Genezing, herstel en het verbond met David en de Levieten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Roep tot Mij
1Het woord van Yahweh kwam voor de tweede keer tot Jeremia, terwijl hij nog opgesloten was op de binnenplaats van de wacht:
וַיְהִ֧י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
שֵׁנִ֑ית
(shenit)
voor de tweede keer
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
עוֹדֶ֣נּוּ
(odenu)
nog
עָצ֔וּר
(atsur)
opgesloten
בַּחֲצַ֥ר
(bachatsar)
op de binnenplaats van
הַמַּטָּרָ֖ה
(hamatara)
de wacht
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׁנִית (shenit), ‘voor de tweede keer’: het eerste woord in deze gevangenschap staat in Jer. 32:6.
Jeremia zit nog op de binnenplaats van de wacht (zie Jer. 32:2).
4Want zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël, over de huizen van deze stad en over de huizen van de koningen van Juda, die worden afgebroken vanwege de belegeringswallen en het zwaard:
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַל
(al)
over
בָּתֵּי֙
(batei)
de huizen van
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
וְעַל
(veal)
en over
בָּתֵּ֖י
(batei)
de huizen van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
הַנְּתֻצִ֕ים
(hanetutsim)
die zijn afgebroken
אֶל
(el)
voor
הַסֹּלְל֖וֹת
(hasolelot)
de belegeringswallen
וְאֶל
(veel)
en voor
הֶחָֽרֶב
(hecharev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zin van de verzen 4 en 5 is moeilijk.
נְתֻצִים (netutsim), ‘worden afgebroken’: huizen worden afgebroken, waarschijnlijk om de stadsmuur te versterken tegen de belegeringswallen en het zwaard; vergelijk Jes. 22:10.
De woorden van Yahweh beginnen in vers 5 en staan rood.
5„Men komt om tegen de Chaldeeën te strijden en om ze te vullen met de lijken van de mensen die Ik geslagen heb in Mijn toorn en Mijn woede. Ik heb Mijn gezicht voor deze stad verborgen vanwege al hun kwaad.
בָּאִ֗ים
(baim)
die komen
לְהִלָּחֵם֙
(lehilachem)
om te strijden
אֶת
(et)
(obj.)
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
וּלְמַלְאָם֙
(ulemalam)
en om ze te vullen
אֶת
(et)
(obj.)
פִּגְרֵ֣י
(pigrei)
de lijken van
הָאָדָ֔ם
(haadam)
de mensen
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִכֵּ֥יתִי
(hikeiti)
Ik heb geslagen
בְאַפִּ֖י
(beapi)
in Mijn toorn
וּבַחֲמָתִ֑י
(uvachamati)
en in Mijn woede
וַאֲשֶׁ֨ר
(vaasher)
en omdat
הִסְתַּ֤רְתִּי
(histarti)
Ik heb verborgen
פָנַי֙
(panay)
Mijn gezicht
מֵהָעִ֣יר
(mehair)
van de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
עַ֖ל
(al)
om
כָּל
(kal)
al
רָעָתָֽם
(raatam)
hun kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk.
Het laat open wie komt om te strijden, de verdedigers of de vijand, en waar ‘ze’ naar verwijst.
Waarschijnlijk zijn het de huizen, die met lijken worden gevuld.
הִסְתַּרְתִּי פָנַי (histarti panai), ‘Ik heb Mijn gezicht verborgen’: Yahweh keert Zich af, zoals in Deut. 31:17–18.
8Ik reinig hen van al hun schuld waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben. Ik vergeef al hun schulden waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben en waarmee zij tegen Mij in opstand zijn gekomen.
וְטִ֣הַרְתִּ֔ים
(vetihartim)
en Ik zal hen reinigen
מִכָּל
(mikal)
van al
עֲוֺנָ֖ם
(avonam)
hun schuld
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
חָֽטְאוּ
(chateu)
zij hebben gezondigd
לִ֑י
(li)
tegen Mij
וְסָלַחְתִּ֗י
(vesalachti)
en Ik zal vergeven
לְכָל
(lekhal)
al
עֲוֺנֽוֹתֵיהֶם֙
(avonoteihem)
hun schulden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
חָֽטְאוּ
(chateu)
zij hebben gezondigd
לִ֔י
(li)
tegen Mij
וַאֲשֶׁ֖ר
(vaasher)
en waarmee
פָּ֥שְׁעוּ
(pasheu)
zij in opstand zijn gekomen
בִֽי
(bi)
tegen Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טִהַרְתִּים (tiharttim), ‘Ik reinig hen’: het werkwoord טָהַר (tahar) is ‘rein maken’, zoals in de wetten over rein en onrein (Lev. 14).
9Zij zal voor Mij een naam van vreugde zijn, een lofzang en een sieraad voor alle volken van de aarde. De volken zullen al het goede horen dat Ik hun doe. Zij zullen schrikken en beven om al het goede en al de vrede die Ik haar geef.”
וְהָ֣יְתָה
(vehayeta)
en zal zijn
לִּ֗י
(li)
voor Mij
לְשֵׁ֤ם
(leshem)
tot een naam van
שָׂשׂוֹן֙
(sason)
vreugde
לִתְהִלָּ֣ה
(lithila)
tot lof
וּלְתִפְאֶ֔רֶת
(uletiferet)
en tot sieraad
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor alle
גּוֹיֵ֣י
(goyei)
volken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יִשְׁמְע֜וּ
(yishmeu)
zullen horen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַטּוֹבָ֗ה
(hatova)
het goede
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
עֹשֶׂ֣ה
(ose)
doe
אֹתָ֔ם
(otam)
hun
וּפָחֲד֣וּ
(ufachadu)
en zij zullen schrikken
וְרָֽגְז֗וּ
(veragezu)
en zij zullen beven
עַ֤ל
(al)
over
כָּל
(kal)
al
הַטּוֹבָה֙
(hatova)
het goede
וְעַ֣ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
al
הַשָּׁל֔וֹם
(hashalom)
de vrede
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אָֽנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
עֹ֥שֶׂה
(ose)
doe
לָּֽהּ
(lah)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׁם שָׂשׂוֹן (shem sason), ‘een naam van vreugde’: een naam die vreugde wekt.
תִּפְאֶרֶת (tif’eret), ‘sieraad’: iets waar men trots op is.
De stad (‘zij’, ‘haar’) is Jeruzalem. Het voornaamwoord is vrouwelijk.
10Zo zegt Yahweh: „Nog zal worden gehoord in deze plaats, waarvan jullie zeggen: ‘Het is verwoest, zonder mens en zonder dier’, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die verlaten liggen, zonder mens, zonder bewoner en zonder dier:
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עוֹד֮
(od)
nog
יִשָּׁמַ֣ע
(yishama)
zal gehoord worden
בַּמָּקוֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּה֒
(haze)
deze
אֲשֶׁר֙
(asher)
waarvan
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
אֹֽמְרִ֔ים
(omerim)
zeggen
חָרֵ֣ב
(charev)
verwoest
ה֔וּא
(hu)
het is
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
אָדָ֖ם
(adam)
mens
וּמֵאֵ֣ין
(umeein)
en zonder
בְּהֵמָ֑ה
(behema)
dier
בְּעָרֵ֤י
(bearei)
in de steden van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּבְחֻצ֣וֹת
(uvechutsot)
en op de straten van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הַֽנְשַׁמּ֗וֹת
(hanshamot)
die verlaten liggen
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
אָדָ֛ם
(adam)
mens
וּמֵאֵ֥ין
(umeein)
en zonder
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
bewoner
וּמֵאֵ֥ין
(umeein)
en zonder
בְּהֵמָֽה
(behema)
dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
חָרֵב (chareb), ‘verwoest’: de woorden van de mensen, die ook in Jer. 32:43 voorkomen.
הַנְשַׁמּוֹת (hanshammot), ‘die verlaten liggen’: het werkwoord שָׁמֵם (shamem) betekent ‘woest en verlaten zijn’.
11het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid, het geluid van wie zeggen: ‘Dank Yahweh van de legermachten, want Yahweh is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig’, van wie dankzegging brengen naar het huis van Yahweh. Want Ik keer het lot van het land zoals in het begin, zegt Yahweh.”
ק֣וֹל
(qol)
het geluid van
שָׂשׂ֞וֹן
(sason)
vreugde
וְק֣וֹל
(veqol)
en het geluid van
שִׂמְחָ֗ה
(simcha)
blijdschap
ק֣וֹל
(qol)
het geluid van
חָתָן֮
(chatan)
bruidegom
וְק֣וֹל
(veqol)
en het geluid van
כַּלָּה֒
(kala)
bruid
ק֣וֹל
(qol)
het geluid van
אֹמְרִ֡ים
(omerim)
die zeggen
הוֹדוּ֩
(hodu)
dank
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
כִּֽי
(ki)
want
ט֤וֹב
(tov)
goed is
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
חַסְדּ֔וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
מְבִאִ֥ים
(meviim)
die brengen
תּוֹדָ֖ה
(toda)
dankzegging
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
אָשִׁ֧יב
(ashiv)
Ik zal doen terugkeren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁבוּת
(shevut)
het lot van
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
כְּבָרִאשֹׁנָ֖ה
(kevarishona)
zoals in het begin
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹדוּ אֶת יְהוָה צְבָאוֹת כִּי טוֹב יְהוָה כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ (hodu et Yahweh Tsevaot ki tov Yahweh ki le’olam chasdo), ‘Dank Yahweh van de legermachten, want Yahweh is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig’: een vast lofrefrein, zoals in Ps. 106:1, 118:1 en 136:1.
תּוֹדָה (todah), ‘dankzegging’: ook het woord voor het dankoffer (Lev. 7:12).
12Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Nog zal er in deze plaats, die verwoest is, zonder mens en dier, en in al haar steden een woonplaats zijn van herders. Zij laten hun kudden rusten.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֒
(tsevaot)
van de legermachten
ע֞וֹד
(od)
nog
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
בַּמָּק֣וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
הֶחָרֵ֛ב
(hecharev)
die verwoest is
מֵֽאֵין
(meein)
zonder
אָדָ֥ם
(adam)
mens
וְעַד
(vead)
en tot
בְּהֵמָ֖ה
(behema)
dier
וּבְכָל
(uvekhal)
en in al
עָרָ֑יו
(arav)
zijn steden
נְוֵ֣ה
(neve)
woonplaats van
רֹעִ֔ים
(roim)
herders
מַרְבִּצִ֖ים
(marbitsim)
die laten rusten
צֹֽאן
(tson)
kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַרְבִּצִים (marbitsim), ‘die laten rusten’: de herders laten hun kudden neerliggen, een beeld van rust en veiligheid.
13In de steden van het bergland, in de steden van de Sefela, in de steden van de Negev, in het land Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de schapen weer voorbijgaan onder de handen van wie telt, zegt Yahweh.”
בְּעָרֵ֨י
(bearei)
in de steden van
הָהָ֜ר
(hahar)
het bergland
בְּעָרֵ֤י
(bearei)
in de steden van
הַשְּׁפֵלָה֙
(hashefela)
de Sefela
וּבְעָרֵ֣י
(uvearei)
en in de steden van
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
de Negev
וּבְאֶ֧רֶץ
(uveerets)
en in het land van
בִּנְיָמִ֛ן
(binyamin)
Benjamin
וּבִסְבִיבֵ֥י
(uvisvivei)
en in de omgeving van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וּבְעָרֵ֣י
(uvearei)
en in de steden van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
עֹ֣ד
(od)
nog
תַּעֲבֹ֧רְנָה
(taavorena)
zullen voorbijgaan
הַצֹּ֛אן
(hatson)
de schapen
עַל
(al)
onder
יְדֵ֥י
(yedei)
de handen van
מוֹנֶ֖ה
(mone)
wie telt
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda.
Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
הָהָר (hahar), ‘het bergland’, הַשְּׁפֵלָה (hashefelah), ‘de Sefela’ en הַנֶּגֶב (hannegev), ‘de Negev’: de streken van Juda; zie ook Jer. 32:44.
מוֹנֶה (moneh), ‘wie telt’: de herder telt zijn schapen als ze onder zijn hand doorgaan. Vergelijk Lev. 27:32.
17Want zo zegt Yahweh: „Het zal David niet ontbreken aan een man die op de troon van het huis van Israël zit.
כִּי
(ki)
want
כֹ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
יִכָּרֵ֣ת
(yikaret)
zal worden afgesneden
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
voor David
אִ֕ישׁ
(ish)
een man
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
zittend
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֥א
(kise)
de troon van
בֵֽית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֹא יִכָּרֵת לְדָוִד אִישׁ (lo yikkaret leDavid ish), ‘het zal David niet ontbreken aan een man’: letterlijk ‘er wordt voor David geen man afgesneden’.
18En de priesters, de Levieten, zal het niet ontbreken aan een man voor Mijn aangezicht die brandoffers brengt, graanoffers in rook laat opgaan en slachtoffers bereidt, altijd.”
וְלַכֹּהֲנִים֙
(velakohanim)
en voor de priesters
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
לֹֽא
(lo)
niet
יִכָּרֵ֥ת
(yikaret)
zal worden afgesneden
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
מִלְּפָנָ֑י
(milefanay)
van voor Mij
מַעֲלֶ֨ה
(maale)
die opbrengt
עוֹלָ֜ה
(ola)
brandoffer
וּמַקְטִ֥יר
(umaqtir)
en die in rook laat opgaan
מִנְחָ֛ה
(mincha)
graanoffer
וְעֹ֥שֶׂה
(veose)
en die bereidt
זֶּ֖בַח
(zevach)
slachtoffer
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviyyim), ‘de priesters, de Levieten’: priesters uit de stam Levi, zoals in Deut. 17:9.
עֹלָה (olah), ‘brandoffer’, מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’ en זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’.
21dan kan ook Mijn verbond met David, Mijn knecht, verbroken worden, zodat hij geen zoon meer heeft die als koning op zijn troon regeert. Ook Mijn verbond met de Levieten, de priesters, die Mij dienen, kan dan verbroken worden.
גַּם
(gam)
ook
בְּרִיתִ֤י
(beriti)
Mijn verbond
תֻפַר֙
(tufar)
kan verbroken worden
אֶת
(et)
met
דָּוִ֣ד
(david)
David
עַבְדִּ֔י
(avdi)
Mijn knecht
מִהְיֽוֹת
(mihyot)
zodat niet is
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
בֵ֖ן
(ben)
een zoon
מֹלֵ֣ךְ
(molekh)
die regeert
עַל
(al)
op
כִּסְא֑וֹ
(kiso)
zijn troon
וְאֶת
(veet)
en met
הַלְוִיִּ֥ם
(halviyim)
de Levieten
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
מְשָׁרְתָֽי
(mesharetay)
die Mij dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: David heet vaker zo, bijvoorbeeld in 2 Sam. 7:5.
Het verbond met David staat in 2 Sam. 7:12–16 en Ps. 89:4–5.
22Het leger van de hemel kan niet geteld worden en het zand van de zee kan niet gemeten worden. Zo maak Ik het nageslacht van David, Mijn knecht, en de Levieten die Mij dienen, talrijk.”
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
zoals
לֹֽא
(lo)
niet
יִסָּפֵר֙
(yisafer)
kan geteld worden
צְבָ֣א
(tseva)
het leger van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִמַּ֖ד
(yimad)
kan gemeten worden
ח֣וֹל
(chol)
zand van
הַיָּ֑ם
(hayam)
de zee
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אַרְבֶּ֗ה
(arbe)
Ik zal talrijk maken
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֨רַע֙
(zera)
het nageslacht van
דָּוִ֣ד
(david)
David
עַבְדִּ֔י
(avdi)
Mijn knecht
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
מְשָׁרְתֵ֥י
(mesharetei)
die dienen
אֹתִֽי
(oti)
Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de sterren.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Het nageslacht van Jakob en David
24„Heb je niet gezien wat dit volk gezegd heeft: ‘De twee families die Yahweh uitgekozen had, heeft Hij verworpen’? Mijn volk verachten zij, alsof het in hun ogen geen volk meer is.”
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
רָאִ֗יתָ
(raita)
je hebt gezien
מָֽה
(ma)
wat
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
דִּבְּר֣וּ
(diberu)
heeft gesproken
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
de twee van
הַמִּשְׁפָּח֗וֹת
(hamishpachot)
de families
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
בָּחַ֧ר
(bachar)
heeft gekozen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּהֶ֖ם
(bahem)
in hen
וַיִּמְאָסֵ֑ם
(vayimasem)
en Hij heeft hen verworpen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
יִנְאָצ֔וּן
(yinatsun)
zij verachten
מִֽהְי֥וֹת
(mihyot)
om te zijn
ע֖וֹד
(od)
nog
גּ֥וֹי
(goy)
een volk
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁתֵּי הַמִּשְׁפָּחוֹת (shetei hamishpachot), ‘de twee families’: het is onzeker wie bedoeld worden.
Het kunnen Israël en Juda zijn, of het huis van David en de Levieten uit de verzen 17–22.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘de twee families’.
יִנְאָצוּן (yin’atsun), ‘zij verachten’: zie ook Jes. 1:4.
26dan zal Ik ook het nageslacht van Jakob en van David, Mijn knecht, verwerpen en uit zijn nageslacht geen heersers nemen over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Want Ik keer hun lot en Ik zal Mij over hen ontfermen.”
גַּם
(gam)
ook
זֶ֣רַע
(zera)
het nageslacht van
יַעֲקוֹב֩
(yaaqov)
Jakob
וְדָוִ֨ד
(vedavid)
en David
עַבְדִּ֜י
(avdi)
Mijn knecht
אֶמְאַ֗ס
(emas)
Ik zal verwerpen
מִקַּ֤חַת
(miqachat)
om te nemen
מִזַּרְעוֹ֙
(mizaro)
uit zijn nageslacht
מֹֽשְׁלִ֔ים
(moshelim)
heersers
אֶל
(el)
over
זֶ֥רַע
(zera)
het nageslacht van
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
יִשְׂחָ֣ק
(yischaq)
Isaak
וְיַעֲקֹ֑ב
(veyaaqov)
en Jakob
כִּֽי
(ki)
want
אָשִׁ֥יב
(ashiv)
Ik zal doen terugkeren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁבוּתָ֖ם
(shevutam)
hun lot
וְרִחַמְתִּֽים
(verichamtim)
en Ik zal Mij over hen ontfermen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers sluit het Boek van de troost (hoofdstuk 30–33) af.
Het eindigt met de belofte van ontferming: רִחַמְתִּים (richamtim), ‘Ik zal Mij over hen ontfermen’, zoals in Jer. 30:18 en 31:20.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) אָשִׁיב (ashiv), ‘Ik zal doen terugkeren’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft אשוב (ashuv), ‘Ik zal terugkeren’.
In de uitdrukking ‘het lot keren’ komen beide vormen voor, zoals in Jer. 30:3.