Elohim Bijbel

Jona 1

1234

Jona vlucht, de storm en de zeelieden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jona krijgt zijn opdracht

1Het woord van Yahweh kwam tot Jona, de zoon van Amittai:
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en kwam
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יוֹנָ֥ה
(yona)
Jona
בֶן
(ben)
zoon van
אֲמִתַּ֖י
(amitay)
Amittai
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹנָה בֶן אֲמִתַּי (Yonah ben Amittai), ‘Jona, de zoon van Amittai’: Jona betekent ‘duif’.

Dezelfde profeet komt voor in 2 Kon. 14:25, in de tijd van Jerobeam II.

2„Sta op, ga naar Nineve, de grote stad. Roep tegen haar uit, want hun kwaad is opgekomen voor Mijn aangezicht.”
ק֠וּם
(qum)
sta op
לֵ֧ךְ
(lekh)
ga
אֶל
(el)
naar
נִֽינְוֵ֛ה
(nineve)
Nineve
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַגְּדוֹלָ֖ה
(hagedola)
de grote
וּקְרָ֣א
(uqera)
en roep uit
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
tegen haar
כִּֽי
(ki)
want
עָלְתָ֥ה
(aleta)
is opgekomen
רָעָתָ֖ם
(raatam)
hun kwaad
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak.

Uitleg

רָעָתָם (raah), ‘kwaad’: het woord kan het kwaad zijn dat mensen doen, maar ook het onheil dat hen treft.

Wij vertalen het in dit boek steeds met ‘kwaad’, zowel hier als in vers 7 en 8.

Jona vlucht naar Tarsis

3Maar Jona stond op om te vluchten naar Tarsis, weg van het aangezicht van Yahweh. Hij ging af naar Jafo en vond een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde het vervoer en ging erin af om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg van het aangezicht van Yahweh.
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en stond op
יוֹנָה֙
(yona)
Jona
לִבְרֹ֣חַ
(livroach)
om te vluchten
תַּרְשִׁ֔ישָׁה
(tarshisha)
naar Tarsis
מִלִּפְנֵ֖י
(milifnei)
weg van het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֨רֶד
(vayered)
en ging af
יָפ֜וֹ
(yafo)
naar Jafo
וַיִּמְצָ֥א
(vayimtsa)
en vond
אָנִיָּ֣ה
(aniya)
een schip
בָּאָ֣ה
(baa)
dat ging
תַרְשִׁ֗ישׁ
(tarshish)
naar Tarsis
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
שְׂכָרָ֜הּ
(sekharah)
zijn vervoersgeld
וַיֵּ֤רֶד
(vayered)
en ging af
בָּהּ֙
(bah)
erin
לָב֤וֹא
(lavo)
om te gaan
עִמָּהֶם֙
(imahem)
met hen
תַּרְשִׁ֔ישָׁה
(tarshisha)
naar Tarsis
מִלִּפְנֵ֖י
(milifnei)
weg van het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.

Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.

Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.

Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv.

Uitleg

תַרְשִׁישׁ (Tarshish), Tarsis: de ligging is onzeker.

Vaak denkt men aan een plaats ver in het westen van de Middellandse Zee, bijvoorbeeld in het zuiden van Spanje.

Nineve lag in het oosten: Jona vlucht dus de andere kant op.

Zie ook Gen. 10:4 en 1 Kon. 10:22.

מִלִּפְנֵי יְהוָה (milifnei Yahweh), ‘weg van het aangezicht van Yahweh’: Jona wil zich aan Yahweh onttrekken. Het staat in dit vers twee keer.

וַיֵּרֶד (vayyered), ‘hij ging af’: Jona gaat steeds verder naar beneden: naar Jafo, het schip in (1:3), het diepste deel van het schip (1:5) en de voet van de bergen (2:7).

De storm op de zee

4Maar Yahweh wierp een grote wind op de zee. Er kwam een grote storm op de zee. Het schip dreigde te breken.
וַֽיהוָ֗ה
(vaYahweh)
maar Yahweh
הֵטִ֤יל
(hetil)
wierp
רֽוּחַ
(ruach)
een wind
גְּדוֹלָה֙
(gedola)
grote
אֶל
(el)
op
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
סַֽעַר
(saar)
een storm
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
בַּיָּ֑ם
(bayam)
op zee
וְהָ֣אֳנִיָּ֔ה
(vehaoniya)
en het schip
חִשְּׁבָ֖ה
(chisheva)
dacht
לְהִשָּׁבֵֽר
(lehishaver)
te breken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵטִיל (hetil), ‘wierp’: Yahweh slingert de wind over de zee.

Hetzelfde werkwoord gebruiken de zeelieden voor de lading (vers 5) en voor Jona (vers 12 en 15).

חִשְּׁבָה לְהִשָּׁבֵר (chishvah lehishaver), letterlijk ‘het schip dacht te breken’: het dreigde uit elkaar te vallen.

5De zeelieden werden bang en riepen, ieder tot zijn god. Zij wierpen de lading die in het schip was in de zee, om het voor hen lichter te maken. Maar Jona was afgedaald naar het diepste deel van het schip. Hij lag neer en viel in diepe slaap.
וַיִּֽירְא֣וּ
(vayireu)
en werden bang
הַמַּלָּחִ֗ים
(hamalachim)
de zeelieden
וַֽיִּזְעֲקוּ֮
(vayizaqu)
en riepen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
tot
אֱלֹהָיו֒
(elohav)
zijn god
וַיָּטִ֨לוּ
(vayatilu)
en wierpen
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֵּלִ֜ים
(hakelim)
de vaten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בָּֽאֳנִיָּה֙
(baoniya)
in het schip
אֶל
(el)
in
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
לְהָקֵ֖ל
(lehaqel)
om lichter te maken
מֵֽעֲלֵיהֶ֑ם
(mealeihem)
van hen af
וְיוֹנָ֗ה
(veyona)
maar Jona
יָרַד֙
(yarad)
was afgedaald
אֶל
(el)
naar
יַרְכְּתֵ֣י
(yarketei)
het diepste van
הַסְּפִינָ֔ה
(hasefina)
het schip
וַיִּשְׁכַּ֖ב
(vayishkav)
en lag neer
וַיֵּרָדַֽם
(vayeradam)
en viel in diepe slaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהָיו (elohav), ‘zijn god’: de zeelieden roepen ieder hun eigen god aan.

Omdat het om de goden van de zeelieden gaat, schrijven wij ‘god’ met een kleine letter.

הַכֵּלִים (hakkelim), ‘de vaten’: de lading en uitrusting van het schip.

וַיֵּרָדַם (vayyeradam), ‘en hij viel in diepe slaap’: hetzelfde woord als ‘diepe slaap’ in Gen. 2:21.

6De kapitein kwam naar hem toe en zei tegen hem: „Wat is er met je, dat je diep slaapt? Sta op, roep tot je god. Misschien denkt de Elohim aan ons, zodat wij niet omkomen.”
וַיִּקְרַ֤ב
(vayiqrav)
en kwam dichtbij
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
רַ֣ב
(rav)
de overste van
הַחֹבֵ֔ל
(hachovel)
het touwwerk
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֖וֹ
(lo)
tegen hem
מַה
(ma)
wat
לְּךָ֣
(lekha)
met jou
נִרְדָּ֑ם
(nirdam)
diep slapend
ק֚וּם
(qum)
sta op
קְרָ֣א
(qera)
roep
אֶל
(el)
tot
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je god
אוּלַ֞י
(ulay)
misschien
יִתְעַשֵּׁ֧ת
(yitashet)
zal denken
הָאֱלֹהִ֛ים
(haElohim)
de Elohim
לָ֖נוּ
(lanu)
aan ons
וְלֹ֥א
(velo)
opdat niet
נֹאבֵֽד
(noved)
wij omkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַב הַחֹבֵל (rav hachovel), letterlijk ‘overste van het touwwerk’: de kapitein van het schip.

יִתְעַשֵּׁת (yit'asshet), ‘hij zal denken aan’: een zeldzaam woord. De betekenis ‘zich bekommeren om’ ligt voor de hand.

הָאֱלֹהִים (ha-Elohim), ‘de Elohim’: het woord heeft het lidwoord. De kapitein spreekt als heiden; wij laten het Hebreeuwse woord Elohim staan.

Het lot valt op Jona

7Zij zeiden tegen elkaar: „Kom, laten we loten werpen. Dan weten we wegens wie dit kwaad ons treft.” Zij wierpen de loten, en het lot viel op Jona.
וַיֹּאמְר֞וּ
(vayomru)
en zeiden
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֗הוּ
(reehu)
zijn metgezel
לְכוּ֙
(lekhu)
kom
וְנַפִּ֣ילָה
(venapila)
en laten we werpen
גֽוֹרָל֔וֹת
(goralot)
loten
וְנֵ֣דְעָ֔ה
(venedea)
zodat we weten
בְּשֶׁלְּמִ֛י
(beshelemi)
wegens wie
הָרָעָ֥ה
(haraa)
het kwaad
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
לָ֑נוּ
(lanu)
ons treft
וַיַּפִּ֨לוּ֙
(vayapilu)
en zij wierpen
גּֽוֹרָל֔וֹת
(goralot)
loten
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en viel
הַגּוֹרָ֖ל
(hagoral)
het lot
עַל
(al)
op
יוֹנָֽה
(yona)
Jona
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גוֹרָלוֹת (goralot), ‘loten’: voorwerpen die men wierp om een besluit te vinden, in het geloof dat een godheid de uitkomst bepaalt.

Zie ook Spr. 16:33.

בְּשֶׁלְּמִי (beshellemi), ‘wegens wie’: een korte vorm van de vraag die in vers 8 voluit staat (בַּאֲשֶׁר לְמִי).

8Zij zeiden tegen hem: „Vertel ons toch wegens wie dit kwaad ons treft. Wat is je werk, en waar kom je vandaan? Wat is je land, en van welk volk ben je?”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
הַגִּידָה
(hagida)
vertel
נָּ֣א
(na)
toch
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
בַּאֲשֶׁ֛ר
(baasher)
wegens
לְמִי
(lemi)
wie
הָרָעָ֥ה
(haraa)
het kwaad
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
לָ֑נוּ
(lanu)
ons treft
מַה
(ma)
wat
מְּלַאכְתְּךָ֙
(melakhtekha)
is je werk
וּמֵאַ֣יִן
(umeayin)
en vanwaar
תָּב֔וֹא
(tavo)
kom je
מָ֣ה
(ma)
wat
אַרְצֶ֔ךָ
(artsekha)
is je land
וְאֵֽי
(veei)
en welk
מִזֶּ֥ה
(mize)
hiervan
עַ֖ם
(am)
volk
אָֽתָּה
(ata)
ben je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij zei tegen hen: „Ik ben een Hebreeër. Ik vrees Yahweh, de Elohim van de hemel, die de zee en het droge heeft gemaakt.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tot hen
עִבְרִ֣י
(ivri)
een Hebreeër
אָנֹ֑כִי
(anokhi)
ben ik
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de Elohim van
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
אֲנִ֣י
(ani)
ik
יָרֵ֔א
(yare)
vrees
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֥ה
(asa)
maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיַּבָּשָֽׁה
(hayabasha)
het droge
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִבְרִי (ivri), ‘Hebreeër’: zo noemt een Israëliet zichzelf tegenover vreemdelingen.

Zie ook Gen. 14:13.

יָרֵא (yare), ‘ik vrees’: ontzag en eerbied voor Yahweh, niet alleen angst.

10De mannen werden zeer bang. Zij zeiden tegen hem: „Wat is dit wat je hebt gedaan?” Want de mannen wisten dat hij op de vlucht was weg van het aangezicht van Yahweh, omdat hij het hun verteld had.
וַיִּֽירְא֤וּ
(vayireu)
en werden bang
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
יִרְאָ֣ה
(yira)
met vrees
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
grote
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
מַה
(ma)
wat
זֹּ֣את
(zot)
dit
עָשִׂ֑יתָ
(asita)
heb je gedaan
כִּֽי
(ki)
want
יָדְע֣וּ
(yadeu)
wisten
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
כִּֽי
(ki)
dat
מִלִּפְנֵ֤י
(milifnei)
weg van het aangezicht van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
ה֣וּא
(hu)
hij
בֹרֵ֔חַ
(boreach)
op de vlucht was
כִּ֥י
(ki)
want
הִגִּ֖יד
(higid)
hij had verteld
לָהֶֽם
(lahem)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּירְאוּ הָאֲנָשִׁים יִרְאָה גְדוֹלָה (vayyire'u ha'anashim yir'ah gedolah), ‘de mannen werden met grote vrees bevreesd’: een nadrukkelijke uitdrukking.

Dezelfde woorden staan in vers 16, maar daar is Yahweh het voorwerp: dan gaat het om ontzag.

Jona wordt in de zee geworpen

11Zij zeiden tegen hem: „Wat moeten wij met je doen, zodat de zee van ons af tot rust komt?” Want de zee werd steeds stormachtiger.
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
מַה
(ma)
wat
נַּ֣עֲשֶׂה
(naase)
moeten wij doen
לָּ֔ךְ
(lakh)
met jou
וְיִשְׁתֹּ֥ק
(veyishtoq)
zodat tot rust komt
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
מֵֽעָלֵ֑ינוּ
(mealeinu)
van ons af
כִּ֥י
(ki)
want
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
הוֹלֵ֥ךְ
(holekh)
ging
וְסֹעֵֽר
(vesoer)
en werd stormachtig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Hij zei tegen hen: „Neem mij op en werp mij in de zee, dan komt de zee van jullie af tot rust. Want ik weet dat deze grote storm wegens mij over jullie is gekomen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
שָׂא֨וּנִי֙
(sauni)
neem mij op
וַהֲטִילֻ֣נִי
(vahatiluni)
en werp mij
אֶל
(el)
in
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וְיִשְׁתֹּ֥ק
(veyishtoq)
zodat tot rust komt
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
מֵֽעֲלֵיכֶ֑ם
(mealeikhem)
van jullie af
כִּ֚י
(ki)
want
יוֹדֵ֣עַ
(yodea)
weet
אָ֔נִי
(ani)
ik
כִּ֣י
(ki)
dat
בְשֶׁלִּ֔י
(besheli)
wegens mij
הַסַּ֧עַר
(hasaar)
de storm
הַגָּד֛וֹל
(hagadol)
de grote
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
over jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13De mannen roeiden hard om terug te keren naar het droge, maar zij konden het niet. Want de zee werd steeds stormachtiger tegen hen.
וַיַּחְתְּר֣וּ
(vayachteru)
en roeiden hard
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
לְהָשִׁ֛יב
(lehashiv)
om terug te keren
אֶל
(el)
naar
הַיַּבָּשָׁ֖ה
(hayabasha)
het droge
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
יָכֹ֑לוּ
(yakholu)
konden zij
כִּ֣י
(ki)
want
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
הוֹלֵ֥ךְ
(holekh)
ging
וְסֹעֵ֖ר
(vesoer)
en werd stormachtig
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּחְתְּרוּ (vayyachteru), ‘zij roeiden hard’: het werkwoord betekent letterlijk ‘graven, doorbreken’.

Het beeld is dat de mannen zich met kracht door het water heen werken.

14Zij riepen tot Yahweh en zeiden: „Ach, Yahweh, laat ons toch niet omkomen om het leven van deze man. Leg geen onschuldig bloed op ons. Want U, Yahweh, hebt gedaan zoals het U behaagde.”
וַיִּקְרְא֨וּ
(vayiqreu)
en riepen
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
אָנָּ֤ה
(ana)
ach
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
laat
נָ֣א
(na)
toch
נֹאבְדָ֗ה
(novda)
ons omkomen
בְּנֶ֨פֶשׁ֙
(benefesh)
om het leven van
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְאַל
(veal)
en niet
תִּתֵּ֥ן
(titen)
leg
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
op ons
דָּ֣ם
(dam)
bloed
נָקִ֑יא
(naqi)
onschuldig
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
U
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
חָפַ֖צְתָּ
(chafatsta)
het U behaagde
עָשִֽׂיתָ
(asita)
hebt U gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier vertalen wij ‘leven’.

דָּם נָקִיא (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: zie ook Deut. 21:8.

15Zij namen Jona op en wierpen hem in de zee. De zee hield op met woeden.
וַיִּשְׂאוּ֙
(vayisu)
en namen op
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹנָ֔ה
(yona)
Jona
וַיְטִלֻ֖הוּ
(vaytiluhu)
en wierpen hem
אֶל
(el)
in
הַיָּ֑ם
(hayam)
de zee
וַיַּעֲמֹ֥ד
(vayaamod)
en hield op
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
מִזַּעְפּֽוֹ
(mizapo)
met haar woede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De mannen vreesden Yahweh met grote vrees. Zij brachten Yahweh een slachtoffer en deden geloften.
וַיִּֽירְא֧וּ
(vayireu)
en werden bevreesd
הָאֲנָשִׁ֛ים
(haanashim)
de mannen
יִרְאָ֥ה
(yira)
met vrees
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
grote
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּֽזְבְּחוּ
(vayizbechu)
en brachten slachtoffer
זֶ֨בַח֙
(zevach)
een slachtoffer
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וַֽיִּדְּר֖וּ
(vayideru)
en deden
נְדָרִֽים
(nedarim)
geloften
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּירְאוּ הָאֲנָשִׁים יִרְאָה גְדוֹלָה (vayyire'u ha'anashim yir'ah gedolah): zie de uitleg bij vers 10.

De zeelieden gaan van doodsangst over op ontzag voor Yahweh.

זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’ en נְדָרִים (nedarim), ‘geloften’: de zeelieden brengen Yahweh een slachtoffer en beloven Hem iets.