Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De ark komt in de tent
1Zij brachten de ark van Elohim en zetten haar midden in de tent die David voor haar had opgezet. Zij brachten brandoffers en vredeoffers voor het aangezicht van Elohim.
וַיָּבִ֨יאוּ֙
(vayaviu)
en zij brachten
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
וַיַּצִּ֣יגוּ
(vayatsigu)
en zij zetten
אֹת֔וֹ
(oto)
haar
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הָאֹ֔הֶל
(haohel)
de tent
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָֽטָה
(nata)
had opgezet
ל֖וֹ
(lo)
voor haar
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיַּקְרִ֛יבוּ
(vayaqrivu)
en zij brachten dichtbij
עֹל֥וֹת
(olot)
brandoffers
וּשְׁלָמִ֖ים
(ushelamim)
en vredeoffers
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De tent is de tent die David in Jeruzalem voor de ark had opgezet (1 Kron. 15:1).
De tabernakel van Mozes stond op dat moment in Gibeon (vers 39).
Uitleg
De verzen 1–3 komen overeen met 2 Sam. 6:17–19.
Daar staat ‘Yahweh’ waar hier ‘Elohim’ staat.
Alles wat daarna volgt (vers 4–42) staat niet in Samuël.
In 2 Sam. 6:19 staat een ander woord, חַלַּת לֶחֶם (challat lechem), ‘broodkoek’.
אֶשְׁפָּר (eshpar), ‘portie’: dit woord komt in de Bijbel alleen hier en in 2 Sam. 6:19 voor. Wat het precies is, is onzeker. אֲשִׁישָׁה (ashishah), ‘rozijnenkoek’: een koek van gedroogde druiven.
5Asaf was de hoofdman. Zacharia was zijn tweede. Verder waren er Jeïël, Sjemiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïël. Zij bespeelden de instrumenten: harpen en lieren. Asaf liet de bekkens klinken.
אָסָ֥ף
(asaf)
Asaf
הָרֹ֖אשׁ
(harosh)
de hoofdman
וּמִשְׁנֵ֣הוּ
(umishnehu)
en zijn tweede
זְכַרְיָ֑ה
(zekharya)
Zacharia
יְעִיאֵ֡ל
(yeiel)
Jeïël
וּשְׁמִֽירָמ֡וֹת
(ushemiramot)
en Sjemiramot
וִֽיחִיאֵ֡ל
(vichiel)
en Jechiël
וּמַתִּתְיָ֡ה
(umatitya)
en Mattitja
וֶאֱלִיאָ֡ב
(veeliav)
en Eliab
וּבְנָיָהוּ֩
(uvenayahu)
en Benaja
וְעֹבֵ֨ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹ֜ם
(edom)
Edom
וִֽיעִיאֵ֗ל
(viiel)
en Jeïël
בִּכְלֵ֤י
(bikhlei)
met instrumenten van
נְבָלִים֙
(nevalim)
harpen
וּבְכִנֹּר֔וֹת
(uvekhinorot)
en lieren
וְאָסָ֖ף
(veasaf)
en Asaf
בַּֽמְצִלְתַּ֥יִם
(bamtsiltayim)
met bekkens
מַשְׁמִֽיעַ
(mashmia)
die laat klinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jeïël (יְעִיאֵל) staat twee keer in de rij van namen.
Wij vertalen de lijst zoals de tekst haar geeft.
Het werkwoord ‘waren er’ staat niet in het Hebreeuws; wij vullen het aan.
נֶבֶל (nevel), ‘harp’, en כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’: zoals in 2 Sam. 6:5. מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: een ander woord dan het צֶלְצְלִים (tseltselim) van 2 Sam. 6:5, met dezelfde betekenis.
8Dank Yahweh, roep Zijn naam aan, maak Zijn daden bekend onder de volken.
הוֹד֤וּ
(hodu)
dankt
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
קִרְא֣וּ
(qiru)
roept
בִשְׁמ֔וֹ
(bishmo)
op Zijn naam
הוֹדִ֥יעוּ
(hodiu)
maakt bekend
בָעַמִּ֖ים
(baamim)
onder de volken
עֲלִילֹתָֽיו
(alilotav)
Zijn daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 8–22 komen overeen met Psalm 105:1–15, vers 23–33 met Psalm 96:1–13, vers 34 met Psalm 106:1 en vers 35–36 met Psalm 106:47–48.
הוֹדוּ (hodu), ‘dank’: het werkwoord betekent ook ‘belijden’ of ‘erkennen’. Wij vertalen overal ‘danken’.
De woorden van Yahweh die in dit lied worden aangehaald (vers 18 en 22) zetten wij zwart, met enkele aanhalingstekens. Het lied zelf heeft geen aanhalingstekens.
18Hij zei: ‘Aan jou zal Ik het land Kanaän geven, als het toegemeten deel van jullie erfdeel.’
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לְךָ֙
(lekha)
aan jou
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal Ik geven
אֶֽרֶץ
(erets)
het land van
כְּנָ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
חֶ֖בֶל
(chevel)
het touwdeel van
נַחֲלַתְכֶֽם
(nachalatkhem)
jullie erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
חֶבֶל (chevel), ‘touwdeel’: een stuk land dat met een meetsnoer is afgemeten.
Vergelijk Joz. 17:14.
Het aangehaalde woord van Yahweh staat in het enkelvoud (‘aan jou’) en gaat dan over naar het meervoud (‘jullie erfdeel’). Wij vertalen dat zoals het staat.
35Zeg: ‘Red ons, Elohim van onze redding. Breng ons samen en red ons uit de volken, om de naam van Uw heiligheid te danken en ons te beroemen in Uw lof.’
וְאִמְר֕וּ
(veimru)
en zegt
הוֹשִׁיעֵ֨נוּ֙
(hoshienu)
red ons
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׁעֵ֔נוּ
(yishenu)
onze redding
וְקַבְּצֵ֥נוּ
(veqabetsenu)
en breng ons samen
וְהַצִּילֵ֖נוּ
(vehatsilenu)
en red ons
מִן
(min)
uit
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
לְהֹדוֹת֙
(lehodot)
om te danken
לְשֵׁ֣ם
(leshem)
aan de naam van
קָדְשֶׁ֔ךָ
(qadeshekha)
Uw heiligheid
לְהִשְׁתַּבֵּ֖חַ
(lehishtabeach)
om ons te beroemen
בִּתְהִלָּתֶֽךָ
(bithilatekha)
in Uw lof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37David liet daar, voor de ark van het verbond van Yahweh, Asaf en zijn broeders achter. Zij moesten voortdurend voor de ark dienen, naar wat elke dag vroeg.
וַיַּֽעֲזָב
(vayaazav)
en hij liet achter
שָׁ֗ם
(sham)
daar
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְאָסָ֖ף
(leasaf)
aan Asaf
וּלְאֶחָ֑יו
(uleechav)
en aan zijn broeders
לְשָׁרֵ֞ת
(lesharet)
om te dienen
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאָר֛וֹן
(haaron)
de ark
תָּמִ֖יד
(tamid)
voortdurend
לִדְבַר
(lidvar)
naar de behoefte van
י֥וֹם
(yom)
de dag
בְּיוֹמֽוֹ
(beyomo)
op zijn dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
‘Daar’ is de tent in Jeruzalem waar de ark stond (vers 1).
Uitleg
לִדְבַר יוֹם בְּיוֹמוֹ (lidvar yom beyomo), ‘naar wat elke dag vroeg’: letterlijk ‘naar de zaak van de dag op zijn dag’.
38Ook Obed-Edom en hun broeders, 68 man. Obed-Edom, de zoon van Jedutun, en Chosa waren poortwachters.
וְעֹבֵ֥ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹ֛ם
(edom)
Edom
וַאֲחֵיהֶ֖ם
(vaacheihem)
en hun broeders
שִׁשִּׁ֣ים
(shishim)
zestig
וּשְׁמוֹנָ֑ה
(ushemona)
en acht
וְעֹבֵ֨ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹ֧ם
(edom)
Edom
בֶּן
(ben)
zoon van
יְדִית֛וּן
(yeditun)
Jedutun
וְחֹסָ֖ה
(vechosa)
en Chosa
לְשֹׁעֲרִֽים
(leshoarim)
als poortwachters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het werkwoord ontbreekt in dit vers; wij vullen ‘waren’ aan.
Obed-Edom (עֹבֵד אֱדֹם) komt in dit hoofdstuk twee keer voor (vers 5 en 38).
Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.
Zie ook 1 Kron. 15:18,21,24 en 26:4–8.
יְדִיתוּן (Jeditun): in dit vers staat de naam met een andere spelling dan in vers 41 en 42 (יְדוּתוּן, Jedutun). Het is dezelfde man; wij schrijven overal ‘Jedutun’.
40Zij moesten voortdurend, elke ochtend en elke avond, brandoffers opdragen aan Yahweh op het altaar voor het brandoffer. Dat deden zij naar alles wat geschreven staat in de wet van Yahweh. Hij had die aan Israël bevolen.
לְֽהַעֲלוֹת֩
(lehaalot)
om op te laten gaan
עֹל֨וֹת
(olot)
brandoffers
לַיהוָ֜ה
(laYahweh)
aan Yahweh
עַל
(al)
op
מִזְבַּ֧ח
(mizbach)
het altaar van
הָעֹלָ֛ה
(haola)
het brandoffer
תָּמִ֖יד
(tamid)
voortdurend
לַבֹּ֣קֶר
(laboqer)
in de ochtend
וְלָעָ֑רֶב
(velaarev)
en in de avond
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor alles
הַכָּתוּב֙
(hakatuv)
wat geschreven is
בְּתוֹרַ֣ת
(betorat)
in de wet van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוָּ֖ה
(tsiva)
Hij beval
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרַת יְהוָה (torat Yahweh), ‘de wet van Yahweh’: tora betekent ‘onderricht’.
Het gaat om de wet van Mozes.
Het dagelijkse brandoffer, ’s ochtends en ’s avonds, staat in Exod. 29:38–42 en Num. 28:3–8.
42Bij hen, Heman en Jedutun, waren trompetten en bekkens voor wie ze lieten klinken, en instrumenten voor het lied van Elohim. De zonen van Jedutun waren bij de poort.
וְעִמָּהֶם֩
(veimahem)
en met hen
הֵימָ֨ן
(heiman)
Heman
וִֽידוּת֜וּן
(vidutun)
en Jedutun
חֲצֹצְר֤וֹת
(chatsotserot)
trompetten
וּמְצִלְתַּ֨יִם֙
(umetsiltayim)
en bekkens
לְמַשְׁמִיעִ֔ים
(lemashmiim)
voor wie laten klinken
וּכְלֵ֖י
(ukhelei)
en instrumenten van
שִׁ֣יר
(shir)
lied van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
יְדוּת֖וּן
(yedutun)
Jedutun
לַשָּֽׁעַר
(lashaar)
voor de poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲצוֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’, en מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: zie vers 5 en 6.