Open in de app Alle boeken Job ← 2 4 → Job 3 Job vervloekt de dag van zijn geboorte
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Job vervloekt de dag van zijn geboorte 1 Daarna deed Job zijn mond open en vervloekte de dag waarop hij geboren was.
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
וַיְקַלֵּ֖ל
(vayqalel)
en vervloekte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Job vervloekt niet Elohim, maar de dag van zijn geboorte.
Daarmee houdt hij zich aan wat hij in 1:21–22 en 2:10 volhield.
Met hoofdstuk 3 begint het dichterlijke deel van het boek, dat doorloopt tot 42:6.
2 Job nam het woord en zei:
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 „Ga verloren, de dag waarop ik geboren ben, en de nacht die zei: ‘Er is een jongen verwekt!’
יֹ֣אבַד
(yovad)
ga verloren
אִוָּ֣לֶד
(ivaled)
ik werd geboren
וְהַלַּ֥יְלָה
(vehalayla)
en de nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 Die dag moge duisternis zijn. Moge Eloah daarboven niet naar hem vragen en geen licht erover schijnen.
חֹ֥שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
יִדְרְשֵׁ֣הוּ
(yidreshehu)
vrage naar hem
מִמָּ֑עַל
(mimaal)
van boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלוֹהַּ (Eloah) is een enkelvoudige vorm naast het gewone אֱלֹהִים (Elohim).
In Job komt hij vaak voor.
5 Mogen duisternis en diepe schaduw hem opeisen. Moge een wolk op hem blijven rusten en mogen de verduisteringen van de dag hem schrik aanjagen.
יִגְאָלֻ֡הוּ
(yigaluhu)
laten opeisen hem
חֹ֣שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וְ֭צַלְמָוֶת
(vetsalmavet)
en diepe schaduw
תִּשְׁכָּן
(tishkan)
laat wonen
יְ֝בַעֲתֻ֗הוּ
(yevaatuhu)
laten schrikken hem
כִּֽמְרִ֥ירֵי
(kimrirei)
verduisteringen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’, wordt door de Masoretische klinkers gelezen als ‘schaduw van de dood’ (tsal-mavet).
Veel uitleggers lezen het als tsalmut, ‘diepe duisternis’.
Beide lezingen passen bij het beeld.
6 Die nacht: moge dikke duisternis hem grijpen. Moge hij zich niet voegen bij de dagen van het jaar en niet komen in het getal van de maanden.
הַלַּ֥יְלָה
(halayla)
die nacht
יִקָּחֵ֪ה֫וּ
(yiqachehu)
grijpe hem
אֹ֥פֶל
(ofel)
dikke duisternis
יִ֭חַדְּ
(yichad)
voege zich
בִּימֵ֣י
(bimei)
bij de dagen van
בְּמִסְפַּ֥ר
(bemispar)
in het getal van
יְ֝רָחִ֗ים
(yerachim)
maanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
יִחַד (yichad) kan komen van חָדָה (chadah), ‘zich verheugen’ (‘moge hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar’), of van יָחַד (yachad), ‘zich verenigen’.
Wij kiezen de tweede: de nacht hoort niet meer bij de kalender.
7 Zie, die nacht moge onvruchtbaar zijn en geen gejuich moge erin klinken.
הַלַּ֣יְלָה
(halayla)
die nacht
גַלְמ֑וּד
(galmud)
onvruchtbaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Mogen zij die de dag vervloeken hem vervloeken, zij die bekwaam zijn om Leviatan wakker te maken.
יִקְּבֻ֥הוּ
(yiqevuhu)
laten vervloeken hem
אֹרְרֵי
(orerei)
vervloekers van
הָ֝עֲתִידִ֗ים
(haatidim)
de bekwamen
עֹרֵ֥ר
(orer)
om op te wekken
לִוְיָתָֽן
(livyatan)
Leviatan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לִוְיָתָן (livyatan), Leviatan, is een zeemonster dat de chaos voorstelt (Job 41; Ps. 74:14; Jes. 27:1).
Wie dag en nacht kan vervloeken, zou ook dit wezen kunnen wakker maken.
9 Mogen de sterren van zijn schemering donker worden. Moge hij op licht hopen en niets krijgen, en de oogleden van de dageraad niet zien.
יֶחְשְׁכוּ֮
(yechshekhu)
laten verduisteren
כּוֹכְבֵ֪י
(kokhevei)
sterren van
נִ֫שְׁפּ֥וֹ
(nishpo)
zijn schemering
בְּעַפְעַפֵּי
(beafapei)
de oogleden van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Want hij sloot de deuren van de schoot die mij droeg niet, en hij verborg de last niet voor mijn ogen.
דַּלְתֵ֣י
(daltei)
deuren van
וַיַּסְתֵּ֥ר
(vayaster)
en verborg
מֵעֵינָֽי
(meeinay)
voor mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Waarom ben ik niet gestorven? 11 Waarom ben ik niet gestorven vanuit de moederschoot? Waarom ben ik niet omgekomen bij de geboorte?
מֵרֶ֣חֶם
(merechem)
uit de moederschoot
מִבֶּ֖טֶן
(mibeten)
uit de buik
יָצָ֣אתִי
(yatsati)
kwam ik uit
וְאֶגְוָֽע
(veegva)
en gaf de geest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Waarom kwamen er knieën om mij op te vangen? En waarom borsten, zodat ik kon zuigen?
קִדְּמ֣וּנִי
(qidemuni)
kwamen mij tegemoet
בִרְכָּ֑יִם
(birkayim)
knieën
שָּׁ֝דַ֗יִם
(shadayim)
borsten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘knieën’ zijn die van de vader of van de vroedvrouw, die de pasgeborene op de knieën nam (Gen. 50:23).
13 Want nu zou ik liggen en rustig zijn. Ik zou slapen en dan rust hebben,
שָׁכַ֣בְתִּי
(shakhavti)
zou ik liggen
וְאֶשְׁק֑וֹט
(veeshqot)
en rustig zijn
יָ֝שַׁ֗נְתִּי
(yashanti)
zou ik slapen
יָנ֬וּחַֽ
(yanuach)
zou rust zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 samen met koningen en raadsheren van de aarde, die ruïnes voor zichzelf hebben herbouwd,
מְ֭לָכִים
(melakhim)
koningen
וְיֹ֣עֲצֵי
(veyoatsei)
en raadsheren van
הַבֹּנִ֖ים
(habonim)
die bouwden
חֳרָב֣וֹת
(choravot)
ruïnes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָרְבוֹת (chorvot) betekent ‘ruïnes’.
Sommigen vertalen ‘grafmonumenten’ of ‘woestenijen’ die de koningen voor zichzelf lieten aanleggen.
15 of met vorsten die goud hadden, die hun huizen met zilver vulden.
הַֽמְמַלְאִ֖ים
(hammalim)
die vulden
בָּתֵּיהֶ֣ם
(bateihem)
hun huizen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Of ik was er nooit geweest, als een verborgen misgeboorte, als kinderen die nooit licht hebben gezien.
כְנֵ֣פֶל
(kenefel)
als een misgeboorte
אֶהְיֶ֑ה
(ehye)
zou ik zijn
כְּ֝עֹלְלִ֗ים
(keolelim)
als kinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 Daar houden de goddelozen op met razen, en daar rusten de uitgeputten.
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
חָ֣דְלוּ
(chadelu)
houden op
יָ֝נ֗וּחוּ
(yanuchu)
rusten
יְגִ֣יעֵי
(yegiei)
de uitgeputten van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18 Samen leven de gevangenen daar zorgeloos. Ze horen de stem van de drijver niet.
אֲסִירִ֣ים
(asirim)
gevangenen
שַׁאֲנָ֑נוּ
(shaananu)
zijn zorgeloos
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 Klein en groot zijn daar gelijk, en de slaaf is vrij van zijn heer.
וְ֭גָדוֹל
(vegadol)
en groot
וְ֝עֶ֗בֶד
(veeved)
en slaaf
מֵאֲדֹנָֽיו
(meadonav)
van zijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Waarom licht voor wie lijdt? 20 Waarom wordt licht gegeven aan wie lijdt, en leven aan wie bitter van ziel is,
יִתֵּ֣ן
(yiten)
wordt gegeven
לְעָמֵ֣ל
(leamel)
aan de ellendige
וְ֝חַיִּ֗ים
(vechayim)
en leven
לְמָ֣רֵי
(lemarei)
aan bitteren van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Er staat geen onderwerp: ‘Waarom wordt gegeven …?’
Vers 23 laat zien dat Eloah bedoeld is.
21 aan wie op de dood wachten, maar hij komt niet, die ernaar graven meer dan naar verborgen schatten,
הַֽמְחַכִּ֣ים
(hamchakim)
de wachtenden
לַמָּ֣וֶת
(lamavet)
op de dood
וְאֵינֶ֑נּוּ
(veeinenu)
maar niet is hij
וַֽ֝יַּחְפְּרֻ֗הוּ
(vayachperuhu)
en graven ernaar
מִמַּטְמוֹנִֽים
(mimatmonim)
meer dan naar verborgen schatten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22 die jubelen van blijdschap, en vrolijk zijn als ze een graf vinden,
הַשְּׂמֵחִ֥ים
(hasemechim)
de jubelenden
יָ֝שִׂ֗ישׂוּ
(yasisu)
zijn blij
יִמְצְאוּ
(yimtseu)
zij vinden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 aan een man wiens weg verborgen is, en die Eloah van alle kanten heeft ingesloten?
לְ֭גֶבֶר
(legever)
voor de man
דַּרְכּ֣וֹ
(darko)
zijn weg
נִסְתָּ֑רָה
(nistara)
verborgen is
וַיָּ֖סֶךְ
(vayasekh)
en heeft omheind
בַּעֲדֽוֹ
(baado)
om hem heen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het beeld van de omheining uit 1:10: wat de satan als bescherming noemde, voelt Job nu als gevangenschap.
24 Want mijn zucht komt in plaats van mijn brood, en mijn gebrul stroomt als water.
לַ֭חְמִי
(lachmi)
mijn brood
אַנְחָתִ֣י
(anchati)
mijn zucht
וַֽיִּתְּכ֥וּ
(vayitekhu)
en stromen
כַ֝מַּ֗יִם
(kamayim)
als water
שַׁאֲגֹתָֽי
(shaagotay)
mijn gebrul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25 Want wat ik vreesde, is mij overkomen, en waar ik bang voor was, is over mij gekomen.
פָּ֭חַדְתִּי
(pachadti)
vreesde ik
וַיֶּאֱתָיֵ֑נִי
(vayeetayeni)
en het kwam mij
יָ֝גֹ֗רְתִּי
(yagorti)
waar ik bang voor was
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Ik heb geen rust, geen stilte en geen verademing, en toch komt de onrust.”
שָׁלַ֨וְתִּי
(shalavti)
heb ik rust
שָׁקַ֥טְתִּי
(shaqatti)
ben ik stil
נָ֗חְתִּי
(nachti)
heb ik verademing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)