Elohim Bijbel

Lucas 8

123456789101112131415161718192021222324

De gelijkenis van de zaaier, de storm op het meer, de man van de Gerasenen en de dochter van Jaïrus

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua en de vrouwen die Hem dienen

1Daarna trok Hij door steden en dorpen. Hij verkondigde en bracht de goede boodschap van het koninkrijk van Elohim. De twaalf waren bij Hem,
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
καθεξῆς
(kathexes)
daarna
καὶ
(kai)
ook
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
διώδευεν
(diodeuen)
trok door
κατὰ
(kata)
door
πόλιν
(polin)
stad
καὶ
(kai)
en
κώμην
(komen)
dorp
κηρύσσων
(kerysson)
verkondigend
καὶ
(kai)
en
εὐαγγελιζόμενος
(euangelizomenos)
de goede boodschap brengend
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἱ δώδεκα (hoi dodeka), ‘de twaalf’: de kring van de twaalf leerlingen.

Over de vrouwen die Yeshua en Zijn leerlingen dienden, zie ook Mark. 15:40–41; Luc. 24:10.

2en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren: Maria, die Magdalena genoemd wordt, uit wie zeven demonen waren uitgegaan,
καὶ
(kai)
en
γυναῖκές
(gynaikes)
vrouwen
τινες
(tines)
enkele
αἳ
(hai)
die
ἦσαν
(esan)
waren
τεθεραπευμέναι
(tetherapeumenai)
genezen
ἀπὸ
(apo)
van
πνευμάτων
(pneumaton)
geesten
πονηρῶν
(poneron)
boze
καὶ
(kai)
en
ἀσθενειῶν
(astheneion)
ziekten
Μαρία
(Maria)
Maria
ἡ
(he)
die
καλουμένη
(kaloumene)
genoemd wordt
Μαγδαληνή
(Magdalene)
Magdalena
ἀφ’
(aph’)
uit
ἧς
(hes)
wie
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
ἑπτὰ
(hepta)
zeven
ἐξεληλύθει
(exelelythei)
waren uitgegaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

Μαγδαληνή (Magdalene), ‘Magdalena’: waarschijnlijk ‘uit Magdala’, een plaats aan het meer van Galilea; dat is niet zeker. δαιμόνια ἑπτά (daimonia hepta), ‘zeven demonen’.

3Johanna, de vrouw van Chuza, de rentmeester van Herodes, Susanna en vele anderen. Zij dienden hen met wat zij bezaten.
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννα
(Ioanna)
Johanna
γυνὴ
(gyne)
vrouw
Χουζᾶ
(Chouza)
van Chuza
ἐπιτρόπου
(epitropou)
rentmeester
Ἡρῴδου
(Herodou)
van Herodes
καὶ
(kai)
en
Σουσάννα
(Sousanna)
Susanna
καὶ
(kai)
en
ἕτεραι
(heterai)
andere
πολλαί
(pollai)
vele
αἵτινες
(haitines)
die
διηκόνουν
(diekonoun)
dienden
αὐτοῖς
(autois)
hen
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
het
ὑπαρχόντων
(hyparchonton)
bezit
αὐταῖς
(autais)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπίτροπος (epitropos), ‘rentmeester’: iemand aan wie de eigenaar het beheer toevertrouwt; zie Matt. 20:8.

Herodes is Herodes Antipas, de viervorst van Galilea (zie 3:1).

Lezing

In sommige handschriften staat ‘Hem’ (αὐτῷ) in plaats van ‘hen’ (αὐτοῖς).

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookMat 20:8

De gelijkenis van de zaaier

4Toen een grote menigte bijeenkwam en mensen uit de steden naar Hem toe trokken, sprak Hij in een gelijkenis:
Συνιόντος
(Syniontos)
samenkomend
δὲ
(de)
maar
ὄχλου
(ochlou)
menigte
πολλοῦ
(pollou)
grote
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
van hen die
κατὰ
(kata)
uit
πόλιν
(polin)
stad
ἐπιπορευομένων
(epiporeuomenon)
toestromend
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἶπεν
(eipen)
zei Hij
διὰ
(dia)
in
παραβολῆς
(paraboles)
gelijkenis
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: een vergelijking of beeldspraak, in het Hebreeuws מָשָׁל (mashal).

Zie ook Matt. 13:1–9; Mark. 4:1–9.

5„De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. Terwijl hij zaaide, viel een deel langs de weg. Het werd vertrapt en de vogels van de hemel aten het op.
Ἐξῆλθεν
(Exelthen)
ging uit
ὁ
(ho)
de
σπείρων
(speiron)
zaaiende
τοῦ
(tou)
om
σπεῖραι
(speirai)
te zaaien
τὸν
(ton)
het
σπόρον
(sporon)
zaad
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
σπείρειν
(speirein)
zaaien
αὐτὸν
(auton)
hij
ὃ
(ho)
wat
μὲν
(men)
enerzijds
ἔπεσεν
(epesen)
viel
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
ὁδόν
(hodon)
weg
καὶ
(kai)
en
κατεπατήθη
(katepatethe)
werd vertrapt
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
πετεινὰ
(peteina)
vogels
τοῦ
(tou)
van de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
κατέφαγεν
(katephagen)
aten op
αὐτό
(auto)
het
Bron: SBLGNT
6Een ander deel viel op de rots. Toen het opgekomen was, verdorde het, omdat het geen vocht had.
καὶ
(kai)
en
ἕτερον
(heteron)
ander
κατέπεσεν
(katepesen)
viel neer
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
πέτραν
(petran)
rots
καὶ
(kai)
en
φυὲν
(phyen)
opgekomen
ἐξηράνθη
(exeranthe)
verdorde
διὰ
(dia)
omdat
τὸ
(to)
het
μὴ
(me)
niet
ἔχειν
(echein)
hebben
ἰκμάδα
(ikmada)
vocht
Bron: SBLGNT
7Een ander deel viel midden tussen de doornen. De doornen groeiden mee op en verstikten het.
καὶ
(kai)
en
ἕτερον
(heteron)
ander
ἔπεσεν
(epesen)
viel
ἐν
(en)
in
μέσῳ
(meso)
midden
τῶν
(ton)
van de
ἀκανθῶν
(akanthon)
doornen
καὶ
(kai)
en
συμφυεῖσαι
(symphyeisai)
meegegroeid
αἱ
(hai)
de
ἄκανθαι
(akanthai)
doornen
ἀπέπνιξαν
(apepnixan)
verstikten
αὐτό
(auto)
het
Bron: SBLGNT
8Een ander deel viel op de goede grond. Het kwam op en gaf vrucht, 100 keer zoveel.” Terwijl Hij dit zei, riep Hij: „Wie oren heeft om te horen, laat hem horen.”
καὶ
(kai)
en
ἕτερον
(heteron)
ander
ἔπεσεν
(epesen)
viel
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
grond
τὴν
(ten)
de
ἀγαθήν
(agathen)
goede
καὶ
(kai)
en
φυὲν
(phyen)
opgekomen
ἐποίησεν
(epoiesen)
maakte
καρπὸν
(karpon)
vrucht
ἑκατονταπλασίονα
(hekatontaplasiona)
honderdvoud
ταῦτα
(tauta)
dit
λέγων
(legon)
zeggend
ἐφώνει
(ephonei)
riep Hij
Ὁ
(Ho)
wie
ἔχων
(echon)
hebbend
ὦτα
(ota)
oren
ἀκούειν
(akouein)
om te horen
ἀκουέτω
(akoueto)
laat horen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἑκατονταπλασίων (hekatontaplasion), ‘honderdvoud’: wij schrijven ‘100 keer zoveel’, zoals in Mark. 4:8.

Zie ook Matt. 13:8; Mark. 4:8.

De uitleg van de gelijkenis

9Zijn leerlingen vroegen Hem wat deze gelijkenis was.
Ἐπηρώτων
(Eperoton)
vroegen
δὲ
(de)
maar
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τίς
(tis)
wat
αὕτη
(haute)
deze
εἴη
(eie)
zou zijn
ἡ
(he)
de
παραβολή
(parabole)
gelijkenis
Bron: SBLGNT
10Hij zei: „Aan jullie is gegeven de geheimen van het koninkrijk van Elohim te kennen. Maar aan de overigen wordt het in gelijkenissen gegeven, opdat zij kijken en toch niet zien, en horen en toch niet begrijpen.
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Ὑμῖν
(Hymin)
aan jullie
δέδοται
(dedotai)
is gegeven
γνῶναι
(gnonai)
te kennen
τὰ
(ta)
de
μυστήρια
(mysteria)
geheimen
τῆς
(tes)
van het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τοῖς
(tois)
aan de
δὲ
(de)
maar
λοιποῖς
(loipois)
overigen
ἐν
(en)
in
παραβολαῖς
(parabolais)
gelijkenissen
ἵνα
(hina)
opdat
βλέποντες
(blepontes)
kijkend
μὴ
(me)
niet
βλέπωσιν
(bleposin)
zij zien
καὶ
(kai)
en
ἀκούοντες
(akouontes)
horend
μὴ
(me)
niet
συνιῶσιν
(syniosin)
zij begrijpen
Bron: SBLGNT
Uitleg

μυστήριον (mysterion), ‘geheim’: wat Elohim zelf bekendmaakt aan wie Hij wil.

Het citaat is Jes. 6:9–10.

Het Hebreeuws is een opdracht aan de profeet: ‘Luister en luister, maar begrijp niet.

Kijk en kijk, maar weet niet.’

De Griekse tekst van Lucas heeft ‘opdat zij kijkend niet zien en horend niet begrijpen’.

Het Grieks laat bij ‘in gelijkenissen’ het werkwoord weg; wij vullen ‘wordt het gegeven’ aan vanuit het eerste deel.

Zie ook Matt. 13:10–17; Mark. 4:10–12.

11Dit is de gelijkenis: het zaad is het woord van Elohim.
Ἔστιν
(Estin)
is
δὲ
(de)
maar
αὕτη
(haute)
deze
ἡ
(he)
de
παραβολή
(parabole)
gelijkenis
Ὁ
(Ho)
het
σπόρος
(sporos)
zaad
ἐστὶν
(estin)
is
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

Yeshua legt hier de gelijkenis van 8:5–8 uit.

Zie ook Matt. 13:18–23; Mark. 4:13–20.

12Degenen langs de weg zijn zij die het gehoord hebben. Daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet geloven en gered worden.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
ὁδόν
(hodon)
weg
εἰσιν
(eisin)
zijn
οἱ
(hoi)
zij die
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebben
εἶτα
(eita)
daarna
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὁ
(ho)
de
διάβολος
(diabolos)
duivel
καὶ
(kai)
en
αἴρει
(airei)
neemt weg
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
ἀπὸ
(apo)
uit
τῆς
(tes)
het
καρδίας
(kardias)
hart
αὐτῶν
(auton)
hun
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
πιστεύσαντες
(pisteusantes)
geloofd hebbend
σωθῶσιν
(sothosin)
zij gered worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

διάβολος (diabolos), ‘duivel’, is letterlijk ‘beschuldiger’; zie Matt. 4:1. σῴζω (sozo), ‘redden’: het woord kan ook ‘genezen’ betekenen; zie 7:50.

Zie ook Matt. 13:19; Mark. 4:15.

13Degenen op de rots zijn zij die het woord, zodra zij het horen, met vreugde aannemen. Dezen hebben geen wortel. Zij geloven voor een tijd, en in tijd van beproeving vallen zij af.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
πέτρας
(petras)
rots
οἳ
(hoi)
die
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἀκούσωσιν
(akousosin)
zij horen
μετὰ
(meta)
met
χαρᾶς
(charas)
vreugde
δέχονται
(dechontai)
nemen aan
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
καὶ
(kai)
en
οὗτοι
(houtoi)
dezen
ῥίζαν
(rhizan)
wortel
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
οἳ
(hoi)
die
πρὸς
(pros)
voor
καιρὸν
(kairon)
tijd
πιστεύουσιν
(pisteuousin)
geloven
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
καιρῷ
(kairo)
tijd
πειρασμοῦ
(peirasmou)
van beproeving
ἀφίστανται
(aphistantai)
vallen af
Bron: SBLGNT
Uitleg

πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: een tijd waarin het geloof op de proef wordt gesteld. ἀφίστανται (aphistantai), ‘vallen af’: letterlijk ‘zij gaan weg, zij trekken zich terug’.

14Wat tussen de doornen viel, zijn zij die het gehoord hebben. Maar onderweg worden zij door zorgen, rijkdom en genoegens van het leven verstikt en dragen zij geen rijpe vrucht.
τὸ
(to)
wat
δὲ
(de)
maar
εἰς
(eis)
in
τὰς
(tas)
de
ἀκάνθας
(akanthas)
doornen
πεσόν
(peson)
gevallen
οὗτοί
(houtoi)
dezen
εἰσιν
(eisin)
zijn
οἱ
(hoi)
zij die
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebben
καὶ
(kai)
en
ὑπὸ
(hypo)
door
μεριμνῶν
(merimnon)
zorgen
καὶ
(kai)
en
πλούτου
(ploutou)
rijkdom
καὶ
(kai)
en
ἡδονῶν
(hedonon)
genoegens
τοῦ
(tou)
van het
βίου
(biou)
leven
πορευόμενοι
(poreuomenoi)
onderweg
συμπνίγονται
(sympnigontai)
worden verstikt
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
τελεσφοροῦσιν
(telesphorousin)
dragen rijpe vrucht
Bron: SBLGNT
Uitleg

τελεσφορέω (telesphoreo), ‘rijpe vrucht dragen’: letterlijk ‘vrucht tot voltooiing brengen’. βίος (bios), ‘leven’: het gewone leven van elke dag.

15Wat in de goede grond viel, zijn zij die het woord met een voortreffelijk en goed hart gehoord hebben. Zij houden het vast en dragen met volharding vrucht.
τὸ
(to)
wat
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
καλῇ
(kale)
goede
γῇ
(ge)
grond
οὗτοί
(houtoi)
dezen
εἰσιν
(eisin)
zijn
οἵτινες
(hoitines)
die
ἐν
(en)
met
καρδίᾳ
(kardia)
hart
καλῇ
(kale)
voortreffelijk
καὶ
(kai)
en
ἀγαθῇ
(agathe)
goed
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
κατέχουσιν
(katechousin)
vasthouden
καὶ
(kai)
en
καρποφοροῦσιν
(karpophorousin)
dragen vrucht
ἐν
(en)
met
ὑπομονῇ
(hypomone)
volharding
Bron: SBLGNT
Uitleg

καλός καὶ ἀγαθός (kalos kai agathos), ‘voortreffelijk en goed’: twee woorden voor ‘goed’; het eerste wijst op wat mooi en edel is, het tweede op wat goed is. ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’: standvastig blijven.

De lamp

16Niemand steekt een lamp aan en bedekt hem met een vat of zet hem onder een bed. Maar hij zet hem op een lampenstandaard, opdat wie binnenkomen het licht zien.
Οὐδεὶς
(Oudeis)
niemand
δὲ
(de)
maar
λύχνον
(lychnon)
lamp
ἅψας
(hapsas)
aangestoken hebbend
καλύπτει
(kalyptei)
bedekt
αὐτὸν
(auton)
hem
σκεύει
(skeuei)
met een vat
ἢ
(e)
of
ὑποκάτω
(hypokato)
onder
κλίνης
(klines)
een bed
τίθησιν
(tithesin)
zet
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐπὶ
(epi)
op
λυχνίας
(lychnias)
een lampenstandaard
τίθησιν
(tithesin)
zet
ἵνα
(hina)
opdat
οἱ
(hoi)
zij die
εἰσπορευόμενοι
(eisporeuomenoi)
binnenkomen
βλέπωσιν
(bleposin)
zien
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
Bron: SBLGNT
Uitleg

λυχνία (lychnia), ‘lampenstandaard’: een standaard waarop een olielamp staat (zoals Mark. 4:21).

Zie ook Matt. 5:15; Mark. 4:21; Luc. 11:33.

17Want er is niets verborgen wat niet openbaar zal worden, en niets geheim wat zeker niet bekend zal worden en in het openbaar zal komen.
οὐ
(ou)
niet
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
κρυπτὸν
(krypton)
verborgen
ὃ
(ho)
wat
οὐ
(ou)
niet
φανερὸν
(phaneron)
openbaar
γενήσεται
(genesetai)
zal worden
οὐδὲ
(oude)
noch
ἀπόκρυφον
(apokryphon)
geheim
ὃ
(ho)
wat
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
γνωσθῇ
(gnosthe)
bekend wordt
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
in
φανερὸν
(phaneron)
openbaar
ἔλθῃ
(elthe)
komt
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 10:26; Mark. 4:22; Luc. 12:2.

18Let er dus op hoe jullie horen. Want wie heeft, hem zal gegeven worden, en van wie niet heeft, zal ook wat hij meent te hebben weggenomen worden.”
βλέπετε
(blepete)
let op
οὖν
(oun)
dus
πῶς
(pos)
hoe
ἀκούετε
(akouete)
jullie horen
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
ook
γὰρ
(gar)
want
ἔχῃ
(eche)
heeft
δοθήσεται
(dothesetai)
zal gegeven worden
αὐτῷ
(auto)
hem
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
ook
μὴ
(me)
niet
ἔχῃ
(eche)
heeft
καὶ
(kai)
ook
ὃ
(ho)
wat
δοκεῖ
(dokei)
hij meent
ἔχειν
(echein)
te hebben
ἀρθήσεται
(arthesetai)
zal weggenomen worden
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτοῦ
(autou)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 13:12; Matt. 25:29; Mark. 4:24–25; Luc. 19:26.

Yeshua’s moeder en broers

19Zijn moeder en Zijn broers kwamen bij Hem, maar zij konden Hem vanwege de menigte niet bereiken.
Παρεγένετο
(Paregeneto)
kwam
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἠδύναντο
(edynanto)
konden zij
συντυχεῖν
(syntychein)
bereiken
αὐτῷ
(auto)
Hem
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: ook ‘broers en zussen’; zie Matt. 12:46.

Zie ook Matt. 12:46–50; Mark. 3:31–35.

20Er werd Hem gemeld: „Uw moeder en Uw broers staan buiten en willen U zien.”
ἀπηγγέλη
(apengele)
werd gemeld
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
aan Hem
Ἡ
(He)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
σου
(sou)
Uw
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
σου
(sou)
Uw
ἑστήκασιν
(hestekasin)
staan
ἔξω
(exo)
buiten
ἰδεῖν
(idein)
te zien
σε
(se)
U
θέλοντες
(thelontes)
willend
Bron: SBLGNT
21Hij antwoordde en zei tegen hen: „Mijn moeder en Mijn broers zijn dezen: zij die het woord van Elohim horen en doen.”
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tot
αὐτούς
(autous)
hen
Μήτηρ
(Meter)
moeder
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
μου
(mou)
Mijn
οὗτοί
(houtoi)
dezen
εἰσιν
(eisin)
zijn
οἱ
(hoi)
zij die
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἀκούοντες
(akouontes)
horend
καὶ
(kai)
en
ποιοῦντες
(poiountes)
doend
Bron: SBLGNT

Yeshua bedaart de storm

22Op een van die dagen stapte Hij met Zijn leerlingen in een boot. Hij zei tegen hen: „Laten wij naar de overkant van het meer gaan.” En zij vertrokken.
Ἐγένετο
(Egeneto)
het gebeurde
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
op
μιᾷ
(mia)
een
τῶν
(ton)
van de
ἡμερῶν
(hemeron)
dagen
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
ἐνέβη
(enebe)
stapte
εἰς
(eis)
in
πλοῖον
(ploion)
boot
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
πρὸς
(pros)
tot
αὐτούς
(autous)
hen
Διέλθωμεν
(Dielthomen)
laten wij overgaan
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
πέραν
(peran)
overkant
τῆς
(tes)
van het
λίμνης
(limnes)
meer
καὶ
(kai)
en
ἀνήχθησαν
(anechthesan)
zij voeren weg
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’.

Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Uitleg

λίμνη (limne), ‘meer’: Lucas noemt het meer van Galilea ‘meer’, waar Matteüs en Markus θάλασσα (thalassa), ‘zee’, schrijven.

Zie ook Matt. 8:23–27; Mark. 4:35–41.

23Terwijl zij voeren, viel Hij in slaap. Er kwam een stormwind over het meer. Zij liepen vol water en kwamen in gevaar.
πλεόντων
(pleonton)
varend
δὲ
(de)
maar
αὐτῶν
(auton)
zij
ἀφύπνωσεν
(aphypnosen)
viel Hij in slaap
καὶ
(kai)
en
κατέβη
(katebe)
kwam neer
λαῖλαψ
(lailaps)
stormwind
ἀνέμου
(anemou)
van wind
εἰς
(eis)
op
τὴν
(ten)
het
λίμνην
(limnen)
meer
καὶ
(kai)
en
συνεπληροῦντο
(syneplerounto)
zij liepen vol
καὶ
(kai)
en
ἐκινδύνευον
(ekindyneuon)
verkeerden in gevaar
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’.

Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Uitleg

λαῖλαψ (lailaps), ‘stormwind’: een plotselinge, hevige windvlaag (zoals Mark. 4:37).

Het Grieks heeft ‘zij liepen vol’ zonder voorwerp; wij vullen ‘water’ aan.

Zie ookMar 4:37
24Zij kwamen naar Hem toe en maakten Hem wakker met de woorden: „Meester, Meester, wij komen om!” Hij werd wakker en bestrafte de wind en de golven van het water. Zij hielden op, en er kwam een windstilte.
προσελθόντες
(proselthontes)
naderend
δὲ
(de)
maar
διήγειραν
(diegeiran)
maakten wakker
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἐπιστάτα
(Epistata)
Meester
ἐπιστάτα
(epistata)
Meester
ἀπολλύμεθα
(apollymetha)
wij komen om
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
διεγερθεὶς
(diegertheis)
wakker geworden
ἐπετίμησεν
(epetimesen)
bestrafte
τῷ
(to)
de
ἀνέμῳ
(anemo)
wind
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
de
κλύδωνι
(klydoni)
golven
τοῦ
(tou)
van het
ὕδατος
(hydatos)
water
καὶ
(kai)
en
ἐπαύσαντο
(epausanto)
zij hielden op
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
er kwam
γαλήνη
(galene)
windstilte
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπιστάτης (epistates), ‘Meester’: een aanspreking die alleen Lucas gebruikt (ook 8:45, 9:33 en 9:49), waar de andere evangeliën ‘Leraar’ of ‘rabbi’ hebben.

Wij vertalen steeds ‘Meester’ en διδάσκαλος (didaskalos) steeds ‘Leraar’. κλύδων (klydon), ‘golfslag’.

Vergelijk 5:5, waar Simon Yeshua ook ‘Meester’ noemt.

25Hij zei tegen hen: „Waar is jullie geloof?” Zij werden bang en verwonderden zich. Zij zeiden tegen elkaar: „Wie is Hij dan, dat Hij zelfs de winden en het water bevelen geeft, en zij Hem gehoorzamen?”
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
δὲ
(de)
maar
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ποῦ
(Pou)
waar
ἡ
(he)
het
πίστις
(pistis)
geloof
ὑμῶν
(hymon)
jullie
φοβηθέντες
(phobethentes)
bang geworden
δὲ
(de)
maar
ἐθαύμασαν
(ethaumasan)
verwonderden zich
λέγοντες
(legontes)
zeggend
πρὸς
(pros)
tot
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
Τίς
(Tis)
wie
ἄρα
(ara)
dan
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὅτι
(hoti)
dat
καὶ
(kai)
zelfs
τοῖς
(tois)
aan de
ἀνέμοις
(anemois)
winden
ἐπιτάσσει
(epitassei)
beveelt Hij
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
aan het
ὕδατι
(hydati)
water
καὶ
(kai)
en
ὑπακούουσιν
(hypakouousin)
zij gehoorzamen
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT

De man met de demonen in het gebied van de Gerasenen

26Zij voeren aan land in het gebied van de Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt.
Καὶ
(Kai)
en
κατέπλευσαν
(katepleusan)
zij voeren aan land
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
χώραν
(choran)
gebied
τῶν
(ton)
van de
Γερασηνῶν
(Gerasenon)
Gerasenen
ἥτις
(hetis)
dat
ἐστὶν
(estin)
is
ἀντιπέρα
(antipera)
tegenover
τῆς
(tes)
van
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Gebied van de Gerasenen (Kursi?; ligging onzeker): Gerasa (Jerash) ligt ver van het meer; daarom wordt voor dit gebied vaak gedacht aan Kursi (el-Koursi), aan de oostkust van het meer van Galilea.

Matteüs 8:28 heeft ‘Gadarenen’.

De precieze plek is niet zeker.

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

Matteüs heeft ‘het gebied van de Gadarenen’ (Matt. 8:28).

Zie ook Matt. 8:28–34; Mark. 5:1–20.

Lezing

In sommige handschriften staat ‘Gadarenen’ of ‘Gergesenen’ in plaats van ‘Gerasenen’.

Wij volgen de SBLGNT.

27Toen Hij aan land gestapt was, kwam Hem een man uit de stad tegemoet die demonen had. De man had al lange tijd geen kleren aangetrokken en bleef niet in een huis, maar in de graven.
ἐξελθόντι
(exelthonti)
uitgegaan
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
Hij
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
het
γῆν
(gen)
land
ὑπήντησεν
(hypentesen)
kwam tegemoet
ἀνήρ
(aner)
man
τις
(tis)
zekere
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
ἔχων
(echon)
hebbend
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
καὶ
(kai)
en
χρόνῳ
(chrono)
tijd
ἱκανῷ
(hikano)
lange
οὐκ
(ouk)
niet
ἐνεδύσατο
(enedysato)
trok aan
ἱμάτιον
(himation)
kleren
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
οὐκ
(ouk)
niet
ἔμενεν
(emenen)
verbleef
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
μνήμασιν
(mnemasin)
graven
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐκ ἐνεδύσατο ἱμάτιον (ouk enedysato himation) is letterlijk ‘hij trok geen mantel aan’: hij droeg geen kleren. μνῆμα (mnema), ‘graf’.

28Toen hij Yeshua zag, schreeuwde hij het uit en viel voor Hem neer. Met luide stem zei hij: „Wat heb ik met U te maken, Yeshua, Zoon van Elohim, de Allerhoogste? Ik smeek U: kwel mij niet!”
ἰδὼν
(idon)
ziende
δὲ
(de)
maar
τὸν
(ton)
(de)
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἀνακράξας
(anakraxas)
schreeuwend
προσέπεσεν
(prosepesen)
viel neer
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
καὶ
(kai)
en
φωνῇ
(phone)
met stem
μεγάλῃ
(megale)
luide
εἶπεν
(eipen)
zei
Τί
(Ti)
wat
ἐμοὶ
(emoi)
mij
καὶ
(kai)
en
σοί
(soi)
U
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
υἱὲ
(huie)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τοῦ
(tou)
de
ὑψίστου
(hypsistou)
Allerhoogste
δέομαί
(deomai)
ik smeek
σου
(sou)
U
μή
(me)
niet
με
(me)
mij
βασανίσῃς
(basanises)
kwel
Bron: SBLGNT
Uitleg

Τί ἐμοὶ καὶ σοί (ti emoi kai soi) is letterlijk ‘wat is er tussen mij en U?’ en betekent: ‘wat hebben wij met elkaar te maken?’ Ὕψιστος (hypsistos), ‘de Allerhoogste’, is de Griekse weergave van het Hebreeuwse עֶלְיוֹן (Elyon); zie Gen. 14:18–22.

De man spreekt, maar de demonen spreken door hem (zie 8:30); daarom zijn deze woorden als woorden van demonen aangeduid.

29Want Hij gebood de onreine geest uit de man weg te gaan. Al lange tijd had die hem namelijk in zijn greep. De man werd met kettingen en voetboeien gebonden en bewaakt, maar hij verbrak de boeien en werd door de demon naar de verlaten streken gedreven.
παρήγγελλεν
(parengellen)
Hij gebood
γὰρ
(gar)
want
τῷ
(to)
aan de
πνεύματι
(pneumati)
geest
τῷ
(to)
de
ἀκαθάρτῳ
(akatharto)
onreine
ἐξελθεῖν
(exelthein)
uit te gaan
ἀπὸ
(apo)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἀνθρώπου
(anthropou)
man
πολλοῖς
(pollois)
vele
γὰρ
(gar)
want
χρόνοις
(chronois)
tijden
συνηρπάκει
(synerpakei)
had hem gegrepen
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἐδεσμεύετο
(edesmeueto)
werd gebonden
ἁλύσεσιν
(halysesin)
met kettingen
καὶ
(kai)
en
πέδαις
(pedais)
voetboeien
φυλασσόμενος
(phylassomenos)
bewaakt wordend
καὶ
(kai)
en
διαρρήσσων
(diarresson)
verbrekend
τὰ
(ta)
de
δεσμὰ
(desma)
boeien
ἠλαύνετο
(elauneto)
werd gedreven
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
de
δαιμονίου
(daimoniou)
demon
εἰς
(eis)
naar
τὰς
(tas)
de
ἐρήμους
(eremous)
verlaten streken
Bron: SBLGNT
Uitleg

τὰς ἐρήμους (tas eremous), ‘de verlaten streken’: onbewoonde, eenzame streken. πολλοῖς χρόνοις (pollois chronois) kan ‘vaak’ of ‘al lange tijd’ betekenen; wij kiezen ‘al lange tijd’.

30Yeshua vroeg hem: „Wat is je naam?” De man zei: „Legioen”, want er waren veel demonen in hem gegaan.
ἐπηρώτησεν
(eperotesen)
vroeg
δὲ
(de)
maar
αὐτὸν
(auton)
hem
ὁ
(ho)
(de)
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Τί
(Ti)
wat
σοι
(soi)
je
ὄνομά
(onoma)
naam
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Λεγιών
(Legion)
Legioen
ὅτι
(hoti)
want
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
gingen binnen
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
πολλὰ
(polla)
vele
εἰς
(eis)
in
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Λεγιών (legion), ‘Legioen’, is een Latijns leenwoord: een Romeinse legerafdeling van enkele duizenden soldaten.

De man noemt één naam, maar het zijn er veel; zie Mark. 5:9.

Zie ookMar 5:9
31Zij smeekten Hem om hun niet te bevelen naar de afgrond weg te gaan.
καὶ
(kai)
en
παρεκάλουν
(parekaloun)
smeekten
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
ἐπιτάξῃ
(epitaxe)
Hij zou bevelen
αὐτοῖς
(autois)
hun
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
ἄβυσσον
(abysson)
afgrond
ἀπελθεῖν
(apelthein)
weg te gaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄβυσσος (abyssos), ‘afgrond’: letterlijk ‘zonder bodem’, een diepte.

32Daar graasde op de berg een flinke kudde varkens. Zij smeekten Hem of Hij hun wilde toestaan in die te gaan, en Hij stond het hun toe.
Ἦν
(En)
was
δὲ
(de)
maar
ἐκεῖ
(ekei)
daar
ἀγέλη
(agele)
kudde
χοίρων
(choiron)
van varkens
ἱκανῶν
(hikanon)
flinke
βοσκομένη
(boskomene)
grazend
ἐν
(en)
op
τῷ
(to)
de
ὄρει
(orei)
berg
καὶ
(kai)
en
παρεκάλεσαν
(parekalesan)
smeekten
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἵνα
(hina)
opdat
ἐπιτρέψῃ
(epitrepse)
Hij zou toestaan
αὐτοῖς
(autois)
hun
εἰς
(eis)
in
ἐκείνους
(ekeinous)
die
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
καὶ
(kai)
en
ἐπέτρεψεν
(epetrepsen)
Hij stond toe
αὐτοῖς
(autois)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het varken is volgens de wet onrein (Lev. 11:7; Deut. 14:8).

33Toen de demonen uit de man gegaan waren, gingen zij in de varkens. De kudde stortte zich van de steile helling in het meer en verdronk.
ἐξελθόντα
(exelthonta)
uitgegaan
δὲ
(de)
maar
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
ἀπὸ
(apo)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἀνθρώπου
(anthropou)
man
εἰσῆλθον
(eiselthon)
gingen binnen
εἰς
(eis)
in
τοὺς
(tous)
de
χοίρους
(choirous)
varkens
καὶ
(kai)
en
ὥρμησεν
(hormesen)
stortte zich
ἡ
(he)
de
ἀγέλη
(agele)
kudde
κατὰ
(kata)
van
τοῦ
(tou)
de
κρημνοῦ
(kremnou)
steile helling
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
λίμνην
(limnen)
meer
καὶ
(kai)
en
ἀπεπνίγη
(apepnige)
verdronk
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’.

Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Uitleg

κρημνός (kremnos), ‘steile helling’: een steile oever of rotswand.

34Toen de herders zagen wat er gebeurd was, vluchtten zij en brachten het bericht in de stad en op het land.
Ἰδόντες
(Idontes)
gezien hebbend
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
βόσκοντες
(boskontes)
herders
τὸ
(to)
het
γεγονὸς
(gegonos)
gebeurde
ἔφυγον
(ephygon)
vluchtten
καὶ
(kai)
en
ἀπήγγειλαν
(apengeilan)
meldden
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
op
τοὺς
(tous)
het
ἀγρούς
(agrous)
land
Bron: SBLGNT
35Zij liepen uit om te zien wat er gebeurd was. Zij kwamen bij Yeshua. Zij vonden de man uit wie de demonen waren uitgegaan aan de voeten van Yeshua zitten, gekleed en bij zijn verstand. Zij werden bang.
ἐξῆλθον
(exelthon)
zij gingen uit
δὲ
(de)
maar
ἰδεῖν
(idein)
om te zien
τὸ
(to)
het
γεγονὸς
(gegonos)
gebeurde
καὶ
(kai)
en
ἦλθον
(elthon)
kwamen
πρὸς
(pros)
bij
τὸν
(ton)
(de)
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εὗρον
(heuron)
vonden
καθήμενον
(kathemenon)
zittend
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
ἀφ’
(aph’)
uit
οὗ
(hou)
wie
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
ἐξῆλθεν
(exelthen)
waren uitgegaan
ἱματισμένον
(himatismenon)
gekleed
καὶ
(kai)
en
σωφρονοῦντα
(sophronounta)
bij zijn verstand
παρὰ
(para)
aan
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
τοῦ
(tou)
van
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐφοβήθησαν
(ephobethesan)
werden bang
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἱματίζω (himatizo), ‘kleden’ en σωφρονέω (sophroneo), ‘bij zijn verstand zijn’: de man die zonder kleren in de graven leefde (8:27), zit nu gekleed en rustig.

36Zij die het gezien hadden, vertelden hun hoe de bezeten man gered was.
ἀπήγγειλαν
(apengeilan)
vertelden
δὲ
(de)
maar
αὐτοῖς
(autois)
hun
οἱ
(hoi)
zij die
ἰδόντες
(idontes)
gezien hadden
πῶς
(pos)
hoe
ἐσώθη
(esothe)
werd gered
ὁ
(ho)
de
δαιμονισθείς
(daimonistheis)
bezeten man
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐσώθη (esothe), ‘werd gered’: σῴζω (sozo) betekent hier ‘genezen, bevrijd worden’; zie 7:50.

37De hele menigte uit de omgeving van de Gerasenen vroeg Hem bij hen weg te gaan, want zij werden door grote vrees bevangen. Hij stapte in de boot en keerde terug.
καὶ
(kai)
en
ἠρώτησεν
(erotesen)
vroeg
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἅπαν
(hapan)
heel
τὸ
(to)
de
πλῆθος
(plethos)
menigte
τῆς
(tes)
van de
περιχώρου
(perichorou)
omgeving
τῶν
(ton)
van de
Γερασηνῶν
(Gerasenon)
Gerasenen
ἀπελθεῖν
(apelthein)
weg te gaan
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
ὅτι
(hoti)
omdat
φόβῳ
(phobo)
met vrees
μεγάλῳ
(megalo)
grote
συνείχοντο
(syneichonto)
zij werden bevangen
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
δὲ
(de)
maar
ἐμβὰς
(embas)
gestapt
εἰς
(eis)
in
πλοῖον
(ploion)
boot
ὑπέστρεψεν
(hypestrepsen)
keerde terug
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Gebied van de Gerasenen (Kursi?; ligging onzeker): Gerasa (Jerash) ligt ver van het meer; daarom wordt voor dit gebied vaak gedacht aan Kursi (el-Koursi), aan de oostkust van het meer van Galilea.

Matteüs 8:28 heeft ‘Gadarenen’.

De precieze plek is niet zeker.

38De man uit wie de demonen waren uitgegaan, smeekte Hem dat hij bij Hem mocht zijn. Maar Hij stuurde hem weg met de woorden:
ἐδεῖτο
(edeito)
smeekte
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ὁ
(ho)
de
ἀνὴρ
(aner)
man
ἀφ’
(aph’)
uit
οὗ
(hou)
wie
ἐξεληλύθει
(exelelythei)
waren uitgegaan
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
εἶναι
(einai)
te zijn
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἀπέλυσεν
(apelysen)
stuurde weg
δὲ
(de)
maar
αὐτὸν
(auton)
hem
λέγων
(legon)
zeggend
Bron: SBLGNT
39„Keer terug naar je huis en vertel hoeveel Elohim voor je gedaan heeft.” De man ging weg en verkondigde door de hele stad hoeveel Yeshua voor hem gedaan had.
Ὑπόστρεφε
(Hypostrephe)
keer terug
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκόν
(oikon)
huis
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
διηγοῦ
(diegou)
vertel
ὅσα
(hosa)
hoeveel
σοι
(soi)
voor je
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθεν
(apelthen)
hij ging weg
καθ’
(kath’)
door
ὅλην
(holen)
heel
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
κηρύσσων
(kerysson)
verkondigend
ὅσα
(hosa)
hoeveel
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
αὐτῷ
(auto)
voor hem
ὁ
(ho)
(de)
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg

Yeshua zegt dat de man moet vertellen wat Elohim voor hem gedaan heeft; de man verkondigt wat Yeshua voor hem gedaan heeft.

Jaïrus vraagt om hulp

40Toen Yeshua terugkeerde, werd Hij door de menigte ontvangen, want allen wachtten op Hem.
Ἐν
(En)
bij
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
het
ὑποστρέφειν
(hypostrephein)
terugkeren
τὸν
(ton)
(de)
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἀπεδέξατο
(apedexato)
ontving
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ἦσαν
(esan)
waren
γὰρ
(gar)
want
πάντες
(pantes)
allen
προσδοκῶντες
(prosdokontes)
wachtend op
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
41En zie: er kwam een man, Jaïrus genaamd, die synagogeleider was. Jaïrus viel aan de voeten van Yeshua neer en smeekte Hem in zijn huis te komen,
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἦλθεν
(elthen)
kwam
ἀνὴρ
(aner)
man
ᾧ
(ho)
wiens
ὄνομα
(onoma)
naam
Ἰάϊρος
(Iairos)
Jaïrus
καὶ
(kai)
en
οὗτος
(houtos)
deze
ἄρχων
(archon)
leider
τῆς
(tes)
van de
συναγωγῆς
(synagoges)
synagoge
ὑπῆρχεν
(hyperchen)
was
καὶ
(kai)
en
πεσὼν
(peson)
gevallen
παρὰ
(para)
aan
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
τοῦ
(tou)
van
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
παρεκάλει
(parekalei)
smeekte
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄρχων τῆς συναγωγῆς (archon tes synagoges), ‘leider van de synagoge’: wij schrijven ‘synagogeleider’, zoals bij ἀρχισυνάγωγος in 8:49 en Mark. 5:22.

Zie ook Matt. 9:18–26; Mark. 5:21–43.

42want hij had een enige dochter van ongeveer twaalf jaar, en zij lag op sterven. Terwijl Hij heenging, verdrongen de menigten Hem.
ὅτι
(hoti)
want
θυγάτηρ
(thygater)
dochter
μονογενὴς
(monogenes)
enige
ἦν
(en)
was
αὐτῷ
(auto)
hem
ὡς
(hos)
ongeveer
ἐτῶν
(eton)
van jaren
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
καὶ
(kai)
en
αὐτὴ
(aute)
zij
ἀπέθνῃσκεν
(apethnesken)
lag op sterven
Ἐν
(En)
bij
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
het
ὑπάγειν
(hypagein)
gaan
αὐτὸν
(auton)
Hij
οἱ
(hoi)
de
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
συνέπνιγον
(synepnigon)
verdrongen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

συμπνίγω (sympnigo), ‘verdringen’: letterlijk ‘samen verstikken’; hetzelfde werkwoord staat in 8:14, ‘worden verstikt’.

De vrouw met de bloedvloeiing

43Er was een vrouw die al twaalf jaar een bloedvloeiing had. Zij had haar hele levensonderhoud aan artsen uitgegeven en kon door niemand genezen worden.
καὶ
(kai)
en
γυνὴ
(gyne)
vrouw
οὖσα
(ousa)
zijnde
ἐν
(en)
in
ῥύσει
(rhysei)
vloeiing
αἵματος
(haimatos)
van bloed
ἀπὸ
(apo)
sinds
ἐτῶν
(eton)
jaren
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
ἥτις
(hetis)
die
ἰατροῖς
(iatrois)
aan artsen
προσαναλώσασα
(prosanalosasa)
uitgegeven hebbend
ὅλον
(holon)
heel
τὸν
(ton)
het
βίον
(bion)
levensonderhoud
οὐκ
(ouk)
niet
ἴσχυσεν
(ischysen)
kon
ἀπ’
(ap’)
door
οὐδενὸς
(oudenos)
niemand
θεραπευθῆναι
(therapeuthenai)
genezen worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Een vrouw met een langdurige bloedvloeiing was volgens de wet onrein, en wie haar aanraakte ook (Lev. 15:25–27). βίος (bios), ‘levensonderhoud’: wat iemand nodig heeft om van te leven.

Lezing

In sommige oude handschriften ontbreken de woorden ‘had haar hele levensonderhoud aan artsen uitgegeven’.

Wij volgen de SBLGNT.

44Zij kwam van achteren naar Hem toe en raakte de kwast van Zijn mantel aan. Meteen hield haar bloedvloeiing op.
προσελθοῦσα
(proselthousa)
naderend
ὄπισθεν
(opisthen)
van achteren
ἥψατο
(hepsato)
raakte aan
τοῦ
(tou)
de
κρασπέδου
(kraspedou)
kwast
τοῦ
(tou)
van de
ἱματίου
(himatiou)
mantel
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
παραχρῆμα
(parachrema)
meteen
ἔστη
(este)
hield op
ἡ
(he)
de
ῥύσις
(rhysis)
vloeiing
τοῦ
(tou)
van het
αἵματος
(haimatos)
bloed
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

κράσπεδον (kraspedon), ‘kwast’: de Israëlieten moesten kwasten maken aan de hoeken van hun kleren (Num. 15:38–39).

45Yeshua zei: „Wie heeft Mij aangeraakt?” Toen allen het ontkenden, zei Petrus: „Meester, de menigten drukken en dringen tegen U aan.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
(de)
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Τίς
(Tis)
wie
ὁ
(ho)
degene die
ἁψάμενός
(hapsamenos)
aanraakte
μου
(mou)
Mij
ἀρνουμένων
(arnoumenon)
ontkennend
δὲ
(de)
maar
πάντων
(panton)
allen
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
(de)
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Ἐπιστάτα
(Epistata)
Meester
οἱ
(hoi)
de
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
συνέχουσίν
(synechousin)
drukken
σε
(se)
U
καὶ
(kai)
en
ἀποθλίβουσιν
(apothlibousin)
dringen
Bron: SBLGNT
46Maar Yeshua zei: „Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb gemerkt dat er kracht uit Mij is uitgegaan.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἥψατό
(Hepsato)
heeft aangeraakt
μού
(mou)
Mij
τις
(tis)
iemand
ἐγὼ
(ego)
Ik
γὰρ
(gar)
want
ἔγνων
(egnon)
merkte
δύναμιν
(dynamin)
kracht
ἐξεληλυθυῖαν
(exelelythuian)
uitgegaan
ἀπ’
(ap’)
uit
ἐμοῦ
(emou)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

δύναμις (dynamis), ‘kracht’: ook ‘krachtige daad’.

47Toen de vrouw zag dat zij niet onopgemerkt gebleven was, kwam zij beevend naar voren en viel voor Hem neer. Ten overstaan van heel het volk vertelde zij waarom zij Hem aangeraakt had en hoe zij meteen genezen was.
ἰδοῦσα
(idousa)
ziende
δὲ
(de)
maar
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ὅτι
(hoti)
dat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔλαθεν
(elathen)
zij onopgemerkt bleef
τρέμουσα
(tremousa)
beevend
ἦλθεν
(elthen)
kwam
καὶ
(kai)
en
προσπεσοῦσα
(prospesousa)
neergevallen
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
δι’
(di’)
om
ἣν
(hen)
welke
αἰτίαν
(aitian)
reden
ἥψατο
(hepsato)
zij raakte aan
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἀπήγγειλεν
(apengeilen)
vertelde
ἐνώπιον
(enopion)
ten overstaan van
παντὸς
(pantos)
heel
τοῦ
(tou)
het
λαοῦ
(laou)
volk
καὶ
(kai)
en
ὡς
(hos)
hoe
ἰάθη
(iathe)
zij genezen werd
παραχρῆμα
(parachrema)
meteen
Bron: SBLGNT
48Hij zei tegen haar: „Dochter, je geloof heeft je gered. Ga in vrede.”
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῇ
(aute)
tot haar
Θυγάτηρ
(Thygater)
dochter
ἡ
(he)
het
πίστις
(pistis)
geloof
σου
(sou)
je
σέσωκέν
(sesoken)
heeft gered
σε
(se)
je
πορεύου
(poreuou)
ga
εἰς
(eis)
naar
εἰρήνην
(eirenen)
vrede
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Ga in vrede’ (πορεύου εἰς εἰρήνην, poreuou eis eirenen) is een afscheidsgroet; vergelijk 1 Sam. 1:17.

Zie ook1 Sam 1:17

De dochter van Jaïrus

49Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van de synagogeleider. Die zei: „Uw dochter is gestorven. Val de leraar niet meer lastig.”
Ἔτι
(Eti)
nog
αὐτοῦ
(autou)
Hij
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
ἔρχεταί
(erchetai)
komt
τις
(tis)
iemand
παρὰ
(para)
van
τοῦ
(tou)
de
ἀρχισυναγώγου
(archisynagogou)
synagogeleider
λέγων
(legon)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Τέθνηκεν
(Tethneken)
is gestorven
ἡ
(he)
de
θυγάτηρ
(thygater)
dochter
σου
(sou)
uw
μηκέτι
(meketi)
niet meer
σκύλλε
(skylle)
val lastig
τὸν
(ton)
de
διδάσκαλον
(didaskalon)
leraar
Bron: SBLGNT
50Toen Yeshua dit hoorde, antwoordde Hij hem: „Wees niet bang, geloof alleen, en zij zal gered worden.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
αὐτῷ
(auto)
hem
Μὴ
(Me)
niet
φοβοῦ
(phobou)
wees bang
μόνον
(monon)
alleen
πίστευσον
(pisteuson)
geloof
καὶ
(kai)
en
σωθήσεται
(sothesetai)
zij zal gered worden
Bron: SBLGNT
51Toen Hij bij het huis kwam, liet Hij niemand met Zich naar binnen gaan, behalve Petrus, Johannes en Jakobus, en de vader en de moeder van het meisje.
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
δὲ
(de)
maar
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφῆκεν
(apheken)
liet Hij toe
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
τινα
(tina)
iemand
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
καὶ
(kai)
en
Ἰάκωβον
(Iakobon)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
τῆς
(tes)
van het
παιδὸς
(paidos)
meisje
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
Bron: SBLGNT
52Allen huilden en rouwden om haar. Maar Hij zei: „Huil niet, want zij is niet gestorven, maar slaapt.”
ἔκλαιον
(eklaion)
huilden
δὲ
(de)
maar
πάντες
(pantes)
allen
καὶ
(kai)
en
ἐκόπτοντο
(ekoptonto)
rouwden
αὐτήν
(auten)
om haar
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Μὴ
(Me)
niet
κλαίετε
(klaiete)
huilt
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἀπέθανεν
(apethanen)
zij stierf
ἀλλὰ
(alla)
maar
καθεύδει
(katheudei)
zij slaapt
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόπτομαι (koptomai), ‘rouwen’: uit rouw op de borst slaan en weeklagen; zie Matt. 11:17.

Yeshua zegt ‘zij slaapt’; zij lachten Hem uit omdat zij wisten dat zij gestorven was (8:53).

Zie ookMat 11:17
53Zij lachten Hem uit, omdat zij wisten dat zij gestorven was.
καὶ
(kai)
en
κατεγέλων
(kategelon)
lachten uit
αὐτοῦ
(autou)
Hem
εἰδότες
(eidotes)
wetend
ὅτι
(hoti)
dat
ἀπέθανεν
(apethanen)
zij stierf
Bron: SBLGNT
54Maar Hij nam haar bij de hand en riep: „Meisje, sta op!”
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
δὲ
(de)
maar
κρατήσας
(kratesas)
vastgepakt hebbend
τῆς
(tes)
de
χειρὸς
(cheiros)
hand
αὐτῆς
(autes)
haar
ἐφώνησεν
(ephonesen)
riep
λέγων
(legon)
zeggend
Ἡ
(He)
het
παῖς
(pais)
meisje
ἔγειρε
(egeire)
sta op
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἡ παῖς (he pais), ‘het meisje’: letterlijk ‘het kind’.

Markus heeft hier het Aramese Talitha koem (Mark. 5:41); Lucas heeft Grieks.

Zie ookMar 5:41
55Haar geest keerde terug en zij stond meteen op. Hij gaf opdracht haar te eten te geven.
καὶ
(kai)
en
ἐπέστρεψεν
(epestrepsen)
keerde terug
τὸ
(to)
de
πνεῦμα
(pneuma)
geest
αὐτῆς
(autes)
haar
καὶ
(kai)
en
ἀνέστη
(aneste)
stond op
παραχρῆμα
(parachrema)
meteen
καὶ
(kai)
en
διέταξεν
(dietaxen)
gaf opdracht
αὐτῇ
(aute)
haar
δοθῆναι
(dothenai)
te geven
φαγεῖν
(phagein)
te eten
Bron: SBLGNT
Uitleg

πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: het woord betekent ook ‘adem, wind’.

Hier is het haar levensgeest; wij schrijven ‘geest’ met een kleine letter.

56Haar ouders waren buiten zichzelf. Hij gebood hun aan niemand te vertellen wat er gebeurd was.
καὶ
(kai)
en
ἐξέστησαν
(exestesan)
waren buiten zichzelf
οἱ
(hoi)
de
γονεῖς
(goneis)
ouders
αὐτῆς
(autes)
haar
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
παρήγγειλεν
(parengeilen)
gebood
αὐτοῖς
(autois)
hun
μηδενὶ
(medeni)
aan niemand
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
τὸ
(to)
het
γεγονός
(gegonos)
gebeurde
Bron: SBLGNT