Elohim Bijbel

Genesis 17

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Besnijdenis en verbond

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

El Sjaddai en het verbond

1Toen Abram 99 jaar oud was, verscheen Yahweh aan Abram en zei tegen hem: „Ik ben El Sjaddai. Wandel voor Mijn aangezicht en wees onberispelijk.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
בֶּן
(ben)
zoon van
תִּשְׁעִ֥ים
(tishim)
negentig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וְתֵ֣שַׁע
(vetesha)
en negen
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaar
וַיֵּרָ֨א
(vayera)
en Hij verscheen
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
aan
אַבְרָ֗ם
(avram)
Abram
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tegen hem
אֲנִי
(ani)
Ik
אֵ֣ל
(el)
El
שַׁדַּ֔י
(shaday)
Sjaddai
הִתְהַלֵּ֥ךְ
(hithalekh)
wandel
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
וֶהְיֵ֥ה
(vehye)
en wees
תָמִֽים
(tamim)
onberispelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵל שַׁדַּי (El Shaddai), ‘El Sjaddai’, wordt vaak vertaald als ‘Elohim de Almachtige’; de betekenis van שַׁדַּי (Shaddai) is niet zeker.

Onder deze naam maakt Elohim zich aan de aartsvaders bekend (Ex. 6:3).

הִתְהַלֵּךְ לְפָנַי (hithalekh lefanai), ‘wandel voor Mijn aangezicht’, is de uitdrukking van Henoch en Noach (zie 5:24; vergelijk 6:9).

תָמִים (tamim), ‘onberispelijk’, is het woord dat ook Noach kenmerkt (zie 6:9).

Aanvullend

Jubileeën 15:3 heeft dezelfde woorden.

Jasher 17:16–17 noemt ook de leeftijd van 99 jaar; Jasher 16:21 heeft hetzelfde gebod eerder.

2Ik zal Mijn verbond geven tussen Mij en jou, en Ik zal je zeer, zeer talrijk maken.”
וְאֶתְּנָ֥ה
(veetena)
en Ik zal geven
בְרִיתִ֖י
(beriti)
Mijn verbond
בֵּינִ֣י
(beini)
tussen Mij
וּבֵינֶ֑ךָ
(uveinekha)
en tussen jou
וְאַרְבֶּ֥ה
(vearbe)
en Ik zal vermenigvuldigen
אוֹתְךָ֖
(otekha)
jou
בִּמְאֹ֥ד
(bimod)
zeer
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In vers 2 staat ‘geven’ (וְאֶתְּנָה, ve’ettenah), in vers 7 ‘oprichten’, zoals bij Noach (zie 9:9).

בִּמְאֹד מְאֹד (bime’od me’od), ‘zeer, zeer’: een dubbele versterking die in dit hoofdstuk drie keer terugkomt (vers 2, 6 en 20).

3Abram viel op zijn gezicht, en Elohim sprak met hem en zei:
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en hij viel
אַבְרָ֖ם
(avram)
Abram
עַל
(al)
op
פָּנָ֑יו
(panav)
zijn gezicht
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en Hij sprak
אִתּ֛וֹ
(ito)
met hem
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּפֹּל אַבְרָם עַל פָּנָיו (vayippol Avram al panav), ‘Abram viel op zijn gezicht’: een houding van eerbied, ook in vers 17.

Vanaf hier spreekt Elohim; in vers 1 was het Yahweh.

4„Wat Mij betreft: zie, Mijn verbond is met jou. Je zult de vader worden van een menigte volken.
אֲנִ֕י
(ani)
Ik
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
בְרִיתִ֖י
(beriti)
Mijn verbond
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
met jou
וְהָיִ֕יתָ
(vehayita)
en je zult worden
לְאַ֖ב
(leav)
tot vader van
הֲמ֥וֹן
(hamon)
een menigte van
גּוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲנִי הִנֵּה בְרִיתִי אִתָּךְ (ani hinneh veriti ittakh), ‘Wat Mij betreft: zie, Mijn verbond is met jou’.

הֲמוֹן גּוֹיִם (hamon goyim), ‘een menigte van volken’.

Vergelijk 12:2.

5Je naam zal niet meer Abram heten, maar je naam zal Abraham zijn, want tot vader van een menigte volken heb Ik je gemaakt.
וְלֹא
(velo)
en niet
יִקָּרֵ֥א
(yiqare)
zal worden genoemd
ע֛וֹד
(od)
nog
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שִׁמְךָ֖
(shimkha)
je naam
אַבְרָ֑ם
(avram)
Abram
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
שִׁמְךָ֙
(shimkha)
je naam
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
כִּ֛י
(ki)
want
אַב
(av)
vader van
הֲמ֥וֹן
(hamon)
een menigte van
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
נְתַתִּֽיךָ
(netatikha)
heb Ik je gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַבְרָם (Avram), ‘verheven vader’, wordt אַבְרָהָם (Avraham).

Het Hebreeuws legt de klank uit met אַב הֲמוֹן (av hamon), ‘vader van een menigte’.

De ה (he, ‘hey’) is aan de naam toegevoegd.

Vanaf hier heet hij in deze vertaling Abraham.

נְתַתִּיךָ (netatikha) is letterlijk ‘Ik heb je gegeven’: Ik heb je als zodanig aangesteld.

Paulus citeert deze woorden in Rom. 4:17.

Aanvullend

Jubileeën 15:7 heeft dezelfde naamsverandering.

6Ik zal je zeer, zeer vruchtbaar maken, Ik zal je tot volken maken, en koningen zullen uit jou voortkomen.
וְהִפְרֵתִ֤י
(vehifreti)
en Ik zal vruchtbaar maken
אֹֽתְךָ֙
(otekha)
jou
בִּמְאֹ֣ד
(bimod)
zeer
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וּנְתַתִּ֖יךָ
(unetatikha)
en Ik zal je maken
לְגוֹיִ֑ם
(legoyim)
tot volken
וּמְלָכִ֖ים
(umelakhim)
en koningen
מִמְּךָ֥
(mimekha)
uit jou
יֵצֵֽאוּ
(yetseu)
zullen voortkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהִפְרֵתִי (vehifreti), ‘Ik zal vruchtbaar maken’, heeft dezelfde stam als ‘wees vruchtbaar’ in 1:28 (zie 1:28) en in 9:1 (vergelijk 9:1).

Uit deze koningen loopt de bloedlijn naar Yeshua, de Messias (Matt. 1:1; Lukas 3:23–38).

7Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en jou en jouw nageslacht na jou, in hun generaties, als een eeuwig verbond: om voor jou Elohim te zijn en voor jouw nageslacht na jou.
וַהֲקִמֹתִ֨י
(vahaqimoti)
en Ik zal oprichten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֜י
(beriti)
Mijn verbond
בֵּינִ֣י
(beini)
tussen Mij
וּבֵינֶ֗ךָ
(uveinekha)
en tussen jou
וּבֵ֨ין
(uvein)
en tussen
זַרְעֲךָ֧
(zarakha)
je nageslacht
אַחֲרֶ֛יךָ
(achareikha)
na jou
לְדֹרֹתָ֖ם
(ledorotam)
in hun generaties
לִבְרִ֣ית
(livrit)
tot een verbond
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
לִהְי֤וֹת
(lihyot)
om te zijn
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
לֵֽאלֹהִ֔ים
(lElohim)
tot Elohim
וּֽלְזַרְעֲךָ֖
(ulezarakha)
en voor je nageslacht
אַחֲרֶֽיךָ
(achareikha)
na jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַהֲקִמֹתִי (vahaqimoti), ‘Ik zal oprichten’, is het werkwoord van 9:9 (zie 9:9), en לִבְרִית עוֹלָם (livrit olam), ‘tot een eeuwig verbond’, komt ook voor in 9:16 (vergelijk 9:16).

‘Elohim zijn voor jou en je nageslacht’ is de kern van het verbond; vergelijk Ex. 6:7, Jer. 31:33 en Openb. 21:3.

8Ik zal aan jou en aan jouw nageslacht na jou het land geven waar je als vreemdeling woont, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit. En Ik zal voor hen Elohim zijn.”
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal geven
לְ֠ךָ
(lekha)
aan jou
וּלְזַרְעֲךָ֨
(ulezarakha)
en aan je nageslacht
אַחֲרֶ֜יךָ
(achareikha)
na jou
אֵ֣ת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
מְגֻרֶ֗יךָ
(megureikha)
je vreemdelingschap
אֵ֚ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
לַאֲחֻזַּ֖ת
(laachuzat)
tot bezit
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
וְהָיִ֥יתִי
(vehayiti)
en Ik zal zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het land Kanaän is hier het gebied van Sidon langs de kust tot Gaza en Gerar, en vandaar naar de Dode Zee en de Jordaan (zie Gen. 10:19).

Uitleg

אֶרֶץ מְגֻרֶיךָ (erets megureykha), ‘het land van je vreemdelingschap’: het land waar Abraham als vreemdeling woont.

לַאֲחֻזַּת עוֹלָם (la’achuzzat olam), ‘tot eeuwig bezit’.

Vergelijk 12:7; vergelijk 15:18.

Het teken van de besnijdenis

9Elohim zei tegen Abraham: „Jij zult Mijn verbond onderhouden, jij en jouw nageslacht na jou, in hun generaties.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tegen
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֣י
(beriti)
Mijn verbond
תִשְׁמֹ֑ר
(tishmor)
zult onderhouden
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
וְזַרְעֲךָ֥
(vezarakha)
en je nageslacht
אַֽחֲרֶ֖יךָ
(achareikha)
na jou
לְדֹרֹתָֽם
(ledorotam)
in hun generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het verbond van vers 2–8 is een belofte van Elohim; in vers 9–14 volgt wat Abraham en zijn nageslacht moeten doen.

תִשְׁמֹר (tishmor), ‘onderhouden’ of ‘bewaren’.

10Dit is Mijn verbond dat jullie zullen onderhouden, tussen Mij en jullie en jouw nageslacht na jou: bij jullie moet alles wat mannelijk is besneden worden.
זֹ֣את
(zot)
dit
בְּרִיתִ֞י
(beriti)
Mijn verbond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תִּשְׁמְר֗וּ
(tishmeru)
jullie zullen onderhouden
בֵּינִי֙
(beini)
tussen Mij
וּבֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(uveineikhem)
en tussen jullie
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
זַרְעֲךָ֖
(zarakha)
je nageslacht
אַחֲרֶ֑יךָ
(achareikha)
na jou
הִמּ֥וֹל
(himol)
besneden worden
לָכֶ֖ם
(lakhem)
bij jullie
כָּל
(kal)
alles
זָכָֽר
(zakhar)
mannelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּל זָכָר (kol zakhar), ‘alles wat mannelijk is’: זכר (zakhar) is hetzelfde woord als in 1:27 (zie 1:27) en 5:2 (vergelijk 5:2).

הִמּוֹל (himmol), ‘besneden worden’, van מול (mul), ‘afsnijden, besnijden’.

11Jullie zullen het vlees van jullie voorhuid besnijden. Dat zal het teken van het verbond zijn tussen Mij en jullie.
וּנְמַלְתֶּ֕ם
(unemaltem)
en jullie zullen besnijden
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּשַׂ֣ר
(besar)
vlees van
עָרְלַתְכֶ֑ם
(arelatkhem)
jullie voorhuid
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
לְא֣וֹת
(leot)
tot een teken van
בְּרִ֔ית
(berit)
verbond
בֵּינִ֖י
(beini)
tussen Mij
וּבֵינֵיכֶֽם
(uveineikhem)
en tussen jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרְלַתְכֶם (orlatkhem), ‘jullie voorhuid’.

לְאוֹת (le’ot), ‘tot een teken’: een teken van het verbond, zoals de regenboog dat was (vergelijk 9:12).

12Wie acht dagen oud is, moet bij jullie besneden worden, alles wat mannelijk is, in al jullie generaties: wie in het huis geboren is en wie met geld is gekocht van welke zoon van een vreemde ook, die niet van jouw nageslacht is.
וּבֶן
(uven)
en een zoon van
שְׁמֹנַ֣ת
(shemonat)
acht
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
יִמּ֥וֹל
(yimol)
moet besneden worden
לָכֶ֛ם
(lakhem)
bij jullie
כָּל
(kal)
alles
זָכָ֖ר
(zakhar)
mannelijk
לְדֹרֹתֵיכֶ֑ם
(ledoroteikhem)
in jullie generaties
יְלִ֣יד
(yelid)
geborene van
בָּ֔יִת
(bayit)
het huis
וּמִקְנַת
(umiqnat)
en gekochte met
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
geld
מִכֹּ֣ל
(mikol)
van elke
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵכָ֔ר
(nekhar)
een vreemde
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹ֥א
(lo)
niet
מִֽזַּרְעֲךָ֖
(mizarakha)
van je nageslacht
הֽוּא
(hu)
hij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּבֶן שְׁמֹנַת יָמִים (uven shemonat yamim), ‘een zoon van acht dagen’.

יְלִיד בָּיִת (yelid bayit), ‘in het huis geboren’, en וּמִקְנַת כֶּסֶף (umiqnat kesef), ‘met geld gekocht’: ook de slaven in het huis en hun zonen horen bij het verbond.

Lev. 12:3 herhaalt de achtste dag.

Aanvullend

Jubileeën 15:12 en Jasher 17:18 noemen de achtste dag ook.

13Wie in jouw huis geboren is en wie met jouw geld is gekocht, moet zeker besneden worden. Zo zal Mijn verbond in jullie vlees zijn als een eeuwig verbond.
הִמּ֧וֹל
(himol)
besneden worden
יִמּ֛וֹל
(yimol)
zal besneden worden
יְלִ֥יד
(yelid)
geborene van
בֵּֽיתְךָ֖
(beitekha)
je huis
וּמִקְנַ֣ת
(umiqnat)
en gekochte met
כַּסְפֶּ֑ךָ
(kaspekha)
je geld
וְהָיְתָ֧ה
(vehayeta)
en zal zijn
בְרִיתִ֛י
(beriti)
Mijn verbond
בִּבְשַׂרְכֶ֖ם
(bivsarkhem)
in jullie vlees
לִבְרִ֥ית
(livrit)
tot een verbond
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִמּוֹל יִמּוֹל (hamol yimmol), ‘zeker besneden worden’: het onbepaalde werkwoord vooraf versterkt, zoals bij ‘zeker sterven’ in 2:17 (zie 2:17).

Aanvullend

Jubileeën 15:13 heeft hetzelfde.

14Een onbesneden mannelijk persoon, die in het vlees van zijn voorhuid niet besneden wordt – die persoon zal worden afgesneden uit zijn volk. Hij heeft Mijn verbond gebroken.”
וְעָרֵ֣ל
(vearel)
en onbesneden
זָכָ֗ר
(zakhar)
mannelijk
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יִמּוֹל֙
(yimol)
besneden zal worden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּשַׂ֣ר
(besar)
vlees van
עָרְלָת֔וֹ
(arelato)
zijn voorhuid
וְנִכְרְתָ֛ה
(venikhreta)
en zal afgesneden worden
הַנֶּ֥פֶשׁ
(hanefesh)
de nefesh (persoon)
הַהִ֖וא
(hahi)
die
מֵעַמֶּ֑יהָ
(meameiha)
uit haar volken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֖י
(beriti)
Mijn verbond
הֵפַֽר
(hefar)
heeft gebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנִכְרְתָה (venikhreta), ‘en zal worden afgesneden’, heeft dezelfde stam כרת (karat) als ‘een verbond sluiten (snijden)’ in 15:18 (zie 15:18).

הֵפַר (hefar), ‘hij heeft verbroken’.

Het afsnijden doet Yahweh zelf: in Lev. 20:2–5 moet het volk de overtreder stenigen, en daarnaast zegt Yahweh dat Hij hem uit zijn volk afsnijdt.

Ex. 31:14 noemt doden en afsnijden naast elkaar, en Num. 15:30–31 zegt: ‘zijn ongerechtigheid is op hem’.

Het vers zegt niet dat mensen hem doden of wegsturen, en ook niet wat het afsnijden inhoudt: de joodse traditie noemt een vroege dood, kinderloosheid of verlies van het hiernamaals.

Aanvullend

Jubileeën 15:26 zegt dat wie niet op de achtste dag besneden is, bij ‘de kinderen van het verderf’ hoort.

Sarai wordt Sarah

15Elohim zei tegen Abraham: „Sarai, je vrouw: je zult haar niet Sarai noemen, want Sarah is haar naam.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tegen
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
שָׂרַ֣י
(saray)
Sarai
אִשְׁתְּךָ֔
(ishtekha)
je vrouw
לֹא
(lo)
niet
תִקְרָ֥א
(tiqra)
zul je noemen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמָ֖הּ
(shemah)
haar naam
שָׂרָ֑י
(saray)
Sarai
כִּ֥י
(ki)
want
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sarah
שְׁמָֽהּ
(shemah)
haar naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂרַי (Sarai) wordt שָׂרָה (Sarah).

De י (yod) aan het slot wordt een ה (he, in het Nederlands ‘hey’).

שָׂרָה (sarah) betekent ‘vorstin’.

Ook bij haar verandert de naam.

Aanvullend

Jubileeën 15:15 en Jasher 17:19 noemen de nieuwe naam ook.

16Ik zal haar zegenen, en Ik zal je ook een zoon uit haar geven. Ik zal hem zegenen, en hij zal tot volken worden: koningen van volken zullen uit hem voortkomen.”
וּבֵרַכְתִּ֣י
(uverakhti)
en Ik zal zegenen
אֹתָ֔הּ
(otah)
haar
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
נָתַ֧תִּי
(natati)
zal Ik geven
מִמֶּ֛נָּה
(mimena)
uit haar
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וברכתיו
(vvrkhtyv)
en Ik zal hem zegenen
והיה
(vehayah)
en hij zal worden
לגוים
(lgvym)
tot volken
מלכי
(malkhei)
koningen van
עמים
(ammim)
volken
ממנו
(mimmennu)
uit hem
יִהְיֽוּ
(yihyu)
zullen zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta, Samaritaanse Pentateuch, Syrische vertaling en Vulgaat
Uitleg

וּבֵרַכְתִּי (uverakhti), ‘en Ik zal zegenen’, staat twee keer.

In de tweede helft staat hier ‘hem’ (‘Ik zal hem zegenen, en hij zal tot volken worden’).

De belofte van volken en koningen loopt zo door de lijn van Abraham, Isaak en Jakob, vergelijk 17:20 en 35:11.

Sarah blijft in de eerste helft de moeder (zie 17:19).

Aanvullend

Jubileeën 15:16 heeft ook ‘hem’.

Jasher 17:20 spreekt over beiden: ‘Ik zal jullie beiden zegenen’.

17Abraham viel op zijn gezicht en lachte. Hij zei in zijn hart: „Zal aan een man van 100 jaar een kind geboren worden? En zal Sarah, een vrouw van 90 jaar, baren?”
וַיִּפֹּ֧ל
(vayipol)
en hij viel
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
עַל
(al)
op
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
וַיִּצְחָ֑ק
(vayitschaq)
en hij lachte
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בְּלִבּ֗וֹ
(belibo)
in zijn hart
הַלְּבֶ֤ן
(haleven)
(vraag) aan een zoon van
מֵאָֽה
(mea)
honderd
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
יִוָּלֵ֔ד
(yivaled)
zal geboren worden
וְאִ֨ם
(veim)
en of
שָׂרָ֔ה
(sara)
Sarah
הֲבַת
(havat)
dochter van
תִּשְׁעִ֥ים
(tishim)
negentig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
תֵּלֵֽד
(teled)
zal ze baren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּצְחָק (vayitschaq), ‘en hij lachte’, heeft dezelfde stam צחק (tsachaq) als de naam Isaak (vers 19).

Zie ook 18:12 (Sarah lacht).

‘In zijn hart’ (בְּלִבּוֹ, belibbo): het lachen blijft verborgen.

Vergelijk Rom. 4:19–20.

Aanvullend

Jubileeën 15:17 zegt dat Abraham zich verheugde.

18Abraham zei tegen Elohim: „Mocht Ismaël maar leven voor Uw aangezicht!”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
אֶל
(el)
tegen
הָֽאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
ל֥וּ
(lu)
mocht maar
יִשְׁמָעֵ֖אל
(yishmael)
Ismaël
יִחְיֶ֥ה
(yichye)
leven
לְפָנֶֽיךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לוּ (lu), ‘mocht toch’: een wens.

Abraham pleit voor Ismaël, die al dertien is (vers 25).

Aanvullend

Jubileeën 15:18 heeft dezelfde wens.

19Elohim zei: „Nee, maar Sarah, je vrouw, zal je een zoon baren. Je zult hem Isaak noemen, en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten als een eeuwig verbond voor zijn nageslacht na hem.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
אֲבָל֙
(aval)
nee, maar
שָׂרָ֣ה
(sara)
Sarah
אִשְׁתְּךָ֗
(ishtekha)
je vrouw
יֹלֶ֤דֶת
(yoledet)
baart
לְךָ֙
(lekha)
aan jou
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וְקָרָ֥אתָ
(veqarata)
en je zult noemen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
וַהֲקִמֹתִ֨י
(vahaqimoti)
en Ik zal oprichten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֥י
(beriti)
Mijn verbond
אִתּ֛וֹ
(ito)
met hem
לִבְרִ֥ית
(livrit)
tot een verbond
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwig
לְזַרְע֥וֹ
(lezaro)
voor zijn nageslacht
אַחֲרָֽיו
(acharav)
na hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲבָל (aval), ‘nee, maar’ of ‘inderdaad’.

Elohim wijst Abrahams wens voor Ismaël niet af, maar het verbond gaat via Isaak.

יִצְחָק (Yitschaq), ‘hij lacht’ (zie vers 17).

Zie 21:3; vergelijk 21:6.

Aanvullend

Jubileeën 15:19 heeft dezelfde belofte.

20En wat Ismaël betreft: Ik heb je gehoord. Zie, Ik heb hem gezegend. Ik zal hem vruchtbaar maken en hem zeer, zeer talrijk maken. Twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk maken.
וּֽלְיִשְׁמָעֵ֘אל
(uleyishmael)
en wat Ismaël betreft
שְׁמַעְתִּיךָ֒
(shematikha)
heb Ik je gehoord
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
בֵּרַ֣כְתִּי
(berakhti)
heb Ik gezegend
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
וְהִפְרֵיתִ֥י
(vehifreiti)
en Ik zal vruchtbaar maken
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וְהִרְבֵּיתִ֥י
(vehirbeiti)
en Ik zal vermenigvuldigen
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בִּמְאֹ֣ד
(bimod)
zeer
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
שְׁנֵים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֤ר
(asar)
tien
נְשִׂיאִם֙
(nesiim)
vorsten
יוֹלִ֔יד
(yolid)
zal hij verwekken
וּנְתַתִּ֖יו
(unetativ)
en Ik zal hem maken
לְג֥וֹי
(legoy)
tot een volk
גָּדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשִׂיאִם (nesi’im), ‘vorsten’: de twaalf worden genoemd in 25:13–16.

Zie 25:13.

Aanvullend

Jubileeën 15:20 heeft het antwoord van Elohim over Ismaël, maar noemt de twaalf vorsten niet.

21Maar Mijn verbond zal Ik oprichten met Isaak, die Sarah je zal baren op deze vastgestelde tijd, volgend jaar.”
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֖י
(beriti)
Mijn verbond
אָקִ֣ים
(aqim)
zal Ik oprichten
אֶת
(et)
met
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
תֵּלֵ֨ד
(teled)
zal baren
לְךָ֤
(lekha)
aan jou
שָׂרָה֙
(sara)
Sarah
לַמּוֹעֵ֣ד
(lamoed)
op de vastgestelde tijd
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
בַּשָּׁנָ֖ה
(bashana)
in het jaar
הָאַחֶֽרֶת
(haacheret)
volgende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַמּוֹעֵד (lamo’ed), ‘op de vastgestelde tijd’, zoals in 18:14 (zie 18:14).

בַּשָּׁנָה הָאַחֶרֶת (bashanah ha’acheret), ‘in het volgende jaar’.

Zie 21:2.

22Toen Hij klaar was met spreken met hem, ging Elohim van Abraham omhoog.
וַיְכַ֖ל
(vaykhal)
en Hij maakte een einde
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
aan het spreken
אִתּ֑וֹ
(ito)
met hem
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en Hij ging omhoog
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
מֵעַ֖ל
(meal)
van boven
אַבְרָהָֽם
(avraham)
Abraham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּעַל אֱלֹהִים מֵעַל אַבְרָהָם (vaya’al Elohim me’al Avraham), ‘Elohim ging van Abraham omhoog’: het einde van de verschijning.

Vergelijk 35:13.

Abraham besnijdt zijn huis

23Abraham nam zijn zoon Ismaël, al wie in zijn huis geboren was en al wie met zijn geld gekocht was, alles wat mannelijk was onder de mannen van het huis van Abraham. Hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals Elohim met hem had gesproken.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Ismaël
בְּנ֗וֹ
(beno)
zijn zoon
וְאֵ֨ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
יְלִידֵ֤י
(yelidei)
geborenen van
בֵיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
וְאֵת֙
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
מִקְנַ֣ת
(miqnat)
gekochten met
כַּסְפּ֔וֹ
(kaspo)
zijn geld
כָּל
(kal)
alles
זָכָ֕ר
(zakhar)
mannelijk
בְּאַנְשֵׁ֖י
(beanshei)
onder de mannen van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיָּ֜מָל
(vayamal)
en hij besneed
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּשַׂ֣ר
(besar)
vlees van
עָרְלָתָ֗ם
(arelatam)
hun voorhuid
בְּעֶ֨צֶם֙
(beetsem)
op het zelfde
הַיּ֣וֹם
(hayom)
dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
had gesproken
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּעֶצֶם הַיּוֹם הַזֶּה (be’etsem hayom hazeh), ‘op diezelfde dag’: Abraham stelt het niet uit (vergelijk 7:13).

Aanvullend

Jubileeën 15:23–24 heeft dit ook.

24Abraham was 99 jaar oud toen hij besneden werd, in het vlees van zijn voorhuid.
וְאַ֨בְרָהָ֔ם
(veavraham)
en Abraham
בֶּן
(ben)
zoon van
תִּשְׁעִ֥ים
(tishim)
negentig
וָתֵ֖שַׁע
(vatesha)
en negen
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
בְּהִמֹּל֖וֹ
(behimolo)
bij zijn besneden worden
בְּשַׂ֥ר
(besar)
vlees van
עָרְלָתֽוֹ
(arelato)
zijn voorhuid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Abraham was 99 (vers 1); Ismaël was dertien, want hij werd geboren toen Abram 86 was (zie 16:16).

25En zijn zoon Ismaël was 13 jaar oud toen hij besneden werd, in het vlees van zijn voorhuid.
וְיִשְׁמָעֵ֣אל
(veyishmael)
en Ismaël
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
בְּהִ֨מֹּל֔וֹ
(behimolo)
bij zijn besneden worden
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּשַׂ֥ר
(besar)
vlees van
עָרְלָתֽוֹ
(arelato)
zijn voorhuid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 15:24
26Op diezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Ismaël besneden.
בְּעֶ֨צֶם֙
(beetsem)
op het zelfde
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
נִמּ֖וֹל
(nimol)
werd besneden
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וְיִשְׁמָעֵ֖אל
(veyishmael)
en Ismaël
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27En alle mannen van zijn huis, wie in het huis geboren was en wie met geld van een vreemde gekocht was, werden met hem besneden.
וְכָל
(vekhal)
en alle
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
בֵיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
יְלִ֣יד
(yelid)
geborene van
בָּ֔יִת
(bayit)
het huis
וּמִקְנַת
(umiqnat)
en gekochte met
כֶּ֖סֶף
(kesef)
geld
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵכָ֑ר
(nekhar)
een vreemde
נִמֹּ֖לוּ
(nimolu)
werden besneden
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)