Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jona krijgt zijn opdracht
1Het woord van Yahweh kwam tot Jona, de zoon van Amittai:
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en kwam
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יוֹנָ֥ה
(yona)
Jona
בֶן
(ben)
zoon van
אֲמִתַּ֖י
(amitay)
Amittai
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹנָה בֶן אֲמִתַּי (Yonah ben Amittai), ‘Jona, de zoon van Amittai’: Jona betekent ‘duif’.
Dezelfde profeet komt voor in 2 Kon. 14:25, in de tijd van Jerobeam II.
3Maar Jona stond op om te vluchten naar Tarsis, weg van het aangezicht van Yahweh. Hij ging af naar Jafo en vond een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde het vervoer en ging erin af om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg van het aangezicht van Yahweh.
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en stond op
יוֹנָה֙
(yona)
Jona
לִבְרֹ֣חַ
(livroach)
om te vluchten
תַּרְשִׁ֔ישָׁה
(tarshisha)
naar Tarsis
מִלִּפְנֵ֖י
(milifnei)
weg van het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֨רֶד
(vayered)
en ging af
יָפ֜וֹ
(yafo)
naar Jafo
וַיִּמְצָ֥א
(vayimtsa)
en vond
אָנִיָּ֣ה
(aniya)
een schip
בָּאָ֣ה
(baa)
dat ging
תַרְשִׁ֗ישׁ
(tarshish)
naar Tarsis
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
שְׂכָרָ֜הּ
(sekharah)
zijn vervoersgeld
וַיֵּ֤רֶד
(vayered)
en ging af
בָּהּ֙
(bah)
erin
לָב֤וֹא
(lavo)
om te gaan
עִמָּהֶם֙
(imahem)
met hen
תַּרְשִׁ֔ישָׁה
(tarshisha)
naar Tarsis
מִלִּפְנֵ֖י
(milifnei)
weg van het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.
Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.
Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.
Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv.
Uitleg
תַרְשִׁישׁ (Tarshish), Tarsis: de ligging is onzeker.
Vaak denkt men aan een plaats ver in het westen van de Middellandse Zee, bijvoorbeeld in het zuiden van Spanje.
Nineve lag in het oosten: Jona vlucht dus de andere kant op.
Zie ook Gen. 10:4 en 1 Kon. 10:22.
מִלִּפְנֵי יְהוָה (milifnei Yahweh), ‘weg van het aangezicht van Yahweh’: Jona wil zich aan Yahweh onttrekken. Het staat in dit vers twee keer.
וַיֵּרֶד (vayyered), ‘hij ging af’: Jona gaat steeds verder naar beneden: naar Jafo, het schip in (1:3), het diepste deel van het schip (1:5) en de voet van de bergen (2:7).
5De zeelieden werden bang en riepen, ieder tot zijn god. Zij wierpen de lading die in het schip was in de zee, om het voor hen lichter te maken. Maar Jona was afgedaald naar het diepste deel van het schip. Hij lag neer en viel in diepe slaap.
וַיִּֽירְא֣וּ
(vayireu)
en werden bang
הַמַּלָּחִ֗ים
(hamalachim)
de zeelieden
וַֽיִּזְעֲקוּ֮
(vayizaqu)
en riepen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
tot
אֱלֹהָיו֒
(elohav)
zijn god
וַיָּטִ֨לוּ
(vayatilu)
en wierpen
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֵּלִ֜ים
(hakelim)
de vaten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בָּֽאֳנִיָּה֙
(baoniya)
in het schip
אֶל
(el)
in
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
לְהָקֵ֖ל
(lehaqel)
om lichter te maken
מֵֽעֲלֵיהֶ֑ם
(mealeihem)
van hen af
וְיוֹנָ֗ה
(veyona)
maar Jona
יָרַד֙
(yarad)
was afgedaald
אֶל
(el)
naar
יַרְכְּתֵ֣י
(yarketei)
het diepste van
הַסְּפִינָ֔ה
(hasefina)
het schip
וַיִּשְׁכַּ֖ב
(vayishkav)
en lag neer
וַיֵּרָדַֽם
(vayeradam)
en viel in diepe slaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלֹהָיו (elohav), ‘zijn god’: de zeelieden roepen ieder hun eigen god aan.
Omdat het om de goden van de zeelieden gaat, schrijven wij ‘god’ met een kleine letter.
הַכֵּלִים (hakkelim), ‘de vaten’: de lading en uitrusting van het schip.
וַיֵּרָדַם (vayyeradam), ‘en hij viel in diepe slaap’: hetzelfde woord als ‘diepe slaap’ in Gen. 2:21.
6De kapitein kwam naar hem toe en zei tegen hem: „Wat is er met je, dat je diep slaapt? Sta op, roep tot je god. Misschien denkt de Elohim aan ons, zodat wij niet omkomen.”
וַיִּקְרַ֤ב
(vayiqrav)
en kwam dichtbij
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
רַ֣ב
(rav)
de overste van
הַחֹבֵ֔ל
(hachovel)
het touwwerk
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֖וֹ
(lo)
tegen hem
מַה
(ma)
wat
לְּךָ֣
(lekha)
met jou
נִרְדָּ֑ם
(nirdam)
diep slapend
ק֚וּם
(qum)
sta op
קְרָ֣א
(qera)
roep
אֶל
(el)
tot
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je god
אוּלַ֞י
(ulay)
misschien
יִתְעַשֵּׁ֧ת
(yitashet)
zal denken
הָאֱלֹהִ֛ים
(haElohim)
de Elohim
לָ֖נוּ
(lanu)
aan ons
וְלֹ֥א
(velo)
opdat niet
נֹאבֵֽד
(noved)
wij omkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רַב הַחֹבֵל (rav hachovel), letterlijk ‘overste van het touwwerk’: de kapitein van het schip.
יִתְעַשֵּׁת (yit'asshet), ‘hij zal denken aan’: een zeldzaam woord. De betekenis ‘zich bekommeren om’ ligt voor de hand.
הָאֱלֹהִים (ha-Elohim), ‘de Elohim’: het woord heeft het lidwoord. De kapitein spreekt als heiden; wij laten het Hebreeuwse woord Elohim staan.
8Zij zeiden tegen hem: „Vertel ons toch wegens wie dit kwaad ons treft. Wat is je werk, en waar kom je vandaan? Wat is je land, en van welk volk ben je?”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
הַגִּידָה
(hagida)
vertel
נָּ֣א
(na)
toch
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
בַּאֲשֶׁ֛ר
(baasher)
wegens
לְמִי
(lemi)
wie
הָרָעָ֥ה
(haraa)
het kwaad
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
לָ֑נוּ
(lanu)
ons treft
מַה
(ma)
wat
מְּלַאכְתְּךָ֙
(melakhtekha)
is je werk
וּמֵאַ֣יִן
(umeayin)
en vanwaar
תָּב֔וֹא
(tavo)
kom je
מָ֣ה
(ma)
wat
אַרְצֶ֔ךָ
(artsekha)
is je land
וְאֵֽי
(veei)
en welk
מִזֶּ֥ה
(mize)
hiervan
עַ֖ם
(am)
volk
אָֽתָּה
(ata)
ben je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De mannen werden zeer bang. Zij zeiden tegen hem: „Wat is dit wat je hebt gedaan?” Want de mannen wisten dat hij op de vlucht was weg van het aangezicht van Yahweh, omdat hij het hun verteld had.
וַיִּֽירְא֤וּ
(vayireu)
en werden bang
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
יִרְאָ֣ה
(yira)
met vrees
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
grote
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
מַה
(ma)
wat
זֹּ֣את
(zot)
dit
עָשִׂ֑יתָ
(asita)
heb je gedaan
כִּֽי
(ki)
want
יָדְע֣וּ
(yadeu)
wisten
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
כִּֽי
(ki)
dat
מִלִּפְנֵ֤י
(milifnei)
weg van het aangezicht van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
ה֣וּא
(hu)
hij
בֹרֵ֔חַ
(boreach)
op de vlucht was
כִּ֥י
(ki)
want
הִגִּ֖יד
(higid)
hij had verteld
לָהֶֽם
(lahem)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּירְאוּ הָאֲנָשִׁים יִרְאָה גְדוֹלָה (vayyire'u ha'anashim yir'ah gedolah), ‘de mannen werden met grote vrees bevreesd’: een nadrukkelijke uitdrukking.
Dezelfde woorden staan in vers 16, maar daar is Yahweh het voorwerp: dan gaat het om ontzag.
12Hij zei tegen hen: „Neem mij op en werp mij in de zee, dan komt de zee van jullie af tot rust. Want ik weet dat deze grote storm wegens mij over jullie is gekomen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
שָׂא֨וּנִי֙
(sauni)
neem mij op
וַהֲטִילֻ֣נִי
(vahatiluni)
en werp mij
אֶל
(el)
in
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וְיִשְׁתֹּ֥ק
(veyishtoq)
zodat tot rust komt
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
מֵֽעֲלֵיכֶ֑ם
(mealeikhem)
van jullie af
כִּ֚י
(ki)
want
יוֹדֵ֣עַ
(yodea)
weet
אָ֔נִי
(ani)
ik
כִּ֣י
(ki)
dat
בְשֶׁלִּ֔י
(besheli)
wegens mij
הַסַּ֧עַר
(hasaar)
de storm
הַגָּד֛וֹל
(hagadol)
de grote
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
over jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Zij riepen tot Yahweh en zeiden: „Ach, Yahweh, laat ons toch niet omkomen om het leven van deze man. Leg geen onschuldig bloed op ons. Want U, Yahweh, hebt gedaan zoals het U behaagde.”
וַיִּקְרְא֨וּ
(vayiqreu)
en riepen
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
אָנָּ֤ה
(ana)
ach
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
laat
נָ֣א
(na)
toch
נֹאבְדָ֗ה
(novda)
ons omkomen
בְּנֶ֨פֶשׁ֙
(benefesh)
om het leven van
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְאַל
(veal)
en niet
תִּתֵּ֥ן
(titen)
leg
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
op ons
דָּ֣ם
(dam)
bloed
נָקִ֑יא
(naqi)
onschuldig
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
U
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
חָפַ֖צְתָּ
(chafatsta)
het U behaagde
עָשִֽׂיתָ
(asita)
hebt U gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier vertalen wij ‘leven’.
דָּם נָקִיא (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: zie ook Deut. 21:8.