Elohim Bijbel

1 Kronieken 16

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De ark in de tent en de lofzang van David

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De ark komt in de tent

1Zij brachten de ark van Elohim en zetten haar midden in de tent die David voor haar had opgezet. Zij brachten brandoffers en vredeoffers voor het aangezicht van Elohim.
וַיָּבִ֨יאוּ֙
(vayaviu)
en zij brachten
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
וַיַּצִּ֣יגוּ
(vayatsigu)
en zij zetten
אֹת֔וֹ
(oto)
haar
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הָאֹ֔הֶל
(haohel)
de tent
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָֽטָה
(nata)
had opgezet
ל֖וֹ
(lo)
voor haar
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיַּקְרִ֛יבוּ
(vayaqrivu)
en zij brachten dichtbij
עֹל֥וֹת
(olot)
brandoffers
וּשְׁלָמִ֖ים
(ushelamim)
en vredeoffers
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De tent is de tent die David in Jeruzalem voor de ark had opgezet (1 Kron. 15:1).

De tabernakel van Mozes stond op dat moment in Gibeon (vers 39).

Uitleg

De verzen 1–3 komen overeen met 2 Sam. 6:17–19.

Daar staat ‘Yahweh’ waar hier ‘Elohim’ staat.

Alles wat daarna volgt (vers 4–42) staat niet in Samuël.

2Toen David klaar was met het opbrengen van het brandoffer en de vredeoffers, zegende hij het volk in de naam van Yahweh.
וַיְכַ֣ל
(vaykhal)
en maakte een einde
דָּוִ֔יד
(david)
David
מֵהַעֲל֥וֹת
(mehaalot)
met het opbrengen van
הָעֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
וְהַשְּׁלָמִ֑ים
(vehashelamim)
en de vredeoffers
וַיְבָ֥רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בְּשֵׁ֥ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hij verdeelde onder iedere man van Israël, van man tot vrouw, aan ieder een rond brood, een portie en een rozijnenkoek.
וַיְחַלֵּק֙
(vaychaleq)
en verdeelde
לְכָל
(lekhal)
aan ieder
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מֵאִ֖ישׁ
(meish)
van man
וְעַד
(vead)
en tot
אִשָּׁ֑ה
(isha)
vrouw
לְאִישׁ֙
(leish)
aan ieder
כִּכַּר
(kikar)
rond brood van
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
וְאֶשְׁפָּ֖ר
(veeshpar)
en portie
וַאֲשִׁישָֽׁה
(vaashisha)
en rozijnenkoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּכַּר לֶחֶם (kikkar lechem), ‘rond brood’: letterlijk ‘een schijf brood’.

In 2 Sam. 6:19 staat een ander woord, חַלַּת לֶחֶם (challat lechem), ‘broodkoek’.

אֶשְׁפָּר (eshpar), ‘portie’: dit woord komt in de Bijbel alleen hier en in 2 Sam. 6:19 voor. Wat het precies is, is onzeker. אֲשִׁישָׁה (ashishah), ‘rozijnenkoek’: een koek van gedroogde druiven.

De Levieten dienen voor de ark

4Hij stelde enkele Levieten aan als dienaren voor de ark van Yahweh. Zij moesten Yahweh, de Elohim van Israël, gedenken, danken en prijzen.
וַיִּתֵּ֞ן
(vayiten)
en stelde aan
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֲר֧וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מִן
(min)
uit
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
מְשָׁרְתִ֑ים
(mesharetim)
dienaren
וּלְהַזְכִּיר֙
(ulehazkir)
en om te gedenken
וּלְהוֹד֣וֹת
(ulehodot)
en om te danken
וּלְהַלֵּ֔ל
(ulehalel)
en om te prijzen
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהַזְכִּיר (lehazkir), ‘te gedenken’: letterlijk ‘te laten gedenken’, dat wil zeggen de naam van Yahweh noemen en Zijn daden in herinnering brengen.

Het woord staat naast ‘danken’ en ‘prijzen’.

5Asaf was de hoofdman. Zacharia was zijn tweede. Verder waren er Jeïël, Sjemiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïël. Zij bespeelden de instrumenten: harpen en lieren. Asaf liet de bekkens klinken.
אָסָ֥ף
(asaf)
Asaf
הָרֹ֖אשׁ
(harosh)
de hoofdman
וּמִשְׁנֵ֣הוּ
(umishnehu)
en zijn tweede
זְכַרְיָ֑ה
(zekharya)
Zacharia
יְעִיאֵ֡ל
(yeiel)
Jeïël
וּשְׁמִֽירָמ֡וֹת
(ushemiramot)
en Sjemiramot
וִֽיחִיאֵ֡ל
(vichiel)
en Jechiël
וּמַתִּתְיָ֡ה
(umatitya)
en Mattitja
וֶאֱלִיאָ֡ב
(veeliav)
en Eliab
וּבְנָיָהוּ֩
(uvenayahu)
en Benaja
וְעֹבֵ֨ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹ֜ם
(edom)
Edom
וִֽיעִיאֵ֗ל
(viiel)
en Jeïël
בִּכְלֵ֤י
(bikhlei)
met instrumenten van
נְבָלִים֙
(nevalim)
harpen
וּבְכִנֹּר֔וֹת
(uvekhinorot)
en lieren
וְאָסָ֖ף
(veasaf)
en Asaf
בַּֽמְצִלְתַּ֥יִם
(bamtsiltayim)
met bekkens
מַשְׁמִֽיעַ
(mashmia)
die laat klinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jeïël (יְעִיאֵל) staat twee keer in de rij van namen.

Wij vertalen de lijst zoals de tekst haar geeft.

Het werkwoord ‘waren er’ staat niet in het Hebreeuws; wij vullen het aan.

נֶבֶל (nevel), ‘harp’, en כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’: zoals in 2 Sam. 6:5. מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: een ander woord dan het צֶלְצְלִים (tseltselim) van 2 Sam. 6:5, met dezelfde betekenis.

6De priesters Benaja en Jachaziël bliezen voortdurend op de trompetten voor de ark van het verbond van Elohim.
וּבְנָיָ֥הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
וְיַחֲזִיאֵ֖ל
(veyachaziel)
en Jachaziël
הַכֹּהֲנִ֑ים
(hakohanim)
de priesters
בַּחֲצֹצְר֣וֹת
(bachatsotserot)
met trompetten
תָּמִ֔יד
(tamid)
voortdurend
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲצוֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’: de priesters blazen op de trompetten, zoals Num. 10:8 voorschrijft.

De ark heet hier ‘de ark van het verbond van Elohim’.

Davids lofzang

7Op die dag gaf David toen voor het eerst aan Asaf en zijn broeders de opdracht om Yahweh te danken:
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
אָ֣ז
(az)
toen
נָתַ֤ן
(natan)
gaf
דָּוִיד֙
(david)
David
בָּרֹ֔אשׁ
(barosh)
in het begin
לְהֹד֖וֹת
(lehodot)
om te danken
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
אָסָ֖ף
(asaf)
Asaf
וְאֶחָֽיו
(veechav)
en zijn broeders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּרֹאשׁ (baro’sh), ‘voor het eerst’: letterlijk ‘in het hoofd’ of ‘in het begin’.

Het kan ook betekenen ‘als hoofd’ of ‘als eerste opdracht’.

Het voorwerp van ‘gaf’ ontbreekt in het Hebreeuws.

Wij lezen: David gaf de opdracht om te danken, en het lied in vers 8–36 is dat dankwoord.

8Dank Yahweh, roep Zijn naam aan, maak Zijn daden bekend onder de volken.
הוֹד֤וּ
(hodu)
dankt
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
קִרְא֣וּ
(qiru)
roept
בִשְׁמ֔וֹ
(bishmo)
op Zijn naam
הוֹדִ֥יעוּ
(hodiu)
maakt bekend
בָעַמִּ֖ים
(baamim)
onder de volken
עֲלִילֹתָֽיו
(alilotav)
Zijn daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 8–22 komen overeen met Psalm 105:1–15, vers 23–33 met Psalm 96:1–13, vers 34 met Psalm 106:1 en vers 35–36 met Psalm 106:47–48.

הוֹדוּ (hodu), ‘dank’: het werkwoord betekent ook ‘belijden’ of ‘erkennen’. Wij vertalen overal ‘danken’.

De woorden van Yahweh die in dit lied worden aangehaald (vers 18 en 22) zetten wij zwart, met enkele aanhalingstekens. Het lied zelf heeft geen aanhalingstekens.

9Zing voor Hem, speel voor Hem, spreek over al Zijn wonderen.
שִׁ֤ירוּ
(shiru)
zingt
לוֹ֙
(lo)
voor Hem
זַמְּרוּ
(zameru)
speelt
ל֔וֹ
(lo)
voor Hem
שִׂ֖יחוּ
(sichu)
spreekt
בְּכָל
(bekhal)
over al
נִפְלְאֹתָֽיו
(nifleotav)
Zijn wonderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׂיחוּ (sichu), ‘spreek’: het werkwoord betekent ‘mijmeren’ of ‘vertellen’.

Het gaat om spreken over Yahweh met aandacht en liefde.

10Roem in Zijn heilige naam. Laat het hart van wie Yahweh zoeken zich verheugen.
הִֽתְהַֽלְלוּ֙
(hithallu)
roemt
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in de naam van
קָדְשׁ֔וֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
יִשְׂמַ֕ח
(yismach)
laat zich verheugen
לֵ֖ב
(lev)
het hart van
מְבַקְשֵׁ֥י
(mevaqshei)
wie zoeken
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zoek Yahweh en Zijn kracht. Zoek voortdurend Zijn aangezicht.
דִּרְשׁ֤וּ
(dirshu)
zoekt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְעֻזּ֔וֹ
(veuzo)
en Zijn kracht
בַּקְּשׁ֥וּ
(baqeshu)
zoekt
פָנָ֖יו
(panav)
Zijn aangezicht
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Denk aan Zijn wonderen die Hij deed, aan Zijn wondertekenen en aan de rechtsuitspraken van Zijn mond.
זִכְר֗וּ
(zikhru)
gedenkt
נִפְלְאֹתָיו֙
(nifleotav)
Zijn wonderen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֔ה
(asa)
Hij deed
מֹפְתָ֖יו
(mofetav)
Zijn wondertekenen
וּמִשְׁפְּטֵי
(umishpetei)
en de rechtsuitspraken van
פִֽיהוּ
(pihu)
Zijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹפֵת (mofet), ‘wonderteken’: een teken dat laat zien wat Yahweh doet, zoals de tekenen in Egypte (Exod. 7:3).

מִשְׁפְּטֵי פִיהוּ (mishpete fihu), ‘de rechtsuitspraken van Zijn mond’: wat Yahweh uitspreekt als recht.

13Nageslacht van Israël, Zijn dienaar! Zonen van Jakob, Zijn uitverkorenen!
זֶ֚רַע
(zera)
nageslacht van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
עַבְדּ֔וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
בְּחִירָֽיו
(bechirav)
Zijn uitverkorenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hij is Yahweh, onze Elohim. Over heel de aarde gelden Zijn rechtsuitspraken.
ה֚וּא
(hu)
Hij
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
בְּכָל
(bekhal)
over heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
מִשְׁפָּטָֽיו
(mishpatav)
Zijn rechtsuitspraken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Denk voor altijd aan Zijn verbond, aan het woord dat Hij beval voor duizend generaties,
זִכְר֤וּ
(zikhru)
gedenkt
לְעוֹלָם֙
(leolam)
voor altijd
בְּרִית֔וֹ
(berito)
Zijn verbond
דָּבָ֥ר
(davar)
het woord
צִוָּ֖ה
(tsiva)
dat Hij beval
לְאֶ֥לֶף
(leelef)
voor duizend
דּֽוֹר
(dor)
generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זִכְרוּ (zichru), ‘denk aan’: een gebod aan het volk.

In het lied dat hiermee overeenkomt, Psalm 105, staat hier een andere werkwoordsvorm (‘Hij gedenkt’).

דָּבָר צִוָּה לְאֶלֶף דּוֹר (davar tsivvah leelef dor), ‘het woord dat Hij beval voor duizend generaties’: zie Deut. 7:9.

16aan het verbond dat Hij sloot met Abraham, aan Zijn eed aan Isaak.
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
כָּרַת֙
(karat)
Hij sloot
אֶת
(et)
met
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
וּשְׁבוּעָת֖וֹ
(ushevuato)
en Zijn eed
לְיִצְחָֽק
(leyitschaq)
aan Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het verbond met Abraham staat in Gen. 15:18 en 17:7.

De eed aan Isaak staat in Gen. 26:3.

17Hij liet het voor Jakob gelden als voorschrift, voor Israël als eeuwig verbond.
וַיַּעֲמִידֶ֤הָ
(vayaamideha)
en Hij liet het staan
לְיַעֲקֹב֙
(leyaaqov)
voor Jakob
לְחֹ֔ק
(lechoq)
tot voorschrift
לְיִשְׂרָאֵ֖ל
(leyisrael)
voor Israël
בְּרִ֥ית
(berit)
verbond
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹק (choq), ‘voorschrift’: een vaste regel.

Hier is het verbond het voorschrift voor Jakob en voor Israël.

18Hij zei: ‘Aan jou zal Ik het land Kanaän geven, als het toegemeten deel van jullie erfdeel.’
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לְךָ֙
(lekha)
aan jou
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal Ik geven
אֶֽרֶץ
(erets)
het land van
כְּנָ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
חֶ֖בֶל
(chevel)
het touwdeel van
נַחֲלַתְכֶֽם
(nachalatkhem)
jullie erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

חֶבֶל (chevel), ‘touwdeel’: een stuk land dat met een meetsnoer is afgemeten.

Vergelijk Joz. 17:14.

Het aangehaalde woord van Yahweh staat in het enkelvoud (‘aan jou’) en gaat dan over naar het meervoud (‘jullie erfdeel’). Wij vertalen dat zoals het staat.

19Toen waren jullie nog maar weinig mannen, bijna niets, en vreemdelingen in het land.
בִּֽהְיֽוֹתְכֶם֙
(bihyotekhem)
toen jullie waren
מְתֵ֣י
(metei)
mannen van
מִסְפָּ֔ר
(mispar)
tal
כִּמְעַ֖ט
(kimat)
bijna niets
וְגָרִ֥ים
(vegarim)
en vreemdelingen
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְתֵי מִסְפָּר (mete mispar), ‘mannen van tal’: een groep die je kunt tellen, dus weinig mensen.

Vergelijk Gen. 34:30.

20Zij trokken rond van volk naar volk, van het ene koninkrijk naar een ander volk.
וַיִּֽתְהַלְּכוּ֙
(vayithalekhu)
en zij trokken rond
מִגּ֣וֹי
(migoy)
van volk
אֶל
(el)
naar
גּ֔וֹי
(goy)
volk
וּמִמַּמְלָכָ֖ה
(umimamlakha)
en van koninkrijk
אֶל
(el)
naar
עַ֥ם
(am)
volk
אַחֵֽר
(acher)
ander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hij liet niemand toe hen te onderdrukken. Om hen strafte Hij koningen:
לֹא
(lo)
niet
הִנִּ֤יחַ
(hiniach)
liet toe
לְאִישׁ֙
(leish)
aan een man
לְעָשְׁקָ֔ם
(leasheqam)
hen te onderdrukken
וַיּ֥וֹכַח
(vayokhach)
en Hij wees terecht
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
om hen
מְלָכִֽים
(melakhim)
koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hiermee worden Farao (Gen. 12:17) en Abimelech (Gen. 20:3) bedoeld, die Yahweh terechtwees omwille van Abraham en Sara.

22‘Raak Mijn gezalfden niet aan en doe Mijn profeten geen kwaad.’
אַֽל
(al)
niet
תִּגְּעוּ֙
(tigeu)
raakt aan
בִּמְשִׁיחָ֔י
(bimshichay)
Mijn gezalfden
וּבִנְבִיאַ֖י
(uvinviay)
en aan Mijn profeten
אַל
(al)
niet
תָּרֵֽעוּ
(tareu)
doet kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשִׁיחַי (meshichay), ‘Mijn gezalfden’, en נְבִיאַי (nevi’ay), ‘Mijn profeten’: hiermee zijn de aartsvaders bedoeld.

Abraham wordt in Gen. 20:7 ‘profeet’ genoemd.

Zing voor Yahweh, heel de aarde

23Zing voor Yahweh, heel de aarde. Verkondig van dag tot dag Zijn redding.
שִׁ֤ירוּ
(shiru)
zingt
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
בַּשְּׂר֥וּ
(baseru)
verkondigt
מִיּֽוֹם
(miyom)
van dag
אֶל
(el)
tot
י֖וֹם
(yom)
dag
יְשׁוּעָתֽוֹ
(yeshuato)
Zijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Vertel onder de volken van Zijn heerlijkheid, onder alle volken van Zijn wonderen.
סַפְּר֤וּ
(saperu)
vertelt
בַגּוֹיִם֙
(bagoyim)
onder de volken
אֶת
(et)
(obj.)
כְּבוֹד֔וֹ
(kevodo)
Zijn heerlijkheid
בְּכָל
(bekhal)
onder alle
הָעַמִּ֖ים
(haamim)
de volken
נִפְלְאֹתָֽיו
(nifleotav)
Zijn wonderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: het woord betekent letterlijk ‘gewicht’ en gaat over Yahweh’s eer en macht.

25Want groot is Yahweh en zeer lofwaardig. Ontzagwekkend is Hij, boven alle goden.
כִּי֩
(ki)
want
גָד֨וֹל
(gadol)
groot
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמְהֻלָּל֙
(umehulal)
en lofwaardig
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וְנוֹרָ֥א
(venora)
en ontzagwekkend
ה֖וּא
(hu)
Hij
עַל
(al)
boven
כָּל
(kal)
alle
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל כָּל אֱלֹהִים (al kol elohim), ‘boven alle goden’: hier is Elohim een meervoud dat naar de goden van de volken verwijst (zie vers 26).

26Want alle goden van de volken zijn nietige goden. Maar Yahweh heeft de hemel gemaakt.
כִּ֠י
(ki)
want
כָּל
(kal)
alle
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
goden van
הָעַמִּים֙
(haamim)
de volken
אֱלִילִ֔ים
(elilim)
nietige goden
וַיהוָ֖ה
(vaYahweh)
maar Yahweh
שָׁמַ֥יִם
(shamayim)
de hemel
עָשָֽׂה
(asa)
heeft gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלִילִים (elilim), ‘nietige goden’: letterlijk ‘nietigheden’.

Zie ook Lev. 19:4.

27Majesteit en luister zijn voor Zijn aangezicht, kracht en vreugde zijn op Zijn plaats.
ה֤וֹד
(hod)
majesteit
וְהָדָר֙
(vehadar)
en luister
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
עֹ֥ז
(oz)
kracht
וְחֶדְוָ֖ה
(vechedva)
en vreugde
בִּמְקֹמֽוֹ
(bimqomo)
op Zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Geef aan Yahweh, families van de volken, geef aan Yahweh eer en kracht.
הָב֤וּ
(havu)
geeft
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
מִשְׁפְּח֣וֹת
(mishpechot)
families van
עַמִּ֔ים
(amim)
volken
הָב֥וּ
(havu)
geeft
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כָּב֥וֹד
(kavod)
eer
וָעֹֽז
(vaoz)
en kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Geef aan Yahweh de eer van Zijn naam. Draag een offergave en kom voor Zijn aangezicht. Werp je neer voor Yahweh in heilige pracht.
הָב֥וּ
(havu)
geeft
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כְּב֣וֹד
(kevod)
eer van
שְׁמ֑וֹ
(shemo)
Zijn naam
שְׂא֤וּ
(seu)
draagt
מִנְחָה֙
(mincha)
een offergave
וּבֹ֣אוּ
(uvou)
en komt
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
הִשְׁתַּחֲו֥וּ
(hishtachavu)
werpt je neer
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּהַדְרַת
(behadrat)
in pracht van
קֹֽדֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘offergave’: hier is het een gave die men naar Yahweh brengt, niet speciaal een graanoffer.

Bij de offers vertalen wij hetzelfde woord als ‘graanoffer’.

בְּהַדְרַת קֹדֶשׁ (behadrat qodesh), ‘in heilige pracht’: dat kan ook ‘in de pracht van Zijn heiligheid’ betekenen.

30Beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde. Ook de wereld staat vast, zij wankelt niet.
חִ֤ילוּ
(chilu)
beeft
מִלְּפָנָיו֙
(milefanav)
voor Zijn aangezicht
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
אַף
(af)
ook
תִּכּ֥וֹן
(tikon)
staat vast
תֵּבֵ֖ל
(tevel)
de wereld
בַּל
(bal)
niet
תִּמּֽוֹט
(timot)
wankelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֵּבֵל (tevel), ‘wereld’: de bewoonde wereld.

Het woord is een ander woord dan אֶרֶץ (erets), ‘aarde’.

31Laat de hemel zich verheugen en de aarde juichen. Laat men onder de volken zeggen: ‘Yahweh is koning.’
יִשְׂמְח֤וּ
(yismechu)
laten zich verheugen
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
וְתָגֵ֣ל
(vetagel)
en laat juichen
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְיֹאמְר֥וּ
(veyomru)
en laat zeggen
בַגּוֹיִ֖ם
(bagoyim)
onder de volken
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
מָלָֽךְ
(malakh)
is koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה מָלָךְ (Yahweh malach), ‘Yahweh is koning’: de vorm kan ook betekenen ‘Yahweh is koning geworden’ of ‘Yahweh regeert’.

32Laat de zee bruisen met alles wat haar vult. Laat het veld jubelen met alles wat erin is.
יִרְעַ֤ם
(yiram)
laat bruisen
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
וּמְלוֹא֔וֹ
(umeloo)
en wat haar vult
יַעֲלֹ֥ץ
(yaalots)
laat jubelen
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בּֽוֹ
(bo)
erin is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Dan zullen de bomen van het bos juichen voor het aangezicht van Yahweh, want Hij komt om recht te spreken over de aarde.
אָ֥ז
(az)
dan
יְרַנְּנ֖וּ
(yeranenu)
zullen juichen
עֲצֵ֣י
(atsei)
de bomen van
הַיָּ֑עַר
(hayaar)
het bos
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּי
(ki)
want
בָ֖א
(ba)
Hij komt
לִשְׁפּ֥וֹט
(lishpot)
om recht te spreken
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִשְׁפּוֹט (lishpot), ‘recht te spreken’: het werkwoord betekent zowel oordelen als recht doen.

Dank en bede

34Dank Yahweh, want Hij is goed, want Zijn trouw is voor altijd.
הוֹד֤וּ
(hodu)
dankt
לַיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
כִּ֣י
(ki)
want
ט֔וֹב
(tov)
goed
כִּ֥י
(ki)
want
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor altijd
חַסְדּֽוֹ
(chasdo)
Zijn trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ (ki leolam chasdo), ‘want Zijn trouw is voor altijd’: een vaste lofzin, die in vers 41 terugkomt.

35Zeg: ‘Red ons, Elohim van onze redding. Breng ons samen en red ons uit de volken, om de naam van Uw heiligheid te danken en ons te beroemen in Uw lof.’
וְאִמְר֕וּ
(veimru)
en zegt
הוֹשִׁיעֵ֨נוּ֙
(hoshienu)
red ons
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׁעֵ֔נוּ
(yishenu)
onze redding
וְקַבְּצֵ֥נוּ
(veqabetsenu)
en breng ons samen
וְהַצִּילֵ֖נוּ
(vehatsilenu)
en red ons
מִן
(min)
uit
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
לְהֹדוֹת֙
(lehodot)
om te danken
לְשֵׁ֣ם
(leshem)
aan de naam van
קָדְשֶׁ֔ךָ
(qadeshekha)
Uw heiligheid
לְהִשְׁתַּבֵּ֖חַ
(lehishtabeach)
om ons te beroemen
בִּתְהִלָּתֶֽךָ
(bithilatekha)
in Uw lof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Gezegend is Yahweh, de Elohim van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Heel het volk zei: „Amen!” en loofde Yahweh.
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִן
(min)
van
הָעוֹלָ֖ם
(haolam)
de eeuwigheid
וְעַ֣ד
(vead)
en tot
הָעֹלָ֑ם
(haolam)
de eeuwigheid
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zij zeiden
כָל
(kal)
heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אָמֵ֔ן
(amen)
amen
וְהַלֵּ֖ל
(vehalel)
en loof
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּרוּךְ יְהוָה (barukh Yahweh), ‘gezegend is Yahweh’: een lofspreuk.

Hij sluit het lied af.

Daarna vertelt de tekst dat het volk ‘Amen’ zei, zoals bij de vloeken in Deut. 27:15–26.

De dienst in Jeruzalem en in Gibeon

37David liet daar, voor de ark van het verbond van Yahweh, Asaf en zijn broeders achter. Zij moesten voortdurend voor de ark dienen, naar wat elke dag vroeg.
וַיַּֽעֲזָב
(vayaazav)
en hij liet achter
שָׁ֗ם
(sham)
daar
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְאָסָ֖ף
(leasaf)
aan Asaf
וּלְאֶחָ֑יו
(uleechav)
en aan zijn broeders
לְשָׁרֵ֞ת
(lesharet)
om te dienen
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאָר֛וֹן
(haaron)
de ark
תָּמִ֖יד
(tamid)
voortdurend
לִדְבַר
(lidvar)
naar de behoefte van
י֥וֹם
(yom)
de dag
בְּיוֹמֽוֹ
(beyomo)
op zijn dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

‘Daar’ is de tent in Jeruzalem waar de ark stond (vers 1).

Uitleg

לִדְבַר יוֹם בְּיוֹמוֹ (lidvar yom beyomo), ‘naar wat elke dag vroeg’: letterlijk ‘naar de zaak van de dag op zijn dag’.

Het gaat om de taken die elke dag nodig waren.

38Ook Obed-Edom en hun broeders, 68 man. Obed-Edom, de zoon van Jedutun, en Chosa waren poortwachters.
וְעֹבֵ֥ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹ֛ם
(edom)
Edom
וַאֲחֵיהֶ֖ם
(vaacheihem)
en hun broeders
שִׁשִּׁ֣ים
(shishim)
zestig
וּשְׁמוֹנָ֑ה
(ushemona)
en acht
וְעֹבֵ֨ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹ֧ם
(edom)
Edom
בֶּן
(ben)
zoon van
יְדִית֛וּן
(yeditun)
Jedutun
וְחֹסָ֖ה
(vechosa)
en Chosa
לְשֹׁעֲרִֽים
(leshoarim)
als poortwachters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het werkwoord ontbreekt in dit vers; wij vullen ‘waren’ aan.

Obed-Edom (עֹבֵד אֱדֹם) komt in dit hoofdstuk twee keer voor (vers 5 en 38).

Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.

Zie ook 1 Kron. 15:18,21,24 en 26:4–8.

יְדִיתוּן (Jeditun): in dit vers staat de naam met een andere spelling dan in vers 41 en 42 (יְדוּתוּן, Jedutun). Het is dezelfde man; wij schrijven overal ‘Jedutun’.

39Zadok, de priester, en zijn broeders, de priesters, liet hij achter voor de tabernakel van Yahweh op de offerhoogte in Gibeon.
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
צָד֣וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְאֶחָיו֙
(veechav)
en zijn broeders
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מִשְׁכַּ֣ן
(mishkan)
de tabernakel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּבָּמָ֖ה
(babama)
op de offerhoogte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּגִבְעֽוֹן
(begivon)
in Gibeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibeon (גִּבְעוֹן) lag bij het huidige el-Jib, ongeveer 10 kilometer ten noordwesten van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever.

Uitleg

בָּמָה (bamah), ‘offerhoogte’: een hoogte waar geofferd werd.

Daar stond de tabernakel van Yahweh uit de tijd van Mozes.

Zie ook 1 Kron. 21:29.

40Zij moesten voortdurend, elke ochtend en elke avond, brandoffers opdragen aan Yahweh op het altaar voor het brandoffer. Dat deden zij naar alles wat geschreven staat in de wet van Yahweh. Hij had die aan Israël bevolen.
לְֽהַעֲלוֹת֩
(lehaalot)
om op te laten gaan
עֹל֨וֹת
(olot)
brandoffers
לַיהוָ֜ה
(laYahweh)
aan Yahweh
עַל
(al)
op
מִזְבַּ֧ח
(mizbach)
het altaar van
הָעֹלָ֛ה
(haola)
het brandoffer
תָּמִ֖יד
(tamid)
voortdurend
לַבֹּ֣קֶר
(laboqer)
in de ochtend
וְלָעָ֑רֶב
(velaarev)
en in de avond
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor alles
הַכָּתוּב֙
(hakatuv)
wat geschreven is
בְּתוֹרַ֣ת
(betorat)
in de wet van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוָּ֖ה
(tsiva)
Hij beval
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרַת יְהוָה (torat Yahweh), ‘de wet van Yahweh’: tora betekent ‘onderricht’.

Het gaat om de wet van Mozes.

Het dagelijkse brandoffer, ’s ochtends en ’s avonds, staat in Exod. 29:38–42 en Num. 28:3–8.

41Bij hen waren Heman en Jedutun en de andere uitgekozen mannen, die bij name waren aangewezen om Yahweh te danken. Want Zijn trouw is voor altijd.
וְעִמָּהֶם֙
(veimahem)
en met hen
הֵימָ֣ן
(heiman)
Heman
וִֽידוּת֔וּן
(vidutun)
en Jedutun
וּשְׁאָר֙
(ushear)
en de rest van
הַבְּרוּרִ֔ים
(haberurim)
de uitgekozenen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִקְּב֖וּ
(niqevu)
zijn aangewezen
בְּשֵׁמ֑וֹת
(beshemot)
bij namen
לְהֹדוֹת֙
(lehodot)
om te danken
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor altijd
חַסְדּֽוֹ
(chasdo)
Zijn trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַבְּרוּרִים (haberurim), ‘de uitgekozenen’: mannen die uit de groep waren gekozen en bij hun naam waren aangewezen.

42Bij hen, Heman en Jedutun, waren trompetten en bekkens voor wie ze lieten klinken, en instrumenten voor het lied van Elohim. De zonen van Jedutun waren bij de poort.
וְעִמָּהֶם֩
(veimahem)
en met hen
הֵימָ֨ן
(heiman)
Heman
וִֽידוּת֜וּן
(vidutun)
en Jedutun
חֲצֹצְר֤וֹת
(chatsotserot)
trompetten
וּמְצִלְתַּ֨יִם֙
(umetsiltayim)
en bekkens
לְמַשְׁמִיעִ֔ים
(lemashmiim)
voor wie laten klinken
וּכְלֵ֖י
(ukhelei)
en instrumenten van
שִׁ֣יר
(shir)
lied van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
יְדוּת֖וּן
(yedutun)
Jedutun
לַשָּֽׁעַר
(lashaar)
voor de poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲצוֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’, en מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: zie vers 5 en 6.

43Heel het volk ging weg, ieder naar zijn huis. David keerde terug om zijn huis te zegenen.
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
כָל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְבֵית֑וֹ
(leveito)
naar zijn huis
וַיִּסֹּ֥ב
(vayisov)
en keerde om
דָּוִ֖יד
(david)
David
לְבָרֵ֥ךְ
(levarekh)
om te zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּיתֽוֹ
(beito)
zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit komt overeen met 2 Sam. 6:19–20.