Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De zonen van Israël in Egypte
1Dit zijn de namen van de zonen van Israël die met Jakob naar Egypte kwamen, ieder met zijn huis:
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit zijn
שְׁמוֹת֙
(shemot)
de namen van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַבָּאִ֖ים
(habaim)
die kwamen
מִצְרָ֑יְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
אֵ֣ת
(et)
met
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
וּבֵית֖וֹ
(uveito)
met zijn huis
בָּֽאוּ
(bau)
kwamen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
שְׁמוֹת (shemot), ‘namen’, is het eerste woord van het boek in het Hebreeuws; zo heet het boek in de Joodse traditie.
De Nederlandse naam Exodus (‘uittocht’) komt uit de Griekse vertaling.
Het boek begint met ‘en’ (וְאֵלֶּה): het sluit aan op Genesis 46:8–27 en 50:26.
10Kom, laten wij verstandig tegen hen handelen, opdat zij niet nog talrijker worden. Anders sluiten ook zij zich, als er een oorlog uitbreekt, bij onze vijanden aan. Zij strijden tegen ons en trekken uit het land weg.”
הָ֥בָה
(hava)
kom
נִֽתְחַכְּמָ֖ה
(nitchakema)
laten wij verstandig handelen
ל֑וֹ
(lo)
tegen hem
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִרְבֶּ֗ה
(yirbe)
hij talrijk wordt
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
תִקְרֶ֤אנָה
(tiqrena)
zich voordoet
מִלְחָמָה֙
(milchama)
oorlog
וְנוֹסַ֤ף
(venosaf)
en hij zich voegt
גַּם
(gam)
ook
הוּא֙
(hu)
hij
עַל
(al)
bij
שֹׂ֣נְאֵ֔ינוּ
(soneeinu)
onze haters
וְנִלְחַם
(venilcham)
en strijdt
בָּ֖נוּ
(banu)
tegen ons
וְעָלָ֥ה
(veala)
en optrekt
מִן
(min)
uit
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָבָה נִתְחַכְּמָה (havah nitchakmah) is letterlijk ‘kom, laten wij wijs handelen’: de wijsheid van de koning is list.
11Zij stelden dwangarbeidsopzichters over hen aan om hen met zware lasten te onderdrukken. Zij bouwden voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses.
וַיָּשִׂ֤ימוּ
(vayasimu)
en zij stelden aan
עָלָיו֙
(alav)
over hem
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
מִסִּ֔ים
(misim)
herendienst
לְמַ֥עַן
(lemaan)
opdat
עַנֹּת֖וֹ
(anoto)
hem te onderdrukken
בְּסִבְלֹתָ֑ם
(besivlotam)
met hun lasten
וַיִּ֜בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
עָרֵ֤י
(arei)
steden van
מִסְכְּנוֹת֙
(miskenot)
voorraad
לְפַרְעֹ֔ה
(lefaro)
voor de farao
אֶת
(et)
(obj.)
פִּתֹ֖ם
(pitom)
Pitom
וְאֶת
(veet)
en
רַעַמְסֵֽס
(raamses)
Raämses
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Pitom (Pi-Atoem) en Raämses lagen in de oostelijke Nijldelta; de Gosenstreek lag bij Wadi Tumilat.
Raämses wordt vaak gelijkgesteld met Pi-Ramses bij Qantir.
Uitleg
מִסְכְּנוֹת (miskenot) zijn ‘voorraadsteden’ voor graan en wapens.
סִבְלֹת (sivlot), ‘lasten’, is het werk dat de Hebreeën moesten dragen; in 2:11 en 6:6 keert het woord terug.
13De Egyptenaren lieten de zonen van Israël dienen met wreedheid.
וַיַּעֲבִ֧דוּ
(vayaavidu)
en lieten dienen
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּפָֽרֶךְ
(befarekh)
met wreedheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּפָרֶךְ (befarekh), ‘met wreedheid’, komt in dit hoofdstuk twee keer voor (13, 14) en betekent hardheid zonder grenzen; Lev. 25:43, 46, 53 verbiedt die tegenover een volksgenoot.
Het Hebreeuwse עָבַד (avad) betekent zowel ‘dienen’ als ‘werken’; wij vertalen het afwisselend met ‘dienen’ en ‘arbeid’, omdat het later (3:12; 4:23) ook ‘Yahweh dienen’ is.
14Zij maakten hun leven bitter met zware arbeid, met leem en tichelstenen en met allerlei arbeid in het veld. Al hun werk dat zij hen lieten doen, was met wreedheid.
וַיְמָרְר֨וּ
(vaymareru)
en zij maakten bitter
אֶת
(et)
(obj.)
חַיֵּיהֶ֜ם
(chayeihem)
hun leven
בַּעֲבֹדָ֣ה
(baavoda)
met arbeid
קָשָׁ֗ה
(qasha)
zware
בְּחֹ֨מֶר֙
(bechomer)
met leem
וּבִלְבֵנִ֔ים
(uvilvenim)
en met tichelstenen
וּבְכָל
(uvekhal)
en met alle
עֲבֹדָ֖ה
(avoda)
arbeid
בַּשָּׂדֶ֑ה
(basade)
in het veld
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲבֹ֣דָתָ֔ם
(avodatam)
hun arbeid
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָבְד֥וּ
(avedu)
zij lieten werken
בָהֶ֖ם
(bahem)
bij hen
בְּפָֽרֶךְ
(befarekh)
met wreedheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Hij zei: „Wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpen en jullie ze op de baarstenen zien: als het een zoon is, dan doden jullie hem. Als het een dochter is, dan leeft zij.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בְּיַלֶּדְכֶן֙
(beyaledkhen)
wanneer jullie bevallingen helpen
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעִבְרִיּ֔וֹת
(haivriyot)
de Hebreeuwse vrouwen
וּרְאִיתֶ֖ן
(ureiten)
en jullie zien
עַל
(al)
op
הָאָבְנָ֑יִם
(haavenayim)
de baarstenen
אִם
(im)
indien
בֵּ֥ן
(ben)
een zoon
הוּא֙
(hu)
hij is
וַהֲמִתֶּ֣ן
(vahamiten)
dan doden jullie
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
וְאִם
(veim)
en indien
בַּ֥ת
(bat)
een dochter
הִ֖יא
(hi)
zij is
וָחָֽיָה
(vachaya)
dan leeft zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָאָבְנָיִם (ha’ovnayim) is een tweevoud: ‘de twee stenen’.
Het gaat om een baarstoel of baarstenen waarop de vrouw zat; de lezing is onzeker.
Het woord komt alleen hier en in Jer. 18:3 (‘schijf van de pottenbakker’) voor.
19De vroedvrouwen zeiden tot de farao: „De Hebreeuwse vrouwen zijn niet zoals de Egyptische; zij zijn levenskrachtig. Voordat de vroedvrouw bij hen komt, hebben zij al gebaard.”
וַתֹּאמַ֤רְןָ
(vatomarna)
en zeiden
הַֽמְיַלְּדֹת֙
(hamyaledot)
de vroedvrouwen
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
כִּ֣י
(ki)
omdat
לֹ֧א
(lo)
niet
כַנָּשִׁ֛ים
(kanashim)
zoals de vrouwen
הַמִּצְרִיֹּ֖ת
(hamitsriyot)
de Egyptische
הָֽעִבְרִיֹּ֑ת
(haivriyot)
de Hebreeuwse
כִּֽי
(ki)
omdat
חָי֣וֹת
(chayot)
levenskrachtig
הֵ֔נָּה
(hena)
zij
בְּטֶ֨רֶם
(beterem)
voordat
תָּב֧וֹא
(tavo)
komt
אֲלֵהֶ֛ן
(alehen)
tot hen
הַמְיַלֶּ֖דֶת
(hamyaledet)
de vroedvrouw
וְיָלָֽדוּ
(veyaladu)
en hebben zij gebaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָיוֹת (chayyot) is ‘levenskrachtig’; sommigen verstaan het als ‘als wilde dieren’.
De vroedvrouwen liegen of zeggen een deel van de waarheid; de tekst oordeelt niet, maar vers 20 zegt dat Elohim hun goeddeed.
22Toen gaf de farao heel zijn volk dit bevel: „Elke zoon die geboren wordt, moeten jullie in de Nijl werpen. Maar elke dochter moeten jullie laten leven.”
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gebood
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
לְכָל
(lekhal)
aan heel
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כָּל
(kal)
elke
הַבֵּ֣ן
(haben)
zoon
הַיִּלּ֗וֹד
(hayilod)
die geboren wordt
הַיְאֹ֨רָה֙
(hayora)
in de Nijl
תַּשְׁלִיכֻ֔הוּ
(tashlikhuhu)
werpt hem
וְכָל
(vekhal)
en elke
הַבַּ֖ת
(habat)
dochter
תְּחַיּֽוּן
(techayun)
laat leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.
Uitleg
De Masoretische tekst zegt ‘elke zoon die geboren wordt’, zonder ‘Hebreeuwse’.
De Samaritaanse tekst en de Griekse vertaling voegen ‘van de Hebreeën’ toe.
Dit bevel leidt tot de geboorte van Mozes in hoofdstuk 2.
Aanvullend
Jasher 67:44–61 beschrijft de raad van Bileam en het bevel.