Elohim Bijbel

Markus 8

12345678910111213141516

De 4000 mensen, het teken, de blinde bij Betsaïda en Petrus’ belijdenis

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua geeft 4000 mensen te eten

1In die dagen was er weer een grote menigte, en zij hadden niets te eten. Hij riep Zijn leerlingen bij Zich en zei tegen hen:
Ἐν
(En)
in
ἐκείναις
(ekeinais)
die
ταῖς
(tais)
de
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
πάλιν
(palin)
opnieuw
πολλοῦ
(pollou)
veel
ὄχλου
(ochlou)
menigte
ὄντος
(ontos)
zijnde
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ἐχόντων
(echonton)
hebbend
τί
(ti)
wat
φάγωσιν
(phagosin)
zij eten
προσκαλεσάμενος
(proskalesamenos)
bij zich roepend
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 15:32–39.

Vergelijk de eerste broodvermenigvuldiging in 6:35–44.

2„Ik heb medelijden met de menigte, want zij blijven al 3 dagen bij Mij en hebben niets te eten.
Σπλαγχνίζομαι
(Splanchnizomai)
Ik heb medelijden
ἐπὶ
(epi)
met
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
ὅτι
(hoti)
want
ἤδη
(ede)
al
ἡμέραι
(hemerai)
dagen
τρεῖς
(treis)
3
προσμένουσίν
(prosmenousin)
blijven
μοι
(moi)
bij Mij
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
τί
(ti)
wat
φάγωσιν
(phagosin)
zij eten
Bron: SBLGNT
3Als Ik hen hongerig naar huis stuur, zullen zij onderweg bezwijken. Enkelen van hen zijn van ver gekomen.”
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ἀπολύσω
(apolyso)
Ik wegstuur
αὐτοὺς
(autous)
hen
νήστεις
(nesteis)
hongerig
εἰς
(eis)
naar
οἶκον
(oikon)
huis
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐκλυθήσονται
(eklythesontai)
zullen bezwijken
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
καί
(kai)
en
τινες
(tines)
enkelen
αὐτῶν
(auton)
van hen
ἀπὸ
(apo)
van
μακρόθεν
(makrothen)
ver
ἥκασιν
(hekasin)
zijn gekomen
Bron: SBLGNT
4Zijn leerlingen antwoordden Hem: „Waar kan iemand hier in een verlaten streek hen met broden verzadigen?”
καὶ
(kai)
en
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
αὐτῷ
(auto)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ὅτι
(hoti)
dat
Πόθεν
(Pothen)
vanwaar
τούτους
(toutous)
hen
δυνήσεταί
(dynesetai)
zal kunnen
τις
(tis)
iemand
ὧδε
(hode)
hier
χορτάσαι
(chortasai)
verzadigen
ἄρτων
(arton)
met broden
ἐπ’
(ep’)
in
ἐρημίας
(eremias)
verlatenheid
Bron: SBLGNT
5Hij vroeg hun: „Hoeveel broden hebben jullie?” Zij zeiden: „Zeven.”
καὶ
(kai)
en
ἠρώτα
(erota)
vroeg
αὐτούς
(autous)
hen
Πόσους
(Posous)
hoeveel
ἔχετε
(echete)
hebben jullie
ἄρτους
(artous)
broden
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Ἑπτά
(Hepta)
zeven
Bron: SBLGNT
6Hij gebood de menigte op de grond te gaan zitten. Hij nam de 7 broden, dankte, brak ze en gaf ze aan Zijn leerlingen om ze voor te zetten. En zij zetten ze de menigte voor.
καὶ
(kai)
en
παραγγέλλει
(parangellei)
gebiedt
τῷ
(to)
aan de
ὄχλῳ
(ochlo)
menigte
ἀναπεσεῖν
(anapesein)
te gaan zitten
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
grond
καὶ
(kai)
en
λαβὼν
(labon)
nemend
τοὺς
(tous)
de
ἑπτὰ
(hepta)
7
ἄρτους
(artous)
broden
εὐχαριστήσας
(eucharistesas)
dankend
ἔκλασεν
(eklasen)
brak
καὶ
(kai)
en
ἐδίδου
(edidou)
gaf
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἵνα
(hina)
opdat
παρατιθῶσιν
(paratithosin)
zij voorzetten
καὶ
(kai)
en
παρέθηκαν
(parethekan)
zetten voor
τῷ
(to)
aan de
ὄχλῳ
(ochlo)
menigte
Bron: SBLGNT
7Zij hadden ook een paar visjes. Hij sprak er de zegen over uit en zei dat ook die voorgezet moesten worden.
καὶ
(kai)
en
εἶχον
(eichon)
hadden
ἰχθύδια
(ichthydia)
visjes
ὀλίγα
(oliga)
een paar
καὶ
(kai)
en
εὐλογήσας
(eulogesas)
zegenend
αὐτὰ
(auta)
ze
εἶπεν
(eipen)
zei
καὶ
(kai)
ook
ταῦτα
(tauta)
deze
παρατιθέναι
(paratithenai)
voor te zetten
Bron: SBLGNT
8Zij aten en werden verzadigd. Zij namen op wat er overbleef van de stukken: 7 grote manden.
καὶ
(kai)
en
ἔφαγον
(ephagon)
aten
καὶ
(kai)
en
ἐχορτάσθησαν
(echortasthesan)
werden verzadigd
καὶ
(kai)
en
ἦραν
(eran)
namen op
περισσεύματα
(perisseumata)
overschotten
κλασμάτων
(klasmaton)
van stukken
ἑπτὰ
(hepta)
7
σπυρίδας
(spyridas)
grote manden
Bron: SBLGNT
Uitleg

σπυρίς (spyris), ‘grote mand’: zie 6:43 en 8:19–20.

9Het waren er ongeveer 4000. Toen stuurde Hij hen weg.
ἦσαν
(esan)
waren
δὲ
(de)
maar
ὡς
(hos)
ongeveer
τετρακισχίλιοι
(tetrakischilioi)
4000
καὶ
(kai)
en
ἀπέλυσεν
(apelysen)
stuurde weg
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
10Meteen stapte Hij met Zijn leerlingen in de boot en kwam in de streek van Dalmanutha.
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἐμβὰς
(embas)
ingestapt
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
πλοῖον
(ploion)
boot
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἦλθεν
(elthen)
kwam
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
de
μέρη
(mere)
streken
Δαλμανουθά
(Dalmanoutha)
Dalmanutha
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Dalmanutha (ligging onzeker): De plaats Dalmanutha is onbekend.

Vermoedelijk lag zij aan de westkant van het meer van Galilea, in de buurt van Magdala (vergelijk Matteüs 15:39).

Uitleg

Δαλμανουθά (Dalmanutha) komt alleen hier voor.

De ligging is niet bekend.

Matteüs heeft op deze plaats ‘Magadan’ (Matt. 15:39).

Zie ookMat 15:39

De Farizeeën vragen een teken

11De Farizeeën kwamen naar buiten en begonnen met Hem te redetwisten. Zij vroegen Hem om een teken uit de hemel, om Hem op de proef te stellen.
Καὶ
(Kai)
en
ἐξῆλθον
(exelthon)
gingen uit
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
συζητεῖν
(syzetein)
te redetwisten
αὐτῷ
(auto)
met Hem
ζητοῦντες
(zetountes)
zoekend
παρ’
(par’)
van
αὐτοῦ
(autou)
Hem
σημεῖον
(semeion)
teken
ἀπὸ
(apo)
uit
τοῦ
(tou)
de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
πειράζοντες
(peirazontes)
op de proef stellend
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: zie Matt. 4:1.

Zie ook Matt. 16:1–4; Luc. 11:16, 29.

12Hij zuchtte diep in Zijn geest en zei: „Waarom zoekt deze generatie een teken? Voorwaar, Ik zeg jullie: aan deze generatie zal zeker geen teken gegeven worden.”
καὶ
(kai)
en
ἀναστενάξας
(anastenaxas)
diep zuchtend
τῷ
(to)
in de
πνεύματι
(pneumati)
geest
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
λέγει
(legei)
zegt
Τί
(Ti)
waarom
ἡ
(he)
de
γενεὰ
(genea)
generatie
αὕτη
(haute)
deze
ζητεῖ
(zetei)
zoekt
σημεῖον
(semeion)
teken
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
εἰ
(ei)
als
δοθήσεται
(dothesetai)
zal gegeven worden
τῇ
(te)
aan de
γενεᾷ
(genea)
generatie
ταύτῃ
(taute)
deze
σημεῖον
(semeion)
teken
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: van het Hebreeuwse אָמֵן, ‘vast, waar’.

Yeshua gebruikt het om een uitspraak te bevestigen.

εἰ δοθήσεται (ei dothesetai) is letterlijk ‘als er een teken gegeven zal worden’. Het is een eedformule waarbij het tweede deel niet wordt uitgesproken; de betekenis is: ‘zeker niet’.

γενεά (genea), ‘generatie’: zie 13:30.

13Hij liet hen achter, stapte weer in en vertrok naar de overkant.
καὶ
(kai)
en
ἀφεὶς
(apheis)
achterlatend
αὐτοὺς
(autous)
hen
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἐμβὰς
(embas)
ingestapt
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
πέραν
(peran)
overkant
Bron: SBLGNT

Het zuurdesem van de Farizeeën en van Herodes

14Zij waren vergeten brood mee te nemen. Behalve één brood hadden zij niets bij zich in de boot.
Καὶ
(Kai)
en
ἐπελάθοντο
(epelathonto)
vergaten
λαβεῖν
(labein)
te nemen
ἄρτους
(artous)
broden
καὶ
(kai)
en
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
ἕνα
(hena)
één
ἄρτον
(arton)
brood
οὐκ
(ouk)
niet
εἶχον
(eichon)
hadden
μεθ’
(meth’)
bij
ἑαυτῶν
(heauton)
zichzelf
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
πλοίῳ
(ploio)
boot
Bron: SBLGNT
15Hij gaf hun de strenge opdracht: „Let op, pas op voor het zuurdesem van de Farizeeën en het zuurdesem van Herodes.”
καὶ
(kai)
en
διεστέλλετο
(diestelleto)
gaf strenge opdracht
αὐτοῖς
(autois)
hun
λέγων
(legon)
zeggend
Ὁρᾶτε
(Horate)
let op
βλέπετε
(blepete)
pas op
ἀπὸ
(apo)
voor
τῆς
(tes)
het
ζύμης
(zymes)
zuurdesem
τῶν
(ton)
van de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
τῆς
(tes)
het
ζύμης
(zymes)
zuurdesem
Ἡρῴδου
(Herodou)
van Herodes
Bron: SBLGNT
Uitleg

ζύμη (zyme), ‘zuurdesem’: oud deeg dat zuur geworden is en een heel deeg doet rijzen.

Het beeld staat voor een invloed die zich verspreidt.

Zie ook Matt. 16:5–12; Luc. 12:1.

16Zij overlegden onder elkaar dat zij geen brood hadden.
καὶ
(kai)
en
διελογίζοντο
(dielogizonto)
overlegden
πρὸς
(pros)
onder
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
ὅτι
(hoti)
dat
ἄρτους
(artous)
broden
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχουσιν
(echousin)
zij hebben
Bron: SBLGNT
17Hij merkte het en zei tegen hen: „Waarom overleggen jullie dat jullie geen brood hebben? Begrijpen jullie het nog niet, en zien jullie het nog niet in? Hebben jullie een verhard hart?
καὶ
(kai)
en
γνοὺς
(gnous)
merkend
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Τί
(Ti)
waarom
διαλογίζεσθε
(dialogizesthe)
overleggen jullie
ὅτι
(hoti)
dat
ἄρτους
(artous)
broden
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχετε
(echete)
hebben jullie
οὔπω
(oupo)
nog niet
νοεῖτε
(noeite)
begrijpen jullie
οὐδὲ
(oude)
ook niet
συνίετε
(syniete)
zien jullie in
πεπωρωμένην
(peporomenen)
verhard
ἔχετε
(echete)
hebben jullie
τὴν
(ten)
het
καρδίαν
(kardian)
hart
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

νοέω (noeo), ‘begrijpen’, en συνίημι (syniemi), ‘inzien’, staan hier naast elkaar. πεπωρωμένην καρδίαν (peporomenen kardian), ‘een verhard hart’: zie 6:52.

18Hebben jullie ogen en zien jullie niet? Hebben jullie oren en horen jullie niet? En herinneren jullie je niet,
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
ἔχοντες
(echontes)
hebbend
οὐ
(ou)
niet
βλέπετε
(blepete)
zien jullie
καὶ
(kai)
en
ὦτα
(ota)
oren
ἔχοντες
(echontes)
hebbend
οὐκ
(ouk)
niet
ἀκούετε
(akouete)
horen jullie
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μνημονεύετε
(mnemoneuete)
herinneren jullie je
Bron: SBLGNT
Uitleg

De woorden lijken op Jer. 5:21 (‘zij hebben ogen, maar zien niet; zij hebben oren, maar horen niet’) en Ezech. 12:2.

Daar is het een vaststelling; hier staat het in de vorm van een vraag.

19toen Ik de 5 broden brak voor de 5000, hoeveel manden vol stukken jullie hebben opgenomen?” Zij zeiden tegen Hem: „Twaalf.”
ὅτε
(hote)
toen
τοὺς
(tous)
de
πέντε
(pente)
5
ἄρτους
(artous)
broden
ἔκλασα
(eklasa)
brak Ik
εἰς
(eis)
voor
τοὺς
(tous)
de
πεντακισχιλίους
(pentakischilious)
5000
πόσους
(posous)
hoeveel
κοφίνους
(kophinous)
manden
κλασμάτων
(klasmaton)
van stukken
πλήρεις
(plereis)
vol
ἤρατε
(erate)
namen jullie op
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
Hem
Δώδεκα
(Dodeka)
twaalf
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόφινος (kophinos), ‘mand’, en σπυρίς (spyris), ‘grote mand’: Yeshua houdt de twee woorden uit elkaar.

Bij de 5000 zijn het ‘manden’ (6:43), bij de 4000 ‘grote manden’ (8:8).

20„En toen de 7 voor de 4000: hoeveel grote manden vol stukken hebben jullie opgenomen?” Zij zeiden tegen Hem: „Zeven.”
ὅτε
(hote)
toen
καὶ
(kai)
ook
τοὺς
(tous)
de
ἑπτὰ
(hepta)
7
εἰς
(eis)
voor
τοὺς
(tous)
de
τετρακισχιλίους
(tetrakischilious)
4000
πόσων
(poson)
hoeveel
σπυρίδων
(spyridon)
grote manden
πληρώματα
(pleromata)
vullingen
κλασμάτων
(klasmaton)
van stukken
ἤρατε
(erate)
namen jullie op
καὶ
(kai)
en
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ἑπτά
(Hepta)
zeven
Bron: SBLGNT
21Hij zei tegen hen: „Zien jullie het nog steeds niet in?”
καὶ
(kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Οὔπω
(Oupo)
nog niet
συνίετε
(syniete)
zien jullie in
Bron: SBLGNT

De blinde man bij Betsaïda

22Zij kwamen in Betsaïda. Men bracht een blinde bij Hem en smeekte Hem hem aan te raken.
Καὶ
(Kai)
en
ἔρχονται
(erchontai)
komen
εἰς
(eis)
naar
Βηθσαϊδάν
(Bethsaidan)
Betsaïda
καὶ
(kai)
en
φέρουσιν
(pherousin)
brengen
αὐτῷ
(auto)
Hem
τυφλὸν
(typhlon)
blinde
καὶ
(kai)
en
παρακαλοῦσιν
(parakalousin)
smeken
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἵνα
(hina)
opdat
αὐτοῦ
(autou)
hem
ἅψηται
(hapsetai)
Hij aanraakt
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan.

Ook el-Araj is voorgesteld.

Uitleg

Betsaïda: zie 6:45.

23Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij spuugde in zijn ogen, legde hem de handen op en vroeg hem: „Zie je iets?”
καὶ
(kai)
en
ἐπιλαβόμενος
(epilabomenos)
vastgrijpend
τῆς
(tes)
de
χειρὸς
(cheiros)
hand
τοῦ
(tou)
van de
τυφλοῦ
(typhlou)
blinde
ἐξήνεγκεν
(exenenken)
bracht uit
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔξω
(exo)
buiten
τῆς
(tes)
het
κώμης
(komes)
dorp
καὶ
(kai)
en
πτύσας
(ptysas)
gespuugd hebbend
εἰς
(eis)
in
τὰ
(ta)
de
ὄμματα
(ommata)
ogen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐπιθεὶς
(epitheis)
oplegd hebbend
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
αὐτῷ
(auto)
hem
ἐπηρώτα
(eperota)
vroeg
αὐτόν
(auton)
hem
Εἴ
(Ei)
als
τι
(ti)
iets
βλέπεις
(blepeis)
zie je
Bron: SBLGNT
24De man keek op en zei: „Ik zie mensen, want ik zie hen als bomen lopen.”
καὶ
(kai)
en
ἀναβλέψας
(anablepsas)
opkijkend
ἔλεγεν
(elegen)
zei
Βλέπω
(Blepo)
ik zie
τοὺς
(tous)
de
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
ὅτι
(hoti)
want
ὡς
(hos)
als
δένδρα
(dendra)
bomen
ὁρῶ
(horo)
ik zie
περιπατοῦντας
(peripatountas)
lopend
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft geen onderwerp bij ‘keek op’ en bij ‘keek scherp’ (8:25).

Wij schrijven ‘de man’, de blinde, om verwarring met Yeshua te voorkomen.

25Daarna legde Hij opnieuw Zijn handen op zijn ogen. De man keek scherp, hij was hersteld en hij zag alles duidelijk.
εἶτα
(eita)
daarna
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἐπέθηκεν
(epetheken)
legde
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐπὶ
(epi)
op
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
διέβλεψεν
(dieblepsen)
keek scherp
καὶ
(kai)
en
ἀπεκατέστη
(apekateste)
was hersteld
καὶ
(kai)
en
ἐνέβλεπεν
(eneblepen)
zag
τηλαυγῶς
(telaugos)
helder
ἅπαντα
(hapanta)
alles
Bron: SBLGNT
Uitleg

τηλαυγῶς (telaugos), ‘helder’: letterlijk ‘van ver stralend’, dus ook op afstand scherp.

26Hij zond hem naar zijn huis en zei: „Ga het dorp zelfs niet in.”
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
αὐτὸν
(auton)
hem
εἰς
(eis)
naar
οἶκον
(oikon)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
λέγων
(legon)
zeggend
Μηδὲ
(Mede)
zelfs niet
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
κώμην
(komen)
dorp
εἰσέλθῃς
(eiselthes)
ga binnen
Bron: SBLGNT

Petrus: U bent de Messias

27Yeshua en Zijn leerlingen gingen naar de dorpen van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg Hij Zijn leerlingen: „Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”
Καὶ
(Kai)
en
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἰς
(eis)
naar
τὰς
(tas)
de
κώμας
(komas)
dorpen
Καισαρείας
(Kaisareias)
van Caesarea
τῆς
(tes)
van
Φιλίππου
(Philippou)
Filippus
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
ἐπηρώτα
(eperota)
vroeg
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
λέγων
(legon)
zeggend
αὐτοῖς
(autois)
hun
Τίνα
(Tina)
wie
με
(me)
Mij
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
οἱ
(hoi)
de
ἄνθρωποι
(anthropoi)
mensen
εἶναι
(einai)
te zijn
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Caesarea Filippi: Caesarea Filippi (Banyas) lag aan de voet van de Hermon, bij een bron van de Jordaan, op de Golanhoogte.

Uitleg

Καισάρεια ἡ Φιλίππου (Kaisareia he Philippou), ‘Caesarea Filippi’, is letterlijk ‘Caesarea van Filippus’: een stad aan de voet van de berg Hermon.

Markus noemt de dorpen in de omgeving.

Zie ook Matt. 16:13–20; Luc. 9:18–21.

28Zij zeiden tegen Hem: „Johannes de Doper; anderen zeggen Elia, en weer anderen een van de profeten.”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
τὸν
(ton)
de
βαπτιστήν
(baptisten)
Doper
καὶ
(kai)
en
ἄλλοι
(alloi)
anderen
Ἠλίαν
(Elian)
Elia
ἄλλοι
(alloi)
anderen
δὲ
(de)
maar
ὅτι
(hoti)
dat
εἷς
(heis)
een
τῶν
(ton)
van de
προφητῶν
(propheton)
profeten
Bron: SBLGNT
29Hij vroeg hun: „En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Petrus antwoordde Hem: „U bent de Messias.”
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
ἐπηρώτα
(eperota)
vroeg
αὐτούς
(autous)
hen
Ὑμεῖς
(Hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
τίνα
(tina)
wie
με
(me)
Mij
λέγετε
(legete)
zeggen jullie
εἶναι
(einai)
te zijn
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
Hem
Σὺ
(Sy)
U
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
χριστός
(christos)
Messias
Bron: SBLGNT
Uitleg

χριστός (christos), ‘gezalfde’, is het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘Messias’.

30Hij bestrafte hen, zodat zij aan niemand over Hem zouden spreken.
καὶ
(kai)
en
ἐπετίμησεν
(epetimesen)
bestrafte
αὐτοῖς
(autois)
hen
ἵνα
(hina)
opdat
μηδενὶ
(medeni)
aan niemand
λέγωσιν
(legosin)
zij zeggen
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπιτιμάω (epitimao), ‘bestraffen’: streng terechtwijzen; wij vertalen het overal zo (zie 1:25; ook 8:32–33).

Hier is het doel dat zij zwijgen.

Yeshua kondigt Zijn lijden aan

31Hij begon hen te onderwijzen dat de Mensenzoon veel moest lijden. Hij moest door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen en gedood worden, en na 3 dagen opstaan.
Καὶ
(Kai)
en
ἤρξατο
(erxato)
begon
διδάσκειν
(didaskein)
te onderwijzen
αὐτοὺς
(autous)
hen
ὅτι
(hoti)
dat
δεῖ
(dei)
het moet
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
πολλὰ
(polla)
veel
παθεῖν
(pathein)
lijden
καὶ
(kai)
en
ἀποδοκιμασθῆναι
(apodokimasthenai)
verworpen worden
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
oudsten
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
de
ἀρχιερέων
(archiereon)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
ἀποκτανθῆναι
(apoktanthenai)
gedood worden
καὶ
(kai)
en
μετὰ
(meta)
na
τρεῖς
(treis)
3
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ἀναστῆναι
(anastenai)
opstaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’, is letterlijk ‘zoon van de mens’.

De titel verwijst naar Dan. 7:13 (‘iemand als een mensenzoon’; Aramees bar enash).

Het Grieks heeft ‘na 3 dagen’; Matteüs heeft ‘op de derde dag’ (Matt. 16:21).

Zie ook Matt. 16:21–28; Luc. 9:22–27.

32Hij sprak dit woord openlijk. Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen.
καὶ
(kai)
en
παρρησίᾳ
(parresia)
openlijk
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
ἐλάλει
(elalei)
sprak
καὶ
(kai)
en
προσλαβόμενος
(proslabomenos)
aan zich getrokken hebbend
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἤρξατο
(erxato)
begon
ἐπιτιμᾶν
(epitiman)
te bestraffen
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
33Hij draaide zich om, keek naar Zijn leerlingen en bestrafte Petrus. Hij zei: „Ga weg, achter Mij, Satan! Want je denkt niet aan wat van Elohim is, maar aan wat van mensen is.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἐπιστραφεὶς
(epistrapheis)
omgedraaid
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziende
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐπετίμησεν
(epetimesen)
bestrafte
Πέτρῳ
(Petro)
Petrus
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
Ὕπαγε
(Hypage)
ga weg
ὀπίσω
(opiso)
achter
μου
(mou)
Mij
Σατανᾶ
(Satana)
Satan
ὅτι
(hoti)
want
οὐ
(ou)
niet
φρονεῖς
(phroneis)
denk je
τὰ
(ta)
wat
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὰ
(ta)
wat
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’, is hier de naam waarmee Yeshua Petrus aanspreekt; zie Matt. 4:10.

Het Hebreeuwse שָׂטָן (satan) betekent ‘tegenstander’.

Zie ookMat 4:10

Wie Yeshua wil volgen

34Hij riep de menigte met Zijn leerlingen bij Zich. Hij zei tegen hen: „Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.
Καὶ
(Kai)
en
προσκαλεσάμενος
(proskalesamenos)
bij zich roepend
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
σὺν
(syn)
met
τοῖς
(tois)
de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Εἴ
(Ei)
als
τις
(tis)
iemand
θέλει
(thelei)
wil
ὀπίσω
(opiso)
achter
μου
(mou)
Mij
ἐλθεῖν
(elthein)
te komen
ἀπαρνησάσθω
(aparnesastho)
hij verloochene
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
καὶ
(kai)
en
ἀράτω
(arato)
hij neme op
τὸν
(ton)
het
σταυρὸν
(stauron)
kruis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἀκολουθείτω
(akoloutheito)
hij volge
μοι
(moi)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

σταυρός (stauros), ‘kruis’: het paal- of kruisvormige werktuig waaraan de Romeinen veroordeelden terechtstelden.

35Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. En wie zijn leven verliest omwille van Mij en de goede boodschap, zal het redden.
ὃς
(hos)
wie
γὰρ
(gar)
want
ἐὰν
(ean)
ooit
θέλῃ
(thele)
wil
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
σῶσαι
(sosai)
redden
ἀπολέσει
(apolesei)
zal verliezen
αὐτήν
(auten)
het
ὃς
(hos)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ooit
ἀπολέσει
(apolesei)
zal verliezen
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἕνεκεν
(heneken)
omwille van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
καὶ
(kai)
en
τοῦ
(tou)
van de
εὐαγγελίου
(euangeliou)
goede boodschap
σώσει
(sosei)
zal redden
αὐτήν
(auten)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘leven’ of ‘ziel’: de levende mens zelf.

Wij vertalen het als ‘leven’.

Het Hebreeuwse woord is נֶפֶשׁ (nefesh).

36Want wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen en zijn leven kwijt te raken?
τί
(ti)
wat
γὰρ
(gar)
want
ὠφελεῖ
(ophelei)
baat
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
κερδῆσαι
(kerdesai)
te winnen
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
ὅλον
(holon)
hele
καὶ
(kai)
en
ζημιωθῆναι
(zemiothenai)
kwijt te raken
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
37Want wat kan een mens geven in ruil voor zijn leven?
τί
(ti)
wat
γὰρ
(gar)
want
δοῖ
(doi)
kan geven
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἀντάλλαγμα
(antallagma)
ruil
τῆς
(tes)
van het
ψυχῆς
(psyches)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
38Want wie zich voor Mij en voor Mijn woorden schaamt in deze overspelige en zondige generatie, voor hem zal ook de Mensenzoon zich schamen. Dat zal zijn wanneer Hij komt in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.”
ὃς
(hos)
wie
γὰρ
(gar)
want
ἐὰν
(ean)
ooit
ἐπαισχυνθῇ
(epaischynthe)
zich schaamt
με
(me)
voor Mij
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
voor de
ἐμοὺς
(emous)
Mijn
λόγους
(logous)
woorden
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
γενεᾷ
(genea)
generatie
ταύτῃ
(taute)
deze
τῇ
(te)
de
μοιχαλίδι
(moichalidi)
overspelige
καὶ
(kai)
en
ἁμαρτωλῷ
(hamartolo)
zondige
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἐπαισχυνθήσεται
(epaischynthesetai)
zal zich schamen
αὐτὸν
(auton)
voor hem
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἔλθῃ
(elthe)
Hij komt
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
δόξῃ
(doxe)
heerlijkheid
τοῦ
(tou)
van de
πατρὸς
(patros)
Vader
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
ἀγγέλων
(angelon)
engelen
τῶν
(ton)
de
ἁγίων
(hagion)
heilige
Bron: SBLGNT
Uitleg

μοιχαλίς (moichalis), ‘overspelig’: ontrouw aan Elohim, zoals de profeten het volk beschrijven (bijv.

Hos. 2:4).

Zie ookHos 2:4