Hebreeën 4
De rust van Elohim, het levende woord en de grote hogepriester
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De belofte van de rust blijft
φοβέομαι (fobeomai), ‘vrezen’: ontzag en bezorgdheid; met μήποτε (mepote), ‘opdat niet ooit’, noemt het de vrees dat iemand tekortkomt. καταλείπομαι (kataleipomai), ‘overblijven’: de belofte staat nog open.
‘Zijn rust’: de rust van Elohim, uit Ps. 95:11 (3:11). ὑστερέω (hystereo), ‘tekortkomen, achterblijven’: het doel niet bereiken.
εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’: de goede boodschap van de belofte van de rust is zowel aan de woestijngeneratie als aan ons gebracht.
‘Het woord van het horen’ (ὁ λόγος τῆς ἀκοῆς): het woord dat gehoord werd. συγκεράννυμι (sygkerannymi), ‘vermengen, verenigen’.
Het Grieks noemt niet wie ‘hen die het gehoord hadden’ zijn.
De SBLGNT markeert bij ‘verenigd zijnde’ (συγκεκερασμένους) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Aanhaling van Ps. 95:11 (zie 3:11).
Het Grieks heeft bij ‘in rust’ (εἰς κατάπαυσιν) geen lidwoord; het gaat om de rust waarover de aanhaling spreekt. εἴρηκεν (eireken), ‘Hij heeft gezegd’: een voltooide tijd; wat gezegd is, blijft gelden.
De Griekse woorden εἰ εἰσελεύσονται zijn een eedformule: ‘zij zullen zeker niet ingaan’. καταβολή (katabole), ‘grondlegging’: ‘sinds de grondlegging van de wereld’.
De werken waren dus al gedaan; vers 4 noemt de rust van de zevende dag.
Zie ook Ps. 95:11.
De SBLGNT markeert bij ‘in’ (εἰς) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks zegt niet waar: ‘ergens’ (που, pou).
Het citaat is Gen. 2:2.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Op de zevende dag rustte Hij van al het werk dat Hij gedaan had’; Hebreeën heeft ‘Elohim rustte … van al Zijn werken’.
Zie ook Exod. 20:11 en 31:17.
‘Over de zevende’ is: over de zevende dag.
De woorden staan zwart: Elohim wordt in de derde persoon genoemd.
Zie ook Gen. 2:2; Exod. 20:11.
ἐν τούτῳ (en touto), ‘op deze plaats, hierin’: in deze tekst, namelijk Ps. 95:11.
De woorden zijn die van Yahweh uit Ps. 95:11; zie 3:11.
Zie ook Ps. 95:11.
ἀπολείπεται (apoleipetai), ‘het blijft over’: zoals in vers 9. πρότερον (proteron), ‘eerder’. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap hoorden’: letterlijk ‘de goede boodschap gebracht kregen’. ἀπείθεια (apeitheia), ‘ongehoorzaamheid’: zoals in vers 11 en 3:18.
De zin loopt door in vers 7.
ὁρίζω (horizo), ‘bepalen’: Elohim bepaalt een dag, ‘Vandaag’.
‘In David’ (ἐν Δαυίδ, en Dauid): in het woord van David; Hebreeën noemt David als spreker van de psalm.
Ons Hebreeuws heeft bij Ps. 95 geen opschrift.
De woorden zijn die van 3:7–8; hier staan ze zwart, omdat zij als woorden van David worden aangehaald.
Zie ook Ps. 95:7–8.
De SBLGNT markeert bij ‘zoals eerder gezegd is’ (προείρηται) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Ἰησοῦς (Iesous) is hier Jozua, de opvolger van Mozes: dezelfde naam als Yeshua; zo ook in Hand. 7:45. καταπαύω (katapauo), ‘tot rust brengen’: Jozua gaf het volk rust in het land.
Het argument is dat Ps. 95, ver na Jozua, nog over een andere dag spreekt.
Zie ook Joz. 21:44; Joz. 22:4; Hand. 7:45.
Een sabbatsrust voor het volk van Elohim
σαββατισμός (sabbatismos), ‘sabbatsrust’: een woord dat in het Nieuwe Testament alleen hier voorkomt; het hangt samen met het werkwoord ‘sabbat houden’ en met het Hebreeuwse שַׁבָּת (shabbat), ‘rust’.
De rust van de zevende dag (vers 4) en de rust van Ps. 95 komen hier samen. λαός (laos), ‘volk’.
Zie ook Gen. 2:2–3; Exod. 20:8–11.
‘Zijn rust’ (τὴν κατάπαυσιν αὐτοῦ): de rust van Elohim.
‘Zijn werken’ (τῶν ἔργων αὐτοῦ): de werken van de mens; ‘de Zijne’ (τῶν ἰδίων) zijn de eigen werken van Elohim.
Het Grieks heeft ‘zoals van de eigen, Elohim’.
σπουδάζω (spoudazo), ‘zich beijveren, zijn best doen’. ὑπόδειγμα (hypodeigma), ‘voorbeeld’: hier het voorbeeld van de ongehoorzaamheid van de woestijngeneratie (3:16–19); elders in de brief (8:5, 9:23) heeft hetzelfde woord de betekenis ‘afbeelding’.
Zie ook Hebr. 3:18–19.
Het woord van Elohim
λόγος τοῦ θεοῦ (logos tou theou), ‘het woord van Elohim’: het gesproken woord dat in de aanhalingen van de vorige verzen klinkt.
In vers 13 gaat ‘het woord’ over in ‘Hem’; het Grieks laat die overgang open. ἐνεργής (energes), ‘werkzaam’; τομώτερος (tomoteros), ‘scherper’; δίστομος (distomos), ‘tweesnijdend’, letterlijk ‘met twee monden’. μερισμός (merismos), ‘scheiding’. ψυχή (psyche), ‘ziel’; πνεῦμα (pneuma), ‘geest’. ἁρμός (harmos), ‘gewricht’; μυελός (myelos), ‘merg’. κριτικός (kritikos), ‘in staat te oordelen’. ἐνθύμησις (enthymesis), ‘overweging’; ἔννοια (ennoia), ‘gedachte’.
Zie ook Jes. 49:2; Ef. 6:17.
De SBLGNT markeert bij ‘en’ (καί) voor ‘geest’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
κτίσις (ktisis), ‘schepsel’. ἀφανής (afanes), ‘onzichtbaar, verborgen’. τραχηλίζω (trachelizo), ‘blootleggen’: het komt van τράχηλος, ‘nek’; een zeldzaam woord. αὐτοῦ (autou), ‘Hem, Zijn’: Elohim; het Grieks laat het verband met ‘het woord’ van vers 12 open. πρὸς ὃν ἡμῖν ὁ λόγος (pros hon hemin ho logos), letterlijk ‘tot wie voor ons het woord’: λόγος is ‘woord’ en ook ‘rekenschap’; het kan dus ‘aan wie wij rekenschap moeten geven’ of ‘met wie wij te maken hebben’ betekenen.
Een grote hogepriester
ἀρχιερεύς (archiereus), ‘hogepriester’: zie 2:17. διέρχομαι (dierchomai), ‘heengaan door’: Hij is door de hemelen heen naar de plaats van Elohim gegaan, zoals de hogepriester door de voorhang het heiligdom inging (Lev. 16:2–3). ὁμολογία (homologia), ‘belijdenis’: zie 3:1.
Zie ook Lev. 16:2–3.
συμπαθέω (sympatheo), ‘meevoelen’; ἀσθένεια (astheneia), ‘zwakheid’. πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: zie 2:18. καθ᾽ ὁμοιότητα (kath homoioteta), ‘op gelijke wijze’: letterlijk ‘naar gelijkheid’. χωρὶς ἁμαρτίας (choris hamartias), ‘zonder zonde’.
Zie ook Hebr. 2:17–18.
De SBLGNT markeert bij ‘op de proef gesteld’ (πεπειρασμένον) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
προσέρχομαι (proserchomai), ‘naderen’: het werkwoord voor wie Elohim nadert.
‘De troon van de genade’: de plaats waar Elohim als koning genade geeft. ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’; εὔκαιρος (eukairos), ‘juist op tijd, op het goede moment’; βοήθεια (boetheia), ‘hulp’.
Zie ook 7:19, 10:22.
Zie ook Hebr. 7:19.