Elohim Bijbel

Exodus 1

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

Israël in Egypte onderdrukt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zonen van Israël in Egypte

1Dit zijn de namen van de zonen van Israël die met Jakob naar Egypte kwamen, ieder met zijn huis:
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit zijn
שְׁמוֹת֙
(shemot)
de namen van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַבָּאִ֖ים
(habaim)
die kwamen
מִצְרָ֑יְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
אֵ֣ת
(et)
met
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
וּבֵית֖וֹ
(uveito)
met zijn huis
בָּֽאוּ
(bau)
kwamen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שְׁמוֹת (shemot), ‘namen’, is het eerste woord van het boek in het Hebreeuws; zo heet het boek in de Joodse traditie.

De Nederlandse naam Exodus (‘uittocht’) komt uit de Griekse vertaling.

Het boek begint met ‘en’ (וְאֵלֶּה): het sluit aan op Genesis 46:8–27 en 50:26.

Aanvullend

Jubileeën 46:1–16 beschrijft dezelfde tijd.

2Ruben, Simeon, Levi en Juda,
רְאוּבֵ֣ן
(reuven)
Ruben
שִׁמְע֔וֹן
(shimon)
Simeon
לֵוִ֖י
(levi)
Levi
וִיהוּדָֽה
(vihuda)
en Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 35:22
3Issachar, Zebulon en Benjamin,
יִשָּׂשכָ֥ר
(yisashkhar)
Issachar
זְבוּלֻ֖ן
(zevulun)
Zebulon
וּבְנְיָמִֽן
(uveneyamin)
en Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Dan en Naftali, Gad en Aser.
דָּ֥ן
(dan)
Dan
וְנַפְתָּלִ֖י
(venaftali)
en Naftali
גָּ֥ד
(gad)
Gad
וְאָשֵֽׁר
(veasher)
en Aser
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Alle afstammelingen van Jakob waren zeventig personen; Jozef was al in Egypte.
וַֽיְהִ֗י
(vayhi)
en waren
כָּל
(kal)
alle
נֶ֛פֶשׁ
(nefesh)
personen
יֹצְאֵ֥י
(yotseei)
afstammelingen van
יֶֽרֶךְ
(yerekh)
de lendenen van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
נָ֑פֶשׁ
(nafesh)
personen
וְיוֹסֵ֖ף
(veyosef)
en Jozef
הָיָ֥ה
(haya)
was
בְמִצְרָֽיִם
(bemitsrayim)
in Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Lezing

Wij vertalen met de Masoretische tekst ‘zeventig’, zoals Gen. 46:27 en Deut. 10:22.

De Griekse vertaling en een Qumran-handschrift lezen hier vijfenzeventig, zoals Hand. 7:14.

Het verschil is waarschijnlijk ontstaan doordat de Griekse overlevering ook de kleinzonen van Jozef meetelt.

6Jozef stierf, en al zijn broers en heel die generatie.
וַיָּ֤מָת
(vayamat)
en stierf
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
וְכָל
(vekhal)
en al
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en heel
הַדּ֥וֹר
(hador)
de generatie
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7De zonen van Israël waren vruchtbaar, wemelden en werden talrijk en zeer machtig, en het land werd vol van hen.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
פָּר֧וּ
(paru)
waren vruchtbaar
וַֽיִּשְׁרְצ֛וּ
(vayishretsu)
en wemelden
וַיִּרְבּ֥וּ
(vayirbu)
en werden talrijk
וַיַּֽעַצְמ֖וּ
(vayaatsmu)
en werden machtig
בִּמְאֹ֣ד
(bimod)
zeer
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַתִּמָּלֵ֥א
(vatimale)
en werd vol
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֹתָֽם
(otam)
van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vijf werkwoorden (‘vruchtbaar’, ‘wemelen’, ‘talrijk’, ‘machtig’, ‘vol’) herhalen de zegen uit Gen. 1:28 en 9:1.

Het woord שָׁרַץ (sharats), ‘wemelen’, wordt in Gen. 1:20 voor de dieren gebruikt.

Een nieuwe koning

8Toen stond er een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet kende.
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en stond op
מֶֽלֶךְ
(melekh)
een koning
חָדָ֖שׁ
(chadash)
nieuwe
עַל
(al)
over
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָדַ֖ע
(yada)
kende
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Wie deze nieuwe koning is, zegt het boek niet; de tekst noemt hem ook verderop alleen ‘de farao’ (פַּרְעֹה, par‘oh, ‘groot huis’).

Dat hij Jozef ‘niet kende’ betekent dat hij hem niet erkende, niet dat hij nooit van hem gehoord had.

Aanvullend

Jasher 65:1–38 vertelt de raadslag van de Egyptenaren en Jubileeën 46:9–12 de wisseling van koning.

9Hij zei tot zijn volk: „Zie, het volk van de zonen van Israël is talrijker en machtiger dan wij.
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
עַמּ֑וֹ
(amo)
zijn volk
הִנֵּ֗ה
(hine)
zie
עַ֚ם
(am)
het volk van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
רַ֥ב
(rav)
talrijk
וְעָצ֖וּם
(veatsum)
en machtig
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
meer dan wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Kom, laten wij verstandig tegen hen handelen, opdat zij niet nog talrijker worden. Anders sluiten ook zij zich, als er een oorlog uitbreekt, bij onze vijanden aan. Zij strijden tegen ons en trekken uit het land weg.”
הָ֥בָה
(hava)
kom
נִֽתְחַכְּמָ֖ה
(nitchakema)
laten wij verstandig handelen
ל֑וֹ
(lo)
tegen hem
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִרְבֶּ֗ה
(yirbe)
hij talrijk wordt
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
תִקְרֶ֤אנָה
(tiqrena)
zich voordoet
מִלְחָמָה֙
(milchama)
oorlog
וְנוֹסַ֤ף
(venosaf)
en hij zich voegt
גַּם
(gam)
ook
הוּא֙
(hu)
hij
עַל
(al)
bij
שֹׂ֣נְאֵ֔ינוּ
(soneeinu)
onze haters
וְנִלְחַם
(venilcham)
en strijdt
בָּ֖נוּ
(banu)
tegen ons
וְעָלָ֥ה
(veala)
en optrekt
מִן
(min)
uit
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָבָה נִתְחַכְּמָה (havah nitchakmah) is letterlijk ‘kom, laten wij wijs handelen’: de wijsheid van de koning is list.

11Zij stelden dwangarbeidsopzichters over hen aan om hen met zware lasten te onderdrukken. Zij bouwden voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses.
וַיָּשִׂ֤ימוּ
(vayasimu)
en zij stelden aan
עָלָיו֙
(alav)
over hem
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
מִסִּ֔ים
(misim)
herendienst
לְמַ֥עַן
(lemaan)
opdat
עַנֹּת֖וֹ
(anoto)
hem te onderdrukken
בְּסִבְלֹתָ֑ם
(besivlotam)
met hun lasten
וַיִּ֜בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
עָרֵ֤י
(arei)
steden van
מִסְכְּנוֹת֙
(miskenot)
voorraad
לְפַרְעֹ֔ה
(lefaro)
voor de farao
אֶת
(et)
(obj.)
פִּתֹ֖ם
(pitom)
Pitom
וְאֶת
(veet)
en
רַעַמְסֵֽס
(raamses)
Raämses
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Pitom (Pi-Atoem) en Raämses lagen in de oostelijke Nijldelta; de Gosenstreek lag bij Wadi Tumilat.

Raämses wordt vaak gelijkgesteld met Pi-Ramses bij Qantir.

Uitleg

מִסְכְּנוֹת (miskenot) zijn ‘voorraadsteden’ voor graan en wapens.

סִבְלֹת (sivlot), ‘lasten’, is het werk dat de Hebreeën moesten dragen; in 2:11 en 6:6 keert het woord terug.

Aanvullend

Jasher 65:8–10, 31 noemt dezelfde twee steden.

12Maar hoe meer zij hen onderdrukten, des te talrijker werden zij en des te meer breidden zij zich uit. En men walgde van de zonen van Israël.
וְכַאֲשֶׁר֙
(vekhaasher)
en zoals
יְעַנּ֣וּ
(yeanu)
zij hem onderdrukten
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
כֵּ֥ן
(ken)
zo
יִרְבֶּ֖ה
(yirbe)
werd hij talrijk
וְכֵ֣ן
(vekhen)
en zo
יִפְרֹ֑ץ
(yifrots)
breidde hij zich uit
וַיָּקֻ֕צוּ
(vayaqutsu)
en zij walgden
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het werkwoord וַיָּקֻצוּ (vayaqutsu) betekent ‘zij walgden’ of ‘zij voelden angst’.

De groei uit vers 7 gaat door, ondanks de onderdrukking; de angst van de Egyptenaren neemt daardoor toe.

13De Egyptenaren lieten de zonen van Israël dienen met wreedheid.
וַיַּעֲבִ֧דוּ
(vayaavidu)
en lieten dienen
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּפָֽרֶךְ
(befarekh)
met wreedheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּפָרֶךְ (befarekh), ‘met wreedheid’, komt in dit hoofdstuk twee keer voor (13, 14) en betekent hardheid zonder grenzen; Lev. 25:43, 46, 53 verbiedt die tegenover een volksgenoot.

Het Hebreeuwse עָבַד (avad) betekent zowel ‘dienen’ als ‘werken’; wij vertalen het afwisselend met ‘dienen’ en ‘arbeid’, omdat het later (3:12; 4:23) ook ‘Yahweh dienen’ is.

Aanvullend

Jasher 65:35–38 en 66:6–9.

14Zij maakten hun leven bitter met zware arbeid, met leem en tichelstenen en met allerlei arbeid in het veld. Al hun werk dat zij hen lieten doen, was met wreedheid.
וַיְמָרְר֨וּ
(vaymareru)
en zij maakten bitter
אֶת
(et)
(obj.)
חַיֵּיהֶ֜ם
(chayeihem)
hun leven
בַּעֲבֹדָ֣ה
(baavoda)
met arbeid
קָשָׁ֗ה
(qasha)
zware
בְּחֹ֨מֶר֙
(bechomer)
met leem
וּבִלְבֵנִ֔ים
(uvilvenim)
en met tichelstenen
וּבְכָל
(uvekhal)
en met alle
עֲבֹדָ֖ה
(avoda)
arbeid
בַּשָּׂדֶ֑ה
(basade)
in het veld
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲבֹ֣דָתָ֔ם
(avodatam)
hun arbeid
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָבְד֥וּ
(avedu)
zij lieten werken
בָהֶ֖ם
(bahem)
bij hen
בְּפָֽרֶךְ
(befarekh)
met wreedheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De vroedvrouwen

15De koning van Egypte sprak tot de Hebreeuwse vroedvrouwen, van wie de ene Sifra heette en de andere Pua.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לַֽמְיַלְּדֹ֖ת
(lamyaledot)
tot de vroedvrouwen
הָֽעִבְרִיֹּ֑ת
(haivriyot)
de Hebreeuwse
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
van wie
שֵׁ֤ם
(shem)
de naam
הָֽאַחַת֙
(haachat)
van de ene
שִׁפְרָ֔ה
(shifra)
Sifra
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
הַשֵּׁנִ֖ית
(hashenit)
de tweede
פּוּעָֽה
(pua)
Pua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

הָעִבְרִיֹּת (ha‘ivriyyot), ‘de Hebreeuwse’, kan zowel ‘uit het volk van de Hebreeën’ als ‘ten dienste van de Hebreeën’ betekenen.

Wij nemen het eerste, zoals in de Griekse vertaling.

Aanvullend

Jasher 66:23 noemt dezelfde namen; Jasher 66:15–31 vertelt het gesprek met de koning.

16Hij zei: „Wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpen en jullie ze op de baarstenen zien: als het een zoon is, dan doden jullie hem. Als het een dochter is, dan leeft zij.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בְּיַלֶּדְכֶן֙
(beyaledkhen)
wanneer jullie bevallingen helpen
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעִבְרִיּ֔וֹת
(haivriyot)
de Hebreeuwse vrouwen
וּרְאִיתֶ֖ן
(ureiten)
en jullie zien
עַל
(al)
op
הָאָבְנָ֑יִם
(haavenayim)
de baarstenen
אִם
(im)
indien
בֵּ֥ן
(ben)
een zoon
הוּא֙
(hu)
hij is
וַהֲמִתֶּ֣ן
(vahamiten)
dan doden jullie
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
וְאִם
(veim)
en indien
בַּ֥ת
(bat)
een dochter
הִ֖יא
(hi)
zij is
וָחָֽיָה
(vachaya)
dan leeft zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאָבְנָיִם (ha’ovnayim) is een tweevoud: ‘de twee stenen’.

Het gaat om een baarstoel of baarstenen waarop de vrouw zat; de lezing is onzeker.

Het woord komt alleen hier en in Jer. 18:3 (‘schijf van de pottenbakker’) voor.

17Maar de vroedvrouwen vreesden Elohim en deden niet wat de koning van Egypte tot hen had gezegd; zij lieten de jongens in leven.
וַתִּירֶ֤אןָ
(vatirena)
en vreesden
הַֽמְיַלְּדֹת֙
(hamyaledot)
de vroedvrouwen
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
עָשׂ֔וּ
(asu)
deden zij
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
אֲלֵיהֶ֖ן
(aleihen)
tot hen
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַתְּחַיֶּ֖יןָ
(vatechayeina)
en lieten leven
אֶת
(et)
(obj.)
הַיְלָדִֽים
(hayladim)
de jongens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֱלֹהִים (Elohim) met lidwoord, הָאֱלֹהִים (ha’Elohim), is ‘de ware Elohim’.

Hun gehoorzaamheid aan Elohim is belangrijker dan het bevel van de koning.

18Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen en zei tot hen: „Waarom hebben jullie dit gedaan en de jongens laten leven?”
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
לַֽמְיַלְּדֹ֔ת
(lamyaledot)
de vroedvrouwen
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֔ן
(lahen)
tot hen
מַדּ֥וּעַ
(madua)
waarom
עֲשִׂיתֶ֖ן
(asiten)
deden jullie
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַתְּחַיֶּ֖יןָ
(vatechayeina)
en lieten jullie leven
אֶת
(et)
(obj.)
הַיְלָדִֽים
(hayladim)
de jongens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

19De vroedvrouwen zeiden tot de farao: „De Hebreeuwse vrouwen zijn niet zoals de Egyptische; zij zijn levenskrachtig. Voordat de vroedvrouw bij hen komt, hebben zij al gebaard.”
וַתֹּאמַ֤רְןָ
(vatomarna)
en zeiden
הַֽמְיַלְּדֹת֙
(hamyaledot)
de vroedvrouwen
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
כִּ֣י
(ki)
omdat
לֹ֧א
(lo)
niet
כַנָּשִׁ֛ים
(kanashim)
zoals de vrouwen
הַמִּצְרִיֹּ֖ת
(hamitsriyot)
de Egyptische
הָֽעִבְרִיֹּ֑ת
(haivriyot)
de Hebreeuwse
כִּֽי
(ki)
omdat
חָי֣וֹת
(chayot)
levenskrachtig
הֵ֔נָּה
(hena)
zij
בְּטֶ֨רֶם
(beterem)
voordat
תָּב֧וֹא
(tavo)
komt
אֲלֵהֶ֛ן
(alehen)
tot hen
הַמְיַלֶּ֖דֶת
(hamyaledet)
de vroedvrouw
וְיָלָֽדוּ
(veyaladu)
en hebben zij gebaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָיוֹת (chayyot) is ‘levenskrachtig’; sommigen verstaan het als ‘als wilde dieren’.

De vroedvrouwen liegen of zeggen een deel van de waarheid; de tekst oordeelt niet, maar vers 20 zegt dat Elohim hun goeddeed.

20Elohim deed de vroedvrouwen goed, en het volk werd talrijk en zeer machtig.
וַיֵּ֥יטֶב
(vayeitev)
en deed goed
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לַֽמְיַלְּדֹ֑ת
(lamyaledot)
aan de vroedvrouwen
וַיִּ֧רֶב
(vayirev)
en werd talrijk
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
וַיַּֽעַצְמ֖וּ
(vayaatsmu)
en werd machtig
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Omdat de vroedvrouwen Elohim vreesden, gaf Hij hun nakomelingen.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het geschiedde
כִּֽי
(ki)
omdat
יָֽרְא֥וּ
(yareu)
vreesden
הַֽמְיַלְּדֹ֖ת
(hamyaledot)
de vroedvrouwen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en Hij maakte
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
בָּתִּֽים
(batim)
huizen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Huizen maken’ is een uitdrukking voor het geven van nageslacht (2 Sam. 7:11; Ruth 4:11).

Of Elohim de vroedvrouwen of de Hebreeën huizen gaf, laat de tekst open; wij volgen de vroedvrouwen.

22Toen gaf de farao heel zijn volk dit bevel: „Elke zoon die geboren wordt, moeten jullie in de Nijl werpen. Maar elke dochter moeten jullie laten leven.”
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gebood
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
לְכָל
(lekhal)
aan heel
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כָּל
(kal)
elke
הַבֵּ֣ן
(haben)
zoon
הַיִּלּ֗וֹד
(hayilod)
die geboren wordt
הַיְאֹ֨רָה֙
(hayora)
in de Nijl
תַּשְׁלִיכֻ֔הוּ
(tashlikhuhu)
werpt hem
וְכָל
(vekhal)
en elke
הַבַּ֖ת
(habat)
dochter
תְּחַיּֽוּן
(techayun)
laat leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Uitleg

De Masoretische tekst zegt ‘elke zoon die geboren wordt’, zonder ‘Hebreeuwse’.

De Samaritaanse tekst en de Griekse vertaling voegen ‘van de Hebreeën’ toe.

Dit bevel leidt tot de geboorte van Mozes in hoofdstuk 2.

Aanvullend

Jasher 67:44–61 beschrijft de raad van Bileam en het bevel.