Elohim Bijbel

Jesaja 37

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Jesaja, Sanherib en de engel van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Hizkia gaat naar het huis van Yahweh

1Toen koning Hizkia het hoorde, scheurde hij zijn kleren. Hij bedekte zich met een rouwkleed en ging het huis van Yahweh binnen.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֨עַ֙
(kishmoa)
toen hoorde
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חִזְקִיָּ֔הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
וַיִּקְרַ֖ע
(vayiqra)
en scheurde
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֑יו
(begadav)
zijn kleren
וַיִּתְכַּ֣ס
(vayitkas)
en bedekte zich
בַּשָּׂ֔ק
(basaq)
met een rouwkleed
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en ging
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: grove kleding als teken van rouw, zoals in 1 Kon. 21:27.

Hizkia scheurt zijn kleren, zoals de mannen in 2 Kon. 18:37.

Jes. 36–39 vertelt dezelfde geschiedenis als 2 Kon. 18:13–20:19. Waar het Hebreeuws gelijk is, is onze Nederlandse tekst gelijk aan die van 2 Kon. 19 en 20. Zie ook 2 Kron. 32:9–23.

Hizkia stuurt naar Jesaja

2Hij stuurde Eljakim, die over het huis was, Sjebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters naar Jesaja, de zoon van Amoz, de profeet. Zij waren bedekt met rouwkleden.
וַ֠יִּשְׁלַח
(vayishlach)
en stuurde
אֶת
(et)
(obj.)
אֶלְיָקִ֨ים
(elyaqim)
Eljakim
אֲשֶׁר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַבַּ֜יִת
(habayit)
het huis
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שֶׁבְנָ֣א
(shevna)
Sjebna
הַסּוֹפֵ֗ר
(hasofer)
de schrijver
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
הַכֹּהֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
מִתְכַּסִּ֖ים
(mitkasim)
bedekt
בַּשַּׂקִּ֑ים
(basaqim)
met rouwkleden
אֶל
(el)
naar
יְשַֽׁעְיָ֥הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶן
(ben)
zoon van
אָמ֖וֹץ
(amots)
Amoz
הַנָּבִֽיא
(hanavi)
de profeet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: de profeet.

Zijn vader heet אָמוֹץ (Amots), ‘Amoz’.

Dat is niet dezelfde naam als die van de profeet Amos.

Eljakim en Sjebna komen ook voor in Jes. 22:15–25.

In 2 Kon. 19:2 staat ‘de profeet’ vóór ‘de zoon van Amoz’; hier staat het erachter. De betekenis is gelijk.

3Zij zeiden tegen hem: „Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van nood, van terechtwijzing en van smaad. Want kinderen zijn tot aan de geboorte gekomen, maar er is geen kracht om te baren.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
חִזְקִיָּ֔הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
יוֹם
(yom)
dag van
צָרָ֧ה
(tsara)
nood
וְתוֹכֵחָ֛ה
(vetokhecha)
en terechtwijzing
וּנְאָצָ֖ה
(uneatsa)
en smaad
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּ֣י
(ki)
want
בָ֤אוּ
(bau)
zijn gekomen
בָנִים֙
(banim)
kinderen
עַד
(ad)
tot
מַשְׁבֵּ֔ר
(mashber)
de geboortestoel
וְכֹ֥חַ
(vekhoach)
en kracht
אַ֖יִן
(ayin)
er is niet
לְלֵדָֽה
(leleda)
om te baren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַשְׁבֵּר (mashber), ‘geboortestoel’: de plek waar een kind geboren wordt.

Het beeld: de kinderen zijn aan de geboorte toe, maar de moeder heeft geen kracht meer.

Zo staat het volk machteloos.

תוֹכֵחָה (tokhechah), ‘terechtwijzing’, en נְאָצָה (ne’atsah), ‘smaad’: een dag waarop Elohim terechtwijst en het volk gehoond wordt.

4Misschien hoort Yahweh, jouw Elohim, de woorden van de Rabsake, die zijn heer, de koning van Assyrië, heeft gestuurd om de levende Elohim te smaden. Misschien straft Hij om de woorden die Yahweh, jouw Elohim, heeft gehoord. Doe dan een gebed opgaan voor het overblijfsel dat nog gevonden wordt.”
אוּלַ֡י
(ulay)
misschien
יִשְׁמַע֩
(yishma)
hoort
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֗ה
(shaqe)
de schenkers
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
שְׁלָח֨וֹ
(shelacho)
stuurde hem
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֤וּר
(ashur)
Assyrië
אֲדֹנָיו֙
(adonav)
zijn heer
לְחָרֵף֙
(lecharef)
om te smaden
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
Elohim
חַ֔י
(chay)
levende
וְהוֹכִ֨יחַ֙
(vehokhiach)
en Hij zal terechtwijzen
בַּדְּבָרִ֔ים
(badevarim)
om de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁמַ֖ע
(shama)
hoorde
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
וְנָשָׂ֣אתָ
(venasata)
en doe opgaan
תְפִלָּ֔ה
(tefila)
een gebed
בְּעַ֥ד
(bead)
ten behoeve van
הַשְּׁאֵרִ֖ית
(hasheerit)
het overblijfsel
הַנִּמְצָאָֽה
(hanimtsaa)
dat gevonden wordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

רַבְשָׁקֵה (Rav-shaqeh), ‘Rabsake’: letterlijk ‘overste van de schenkers’.

Het is een titel.

Wij gebruiken hem als naam, zoals in 2 Kon. 18:17.

שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overblijfsel’: wie van Juda nog over is nadat Sanherib de steden heeft ingenomen.

הוֹכִיחַ (hokhiach), ‘terechtwijzen, straffen’: het Hebreeuws noemt geen voorwerp. Wij laten dat zo.

Anders dan 2 Kon. 19:4 heeft Jesaja hier niet het woord ‘alle’: ‘de woorden van de Rabsake’.

5De dienaren van koning Hizkia kwamen bij Jesaja.
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en kwamen
עַבְדֵ֛י
(avdei)
dienaren van
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
אֶל
(el)
naar
יְשַׁעְיָֽהוּ
(yeshayahu)
Jesaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het antwoord van Jesaja

6Jesaja zei tegen hen: „Zo moeten jullie zeggen tegen jullie heer. Zo zegt Yahweh: ‘Wees niet bang voor de woorden die je hebt gehoord. De jongens van de koning van Assyrië hebben Mij ermee gelasterd.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
יְשַֽׁעְיָ֔הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תֹאמְר֖וּן
(tomrun)
moeten jullie zeggen
אֶל
(el)
tegen
אֲדֹנֵיכֶ֑ם
(adoneikhem)
jullie heer
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
מִפְּנֵ֤י
(mipenei)
voor
הַדְּבָרִים֙
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁמַ֔עְתָּ
(shamata)
je hoorde
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waarmee
גִּדְּפ֛וּ
(gidefu)
hebben gelasterd
נַעֲרֵ֥י
(naarei)
de jongens van
מֶלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
אוֹתִֽי
(oti)
Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

Jesaja spreekt hier namens Yahweh.

Zijn woorden zijn niet rood maar zwart, net als in 2 Kon. 19:6: een profeet brengt het woord van Yahweh door.

De woorden van Yahweh staan tussen enkele aanhalingstekens.

נְעָרִים (ne’arim), ‘jongens’: de dienaren van de koning van Assyrië.

7Zie, Ik geef een geest in hem. Hij zal een bericht horen en terugkeren naar zijn land. En Ik laat hem door het zwaard vallen in zijn land.’”
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
נוֹתֵ֥ן
(noten)
geef
בּוֹ֙
(bo)
in hem
ר֔וּחַ
(ruach)
een geest
וְשָׁמַ֥ע
(veshama)
en hij zal horen
שְׁמוּעָ֖ה
(shemua)
een bericht
וְשָׁ֣ב
(veshav)
en zal terugkeren
אֶל
(el)
naar
אַרְצ֑וֹ
(artso)
zijn land
וְהִפַּלְתִּ֥יו
(vehipaltiv)
en Ik zal hem doen vallen
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
בְּאַרְצֽוֹ
(beartso)
in zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘geest’: het woord kan ook ‘wind’, ‘adem’ of ‘gezindheid’ betekenen.

Wij schrijven ‘een geest’, zoals het staat.

Wat hier wordt aangekondigd, gebeurt in vers 36–38.

De brief van Sanherib

8De Rabsake keerde terug en vond de koning van Assyrië strijdend tegen Libna. Want hij had gehoord dat de koning uit Lachis was vertrokken.
וַיָּ֨שָׁב֙
(vayashav)
en keerde terug
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֔ה
(shaqe)
de schenkers
וַיִּמְצָא֙
(vayimtsa)
en vond
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
נִלְחָ֖ם
(nilcham)
strijdend
עַל
(al)
tegen
לִבְנָ֑ה
(livna)
Libna
כִּ֣י
(ki)
want
שָׁמַ֔ע
(shama)
hij had gehoord
כִּ֥י
(ki)
dat
נָסַ֖ע
(nasa)
hij was vertrokken
מִלָּכִֽישׁ
(milakhish)
uit Lachis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela.

Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker.

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Uitleg

Libna lag in de Sefela, in het zuidwesten van Juda (Joz. 10:29).

De precieze ligging is onzeker.

Lachis staat bij 2 Kon. 18:14.

Lezing

Het Hebreeuws zegt ‘want hij had gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken’.

Wij noemen ‘de koning’, zodat duidelijk is wie er vertrokken was.

9Hij hoorde over Tirhaka, de koning van Kush, zeggen: „Hij is uitgetrokken om tegen u te strijden.” Toen hij dat hoorde, stuurde hij boden naar Hizkia met de woorden:
וַיִּשְׁמַ֗ע
(vayishma)
en hij hoorde
עַל
(al)
over
תִּרְהָ֤קָה
(tirhaqa)
Tirhaka
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
כּוּשׁ֙
(kush)
Kush
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יָצָ֖א
(yatsa)
hij is uitgetrokken
לְהִלָּחֵ֣ם
(lehilachem)
om te strijden
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
tegen u
וַיִּשְׁמַע֙
(vayishma)
en hij hoorde
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.

Uitleg

תִּרְהָקָה (Tirhaqah), ‘Tirhaka’: koning van Kush.

Kush ligt ten zuiden van Egypte, in het gebied van het huidige Soedan.

In de Egyptische bronnen heet hij Taharqa.

Lezing

2 Kon. 19:9 heeft ‘Zie, hij is uitgetrokken’ en ‘hij keerde terug en stuurde boden’.

Jesaja heeft geen ‘zie’ en zegt twee keer ‘hij hoorde’.

Wij vertalen: ‘Toen hij dat hoorde, stuurde hij boden.’

10„Zo moeten jullie zeggen tegen Hizkia, de koning van Juda. Laat je Elohim, op wie je vertrouwt, je niet misleiden met de woorden: ‘Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië worden gegeven.’
כֹּ֣ה
(ko)
zo
תֹאמְר֗וּן
(tomrun)
moeten jullie zeggen
אֶל
(el)
tegen
חִזְקִיָּ֤הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אַל
(al)
niet
יַשִּֽׁאֲךָ֣
(yashiakha)
laat misleiden
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
op wie
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
בּוֹטֵ֥חַ
(boteach)
vertrouwt
בּ֖וֹ
(bo)
op Hem
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לֹ֤א
(lo)
niet
תִנָּתֵן֙
(tinaten)
zal worden gegeven
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בְּיַ֖ד
(beyad)
in de hand van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

Sanherib stuurt boden met een tweede boodschap.

Ook hier staat de formule van een bode: ‘Zo moeten jullie zeggen’.

Het Hebreeuws gebruikt het woord ‘vertrouwen’ weer (בָּטַח, batach), zoals in 2 Kon. 18:5.

11Zie, jij hebt gehoord wat de koningen van Assyrië met alle landen hebben gedaan: zij hebben ze met de ban geslagen. En jij zou gered worden?
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
שָׁמַ֗עְתָּ
(shamata)
heb je gehoord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
עָשׂ֜וּ
(asu)
hebben gedaan
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
de koningen van
אַשּׁ֛וּר
(ashur)
Assyrië
לְכָל
(lekhal)
met alle
הָאֲרָצ֖וֹת
(haaratsot)
de landen
לְהַחֲרִימָ֑ם
(lehacharimam)
door hen met de ban te slaan
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
תִּנָּצֵֽל
(tinatsel)
zou je gered worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

לְהַחֲרִימָם (lehacharimam), ‘hen met de ban slaan’: de ban (cherem) betekent dat iets volledig vernietigd wordt.

Zie ook Joz. 6:17.

12Hebben de goden van de volken hen gered, die mijn vaders hebben verwoest: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren?
הַהִצִּ֨ילוּ
(hahitsilu)
hebben gered
אוֹתָ֜ם
(otam)
hen
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de goden van
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִשְׁחִ֣יתוּ
(hishchitu)
verwoestten
אֲבוֹתַ֔י
(avotay)
mijn vaders
אֶת
(et)
(obj.)
גּוֹזָ֖ן
(gozan)
Gozan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חָרָ֑ן
(charan)
Haran
וְרֶ֥צֶף
(veretsef)
en Rezef
וּבְנֵי
(uvenei)
en de zonen van
עֶ֖דֶן
(eden)
Eden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בִּתְלַשָּֽׂר
(bitlasar)
in Telassar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gozan (Tell Halaf): Gozan lag aan de Chabor, bij het huidige Tell Halaf, in het noordoosten van Syrië.

Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië.

Zie Rezef (Rusafa): Rezef wordt gezocht bij Rusafa, ten zuiden van de Eufraat, in Syrië.

Uitleg

Gozan ligt aan de Chabor, in het noordoosten van het huidige Syrië.

Haran ligt in het zuidoosten van het huidige Turkije; het is de stad uit Gen. 11:31.

Rezef ligt waarschijnlijk bij het huidige Rusafa in Syrië.

Telassar is onzeker, ergens in Mesopotamië.

בְּנֵי עֶדֶן (bene Eden), ‘de zonen van Eden’: een volk in Mesopotamië. Dit is niet de tuin van Eden uit Gen. 2:8.

Jesaja schrijft Telassar zonder de letter alef (תלשר); 2 Kon. 19:12 heeft תלאשר.

13Waar is de koning van Chamat, de koning van Arpad en de koning van de stad Sefarwaïm, van Hena en Iwwa?”
אַיֵּ֤ה
(aye)
waar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
חֲמָת֙
(chamat)
Chamat
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en de koning van
אַרְפָּ֔ד
(arpad)
Arpad
וּמֶ֖לֶךְ
(umelekh)
en de koning
לָעִ֣יר
(lair)
van de stad
סְפַרְוָ֑יִם
(sefarvayim)
Sefarwaïm
הֵנַ֖ע
(hena)
Hena
וְעִוָּֽה
(veiva)
en Iwwa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië.

Uitleg

Chamat (het huidige Hama in Syrië) en Arpad (bij het huidige Tell Rifaat in Syrië) staan ook bij 2 Kon. 18:34.

De ligging van Sefarwaïm, Hena en Iwwa is onzeker.

Het gebed van Hizkia

14Hizkia nam de brieven uit de hand van de boden en las ze. Hij ging op naar het huis van Yahweh. Hizkia spreidde ze uit voor het aangezicht van Yahweh.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
חִזְקִיָּ֧הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
אֶת
(et)
(obj.)
הַסְּפָרִ֛ים
(hasefarim)
de brieven
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
הַמַּלְאָכִ֖ים
(hamalakhim)
de boden
וַיִּקְרָאֵ֑הוּ
(vayiqraehu)
en las het
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en ging op
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּפְרְשֵׂ֥הוּ
(vayifresehu)
en spreidde het uit
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hizkia brengt de brieven naar het huis van Yahweh en legt ze voor Yahweh neer.

Daarna bidt hij.

Lezing

Het Hebreeuws heeft ‘de brieven’ (meervoud) en daarna ‘hij las het’ en ‘hij spreidde het uit’ (enkelvoud).

Wij vertalen beide met het meervoud: ‘ze’.

In 2 Kon. 19:14 staat ‘las ze’ (meervoud) en ‘spreidde het uit’.

15Hizkia bad tot Yahweh. Hij zei:
וַיִּתְפַּלֵּל֙
(vayitpalel)
en bad
חִזְקִיָּ֔הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jesaja maakt van de aanhef van het gebed een eigen vers.

Daardoor loopt de telling vanaf hier een vers vooruit op 2 Kon. 19: Jes. 37:16 is 2 Kon. 19:15, Jes. 37:21 is 2 Kon. 19:20, enzovoort.

16„Yahweh van de legermachten, Elohim van Israël, die troont op de cherubs, U alleen bent de Elohim over alle koninkrijken van de aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt.
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
die troont
הַכְּרֻבִ֔ים
(hakeruvim)
op de cherubs
אַתָּה
(ata)
U
ה֤וּא
(hu)
bent Hij
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
de Elohim
לְבַדְּךָ֔
(levadekha)
U alleen
לְכֹ֖ל
(lekhol)
over alle
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
אַתָּ֣ה
(ata)
U
עָשִׂ֔יתָ
(asita)
hebt gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jesaja heeft hier ‘Yahweh van de legermachten’ (zie Jes. 1:9); 2 Kon. 19:15 heeft alleen ‘Yahweh, Elohim van Israël’.

יֹשֵׁב הַכְּרֻבִים (yoshev hakeruvim), ‘die troont op de cherubs’: zoals in 1 Sam. 4:4. De cherubs staan op de ark; Yahweh spreekt van boven het verzoendeksel (Exod. 25:22).

אַתָּה הוּא הָאֱלֹהִים (attah hu ha’Elohim), ‘U bent de Elohim’: met lidwoord, zoals in Deut. 4:35.

17Neig Uw oor, Yahweh, en hoor. Open Uw oog, Yahweh, en zie. Hoor alle woorden van Sanherib, die hij heeft gestuurd om de levende Elohim te smaden.
הַטֵּ֨ה
(hate)
neig
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אָזְנְךָ֙
(azenekha)
Uw oor
וּֽשְׁמָ֔ע
(ushema)
en hoor
פְּקַ֧ח
(peqach)
open
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עֵינֶ֖ךָ
(einekha)
Uw oog
וּרְאֵ֑ה
(uree)
en zie
וּשְׁמַ֗ע
(ushema)
en hoor
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
סַנְחֵרִ֔יב
(sancheriv)
Sanherib
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁלַ֔ח
(shalach)
hij heeft gestuurd
לְחָרֵ֖ף
(lecharef)
om te smaden
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
חָֽי
(chay)
levende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Jesaja heeft ‘Uw oog’ (enkelvoud); 2 Kon. 19:16 heeft ‘Uw ogen’.

Jesaja heeft ook ‘alle woorden’ en ‘die hij heeft gestuurd’; 2 Kon. 19:16 heeft ‘de woorden’ en ‘die hem heeft gestuurd’.

18Het is waar, Yahweh: de koningen van Assyrië hebben alle landen en hun land verwoest.
אָמְנָ֖ם
(amenam)
waarlijk
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הֶחֱרִ֜יבוּ
(hecherivu)
hebben verwoest
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
de koningen van
אַשּׁ֛וּר
(ashur)
Assyrië
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָאֲרָצ֖וֹת
(haaratsot)
de landen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַרְצָֽם
(artsam)
hun land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

2 Kon. 19:17 zegt ‘de volken en hun land’.

Jesaja zegt ‘alle landen en hun land’.

Wij vertalen wat er staat.

19Zij hebben hun goden in het vuur geworpen. Want zij waren geen goden, maar slechts het werk van mensenhanden: hout en steen. Zij hebben ze vernietigd.
וְנָתֹ֥ן
(venaton)
en hebben geworpen
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵיהֶ֖ם
(eloheihem)
hun goden
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
in het vuur
כִּי֩
(ki)
want
לֹ֨א
(lo)
niet
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
goden
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
slechts
מַעֲשֵׂ֧ה
(maase)
werk van
יְדֵֽי
(yedei)
handen van
אָדָ֛ם
(adam)
mensen
עֵ֥ץ
(ets)
hout
וָאֶ֖בֶן
(vaeven)
en steen
וַֽיְאַבְּדֽוּם
(vayabedum)
en zij vernietigden ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hizkia zegt dat de goden van de volken geen echte goden zijn, maar ‘werk van mensenhanden, hout en steen’.

Zo ook in Deut. 4:28.

20Nu dan, Yahweh, onze Elohim, red ons uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U Yahweh bent, U alleen.”
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הוֹשִׁיעֵ֖נוּ
(hoshienu)
red ons
מִיָד֑וֹ
(miyado)
uit zijn hand
וְיֵֽדְעוּ֙
(veyedeu)
en zullen weten
כָּל
(kal)
alle
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
כִּֽי
(ki)
dat
אַתָּ֥ה
(ata)
U
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְבַדֶּֽךָ
(levadekha)
U alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk 1 Kon. 8:60: ‘zodat alle volken van de aarde weten dat Yahweh de Elohim is’.

Lezing

Jesaja heeft hier niet het woord ‘Elohim’ achter ‘U, Yahweh’: ‘dat U Yahweh bent, U alleen’. 2 Kon. 19:19 heeft ‘U, Yahweh, Elohim bent’.

Jesaja heeft ook niet het woordje ‘toch’ bij ‘red ons’.

Yahweh antwoordt door Jesaja

21Jesaja, de zoon van Amoz, stuurde een boodschap naar Hizkia. Hij zei: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Wat je tot Mij hebt gebeden over Sanherib, de koning van Assyrië:
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en stuurde
יְשַֽׁעְיָ֣הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶן
(ben)
zoon van
אָמ֔וֹץ
(amots)
Amoz
אֶל
(el)
naar
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר֙
(asher)
wat
הִתְפַּלַּ֣לְתָּ
(hitpalalta)
je hebt gebeden
אֵלַ֔י
(elay)
tot Mij
אֶל
(el)
over
סַנְחֵרִ֖יב
(sancheriv)
Sanherib
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

סַנְחֵרִיב (Sancherev), ‘Sanherib’: hier staat de naam met de letter yod.

In 2 Kon. 19:20 staat hij zonder yod.

Het is dezelfde koning.

Jesaja’s woorden zijn de woorden van een profeet die Yahweh citeert. Daarom zijn ze zwart. De woorden van Yahweh staan tussen enkele aanhalingstekens. Het gedeelte tot en met vers 35 is één lange boodschap van Jesaja.

Lezing

Jesaja heeft hier niet de woorden ‘heb Ik gehoord’ (2 Kon. 19:20).

Het Hebreeuws zet ‘wat je tot Mij hebt gebeden over Sanherib’ vooraan, en vers 22 geeft het antwoord.

Wij laten de zin zo staan.

Het spotlied op Sanherib

22dit is het woord dat Yahweh over hem heeft gesproken. De maagd, de dochter van Sion, veracht je en bespot je. Achter je rug schudt de dochter van Jeruzalem het hoofd.
זֶ֣ה
(ze)
dit
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלָ֑יו
(alav)
over hem
בָּזָ֨ה
(baza)
zij veracht
לְךָ֜
(lekha)
jou
לָעֲגָ֣ה
(laaga)
zij bespot
לְךָ֗
(lekha)
jou
בְּתוּלַת֙
(betulat)
de maagd
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
אַחֲרֶ֨יךָ֙
(achareikha)
achter je rug
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd
הֵנִ֔יעָה
(henia)
zij schudt
בַּ֖ת
(bat)
dochter van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Vanaf vers 22 volgt een gedicht, een spotlied op Sanherib.

Het loopt tot en met vers 29.

בְּתוּלַת בַּת צִיּוֹן (betulat bat Tsiyyon), ‘de maagd, de dochter van Sion’: een beeld voor Jeruzalem als een jonge vrouw.

Het hoofd schudden is een teken van spot.

23Wie heb je gehoond en gelasterd? Tegen wie heb je je stem verheven en je ogen hoog geheven? Tegen de Heilige van Israël!
אֶת
(et)
(obj.)
מִ֤י
(mi)
wie
חֵרַ֨פְתָּ֙
(cherafta)
heb je gehoond
וְגִדַּ֔פְתָּ
(vegidafta)
en gelasterd
וְעַל
(veal)
en tegen
מִ֖י
(mi)
wie
הֲרִימ֣וֹתָה
(harimota)
heb je verheven
קּ֑וֹל
(qol)
stem
וַתִּשָּׂ֥א
(vatisa)
en je hief op
מָר֛וֹם
(marom)
omhoog
עֵינֶ֖יךָ
(eineikha)
je ogen
אֶל
(el)
tegen
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een naam voor Yahweh, zoals in Ps. 71:22.

24Door je dienaren heb je mijn Heer gehoond. Je hebt gezegd: „Met de menigte van mijn wagens ben ik de hoogte van de bergen opgetrokken, de uiterste hoeken van de Libanon. Ik hak zijn hoogste cederen om, zijn beste cypressen. Ik kom bij zijn uiterste hoogte, het woud van zijn boomgaard.
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
עֲבָדֶיךָ֮
(avadeikha)
je dienaren
חֵרַ֣פְתָּ
(cherafta)
heb je gehoond
אֲדֹנָי֒
(adonay)
mijn Heer
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en je zei
בְּרֹ֥ב
(berov)
met de menigte van
רִכְבִּ֛י
(rikhbi)
mijn wagens
אֲנִ֥י
(ani)
ik
עָלִ֛יתִי
(aliti)
ben opgetrokken
מְר֥וֹם
(merom)
hoogte van
הָרִ֖ים
(harim)
bergen
יַרְכְּתֵ֣י
(yarketei)
uiterste hoeken van
לְבָנ֑וֹן
(levanon)
Libanon
וְאֶכְרֹ֞ת
(veekhrot)
en ik zal omhakken
קוֹמַ֤ת
(qomat)
hoogte van
אֲרָזָיו֙
(arazav)
zijn cederen
מִבְחַ֣ר
(mivchar)
beste van
בְּרֹשָׁ֔יו
(beroshav)
zijn cypressen
וְאָבוֹא֙
(veavo)
en ik zal komen
מְר֣וֹם
(merom)
hoogte van
קִצּ֔וֹ
(qitso)
zijn uiterste
יַ֖עַר
(yaar)
woud van
כַּרְמִלּֽוֹ
(karmilo)
zijn boomgaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.

Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: zoals bij 1 Kon. 3:10.

Het is hier de aanspreektitel van Yahweh.

כַּרְמֶל (Karmel), ‘boomgaard’: het woord is ook de naam van een berg. Hier gaat het om een vruchtbaar woud.

Vanaf ‘Met de menigte’ spreekt Sanherib. Zijn woorden zijn een citaat binnen het citaat van Yahweh, dat weer binnen Jesaja’s boodschap staat. Wij zetten ze daarom tussen „ ”, op het derde niveau.

Lezing

Jesaja heeft ‘je dienaren’ (עֲבָדֶיךָ). 2 Kon. 19:23 heeft ‘je boden’.

Jesaja heeft ook ‘ik kom bij de hoogte van zijn uiterste’ (מְרוֹם קִצּוֹ); 2 Kon. 19:23 heeft ‘ik kom bij zijn verste verblijfplaats’.

25Ik heb gegraven en water gedronken. Met de zool van mijn voeten droog ik alle Nijlarmen van Egypte uit.”
אֲנִ֥י
(ani)
ik
קַ֖רְתִּי
(qarti)
heb gegraven
וְשָׁתִ֣יתִי
(veshatiti)
en gedronken
מָ֑יִם
(mayim)
water
וְאַחְרִב֙
(veachriv)
en ik zal droogleggen
בְּכַף
(bekhaf)
met de zool van
פְּעָמַ֔י
(peamay)
mijn voeten
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְאֹרֵ֥י
(yeorei)
Nijlarmen van
מָצֽוֹר
(matsor)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מָצוֹר (matsor), ‘Egypte’: een andere vorm van de naam Mitsrayim.

Het kan ook ‘bolwerk’ betekenen.

Wij vertalen ‘Egypte’, de gangbare opvatting.

Dat is onzeker.

יְאֹרֵי (ye’orei), ‘Nijlarmen’: de kanalen en armen van de Nijl.

Lezing

Jesaja heeft niet het woord ‘vreemde’ bij ‘wateren’. 2 Kon. 19:24 heeft ‘vreemde wateren’.

26Heb je niet gehoord? Van lang geleden heb Ik het gedaan, van de dagen van vroeger heb Ik het gevormd. Nu heb Ik het laten komen. Het diende om versterkte steden tot hopen puin te maken.
הֲלֽוֹא
(halo)
is het niet
שָׁמַ֤עְתָּ
(shamata)
heb je gehoord
לְמֵֽרָחוֹק֙
(lemerachoq)
van ver
אוֹתָ֣הּ
(otah)
het
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
heb Ik gedaan
מִ֥ימֵי
(mimei)
van de dagen van
קֶ֖דֶם
(qedem)
vroeger
וִיצַרְתִּ֑יהָ
(vitsartiha)
en Ik heb het gevormd
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
הֲבֵאתִ֔יהָ
(havetiha)
heb Ik het laten komen
וּתְהִ֗י
(utehi)
en het werd
לְהַשְׁא֛וֹת
(lehashot)
om te verwoesten
גַּלִּ֥ים
(galim)
hopen
נִצִּ֖ים
(nitsim)
puin
עָרִ֥ים
(arim)
steden
בְּצֻרֽוֹת
(betsurot)
versterkte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וַתְּהִי (vattehi), ‘en het werd’: het Hebreeuws is hier moeilijk.

Het werkwoord staat in het vrouwelijk enkelvoud en de zin heeft geen duidelijk onderwerp.

Wij lezen: ‘Het diende om versterkte steden tot hopen puin te maken.’

Dat past bij wat Yahweh zegt: Hij heeft Sanherib gebruikt.

Jesaja schrijft להשאות (lehash’ot), ‘te verwoesten’; 2 Kon. 19:25 schrijft להשות (lehashot). Wij vertalen beide gelijk.

27Hun bewoners waren machteloos, ontzet en beschaamd. Zij werden als gras van het veld, als groen jong gras, als gras op de daken en als een akker vóór het staande koren.
וְיֹֽשְׁבֵיהֶן֙
(veyosheveihen)
en hun bewoners
קִצְרֵי
(qitsrei)
kort van
יָ֔ד
(yad)
hand
חַ֖תּוּ
(chatu)
waren ontzet
וָבֹ֑שׁוּ
(vavoshu)
en werden beschaamd
הָי֞וּ
(hayu)
zij werden
עֵ֤שֶׂב
(esev)
gras van
שָׂדֶה֙
(sade)
veld
וִ֣ירַק
(viraq)
en groen
דֶּ֔שֶׁא
(deshe)
jong gras
חֲצִ֣יר
(chatsir)
gras van
גַּגּ֔וֹת
(gagot)
daken
וּשְׁדֵמָ֖ה
(ushedema)
en een akker
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
vóór
קָמָֽה
(qama)
het staande koren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gras op de daken verdort snel omdat het geen diepe wortels heeft.

Zo ook in Ps. 129:6.

קִצְרֵי יָד (qitsrei yad), ‘kort van hand’: machteloos.

Lezing

Jesaja heeft hier שְׁדֵמָה (shedemah), ‘akker’. 2 Kon. 19:26 heeft שְׁדֵפָה (shedefah), ‘verschroeid koren’.

Wij vertalen wat er in Jesaja staat.

De tekst is hier moeilijk.

28Ik ken je zitten, je uitgaan en je binnenkomen, en je razernij tegen Mij.
וְשִׁבְתְּךָ֛
(veshivtekha)
en je zitten
וְצֵאתְךָ֥
(vetsetkha)
en je uitgaan
וּבוֹאֲךָ֖
(uvoakha)
en je binnenkomen
יָדָ֑עְתִּי
(yadati)
ken Ik
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
הִֽתְרַגֶּזְךָ֥
(hitragezkha)
je razernij
אֵלָֽי
(elay)
tegen Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Omdat je razernij tegen Mij en je overmoed tot Mijn oren zijn opgestegen, zal Ik Mijn haak in je neus leggen. Mijn bit leg Ik tussen je lippen. Ik zal je terugvoeren over de weg waarop je gekomen bent.’
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
הִתְרַגֶּזְךָ֣
(hitragezkha)
je razernij
אֵלַ֔י
(elay)
tegen Mij
וְשַׁאֲנַנְךָ֖
(veshaanankha)
en je overmoed
עָלָ֣ה
(ala)
is opgestegen
בְאָזְנָ֑י
(beazenay)
in Mijn oren
וְשַׂמְתִּ֨י
(vesamti)
en Ik zal leggen
חַחִ֜י
(chachi)
Mijn haak
בְּאַפֶּ֗ךָ
(beapekha)
in je neus
וּמִתְגִּי֙
(umitgi)
en Mijn bit
בִּשְׂפָתֶ֔יךָ
(bisfateikha)
in je lippen
וַהֲשִׁ֣יבֹתִ֔יךָ
(vahashivotikha)
en Ik zal je doen terugkeren
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֥אתָ
(bata)
je kwam
בָּֽהּ
(bah)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַח (chach), ‘haak’, en מֶתֶג (meteg), ‘bit’: zo leidt men dieren en gevangenen.

Yahweh behandelt Sanherib als een dier dat teruggevoerd wordt.

שַׁאֲנַן (sha’anan), ‘overmoed’: het woord betekent letterlijk ‘rust, zorgeloosheid’. Hier is het zorgeloze trots.

Het teken voor Hizkia

30‘Dit is voor jou het teken: eet dit jaar wat vanzelf groeit, en in het tweede jaar wat daaruit opkomt. In het derde jaar: zaai en oogst, plant wijngaarden en eet hun vrucht.
וְזֶה
(veze)
en dit
לְּךָ֣
(lekha)
voor jou
הָא֔וֹת
(haot)
het teken
אָכ֤וֹל
(akhol)
eet
הַשָּׁנָה֙
(hashana)
dit jaar
סָפִ֔יחַ
(safiach)
wat vanzelf groeit
וּבַשָּׁנָ֥ה
(uvashana)
en in het jaar
הַשֵּׁנִ֖ית
(hashenit)
tweede
שָׁחִ֑יס
(shachis)
wat daaruit opkomt
וּבַשָּׁנָ֣ה
(uvashana)
en in het jaar
הַשְּׁלִישִׁ֗ית
(hashelishit)
derde
זִרְע֧וּ
(ziru)
zaai
וְקִצְר֛וּ
(veqitsru)
en oogst
וְנִטְע֥וּ
(venitu)
en plant
כְרָמִ֖ים
(keramim)
wijngaarden
וְאִכְל֥וּ
(veikhlu)
en eet
פִרְיָֽם
(piryam)
hun vrucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָפִיחַ (safiach), ‘wat vanzelf groeit’: wat na de oogst uit gevallen graan opkomt (Lev. 25:5).

שָׁחִיס (shachis), ‘wat daaruit opkomt’: dit woord komt alleen hier voor. 2 Kon. 19:29 schrijft het סָחִישׁ (sachish).

De betekenis volgt uit de samenhang.

In de eerste twee jaar eet het volk wat vanzelf groeit.

Pas in het derde jaar zaait en oogst het weer.

אוֹת (ot), ‘teken’: een teken is een zekerheid vooraf dat Yahweh zal doen wat Hij zegt.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is וְאָכוֹל (ve’akhol), ‘en eten’; het qere is וְאִכְלוּ (ve’iklu), ‘en eet’.

Wij volgen het qere.

31Wat van het huis van Juda is ontkomen en overgebleven, zal opnieuw wortel schieten naar beneden en vrucht dragen naar boven.
וְיָ֨סְפָ֜ה
(veyasefa)
en zal voortgaan
פְּלֵיטַ֧ת
(peleitat)
het ontkomene van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
הַנִּשְׁאָרָ֖ה
(hanishara)
het overgeblevene
שֹׁ֣רֶשׁ
(shoresh)
wortel
לְמָ֑טָּה
(lemata)
naar beneden
וְעָשָׂ֥ה
(veasa)
en zal maken
פְרִ֖י
(peri)
vrucht
לְמָֽעְלָה
(lemaela)
naar boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּלֵיטַת בֵּית יְהוּדָה (peleitat beit Yehudah), ‘het ontkomene van het huis van Juda’: wie van Juda is ontkomen en overgebleven.

Het beeld is een plant: wortel naar beneden, vrucht naar boven.

32Want uit Jeruzalem zal een overblijfsel uitgaan, en uit de berg Sion wat ontkomen is. De ijver van Yahweh van de legermachten zal dit doen.’
כִּ֤י
(ki)
want
מִירֽוּשָׁלִַ֨ם֙
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
תֵּצֵ֣א
(tetse)
zal uitgaan
שְׁאֵרִ֔ית
(sheerit)
een overblijfsel
וּפְלֵיטָ֖ה
(ufeleita)
en wat ontkomen is
מֵהַ֣ר
(mehar)
uit de berg
צִיּ֑וֹן
(tsiyon)
Sion
קִנְאַ֛ת
(qinat)
de ijver van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
תַּֽעֲשֶׂה
(taase)
zal doen
זֹּֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

קִנְאַת יְהוָה צְבָאוֹת (qin’at Yahweh Tsevaot), ‘de ijver van Yahweh van de legermachten’: Zijn vurige betrokkenheid bij Zijn volk en Zijn stad.

Jesaja heeft hier ‘Tsevaot’; 2 Kon. 19:31 niet.

Yahweh beschermt Jeruzalem

33Daarom zegt Yahweh zo over de koning van Assyrië: ‘Hij zal deze stad niet binnenkomen. Hij zal daar geen pijl afschieten. Geen schild zal haar tegemoet komen, en geen belegeringswal zal tegen haar worden opgeworpen.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
לֹ֤א
(lo)
niet
יָבוֹא֙
(yavo)
zal binnenkomen
אֶל
(el)
in
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יוֹרֶ֥ה
(yore)
zal schieten
שָׁ֖ם
(sham)
daar
חֵ֑ץ
(chets)
pijl
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יְקַדְּמֶ֣נָּה
(yeqademena)
zal tegemoet komen
מָגֵ֔ן
(magen)
schild
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִשְׁפֹּ֥ךְ
(yishpokh)
zal worden opgeworpen
עֳלֶ֖יהָ
(oleiha)
tegen haar
סֹלְלָֽה
(solela)
belegeringswal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

סֹלְלָה (sollelah), ‘belegeringswal’: een helling van aarde die tegen een stadsmuur wordt gebouwd om hem te bestormen.

Zo’n helling wordt hier niet opgeworpen.

34Hij zal terugkeren op de weg waarop hij gekomen is. In deze stad zal hij niet komen, spreekt Yahweh.
בַּדֶּ֥רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֖א
(ba)
hij kwam
בָּ֣הּ
(bah)
erop
יָשׁ֑וּב
(yashuv)
zal hij terugkeren
וְאֶל
(veel)
en naar
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֛את
(hazot)
deze
לֹ֥א
(lo)
niet
יָב֖וֹא
(yavo)
zal hij komen
נְאֻם
(neum)
spreekt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘spreekt Yahweh’: zie Jes. 1:24 voor deze formule.

Wij vertalen hier ‘spreekt Yahweh’, zoals in 2 Kon. 19:33.

35Ik zal deze stad beschermen en redden, om Mijnentwil en om wille van David, Mijn dienaar.’”
וְגַנּוֹתִ֛י
(veganoti)
en Ik zal beschermen
עַל
(al)
over
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
לְהֽוֹשִׁיעָ֑הּ
(lehoshiah)
om haar te redden
לְמַֽעֲנִ֔י
(lemaani)
om Mijnentwil
וּלְמַ֖עַן
(ulemaan)
en om wille van
דָּוִ֥ד
(david)
David
עַבְדִּֽי
(avdi)
Mijn dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh zegt dat Hij de stad beschermt ‘om Mijnentwil en om wille van David, Mijn dienaar’.

Vergelijk 1 Kon. 11:13 en 11:34, waar het ook om David gaat.

Zie ook 2 Kon. 20:6.

De engel van Yahweh slaat het kamp

36De engel van Yahweh ging uit. Hij sloeg 185.000 man in het kamp van Assyrië. Toen men ’s morgens vroeg opstond, zie, allen waren dode lichamen.
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּכֶּה֙
(vayake)
en sloeg
בְּמַחֲנֵ֣ה
(bemachane)
in het kamp van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
מֵאָ֛ה
(mea)
honderd
וּשְׁמֹנִ֥ים
(ushemonim)
en tachtig
וַחֲמִשָּׁ֖ה
(vachamisha)
en vijf
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ
(vayashkimu)
en men stond vroeg op
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
כֻלָּ֖ם
(kulam)
allen
פְּגָרִ֥ים
(pegarim)
lijken
מֵתִֽים
(metim)
dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘engel van Yahweh’: wij vertalen neutraal.

De tekst zegt niet wie de engel is.

Zie ook 2 Sam. 24:16 en 2 Kron. 32:21.

Het getal 185.000 staat zo in de Masoretische tekst; het woord ‘man’ staat er niet.

Lezing

2 Kon. 19:35 begint met ‘In die nacht’.

Jesaja heeft dat niet.

Het einde van Sanherib

37Sanherib, de koning van Assyrië, brak op, vertrok en keerde terug. Hij bleef in Nineve wonen.
וַיִּסַּ֣ע
(vayisa)
en brak op
וַיֵּ֔לֶךְ
(vayelekh)
en ging
וַיָּ֖שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
סַנְחֵרִ֣יב
(sancheriv)
Sanherib
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֑וּר
(ashur)
Assyrië
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en bleef
בְּנִֽינְוֵֽה
(benineve)
in Nineve
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak.

Uitleg

Nineve (Tell Kuyunjik, bij het huidige Mosoel in Irak) lag aan de Tigris.

Het was een hoofdstad van Assyrië.

Dat is zeker.

38Terwijl hij zich neerboog in het huis van Nisroch, zijn god, sloegen Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard. Zij ontkwamen naar het land Ararat. Esarhaddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
ה֨וּא
(hu)
hij
מִֽשְׁתַּחֲוֶ֜ה
(mishtachave)
zich neerbuigend
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
נִסְרֹ֣ךְ
(nisrokh)
Nisroch
אֱלֹהָ֗יו
(elohav)
zijn god
וְֽאַדְרַמֶּ֨לֶךְ
(veadramelekh)
en Adrammelech
וְשַׂרְאֶ֤צֶר
(vesaretser)
en Sarezer
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
הִכֻּ֣הוּ
(hikuhu)
sloegen hem
בַחֶ֔רֶב
(bacherev)
met het zwaard
וְהֵ֥מָּה
(vehema)
en zij
נִמְלְט֖וּ
(nimletu)
ontkwamen
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land
אֲרָרָ֑ט
(ararat)
Ararat
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אֵֽסַר
(esar)
Esar
חַדֹּ֥ן
(chadon)
Haddon
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ararat: Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer in het oosten van het huidige Turkije.

Uitleg

Het land Ararat is het bergland van Urartu, in het huidige oosten van Turkije en Armenië.

Zie ook Gen. 8:4.

נִסְרֹךְ (Nisrokh), ‘Nisroch’: een god van wie wij niets meer weten. אֵסַר חַדֹּן (Esar-Haddon), ‘Esarhaddon’: een koning van Assyrië.

Lezing

Jesaja heeft hier ‘zijn zonen’ (בָּנָיו) bij Adrammelech en Sarezer. 2 Kon. 19:37 heeft dat niet; sommige oude vertalingen voegen het daar toe.