongen hard, alsof ze niet van haar waren; haar arbeid mag tevergeefs zijn, zij kent geen angst.
הִקְשִׁ֣יחַ
(hiqshiach)
zij behandelt hard
בָּנֶ֣יהָ
(baneiha)
haar jongen
לְּלֹא
(lelo)
alsof niet
לָ֑הּ
(lah)
van haar
לְרִ֖יק
(leriq)
tevergeefs
יְגִיעָ֣הּ
(yegiah)
haar arbeid
בְּלִי
(beli)
zonder
פָֽחַד
(pachad)
angst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De struisvogel was in de oudheid bekend om zijn gebrek aan zorg voor de eieren (Klaagl. 4:3).

Yahweh zegt dat Hij haar dit inzicht heeft onthouden: ook dat is Zijn bestel.

17Want Eloah heeft haar de wijsheid doen vergeten en haar geen deel aan inzicht gegeven.
כִּֽי
(ki)
want
הִשָּׁ֣הּ
(hishah)
liet vergeten
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְלֹא
(velo)
en niet
חָ֥לַק
(chalaq)
gaf deel
לָ֝֗הּ
(lah)
haar
בַּבִּינָֽה
(babina)
in inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Maar zodra zij zich in de hoogte verheft, lacht zij om het paard en zijn ruiter.
כָּ֭עֵת
(kaet)
wanneer
בַּמָּר֣וֹם
(bamarom)
in de hoogte
תַּמְרִ֑יא
(tamri)
zij zich verheft
תִּֽשְׂחַ֥ק
(tischaq)
lacht zij
לַ֝סּ֗וּס
(lasus)
om het paard
וּלְרֹֽכְבֽוֹ
(ulerokhevo)
en zijn ruiter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het paard

19Geef je het paard zijn kracht, bekleed je zijn hals met manen?
הֲתִתֵּ֣ן
(hatiten)
geef je
לַסּ֣וּס
(lasus)
aan het paard
גְּבוּרָ֑ה
(gevura)
kracht
הֲתַלְבִּ֖ישׁ
(hatalbish)
bekleed je
צַוָּאר֣וֹ
(tsavaro)
zijn hals
רַעְמָֽה
(rama)
met manen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het strijdros wordt beschreven als een krachtig, onbevreesd dier.

De Hebreeuwse tekst vergelijkt zijn gesnuif met de ‘schrik’ (eimah); vergelijk Jer. 8:16.

20Laat je het springen als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is schrik.
הְֽ֭תַרְעִישֶׁנּוּ
(hetarishenu)
laat je het springen
כָּאַרְבֶּ֑ה
(kaarbe)
als een sprinkhaan
ה֖וֹד
(hod)
de pracht van
נַחְר֣וֹ
(nachro)
zijn gesnuif
אֵימָֽה
(eima)
is schrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Het graaft in het dal en verheugt zich in kracht; het trekt de wapens tegemoet.
יַחְפְּר֣וּ
(yachperu)
het graaft
בָ֭עֵמֶק
(baemeq)
in het dal
וְיָשִׂ֣ישׂ
(veyasis)
en verheugt zich
בְּכֹ֑חַ
(bekhoach)
in kracht
יֵ֝צֵ֗א
(yetse)
het trekt uit
לִקְרַאת
(liqrat)
tegemoet
נָֽשֶׁק
(nasheq)
wapens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Het lacht om vrees en wordt niet ontsteld, en keert niet terug voor het zwaard.
יִשְׂחַ֣ק
(yischaq)
het lacht
לְ֭פַחַד
(lefachad)
om vrees
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יֵחָ֑ת
(yechat)
wordt ontsteld
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָ֝שׁ֗וּב
(yashuv)
keert het terug
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor
חָֽרֶב
(charev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Boven hem rammelt de pijlkoker, de flits van speer en lans.
עָ֭לָיו
(alav)
boven hem
תִּרְנֶ֣ה
(tirne)
rammelt
אַשְׁפָּ֑ה
(ashpa)
de pijlkoker
לַ֖הַב
(lahav)
de flits van
חֲנִ֣ית
(chanit)
speer
וְכִידֽוֹן
(vekhidon)
en lans
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Met gedruis en gestamp slokt het de aarde op, en het gelooft niet dat het de klank van de sjofar is.
בְּרַ֣עַשׁ
(beraash)
met gedruis
וְ֭רֹגֶז
(verogez)
en gestamp
יְגַמֶּא
(yegame)
slokt het op
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַ֝אֲמִ֗ין
(yaamin)
gelooft het
כִּי
(ki)
dat
ק֥וֹל
(qol)
de klank van
שׁוֹפָֽר
(shofar)
sjofar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Bij elke stoot van de sjofar zegt het: ‘Ha!’, en van ver ruikt het de strijd, het donderen van de oversten en het gejuich.
בְּדֵ֤י
(bedei)
bij elke stoot van
שֹׁפָ֨ר
(shofar)
sjofar
יֹ֘אמַ֤ר
(yomar)
zegt het
הֶאָ֗ח
(heach)
ha
וּֽ֭מֵרָחוֹק
(umerachoq)
en van ver
יָרִ֣יחַ
(yariach)
ruikt het
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
strijd
רַ֥עַם
(raam)
het donderen van
שָׂ֝רִים
(sarim)
oversten
וּתְרוּעָֽה
(uterua)
en gejuich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het woord שׁוֹפָר (sjofar) is de ramshoorn waarmee in oorlog en tijdens feesten werd geblazen.

De strijdhengst herkent het signaal en reageert met ‘Ha!’ (hè’ach), een kreet van verlangen.

Vergelijk Jer. 4:19.

De havik en de arend

26Is het door je inzicht dat de havik vliegt en zijn vleugels naar het zuiden spreidt?
הֲֽ֭מִבִּינָ֣תְךָ
(hamibinatekha)
is het door je inzicht
יַֽאֲבֶר
(yaaver)
dat vliegt
נֵ֑ץ
(nets)
de havik
יִפְרֹ֖שׂ
(yifros)
spreidt
כְּנָפָ֣יו
(kenafav)
zijn vleugels
לְתֵימָֽן
(leteiman)
naar het zuiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Is het op je bevel dat de arend omhoogvliegt en zijn nest hoog maakt?
אִם
(im)
is het
עַל
(al)
op
פִּ֭יךָ
(pikha)
je bevel
יַגְבִּ֣יהַּ
(yagbiha)
dat omhoogvliegt
נָ֑שֶׁר
(nasher)
de arend
וְ֝כִ֗י
(vekhi)
en dat
יָרִ֥ים
(yarim)
hij hoog maakt
קִנּֽוֹ
(qino)
zijn nest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Op de rots woont hij en overnacht hij, op de tand van de rots en de burcht.
סֶ֣לַע
(sela)
de rots
יִ֭שְׁכֹּן
(yishkon)
woont hij
וְיִתְלֹנָ֑ן
(veyitlonan)
en overnacht
עַֽל
(al)
op
שֶׁן
(shen)
de tand van
סֶ֝֗לַע
(sela)
de rots
וּמְצוּדָֽה
(umetsuda)
en de burcht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ook1 Sam 14:4
29Vandaar speurt hij naar voedsel; zijn ogen kijken van verre.
מִשָּׁ֥ם
(misham)
vandaar
חָֽפַר
(chafar)
speurt hij
אֹ֑כֶל
(okhel)
voedsel
לְ֝מֵרָח֗וֹק
(lemerachoq)
van verre
עֵינָ֥יו
(einav)
zijn ogen
יַבִּֽיטוּ
(yabitu)
kijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJob 9:26
30En zijn jongen slurpen bloed, en waar gedoden zijn, daar is hij.”
וְאֶפְרֹחָ֥יו
(veefrochav)
en zijn jongen
יְעַלְעוּ
(yealu)
slurpen
דָ֑ם
(dam)
bloed
וּבַאֲשֶׁ֥ר
(uvaasher)
en waar
חֲ֝לָלִ֗ים
(chalalim)
gedoden
שָׁ֣ם
(sham)
daar
הֽוּא
(hu)
is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Waar gedoden zijn, daar is hij’: dit beeld wordt in Matt. 24:28 en Luc. 17:37 gebruikt (‘waar het lijk is, daar verzamelen zich de gieren’).