Elohim Bijbel

2 Koningen 3

12345678910111213141516171819202122232425

Joram, Josafat en Elisa tegen Moab

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Joram, koning van Israël

1Joram, de zoon van Achab, werd koning over Israël in Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda. Hij regeerde 12 jaar.
וִיהוֹרָ֣ם
(vihoram)
en Joram
בֶּן
(ben)
zoon van
אַחְאָ֗ב
(achav)
Achab
מָלַ֤ךְ
(malakh)
werd koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן
(beshomeron)
in Samaria
בִּשְׁנַת֙
(bishnat)
in het jaar
שְׁמֹנֶ֣ה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֔ה
(esre)
tien
לִיהוֹשָׁפָ֖ט
(lihoshafat)
van Josafat
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּמְלֹ֖ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
שְׁתֵּים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֥ה
(esre)
tien
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

Samaria: zie 2 Kon. 1:2.

Lezing

De jaartallen in de Masoretische tekst passen hier niet op elkaar.

Hier wordt Joram van Israël koning in het achttiende jaar van Josafat.

In 2 Kon. 1:17 is dat het tweede jaar van Joram van Juda.

In 2 Kon. 8:16 wordt Joram van Juda koning in het vijfde jaar van Joram van Israël.

Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen elk vers letterlijk.

2Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh, maar niet zoals zijn vader en zijn moeder. Hij nam de gewijde steen van Baäl weg die zijn vader had gemaakt.
וַיַּעֲשֶׂ֤ה
(vayaase)
en hij deed
הָרַע֙
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
רַ֕ק
(raq)
alleen
לֹ֥א
(lo)
niet
כְאָבִ֖יו
(keaviv)
als zijn vader
וּכְאִמּ֑וֹ
(ukheimo)
en als zijn moeder
וַיָּ֨סַר֙
(vayasar)
en hij nam weg
אֶת
(et)
(obj.)
מַצְּבַ֣ת
(matsevat)
de gewijde steen van
הַבַּ֔עַל
(habaal)
Baäl
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָׂ֖ה
(asa)
maakte
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde steen’: een opgerichte steen voor de eredienst.

Achab had een altaar voor Baäl gebouwd (1 Kon. 16:32).

Het verhaal zegt dat Joram de zuil wegnam.

Een gewijde steen van Baäl komt terug in 2 Kon. 10:26–27.

3Alleen bleef hij vasthouden aan de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël liet zondigen. Daar week hij niet van af.
רַ֠ק
(raq)
alleen
בְּחַטֹּ֞אות
(bechatovt)
aan de zonden van
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּֽן
(ben)
zoon van
נְבָ֛ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֶחֱטִ֥יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
דָּבֵ֑ק
(daveq)
hij hechtte zich vast
לֹא
(lo)
niet
סָ֖ר
(sar)
week hij af
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
daarvan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Joram deed ‘niet zoals zijn vader en moeder’, maar bleef bij de zonde van Jerobeam: de gouden kalveren (1 Kon. 12:28–30).

Moab komt in opstand

4Mesa, de koning van Moab, was schapenhouder. Hij leverde aan de koning van Israël 100.000 lammeren en 100.000 rammen met wol.
וּמֵישַׁ֥ע
(umeisha)
en Mesa
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
הָיָ֣ה
(haya)
was
נֹקֵ֑ד
(noqed)
schapenhouder
וְהֵשִׁ֤יב
(veheshiv)
en hij leverde
לְמֶֽלֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאָה
(mea)
honderd
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
כָּרִ֔ים
(karim)
lammeren
וּמֵ֥אָה
(umea)
en honderd
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אֵילִ֥ים
(eilim)
rammen
צָֽמֶר
(tsamer)
wol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

מֵישַׁע (Mesha), ‘Mesa’: de koning van Moab.

Dezelfde naam staat in 1 Kron. 2:42, voor een andere man.

נֹקֵד (noqed), ‘schapenhouder’: iemand met grote kudden schapen. Het woord staat ook in Amos 1:1.

כָּרִים (karim), ‘lammeren’, en אֵילִים (eilim), ‘rammen’: het Hebreeuws zegt alleen ‘wol’ achter de rammen. Wij lezen: de rammen met hun wol. De getallen zijn letterlijk: honderdduizend en honderdduizend.

5Toen Achab dood was, kwam de koning van Moab in opstand tegen de koning van Israël.
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en het was
כְּמ֣וֹת
(kemot)
bij de dood van
אַחְאָ֑ב
(achav)
Achab
וַיִּפְשַׁ֥ע
(vayifsha)
en kwam in opstand
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
בְּמֶ֥לֶךְ
(bemelekh)
tegen de koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

Zie 2 Kon. 1:1: Moab kwam in opstand ‘na de dood van Achab’.

Hier wordt verteld hoe Israël erop reageert.

6Op die dag trok koning Joram uit Samaria weg en telde heel Israël.
וַיֵּצֵ֞א
(vayetse)
en trok uit
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יְהוֹרָ֛ם
(yehoram)
Joram
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
מִשֹּׁמְר֑וֹן
(mishomeron)
uit Samaria
וַיִּפְקֹ֖ד
(vayifqod)
en telde
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

וַיִּפְקֹד (vayyifqod), ‘telde’: het leger werd geteld en opgeroepen.

7Hij ging op weg en stuurde bericht naar Josafat, de koning van Juda: „De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen. Wil je met mij meegaan naar Moab, om te strijden?” Hij zei: „Ik ga mee omhoog. Ik ben als u, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden.”
וַיֵּ֡לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en stuurde
אֶל
(el)
naar
יְהוֹשָׁפָ֨ט
(yehoshafat)
Josafat
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
מֶ֤לֶךְ
(melekh)
de koning van
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
פָּשַׁ֣ע
(pasha)
is in opstand gekomen
בִּ֔י
(bi)
tegen mij
הֲתֵלֵ֥ךְ
(hatelekh)
wil je gaan
אִתִּ֛י
(iti)
met mij
אֶל
(el)
naar
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
ten strijde
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶעֱלֶ֔ה
(eele)
ik ga omhoog
כָּמ֧וֹנִי
(kamoni)
zoals ik
כָמ֛וֹךָ
(kamokha)
zoals u
כְּעַמִּ֥י
(keami)
zoals mijn volk
כְעַמֶּ֖ךָ
(keamekha)
zoals uw volk
כְּסוּסַ֥י
(kesusay)
zoals mijn paarden
כְּסוּסֶֽיךָ
(kesuseikha)
zoals uw paarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

Joram vraagt hetzelfde als Achab in 1 Kon. 22:4, en Josafat antwoordt in dezelfde woorden.

Lezing

Het Hebreeuws noemt geen naam bij ‘hij zei’.

Het is Josafat die antwoordt.

8Hij vroeg: „Langs welke weg gaan wij omhoog?” Hij antwoordde: „Langs de weg door de woestijn van Edom.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵי
(ei)
waar
זֶ֥ה
(ze)
dit
הַדֶּ֖רֶךְ
(haderekh)
de weg
נַעֲלֶ֑ה
(naale)
gaan wij omhoog
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
de weg van
מִדְבַּ֥ר
(midbar)
de woestijn van
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Woestijn van Edom (ligging onzeker): De woestijn van Edom is het steppe- en woestijngebied ten zuiden van Moab.

De precieze weg van de legers is niet bekend.

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

De woestijn van Edom wordt gezocht ten zuiden van Moab en de Zoutzee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

De precieze weg is onzeker.

Geen water voor het leger

9De koning van Israël, de koning van Juda en de koning van Edom gingen op weg. Zij maakten een omweg van zeven dagen. Maar er was geen water voor het kamp en voor de lastdieren die hen volgden.
וַיֵּלֶךְ֩
(vayelekh)
en gingen
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
וּמֶֽלֶך
(umelekh)
en de koning van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en de koning van
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
וַיָּסֹ֕בּוּ
(vayasobu)
en zij maakten een omweg
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
een weg van
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וְלֹא
(velo)
en niet
הָיָ֨ה
(haya)
was
מַ֧יִם
(mayim)
water
לַֽמַּחֲנֶ֛ה
(lamachane)
voor het kamp
וְלַבְּהֵמָ֖ה
(velabehema)
en voor de lastdieren
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּרַגְלֵיהֶֽם
(beragleihem)
aan hun voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

בְּהֵמָה (behemah), ‘lastdier’: een huisdier, hier de dieren die de bagage dragen.

אֲשֶׁר בְּרַגְלֵיהֶם (asher beraglehem), ‘die aan hun voeten’: de dieren die hen volgden.

10De koning van Israël zei: „Ach! Yahweh heeft deze drie koningen geroepen om hen in de hand van Moab te geven.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֲהָ֕הּ
(ahah)
ach
כִּֽי
(ki)
dat
קָרָ֣א
(qara)
heeft geroepen
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לִשְׁלֹ֨שֶׁת֙
(lishloshet)
drie
הַמְּלָכִ֣ים
(hamelakhim)
de koningen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

11Josafat zei: „Is er hier geen profeet van Yahweh? Dan kunnen wij Yahweh via hem raadplegen.” Een van de dienaren van de koning van Israël antwoordde: „Hier is Elisa, de zoon van Sjafat, die water goot over de handen van Elia.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשָׁפָ֗ט
(yehoshafat)
Josafat
הַאֵ֨ין
(haein)
is er niet
פֹּ֤ה
(po)
hier
נָבִיא֙
(navi)
een profeet
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
van Yahweh
וְנִדְרְשָׁ֥ה
(venidresha)
en laten wij raadplegen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵאוֹת֑וֹ
(meoto)
via hem
וַ֠יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
אֶחָ֞ד
(echad)
één
מֵעַבְדֵ֤י
(meavdei)
van de dienaren van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en hij zei
פֹּ֚ה
(po)
hier
אֱלִישָׁ֣ע
(elisha)
Elisa
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֔ט
(shafat)
Sjafat
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָ֥צַק
(yatsaq)
goot
מַ֖יִם
(mayim)
water
עַל
(al)
op
יְדֵ֥י
(yedei)
de handen van
אֵלִיָּֽהוּ
(eliyahu)
Elia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde vraag stelt Josafat in 1 Kon. 22:7.

וְנִדְרְשָׁה (venidreshah), ‘raadplegen’: van דָּרַשׁ (darash). Zie bij 2 Kon. 1:2.

אֲשֶׁר־יָצַק מַיִם עַל־יְדֵי אֵלִיָּהוּ (asher yatsaq mayim al yedei Eliyyahu), ‘die water goot over de handen van Elia’: Elisa was de dienaar van Elia. Zie 1 Kon. 19:21.

12Josafat zei: „Het woord van Yahweh is bij hem.” De koning van Israël, Josafat en de koning van Edom gingen naar hem toe.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
יְה֣וֹשָׁפָ֔ט
(yehoshafat)
Josafat
יֵ֥שׁ
(yesh)
er is
אוֹת֖וֹ
(oto)
bij hem
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּרְד֣וּ
(vayeredu)
en gingen af
אֵלָ֗יו
(elav)
naar hem
מֶ֧לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
וִיהוֹשָׁפָ֖ט
(vihoshafat)
en Josafat
וּמֶ֥לֶךְ
(umelekh)
en de koning van
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

וַיֵּרְדוּ (vayyeredu), ‘gingen naar hem toe’: letterlijk ‘daalden af’.

Het ‘woord van Yahweh’ is hier de boodschap die een profeet van Yahweh ontvangt.

Elisa en de drie koningen

13Elisa zei tegen de koning van Israël: „Wat heb ik met u te maken? Ga naar de profeten van uw vader en naar de profeten van uw moeder.” De koning van Israël zei tegen hem: „Nee, want Yahweh heeft deze drie koningen geroepen om hen in de hand van Moab te geven.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלִישָׁ֜ע
(elisha)
Elisa
אֶל
(el)
tot
מֶ֤לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מַה
(ma)
wat
לִּ֣י
(li)
voor mij
וָלָ֔ךְ
(valakh)
en voor u
לֵ֚ךְ
(lekh)
ga
אֶל
(el)
naar
נְבִיאֵ֣י
(neviei)
de profeten van
אָבִ֔יךָ
(avikha)
uw vader
וְאֶל
(veel)
en naar
נְבִיאֵ֖י
(neviei)
de profeten van
אִמֶּ֑ךָ
(imekha)
uw moeder
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אַ֗ל
(al)
nee
כִּֽי
(ki)
want
קָרָ֤א
(qara)
heeft geroepen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לִשְׁלֹ֨שֶׁת֙
(lishloshet)
drie
הַמְּלָכִ֣ים
(hamelakhim)
de koningen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

מַה־לִּי וָלָךְ (mah-li valakh), ‘wat heb ik met u te maken’: letterlijk ‘wat is er voor mij en voor u?’.

Zie ook 1 Kon. 17:18.

נְבִיאֵי אָבִיךָ וּנְבִיאֵי אִמֶּךָ (nevi’ei avikha unevi’ei immekha), ‘de profeten van uw vader en van uw moeder’: de profeten die bij Achab en Izebel hoorden. Zie 1 Kon. 18:19 en 22:6.

14Elisa zei: „Zo waar Yahweh van de legermachten leeft, voor wiens aangezicht ik sta. Als ik Josafat, de koning van Juda, niet respecteerde, zou ik naar u niet kijken en u niet zien.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלִישָׁ֗ע
(elisha)
Elisa
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
voor wie
עָמַ֣דְתִּי
(amadti)
ik sta
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
כִּ֗י
(ki)
want
לוּלֵ֛י
(lulei)
als niet
פְּנֵ֛י
(penei)
het gezicht van
יְהוֹשָׁפָ֥ט
(yehoshafat)
Josafat
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
אֲנִ֣י
(ani)
ik
נֹשֵׂ֑א
(nose)
respecteer
אִם
(im)
als
אַבִּ֥יט
(abit)
ik zou kijken
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
naar u
וְאִם
(veim)
en als
אֶרְאֶֽךָּ
(ereka)
ik zou zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֹשֵׂא פְּנֵי (nosé penei), ‘het gezicht respecteren’: letterlijk ‘het gezicht van iemand opheffen’, een uitdrukking voor het in aanzien houden van iemand.

Elisa zegt dat hij alleen om Josafat naar de koning van Israël wil kijken.

צְבָאוֹת (tsevaot), ‘legers’: Yahweh is hier de Aanvoerder van de hemelse legers.

15Haal nu een muzikant voor mij.” Toen de muzikant speelde, kwam de hand van Yahweh op hem.
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
קְחוּ
(qechu)
haal
לִ֣י
(li)
voor mij
מְנַגֵּ֑ן
(menagen)
een muzikant
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het was
כְּנַגֵּ֣ן
(kenagen)
als speelde
הַֽמְנַגֵּ֔ן
(hamnagen)
de muzikant
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en kwam
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְנַגֵּן (menaggen), ‘muzikant’: iemand die een snaarinstrument bespeelt.

Terwijl de muzikant speelt, komt de hand van Yahweh op Elisa.

יַד־יְהוָה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: dit doet denken aan de macht van Yahweh over een profeet. Zie ook 1 Kon. 18:46.

16Hij zei: „Zo zegt Yahweh: ‘Maak dit beekdal vol kuilen.’
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עָשֹׂ֛ה
(aso)
maak
הַנַּ֥חַל
(hanachal)
het beekdal
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
גֵּבִ֥ים
(gevim)
kuilen
גֵּבִֽים
(gevim)
kuilen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elisa citeert Yahweh.

Daarom staan deze woorden zwart, met enkele aanhalingstekens.

De verzen 16–19 zijn één toespraak van Elisa.

נַחַל (nachal), ‘beekdal’: een droog dal dat alleen na regen water voert (een wadi).

גֵּבִים גֵּבִים (gevim gevim), ‘kuilen, kuilen’: de herhaling betekent dat er veel kuilen moeten komen. Wij vertalen ‘vol kuilen’.

17Want zo zegt Yahweh: ‘Jullie zullen geen wind zien en geen regen zien. Toch zal dat beekdal vol water komen, en jullie zullen drinken: jullie, jullie vee en jullie lastdieren.’
כִּֽי
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
תִרְא֥וּ
(tiru)
zullen jullie zien
ר֨וּחַ֙
(ruach)
wind
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִרְא֣וּ
(tiru)
zullen jullie zien
גֶ֔שֶׁם
(geshem)
regen
וְהַנַּ֥חַל
(vehanachal)
maar het beekdal
הַה֖וּא
(hahu)
dat
יִמָּ֣לֵא
(yimale)
zal gevuld worden
מָ֑יִם
(mayim)
met water
וּשְׁתִיתֶ֛ם
(ushetitem)
en jullie zullen drinken
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
וּמִקְנֵיכֶ֖ם
(umiqneikhem)
en jullie vee
וּֽבְהֶמְתְּכֶֽם
(uvehemtekhem)
en jullie lastdieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘wind’: hier betekent het woord ‘wind’, niet ‘geest’.

מִקְנֶה (miqneh), ‘vee’: kudden en bezit aan dieren.

18Dit is een kleinigheid in de ogen van Yahweh. Hij zal Moab in jullie hand geven.
וְנָקַ֥ל
(venaqal)
en het is licht
זֹ֖את
(zot)
dit
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנָתַ֥ן
(venatan)
en Hij zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
בְּיֶדְכֶֽם
(beyedkhem)
in jullie hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

Vers 18 zijn Elisa’s eigen woorden: hij spreekt over Yahweh in de derde persoon.

Of vers 19 nog woorden van Yahweh zijn, zegt het Hebreeuws niet.

Wij zetten beide verzen zwart, zonder enkele aanhalingstekens.

19Jullie zullen elke versterkte stad en elke uitgelezen stad verslaan. Jullie zullen elke goede boom omhakken en alle waterbronnen dichtstoppen. Jullie zullen elk goed stuk land met stenen bederven.”
וְהִכִּיתֶ֞ם
(vehikitem)
en jullie zullen verslaan
כָּל
(kal)
elke
עִ֤יר
(ir)
stad van
מִבְצָר֙
(mivtsar)
versterking
וְכָל
(vekhal)
en elke
עִ֣יר
(ir)
stad van
מִבְח֔וֹר
(mivchor)
keuze
וְכָל
(vekhal)
en elke
עֵ֥ץ
(ets)
boom
טוֹב֙
(tov)
goed
תַּפִּ֔ילוּ
(tapilu)
zullen jullie laten vallen
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַעְיְנֵי
(mayenei)
bronnen van
מַ֖יִם
(mayim)
water
תִּסְתֹּ֑מוּ
(tistomu)
zullen jullie dichtstoppen
וְכֹל֙
(vekhol)
en elk
הַחֶלְקָ֣ה
(hachelqa)
stuk land
הַטּוֹבָ֔ה
(hatova)
het goede
תַּכְאִ֖בוּ
(takhivu)
zullen jullie bederven
בָּאֲבָנִֽים
(baavanim)
met stenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַחֶלְקָה (hacheleqah), ‘stuk land’: een akker.

תַּכְאִבוּ (takh’ivu), ‘bederven’: letterlijk ‘pijn doen’.

Het gaat om het onbruikbaar maken van het land met stenen.

Vergelijk Deut. 20:19–20: bij het beleg van een stad mogen vruchtbomen niet worden omgehakt. Het Hebreeuws zegt hier niets over dat verschil.

Het water komt

20In de morgen, op het moment dat het graanoffer werd opgedragen, zie, daar kwam water uit de richting van Edom. Het land werd vol water.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
בַבֹּ֨קֶר֙
(baboqer)
in de morgen
כַּעֲל֣וֹת
(kaalot)
bij het opgaan van
הַמִּנְחָ֔ה
(hamincha)
het graanoffer
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
מַ֥יִם
(mayim)
water
בָּאִ֖ים
(baim)
komend
מִדֶּ֣רֶךְ
(miderekh)
van de weg van
אֱד֑וֹם
(edom)
Edom
וַתִּמָּלֵ֥א
(vatimale)
en werd gevuld
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

הַמִּנְחָה (hamminchah), ‘het graanoffer’: het offer dat ’s morgens werd opgedragen (Exod. 29:38–41).

Het water komt dus op het tijdstip van het morgenoffer.

דֶּרֶךְ אֱדוֹם (derekh Edom), ‘de richting van Edom’: letterlijk ‘de weg van Edom’.

De nederlaag van Moab

21Heel Moab hoorde dat de koningen waren opgetrokken om tegen hen te strijden. Iedereen die een gordel kon omdoen en ouder was, werd opgeroepen. Zij stelden zich op bij de grens.
וְכָל
(vekhal)
en heel
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
שָֽׁמְע֔וּ
(shameu)
hoorde
כִּֽי
(ki)
dat
עָל֥וּ
(alu)
omhoog waren gekomen
הַמְּלָכִ֖ים
(hamelakhim)
de koningen
לְהִלָּ֣חֶם
(lehilachem)
om te strijden
בָּ֑ם
(bam)
tegen hen
וַיִּצָּעֲק֗וּ
(vayitsaaqu)
en zij werden opgeroepen
מִכֹּ֨ל
(mikol)
van elk
חֹגֵ֤ר
(choger)
die omgordt
חֲגֹרָה֙
(chagora)
een gordel
וָמַ֔עְלָה
(vamala)
en hoger
וַיַּעַמְד֖וּ
(vayaamdu)
en zij stonden
עַֽל
(al)
aan
הַגְּבֽוּל
(hagevul)
de grens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

חֹגֵר חֲגֹרָה וָמַעְלָה (choger chagorah vama’lah), ‘die een gordel omdoet en ouder’: iedereen die oud genoeg was om te strijden.

22Zij stonden vroeg op in de morgen. De zon scheen op het water. Moab zag het water van een afstand, rood als bloed.
וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וְהַשֶּׁ֖מֶשׁ
(vehashemesh)
en de zon
זָרְחָ֣ה
(zarecha)
scheen
עַל
(al)
op
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וַיִּרְא֨וּ
(vayiru)
en zagen
מוֹאָ֥ב
(moav)
Moab
מִנֶּ֛גֶד
(mineged)
van tegenover
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
אֲדֻמִּ֥ים
(adumim)
rood
כַּדָּֽם
(kadam)
als bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt alleen dat het water rood leek, ‘als bloed’.

Het zegt niet waarom.

23Zij zeiden: „Dat is bloed! De koningen zijn zeker vernietigd. Zij hebben elkaar verslagen. Nu naar de buit, Moab!”
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
דָּ֣ם
(dam)
bloed
זֶ֔ה
(ze)
dit
הָחֳרֵ֤ב
(hachorev)
zeker
נֶֽחֶרְבוּ֙
(nechervu)
zijn vernietigd
הַמְּלָכִ֔ים
(hamelakhim)
de koningen
וַיַּכּ֖וּ
(vayaku)
en zij sloegen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
וְעַתָּ֥ה
(veata)
en nu
לַשָּׁלָ֖ל
(lashalal)
naar de buit
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

הָחֳרֵב נֶחֶרְבוּ (hacherev necherevu), ‘zijn zeker vernietigd’: het werkwoord is moeilijk.

Wij vertalen ‘vernietigd’.

Het woord lijkt op חֶרֶב (cherev), ‘zwaard’, en dat past bij wat Moab denkt: de koningen hebben elkaar met het zwaard verslagen.

24Zij kwamen bij het kamp van Israël. Israël stond op en versloeg Moab, dat voor hen op de vlucht sloeg. Zij trokken het land in en versloegen Moab.
וַיָּבֹאוּ֮
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וַיָּקֻ֤מוּ
(vayaqumu)
en stond op
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וַיַּכּ֣וּ
(vayaku)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וַיָּנֻ֖סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
voor hen
וַיַּכּוּ
(vayaku)
en zij sloegen
בָ֔הּ
(bah)
daarin
וְהַכּ֖וֹת
(vehakot)
en slaan
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is וַיָּבֹאוּ (vayyavo’u), ‘en zij kwamen’.

Het qere is וַיַּכּוּ (vayyakku), ‘en zij sloegen’.

Wij volgen het qere.

Het laatste deel van het vers is moeilijk: ‘zij sloegen in het land, om Moab te slaan’.

Wij vertalen ‘zij trokken het land in en versloegen Moab’.

25Zij braken de steden af. Ieder wierp zijn steen op elk goed stuk land, tot het vol lag. Zij stopten alle waterbronnen dicht en hakten alle goede bomen om. Alleen in Kir-Charaset bleven de stenen over. Daar omsingelden de slingeraars de stad en sloegen haar.
וְהֶעָרִ֣ים
(vehearim)
en de steden
יַהֲרֹ֡סוּ
(yaharosu)
braken zij af
וְכָל
(vekhal)
en elk
חֶלְקָ֣ה
(chelqa)
stuk land
ט֠וֹבָה
(tova)
goed
יַשְׁלִ֨יכוּ
(yashlikhu)
wierpen zij
אִישׁ
(ish)
man
אַבְנ֜וֹ
(avno)
zijn steen
וּמִלְא֗וּהָ
(umiluha)
en vulden het
וְכָל
(vekhal)
en elke
מַעְיַן
(mayan)
bron van
מַ֤יִם
(mayim)
water
יִסְתֹּ֨מוּ֙
(yistomu)
stopten zij dicht
וְכָל
(vekhal)
en elke
עֵֽץ
(ets)
boom
ט֣וֹב
(tov)
goed
יַפִּ֔ילוּ
(yapilu)
hakten zij om
עַד
(ad)
totdat
הִשְׁאִ֧יר
(hishir)
men liet overblijven
אֲבָנֶ֛יהָ
(avaneiha)
zijn stenen
בַּקִּ֖יר
(baqir)
in Kir
חֲרָ֑שֶׂת
(charaset)
Charaset
וַיָּסֹ֥בּוּ
(vayasobu)
en omringden
הַקַּלָּעִ֖ים
(haqalaim)
de slingeraars
וַיַּכּֽוּהָ
(vayakuha)
en sloegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kir-Charaset (Kerak): Kir-Charaset wordt meestal gelijkgesteld met Kerak, in Moab, ten oosten van de Zoutzee.

Uitleg

Kir-Charaset is waarschijnlijk het huidige Kerak, in het zuiden van Jordanië.

Dat is waarschijnlijk.

קִיר חֲרֶשֶׂת (Qir Charaset), ‘Kir-Charaset’: de naam betekent ‘muur van ...’ (de betekenis van het tweede deel is onzeker).

קַלָּעִים (qalla’im), ‘slingeraars’: soldaten die met een slinger stenen werpen. Zie ook Richt. 20:16.

Het offer van de koning van Moab

26De koning van Moab zag dat de strijd te zwaar voor hem was. Hij nam 700 man met een getrokken zwaard mee om door te breken naar de koning van Edom. Maar het lukte hen niet.
וַיַּרְא֙
(vayar)
en zag
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
כִּֽי
(ki)
dat
חָזַ֥ק
(chazaq)
te sterk was
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
voor hem
הַמִּלְחָמָ֑ה
(hamilchama)
de strijd
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
א֠וֹתוֹ
(oto)
met zich
שְׁבַע
(sheva)
zeven
מֵא֨וֹת
(meot)
honderd
אִ֜ישׁ
(ish)
man
שֹׁ֣לֵֽף
(sholef)
trekkend
חֶ֗רֶב
(cherev)
zwaard
לְהַבְקִ֛יעַ
(lehavqia)
om door te breken
אֶל
(el)
naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אֱד֖וֹם
(edom)
Edom
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָכֹֽלוּ
(yakholu)
konden zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

שְׁבַע מֵאוֹת אִישׁ שֹׁלֵף חֶרֶב (sheva me’ot ish sholef cherev), ‘700 man met een getrokken zwaard’: het getal staat zo in de Masoretische tekst.

27Hij nam zijn zoon, de eerstgeborene, die in zijn plaats koning zou worden, en bood hem als brandoffer aan op de muur. Er kwam een grote toorn over Israël. Zij trokken van hem weg en keerden terug naar hun land.
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנ֨וֹ
(beno)
zijn zoon
הַבְּכ֜וֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִמְלֹ֣ךְ
(yimlokh)
zou regeren
תַּחְתָּ֗יו
(tachtav)
in zijn plaats
וַיַּעֲלֵ֤הוּ
(vayaalehu)
en bood hem aan
עֹלָה֙
(ola)
als brandoffer
עַל
(al)
op
הַ֣חֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en er was
קֶצֶף
(qetsef)
toorn
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּסְעוּ֙
(vayisu)
en zij braken op
מֵֽעָלָ֔יו
(mealav)
van hem
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en keerden terug
לָאָֽרֶץ
(laarets)
naar het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹלָה (olah), ‘brandoffer’: de koning van Moab offert zijn eigen zoon, die na hem koning zou worden, op de muur van de stad.

Het Hebreeuws zegt niet aan wie hij hem offert.

Zie ook Lev. 18:21 en Deut. 18:10.

קֶצֶף גָּדוֹל (qetsef gadol), ‘een grote toorn’: het Hebreeuws zegt niet van wie de toorn komt, en ook niet precies wat er gebeurt. Wij vertalen letterlijk ‘een grote toorn over Israël’.