Elohim Bijbel

Micha 2

1234567

Wee over wie akkers roven; Yahweh verzamelt de overgeblevenen van Jakob

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wee hen die onheil bedenken

1Wee hen die onheil bedenken en kwaad bewerken op hun bedden. In het licht van de ochtend voeren zij het uit, want het ligt in de macht van hun hand.
ה֧וֹי
(hoy)
wee
חֹֽשְׁבֵי
(choshevei)
bedenkers van
אָ֛וֶן
(aven)
onheil
וּפֹ֥עֲלֵי
(ufoalei)
en bewerkers van
רָ֖ע
(ra)
kwaad
עַל
(al)
op
מִשְׁכְּבוֹתָ֑ם
(mishkevotam)
hun bedden
בְּא֤וֹר
(beor)
bij het licht van
הַבֹּ֨קֶר֙
(haboqer)
de ochtend
יַעֲשׂ֔וּהָ
(yaasuha)
zij doen het
כִּ֥י
(ki)
want
יֶשׁ
(yesh)
het is
לְאֵ֖ל
(leel)
in de macht van El
יָדָֽם
(yadam)
hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹי (hoy), ‘wee’: een kreet die een aanklacht en een aankondiging van oordeel inleidt.

יֶשׁ־לְאֵל יָדָם (yesh le’el yadam), letterlijk ‘het is voor El, hun hand’: een gezegde voor ‘het ligt in hun macht’; vergelijk Gen. 31:29 en Deut. 28:32.

2Zij begeren akkers en roven ze, ze begeren huizen en nemen ze weg. Zij onderdrukken een man en zijn huis, een mens en zijn erfdeel.
וְחָמְד֤וּ
(vechamedu)
en zij begeren
שָׂדוֹת֙
(sadot)
akkers
וְגָזָ֔לוּ
(vegazalu)
en zij roven
וּבָתִּ֖ים
(uvatim)
en huizen
וְנָשָׂ֑אוּ
(venasau)
en nemen weg
וְעָֽשְׁקוּ֙
(veashequ)
en zij onderdrukken
גֶּ֣בֶר
(gever)
een man
וּבֵית֔וֹ
(uveito)
en zijn huis
וְאִ֖ישׁ
(veish)
en een mens
וְנַחֲלָתֽוֹ
(venachalato)
en zijn erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De rijken pakken het erfdeel van de gewone families af.

Het land was de erfenis van elke familie (zie Num. 36:7); vergelijk 1 Kon. 21 (Nabot).

3Daarom, zo zegt Yahweh: „Zie, Ik bedenk onheil tegen deze familie. Daaruit zullen jullie je nek niet losmaken en jullie zullen niet rechtop lopen, want het is een tijd van onheil.”
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Mij
חֹשֵׁ֛ב
(choshev)
Ik bedenk
עַל
(al)
over
הַמִּשְׁפָּחָ֥ה
(hamishpacha)
de familie
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
רָעָ֑ה
(raa)
onheil
אֲ֠שֶׁר
(asher)
waaruit
לֹֽא
(lo)
niet
תָמִ֨ישׁוּ
(tamishu)
jullie zullen losmaken
מִשָּׁ֜ם
(misham)
vandaar
צַוְּארֹֽתֵיכֶ֗ם
(tsaveroteikhem)
jullie nekken
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תֵֽלְכוּ֙
(telekhu)
jullie zullen gaan
רוֹמָ֔ה
(roma)
rechtop
כִּ֛י
(ki)
want
עֵ֥ת
(et)
tijd van
רָעָ֖ה
(raa)
onheil
הִֽיא
(hi)
zij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De inleiding ‘zo zegt Yahweh’ is zwart; wat Yahweh zelf zegt, is rood.

מִשְׁפָּחָה (mishpachah), ‘familie’: hier het hele volk, gezien als één familie.

רוּמָה (rumah), ‘rechtop’: letterlijk ‘hoog’; hoogmoedig of fier. Het woord komt alleen hier voor.

4Op die dag zal men over jullie een spotlied aanheffen en een bittere klacht laten klinken. Men zegt: „Wij zijn volkomen verwoest! Hij ruilt het erfdeel van mijn volk om. Hoe neemt Hij het van mij weg! Aan de afvallige verdeelt Hij onze akkers.”
בַּיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֜וּא
(hahu)
die
יִשָּׂ֧א
(yisa)
zal aanheffen
עֲלֵיכֶ֣ם
(aleikhem)
over jullie
מָשָׁ֗ל
(mashal)
een spotlied
וְנָהָ֨ה
(venaha)
en men zal jammeren
נְהִ֤י
(nehi)
een klacht
נִֽהְיָה֙
(nihya)
een bittere
אָמַר֙
(amar)
hij zegt
שָׁד֣וֹד
(shadod)
verwoest
נְשַׁדֻּ֔נוּ
(neshadunu)
wij zijn verwoest
חֵ֥לֶק
(cheleq)
het deel van
עַמִּ֖י
(ami)
mijn volk
יָמִ֑יר
(yamir)
Hij ruilt om
אֵ֚יךְ
(eikh)
hoe
יָמִ֣ישׁ
(yamish)
Hij neemt weg
לִ֔י
(li)
van mij
לְשׁוֹבֵ֥ב
(leshovev)
aan de afvallige
שָׂדֵ֖ינוּ
(sadeinu)
onze akkers
יְחַלֵּֽק
(yechaleq)
Hij verdeelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 4 is van de profeet; de woorden van de spotters staan tussen aanhalingstekens.

Het Hebreeuws zegt niet duidelijk wie ‘Hij’ is: vermoedelijk Yahweh, over wie het volk spottend spreekt.

מָשָׁל (mashal), ‘spotlied’ of ‘spreuk’; נְהִי נִהְיָה (nehi nihyah), ‘een bittere klacht’: een zeldzame woordgroep, de betekenis is onzeker.

לְשׁוֹבֵב (leshovev), ‘aan de afvallige’: hij die zich afkeert. Het kan hier ook een volk of een persoon zijn die het land overneemt.

5Daarom zul je niemand hebben die het meetsnoer bij loting uitwerpt in de gemeente van Yahweh.
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
לֹֽא
(lo)
niet
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לְךָ֔
(lekha)
voor jou
מַשְׁלִ֥יךְ
(mashlikh)
werper van
חֶ֖בֶל
(chevel)
een meetsnoer
בְּגוֹרָ֑ל
(begoral)
door het lot
בִּקְהַ֖ל
(biqhal)
in de gemeente van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Het meetsnoer bij loting uitwerpen’ is het verdelen van land met een snoer en het lot (vergelijk Joz. 18:4–6).

Wie zijn erfdeel verloren heeft, heeft geen deel meer aan het land van de gemeente van Yahweh.

Verzet tegen de profeet

6„Profeteer niet”, profeteren zij. „Men moet hierover niet profeteren. De smaad wijkt niet.”
אַל
(al)
niet
תַּטִּ֖פוּ
(tatifu)
profeteert
יַטִּיפ֑וּן
(yatifun)
zij profeteren
לֹֽא
(lo)
niet
יַטִּ֣פוּ
(yatifu)
men moet profeteren
לָאֵ֔לֶּה
(laele)
over deze dingen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִסַּ֖ג
(yisag)
wijkt
כְּלִמּֽוֹת
(kelimot)
de smaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַטִּיפוּ (hatipu), ‘profeteren’: letterlijk ‘druppelen’; vergelijk Amos 7:16, waar Amasja hetzelfde werkwoord gebruikt.

De hoorders willen niet dat Micha profeteert.

Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk. Mogelijk is de zin: ‘Zij mogen hierover niet profeteren; de smaad weegt niet af’. De betekenis van het slot is onzeker.

7Mag dat gezegd worden, huis van Jakob? Is de geest van Yahweh te kort geworden? Zijn dit Zijn daden? „Doen Mijn woorden niet goed aan wie oprecht wandelt?
הֶאָמ֣וּר
(heamur)
gezegd
בֵּֽית
(beit)
huis van
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
הֲקָצַר֙
(haqatsar)
is verkort
ר֣וּחַ
(ruach)
de geest van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
of
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
מַעֲלָלָ֑יו
(maalalav)
zijn daden
הֲל֤וֹא
(halo)
zijn niet
דְבָרַ֨י
(devaray)
Mijn woorden
יֵיטִ֔יבוּ
(yeitivu)
doen goed
עִ֖ם
(im)
aan
הַיָּשָׁ֥ר
(hayashar)
de oprechte
הוֹלֵֽךְ
(holekh)
wandelend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘geest’: ook ‘adem’ of ‘geduld’.

De vraag is of Yahweh te kort van adem of van geduld is gekomen.

Vanaf ‘Doen Mijn woorden’ spreekt Yahweh zelf; Zijn woorden staan rood tot en met vers 10.

8Maar gisteren nog stond Mijn volk op als een vijand. Van de mantel trekken jullie het kleed af van wie zorgeloos voorbijgaan, van hen die terugkeren uit de oorlog.
וְאֶתְמ֗וּל
(veetmul)
en gisteren
עַמִּי֙
(ami)
mijn volk
לְאוֹיֵ֣ב
(leoyev)
als vijand
יְקוֹמֵ֔ם
(yeqomem)
staat op
מִמּ֣וּל
(mimul)
tegenover
שַׂלְמָ֔ה
(salma)
de mantel
אֶ֖דֶר
(eder)
het kleed
תַּפְשִׁט֑וּן
(tafshitun)
jullie trekken af
מֵעֹבְרִ֣ים
(meoverim)
van wie voorbijgaan
בֶּ֔טַח
(betach)
zorgeloos
שׁוּבֵ֖י
(shuvei)
van wie terugkeren
מִלְחָמָֽה
(milchama)
oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk en waarschijnlijk beschadigd.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij vertalen zo letterlijk als mogelijk is.

שַׂלְמָה (salmah) en אַדֶּרֶת (adderet), ‘mantel’ en ‘kleed’: kledingstukken; de roof van de kleding van reizigers die zich veilig voelen.

9De vrouwen van Mijn volk verdrijven jullie uit hun fijne huis. Van hun jonge kinderen nemen jullie Mijn luister voor eeuwig weg.
נְשֵׁ֤י
(neshei)
de vrouwen van
עַמִּי֙
(ami)
mijn volk
תְּגָ֣רְשׁ֔וּן
(tegareshun)
jullie verdrijven
מִבֵּ֖ית
(mibeit)
uit het huis van
תַּֽעֲנֻגֶ֑יהָ
(taanugeiha)
haar genot
מֵעַל֙
(meal)
van op
עֹֽלָלֶ֔יהָ
(olaleiha)
haar jonge kinderen
תִּקְח֥וּ
(tiqchu)
jullie nemen
הֲדָרִ֖י
(hadari)
Mijn luister
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Mijn luister’ (הֲדָרִי, hadari) is het eigen sieraad van Yahweh: wat Hij Zijn volk had gegeven.

Het wordt de kinderen ontnomen.

10Sta op en ga, want dit is de rustplaats niet. Om de onreinheid komt verwoesting, een zware verwoesting.”
ק֣וּמוּ
(qumu)
staat op
וּלְכ֔וּ
(ulekhu)
en gaat
כִּ֥י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
זֹ֖את
(zot)
dit
הַמְּנוּחָ֑ה
(hamenucha)
de rustplaats
בַּעֲב֥וּר
(baavur)
vanwege
טָמְאָ֛ה
(tamea)
de onreinheid
תְּחַבֵּ֖ל
(techabel)
zij zal verwoesten
וְחֶ֥בֶל
(vechevel)
en verwoesting
נִמְרָֽץ
(nimrats)
zwaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Stel dat een man achter de wind aan loopt en leugens verzint. Hij zegt: „Ik zal voor jou profeteren over wijn en sterke drank.” Dan zou hij de profeet van dit volk zijn.
לוּ
(lu)
als
אִ֞ישׁ
(ish)
een man
הֹלֵ֥ךְ
(holekh)
die loopt
ר֨וּחַ֙
(ruach)
wind
וָשֶׁ֣קֶר
(vasheqer)
en leugen
כִּזֵּ֔ב
(kizev)
hij verzint
אַטִּ֣ף
(atif)
ik zal profeteren
לְךָ֔
(lekha)
voor jou
לַיַּ֖יִן
(layayin)
over wijn
וְלַשֵּׁכָ֑ר
(velashekhar)
en sterke drank
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
dan zal hij zijn
מַטִּ֖יף
(matif)
de profeet van
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָלַךְ רוּחַ (halakh ruach), ‘die achter de wind aan loopt’: ook ‘die in de geest wandelt’.

Waarschijnlijk wordt het eerste bedoeld: iemand die leeg, ijdel praat.

Dit vers is van de profeet. Het sluit bij de woorden van de tegenstanders van vers 6 aan: wie wijn en sterke drank belooft, is de profeet die zij willen.

Ik zal Jakob verzamelen

12„Ik zal je, Jakob, zeker helemaal verzamelen. Ik zal de overgeblevenen van Israël zeker bijeenbrengen. Ik zet hen samen als schapen in de kooi, als een kudde midden in haar weide. Het gonst van mensen.”
אָסֹ֨ף
(asof)
verzamelen
אֶאֱסֹ֜ף
(eesof)
Ik zal verzamelen
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
כֻּלָּ֗ךְ
(kulakh)
jou allemaal
קַבֵּ֤ץ
(qabets)
bijeenbrengen
אֲקַבֵּץ֙
(aqabets)
Ik zal bijeenbrengen
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
het de overgeblevenen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
יַ֥חַד
(yachad)
samen
אֲשִׂימֶ֖נּוּ
(asimenu)
Ik zal hen zetten
כְּצֹ֣אן
(ketson)
als schapen
בָּצְרָ֑ה
(batsera)
in Bozra
כְּעֵ֨דֶר֙
(keeder)
als een kudde
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הַדָּֽבְר֔וֹ
(hadavero)
de weide
תְּהִימֶ֖נָה
(tehimena)
zij gonzen
מֵאָדָֽם
(meadam)
van mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאֵרִית יִשְׂרָאֵל (she’erit Yisra’el), ‘de overgeblevenen van Israël’: wie na het oordeel overblijft; vergelijk Amos 5:15 (‘het overblijfsel van Jozef’).

Dit is een belofte van herstel.

בָּצְרָה (botsrah), ‘in de kooi’: een schaapskooi; het woord klinkt als de plaatsnaam Bozra in Edom.

הַדָּבְרוֹ (haddovro), ‘haar weide’: het woord is zeldzaam; de betekenis is onzeker.

13De doorbreker trekt voor hen uit. Zij breken door, trekken de poort door en gaan erdoor naar buiten. Hun koning trekt voor hen uit, en Yahweh aan hun hoofd.
עָלָ֤ה
(ala)
is opgetrokken
הַפֹּרֵץ֙
(haporets)
de doorbreker
לִפְנֵיהֶ֔ם
(lifneihem)
voor hen
פָּֽרְצוּ֙
(paretsu)
zij breken door
וַֽיַּעֲבֹ֔רוּ
(vayaavoru)
en zij trekken door
שַׁ֖עַר
(shaar)
de poort
וַיֵּ֣צְאוּ
(vayetseu)
en zij gaan naar buiten
ב֑וֹ
(bo)
erdoor
וַיַּעֲבֹ֤ר
(vayaavor)
en trekt voort
מַלְכָּם֙
(malkam)
hun koning
לִפְנֵיהֶ֔ם
(lifneihem)
voor hen
וַיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
בְּרֹאשָֽׁם
(berosham)
aan hun hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַפֹּרֵץ (happorets), ‘de doorbreker’: iemand die de weg vrijmaakt, een leider die de muur doorbreekt.

Het is Yahweh zelf, of een door Hem gezonden leider.

מַלְכָּם (malkam), ‘hun koning’: dit is waarschijnlijk Yahweh zelf, die in het tweede deel van de zin bij Zijn naam wordt genoemd.