Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
El Sjaddai en het verbond
1Toen Abram 99 jaar oud was, verscheen Yahweh aan Abram en zei tegen hem: „Ik ben El Sjaddai. Wandel voor Mijn aangezicht en wees onberispelijk.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
בֶּן
(ben)
zoon van
תִּשְׁעִ֥ים
(tishim)
negentig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וְתֵ֣שַׁע
(vetesha)
en negen
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaar
וַיֵּרָ֨א
(vayera)
en Hij verscheen
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
aan
אַבְרָ֗ם
(avram)
Abram
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tegen hem
אֲנִי
(ani)
Ik
אֵ֣ל
(el)
El
שַׁדַּ֔י
(shaday)
Sjaddai
הִתְהַלֵּ֥ךְ
(hithalekh)
wandel
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
וֶהְיֵ֥ה
(vehye)
en wees
תָמִֽים
(tamim)
onberispelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֵל שַׁדַּי (El Shaddai), ‘El Sjaddai’, wordt vaak vertaald als ‘Elohim de Almachtige’; de betekenis van שַׁדַּי (Shaddai) is niet zeker.
Onder deze naam maakt Elohim zich aan de aartsvaders bekend (Ex. 6:3).
הִתְהַלֵּךְ לְפָנַי (hithalekh lefanai), ‘wandel voor Mijn aangezicht’, is de uitdrukking van Henoch en Noach (zie 5:24; vergelijk 6:9).
תָמִים (tamim), ‘onberispelijk’, is het woord dat ook Noach kenmerkt (zie 6:9).
Aanvullend
Jubileeën 15:3 heeft dezelfde woorden.
Jasher 17:16–17 noemt ook de leeftijd van 99 jaar; Jasher 16:21 heeft hetzelfde gebod eerder.
7Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en jou en jouw nageslacht na jou, in hun generaties, als een eeuwig verbond: om voor jou Elohim te zijn en voor jouw nageslacht na jou.
וַהֲקִמֹתִ֨י
(vahaqimoti)
en Ik zal oprichten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֜י
(beriti)
Mijn verbond
בֵּינִ֣י
(beini)
tussen Mij
וּבֵינֶ֗ךָ
(uveinekha)
en tussen jou
וּבֵ֨ין
(uvein)
en tussen
זַרְעֲךָ֧
(zarakha)
je nageslacht
אַחֲרֶ֛יךָ
(achareikha)
na jou
לְדֹרֹתָ֖ם
(ledorotam)
in hun generaties
לִבְרִ֣ית
(livrit)
tot een verbond
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
לִהְי֤וֹת
(lihyot)
om te zijn
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
לֵֽאלֹהִ֔ים
(lElohim)
tot Elohim
וּֽלְזַרְעֲךָ֖
(ulezarakha)
en voor je nageslacht
אַחֲרֶֽיךָ
(achareikha)
na jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַהֲקִמֹתִי (vahaqimoti), ‘Ik zal oprichten’, is het werkwoord van 9:9 (zie 9:9), en לִבְרִית עוֹלָם (livrit olam), ‘tot een eeuwig verbond’, komt ook voor in 9:16 (vergelijk 9:16).
‘Elohim zijn voor jou en je nageslacht’ is de kern van het verbond; vergelijk Ex. 6:7, Jer. 31:33 en Openb. 21:3.
8Ik zal aan jou en aan jouw nageslacht na jou het land geven waar je als vreemdeling woont, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit. En Ik zal voor hen Elohim zijn.”
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal geven
לְ֠ךָ
(lekha)
aan jou
וּלְזַרְעֲךָ֨
(ulezarakha)
en aan je nageslacht
אַחֲרֶ֜יךָ
(achareikha)
na jou
אֵ֣ת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
מְגֻרֶ֗יךָ
(megureikha)
je vreemdelingschap
אֵ֚ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
לַאֲחֻזַּ֖ת
(laachuzat)
tot bezit
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
וְהָיִ֥יתִי
(vehayiti)
en Ik zal zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het land Kanaän is hier het gebied van Sidon langs de kust tot Gaza en Gerar, en vandaar naar de Dode Zee en de Jordaan (zie Gen. 10:19).
Uitleg
אֶרֶץ מְגֻרֶיךָ (erets megureykha), ‘het land van je vreemdelingschap’: het land waar Abraham als vreemdeling woont.
10Dit is Mijn verbond dat jullie zullen onderhouden, tussen Mij en jullie en jouw nageslacht na jou: bij jullie moet alles wat mannelijk is besneden worden.
זֹ֣את
(zot)
dit
בְּרִיתִ֞י
(beriti)
Mijn verbond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תִּשְׁמְר֗וּ
(tishmeru)
jullie zullen onderhouden
בֵּינִי֙
(beini)
tussen Mij
וּבֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(uveineikhem)
en tussen jullie
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
זַרְעֲךָ֖
(zarakha)
je nageslacht
אַחֲרֶ֑יךָ
(achareikha)
na jou
הִמּ֥וֹל
(himol)
besneden worden
לָכֶ֖ם
(lakhem)
bij jullie
כָּל
(kal)
alles
זָכָֽר
(zakhar)
mannelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּל זָכָר (kol zakhar), ‘alles wat mannelijk is’: זכר (zakhar) is hetzelfde woord als in 1:27 (zie 1:27) en 5:2 (vergelijk 5:2).
הִמּוֹל (himmol), ‘besneden worden’, van מול (mul), ‘afsnijden, besnijden’.
12Wie acht dagen oud is, moet bij jullie besneden worden, alles wat mannelijk is, in al jullie generaties: wie in het huis geboren is en wie met geld is gekocht van welke zoon van een vreemde ook, die niet van jouw nageslacht is.
וּבֶן
(uven)
en een zoon van
שְׁמֹנַ֣ת
(shemonat)
acht
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
יִמּ֥וֹל
(yimol)
moet besneden worden
לָכֶ֛ם
(lakhem)
bij jullie
כָּל
(kal)
alles
זָכָ֖ר
(zakhar)
mannelijk
לְדֹרֹתֵיכֶ֑ם
(ledoroteikhem)
in jullie generaties
יְלִ֣יד
(yelid)
geborene van
בָּ֔יִת
(bayit)
het huis
וּמִקְנַת
(umiqnat)
en gekochte met
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
geld
מִכֹּ֣ל
(mikol)
van elke
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵכָ֔ר
(nekhar)
een vreemde
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹ֥א
(lo)
niet
מִֽזַּרְעֲךָ֖
(mizarakha)
van je nageslacht
הֽוּא
(hu)
hij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּבֶן שְׁמֹנַת יָמִים (uven shemonat yamim), ‘een zoon van acht dagen’.
יְלִיד בָּיִת (yelid bayit), ‘in het huis geboren’, en וּמִקְנַת כֶּסֶף (umiqnat kesef), ‘met geld gekocht’: ook de slaven in het huis en hun zonen horen bij het verbond.
Lev. 12:3 herhaalt de achtste dag.
Aanvullend
Jubileeën 15:12 en Jasher 17:18 noemen de achtste dag ook.
13Wie in jouw huis geboren is en wie met jouw geld is gekocht, moet zeker besneden worden. Zo zal Mijn verbond in jullie vlees zijn als een eeuwig verbond.
הִמּ֧וֹל
(himol)
besneden worden
יִמּ֛וֹל
(yimol)
zal besneden worden
יְלִ֥יד
(yelid)
geborene van
בֵּֽיתְךָ֖
(beitekha)
je huis
וּמִקְנַ֣ת
(umiqnat)
en gekochte met
כַּסְפֶּ֑ךָ
(kaspekha)
je geld
וְהָיְתָ֧ה
(vehayeta)
en zal zijn
בְרִיתִ֛י
(beriti)
Mijn verbond
בִּבְשַׂרְכֶ֖ם
(bivsarkhem)
in jullie vlees
לִבְרִ֥ית
(livrit)
tot een verbond
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִמּוֹל יִמּוֹל (hamol yimmol), ‘zeker besneden worden’: het onbepaalde werkwoord vooraf versterkt, zoals bij ‘zeker sterven’ in 2:17 (zie 2:17).
14Een onbesneden mannelijk persoon, die in het vlees van zijn voorhuid niet besneden wordt – die persoon zal worden afgesneden uit zijn volk. Hij heeft Mijn verbond gebroken.”
וְעָרֵ֣ל
(vearel)
en onbesneden
זָכָ֗ר
(zakhar)
mannelijk
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יִמּוֹל֙
(yimol)
besneden zal worden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּשַׂ֣ר
(besar)
vlees van
עָרְלָת֔וֹ
(arelato)
zijn voorhuid
וְנִכְרְתָ֛ה
(venikhreta)
en zal afgesneden worden
הַנֶּ֥פֶשׁ
(hanefesh)
de nefesh (persoon)
הַהִ֖וא
(hahi)
die
מֵעַמֶּ֑יהָ
(meameiha)
uit haar volken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֖י
(beriti)
Mijn verbond
הֵפַֽר
(hefar)
heeft gebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְנִכְרְתָה (venikhreta), ‘en zal worden afgesneden’, heeft dezelfde stam כרת (karat) als ‘een verbond sluiten (snijden)’ in 15:18 (zie 15:18).
הֵפַר (hefar), ‘hij heeft verbroken’.
Het afsnijden doet Yahweh zelf: in Lev. 20:2–5 moet het volk de overtreder stenigen, en daarnaast zegt Yahweh dat Hij hem uit zijn volk afsnijdt.
Ex. 31:14 noemt doden en afsnijden naast elkaar, en Num. 15:30–31 zegt: ‘zijn ongerechtigheid is op hem’.
Het vers zegt niet dat mensen hem doden of wegsturen, en ook niet wat het afsnijden inhoudt: de joodse traditie noemt een vroege dood, kinderloosheid of verlies van het hiernamaals.
Aanvullend
Jubileeën 15:26 zegt dat wie niet op de achtste dag besneden is, bij ‘de kinderen van het verderf’ hoort.
16Ik zal haar zegenen, en Ik zal je ook een zoon uit haar geven. Ik zal hem zegenen, en hij zal tot volken worden: koningen van volken zullen uit hem voortkomen.”
וּבֵרַכְתִּ֣י
(uverakhti)
en Ik zal zegenen
אֹתָ֔הּ
(otah)
haar
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
נָתַ֧תִּי
(natati)
zal Ik geven
מִמֶּ֛נָּה
(mimena)
uit haar
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וברכתיו
(vvrkhtyv)
en Ik zal hem zegenen
והיה
(vehayah)
en hij zal worden
לגוים
(lgvym)
tot volken
מלכי
(malkhei)
koningen van
עמים
(ammim)
volken
ממנו
(mimmennu)
uit hem
יִהְיֽוּ
(yihyu)
zullen zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta, Samaritaanse Pentateuch, Syrische vertaling en Vulgaat
Uitleg
וּבֵרַכְתִּי (uverakhti), ‘en Ik zal zegenen’, staat twee keer.
In de tweede helft staat hier ‘hem’ (‘Ik zal hem zegenen, en hij zal tot volken worden’).
De belofte van volken en koningen loopt zo door de lijn van Abraham, Isaak en Jakob, vergelijk 17:20 en 35:11.
Sarah blijft in de eerste helft de moeder (zie 17:19).
Aanvullend
Jubileeën 15:16 heeft ook ‘hem’.
Jasher 17:20 spreekt over beiden: ‘Ik zal jullie beiden zegenen’.
17Abraham viel op zijn gezicht en lachte. Hij zei in zijn hart: „Zal aan een man van 100 jaar een kind geboren worden? En zal Sarah, een vrouw van 90 jaar, baren?”
וַיִּפֹּ֧ל
(vayipol)
en hij viel
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
עַל
(al)
op
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
וַיִּצְחָ֑ק
(vayitschaq)
en hij lachte
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בְּלִבּ֗וֹ
(belibo)
in zijn hart
הַלְּבֶ֤ן
(haleven)
(vraag) aan een zoon van
מֵאָֽה
(mea)
honderd
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
יִוָּלֵ֔ד
(yivaled)
zal geboren worden
וְאִ֨ם
(veim)
en of
שָׂרָ֔ה
(sara)
Sarah
הֲבַת
(havat)
dochter van
תִּשְׁעִ֥ים
(tishim)
negentig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
תֵּלֵֽד
(teled)
zal ze baren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּצְחָק (vayitschaq), ‘en hij lachte’, heeft dezelfde stam צחק (tsachaq) als de naam Isaak (vers 19).
Zie ook 18:12 (Sarah lacht).
‘In zijn hart’ (בְּלִבּוֹ, belibbo): het lachen blijft verborgen.
19Elohim zei: „Nee, maar Sarah, je vrouw, zal je een zoon baren. Je zult hem Isaak noemen, en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten als een eeuwig verbond voor zijn nageslacht na hem.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
אֲבָל֙
(aval)
nee, maar
שָׂרָ֣ה
(sara)
Sarah
אִשְׁתְּךָ֗
(ishtekha)
je vrouw
יֹלֶ֤דֶת
(yoledet)
baart
לְךָ֙
(lekha)
aan jou
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וְקָרָ֥אתָ
(veqarata)
en je zult noemen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
וַהֲקִמֹתִ֨י
(vahaqimoti)
en Ik zal oprichten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֥י
(beriti)
Mijn verbond
אִתּ֛וֹ
(ito)
met hem
לִבְרִ֥ית
(livrit)
tot een verbond
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwig
לְזַרְע֥וֹ
(lezaro)
voor zijn nageslacht
אַחֲרָֽיו
(acharav)
na hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲבָל (aval), ‘nee, maar’ of ‘inderdaad’.
Elohim wijst Abrahams wens voor Ismaël niet af, maar het verbond gaat via Isaak.
20En wat Ismaël betreft: Ik heb je gehoord. Zie, Ik heb hem gezegend. Ik zal hem vruchtbaar maken en hem zeer, zeer talrijk maken. Twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk maken.
וּֽלְיִשְׁמָעֵ֘אל
(uleyishmael)
en wat Ismaël betreft
שְׁמַעְתִּיךָ֒
(shematikha)
heb Ik je gehoord
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
בֵּרַ֣כְתִּי
(berakhti)
heb Ik gezegend
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
וְהִפְרֵיתִ֥י
(vehifreiti)
en Ik zal vruchtbaar maken
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וְהִרְבֵּיתִ֥י
(vehirbeiti)
en Ik zal vermenigvuldigen
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בִּמְאֹ֣ד
(bimod)
zeer
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
שְׁנֵים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֤ר
(asar)
tien
נְשִׂיאִם֙
(nesiim)
vorsten
יוֹלִ֔יד
(yolid)
zal hij verwekken
וּנְתַתִּ֖יו
(unetativ)
en Ik zal hem maken
לְג֥וֹי
(legoy)
tot een volk
גָּדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְשִׂיאִם (nesi’im), ‘vorsten’: de twaalf worden genoemd in 25:13–16.
Zie 25:13.
Aanvullend
Jubileeën 15:20 heeft het antwoord van Elohim over Ismaël, maar noemt de twaalf vorsten niet.
23Abraham nam zijn zoon Ismaël, al wie in zijn huis geboren was en al wie met zijn geld gekocht was, alles wat mannelijk was onder de mannen van het huis van Abraham. Hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals Elohim met hem had gesproken.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Ismaël
בְּנ֗וֹ
(beno)
zijn zoon
וְאֵ֨ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
יְלִידֵ֤י
(yelidei)
geborenen van
בֵיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
וְאֵת֙
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
מִקְנַ֣ת
(miqnat)
gekochten met
כַּסְפּ֔וֹ
(kaspo)
zijn geld
כָּל
(kal)
alles
זָכָ֕ר
(zakhar)
mannelijk
בְּאַנְשֵׁ֖י
(beanshei)
onder de mannen van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיָּ֜מָל
(vayamal)
en hij besneed
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּשַׂ֣ר
(besar)
vlees van
עָרְלָתָ֗ם
(arelatam)
hun voorhuid
בְּעֶ֨צֶם֙
(beetsem)
op het zelfde
הַיּ֣וֹם
(hayom)
dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
had gesproken
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּעֶצֶם הַיּוֹם הַזֶּה (be’etsem hayom hazeh), ‘op diezelfde dag’: Abraham stelt het niet uit (vergelijk 7:13).