De woestijn bloeit en de vrijgekochten keren terug
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De woestijn zal bloeien
1De woestijn en het dorre land zullen zich verheugen. De steppe zal juichen en bloeien als een krokus.
יְשֻׂשׂ֥וּם
(yesusum)
zullen zich verheugen
מִדְבָּ֖ר
(midbar)
woestijn
וְצִיָּ֑ה
(vetsiya)
en dorre land
וְתָגֵ֧ל
(vetagel)
en zal juichen
עֲרָבָ֛ה
(arava)
steppe
וְתִפְרַ֖ח
(vetifrach)
en zal bloeien
כַּחֲבַצָּֽלֶת
(kachavatsalet)
als een krokus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jesaja 35 volgt op het oordeel over Edom in hoofdstuk 34.
De woestenij van Edom (34:9–15) en de bloeiende woestijn hier staan tegenover elkaar.
חֲבַצֶּלֶת (chavatselet), ‘krokus’: een bloem van het veld, misschien een krokus of narcis. De soort is onzeker; zie Hoogl. 2:1.
עֲרָבָה (arabah), ‘steppe’: de dorre vlakte. Het is hier geen eigennaam.
Lezing
De vorm יְשֻׂשׂוּם (yesusum) heeft een extra letter aan het eind.
Wij lezen het als een gewoon werkwoord: ‘zullen zich verheugen’.
2Zij zal volop bloeien en juichen. Ja, zij zal juichen en jubelen. De heerlijkheid van de Libanon is haar gegeven, de pracht van de Karmel en de Saron. Zij zullen de heerlijkheid van Yahweh zien, de pracht van onze Elohim.
פָּרֹ֨חַ
(paroach)
volop
תִּפְרַ֜ח
(tifrach)
zal zij bloeien
וְתָגֵ֗ל
(vetagel)
en zal juichen
אַ֚ף
(af)
ja
גִּילַ֣ת
(gilat)
in juichen
וְרַנֵּ֔ן
(veranen)
en jubelen
כְּב֤וֹד
(kevod)
de heerlijkheid van
הַלְּבָנוֹן֙
(halevanon)
de Libanon
נִתַּן
(nitan)
is gegeven
לָ֔הּ
(lah)
haar
הֲדַ֥ר
(hadar)
de pracht van
הַכַּרְמֶ֖ל
(hakarmel)
de Karmel
וְהַשָּׁר֑וֹן
(vehasharon)
en de Saron
הֵ֛מָּה
(hema)
zij
יִרְא֥וּ
(yiru)
zullen zien
כְבוֹד
(kevod)
de heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֲדַ֥ר
(hadar)
de pracht van
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַלְּבָנוֹן (haLevanon), ‘de Libanon’: het gebergte met zijn cederbossen.
הַכַּרְמֶל (haKarmel), ‘de Karmel’: de bergrug aan de kust.
הַשָּׁרוֹן (haSharon), ‘de Saron’: de vruchtbare kustvlakte.
Zij staan voor vruchtbaarheid en pracht; nu krijgt de woestijn die pracht.
Vergelijk Hoogl. 2:1.
כָּבוֹד יְהוָה (kevod Yahweh), ‘de heerlijkheid van Yahweh’: wat de mensen te zien krijgen, is Yahweh Zelf in Zijn glans.
4Zeg tegen wie onrustig van hart is: „Wees sterk. Wees niet bang. Zie, jullie Elohim! Wraak komt, de vergelding van Elohim. Hij zelf komt en redt jullie.”
אִמְרוּ֙
(imru)
zegt
לְנִמְהֲרֵי
(lenimharei)
tegen wie onrustig is van
לֵ֔ב
(lev)
hart
חִזְק֖וּ
(chizqu)
wees sterk
אַל
(al)
niet
תִּירָ֑אוּ
(tirau)
wees bang
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אֱלֹֽהֵיכֶם֙
(eloheikhem)
jullie Elohim
נָקָ֣ם
(naqam)
wraak
יָב֔וֹא
(yavo)
komt
גְּמ֣וּל
(gemul)
de vergelding van
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
ה֥וּא
(hu)
Hij zelf
יָב֖וֹא
(yavo)
komt
וְיֹשַׁעֲכֶֽם
(veyoshaakhem)
en redt jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִמְהֲרֵי לֵב (nimharei lev), ‘onrustig van hart’: letterlijk ‘haastig van hart’; wie door angst overhaast of bevend is.
נָקָם (naqam), ‘wraak’, en גְּמוּל (gemul), ‘vergelding’: vergelijk 34:8. Hier betekent de komst van Elohim redding voor wie bang is, en oordeel voor zijn vijanden.
7Het verzengde land wordt een poel en het dorstige land waterbronnen. Op de woonplaats van de jakhalzen, hun rustplaats, wordt gras tot riet en bies.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en wordt
הַשָּׁרָב֙
(hasharav)
het verzengde land
לַאֲגַ֔ם
(laagam)
tot een poel
וְצִמָּא֖וֹן
(vetsimaon)
en het dorstige land
לְמַבּ֣וּעֵי
(lemabuei)
tot bronnen van
מָ֑יִם
(mayim)
water
בִּנְוֵ֤ה
(binve)
op de woonplaats van
תַנִּים֙
(tanim)
jakhalzen
רִבְצָ֔הּ
(rivtsah)
hun rustplaats
חָצִ֖יר
(chatsir)
gras
לְקָנֶ֥ה
(leqane)
tot riet
וָגֹֽמֶא
(vagome)
en bies
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁרָב (sharav), ‘het verzengde land’: de gloeiende hitte of het hete zand.
Sommigen vertalen ‘luchtspiegeling’.
De betekenis is onzeker.
צִמָּאוֹן (tsimma’on), ‘het dorstige land’: zoals in Deut. 8:15. אֲגַם (agam), ‘poel’: ondiep water met riet.
חָצִיר (chatsir), ‘gras’: zoals in 34:13. Waar eerst jakhalzen lagen, groeit nu gras, riet en bies. Het ‘gras’ wordt ‘tot riet’: het groeit uit tot waterplanten.
8Daar komt een gebaande weg, een weg. De Weg van de Heiligheid zal men haar noemen. Wie onrein is, gaat er niet overheen. Hij is voor hen bestemd die de weg gaan. Dwazen zullen er niet dwalen.
וְהָיָה
(vehaya)
en komt
שָׁ֞ם
(sham)
daar
מַסְל֣וּל
(maslul)
een gebaande weg
וָדֶ֗רֶךְ
(vaderekh)
en een weg
וְדֶ֤רֶךְ
(vederekh)
en weg van
הַקֹּ֨דֶשׁ֙
(haqodesh)
de heiligheid
יִקָּ֣רֵא
(yiqare)
zal men noemen
לָ֔הּ
(lah)
haar
לֹֽא
(lo)
niet
יַעַבְרֶ֥נּוּ
(yaavrenu)
gaat erover
טָמֵ֖א
(tame)
wie onrein is
וְהוּא
(vehu)
en Hij
לָ֑מוֹ
(lamo)
voor hen
הֹלֵ֥ךְ
(holekh)
die gaan
דֶּ֛רֶךְ
(derekh)
de weg
וֶאֱוִילִ֖ים
(veevilim)
en dwazen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִתְעֽוּ
(yitu)
dwalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַסְלוּל (maslul), ‘gebaande weg’: een weg die is aangelegd, opgehoogd en vrijgemaakt.
דֶּרֶךְ הַקֹּדֶשׁ (derekh haqodesh), ‘de Weg van de Heiligheid’: een weg die bij Yahweh hoort.
Wie onrein is, kan er niet op komen; zie Lev. 11–15 voor de wetten over rein en onrein.
Lezing
‘Hij is voor hen bestemd die de weg gaan’ is een moeilijke zin: וְהוּא לָמוֹ (vehu lamo), letterlijk ‘en hij is voor hen’.
Het kan zijn dat ‘hij’ Yahweh is en dat de zin betekent: ‘Hij zelf gaat met hen mee’.
10De vrijgekochten van Yahweh keren terug. Zij komen met gejuich naar Sion, met eeuwige vreugde op hun hoofd. Blijdschap en vreugde grijpen zij, en verdriet en zuchten vluchten weg.
וּפְדוּיֵ֨י
(ufeduyei)
en de vrijgekochten van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
יְשֻׁב֗וּן
(yeshuvun)
keren terug
וּבָ֤אוּ
(uvau)
en komen
צִיּוֹן֙
(tsiyon)
naar Sion
בְּרִנָּ֔ה
(berina)
met gejuich
וְשִׂמְחַ֥ת
(vesimchat)
en vreugde van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwig
עַל
(al)
op
רֹאשָׁ֑ם
(rosham)
hun hoofd
שָׂשׂ֤וֹן
(sason)
blijdschap
וְשִׂמְחָה֙
(vesimcha)
en vreugde
יַשִּׂ֔יגוּ
(yasigu)
grijpen zij
וְנָ֖סוּ
(venasu)
en vluchten weg
יָג֥וֹן
(yagon)
verdriet
וַאֲנָחָֽה
(vaanacha)
en zuchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
פְּדוּיֵי יְהוָה (peduyei Yahweh), ‘de vrijgekochten van Yahweh’: van פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’.
Zij zijn dezelfde mensen als de ‘verlosten’ in vers 9.
Dit vers staat bijna gelijk in Jes. 51:11.
עוֹלָם (olam), ‘eeuwig’: de vreugde heeft geen einde.
שִׂמְחַת עוֹלָם עַל רֹאשָׁם (simchat olam al roshām), ‘eeuwige vreugde op hun hoofd’: vreugde als sieraad, als een krans.