Elohim Bijbel

Genesis 19

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Sodom en Gomorra worden vernietigd

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Twee engelen bij Lot in Sodom

1De twee engelen kwamen 's avonds in Sodom. Lot zat in de poort van Sodom. Toen hij hen zag, stond hij op om hen tegemoet te gaan en wierp zich neer met zijn gezicht op de grond.
וַ֠יָּבֹאוּ
(vayavou)
en kwamen
שְׁנֵ֨י
(shenei)
twee van
הַמַּלְאָכִ֤ים
(hamalakhim)
de engelen
סְדֹ֨מָה֙
(sedoma)
naar Sodom
בָּעֶ֔רֶב
(baerev)
in de avond
וְל֖וֹט
(velot)
en Lot
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
zittend
בְּשַֽׁעַר
(beshaar)
in de poort van
סְדֹ֑ם
(sedom)
Sodom
וַיַּרְא
(vayar)
en hij zag
לוֹט֙
(lot)
Lot
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
לִקְרָאתָ֔ם
(liqratam)
hun tegemoet
וַיִּשְׁתַּ֥חוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
אַפַּ֖יִם
(apayim)
gezicht
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sodom lag in de vlakte van de Jordaan; de precieze plek is niet zeker (zie 13:10; 18:16).

Uitleg

הַמַּלְאָכִים (hamal’akhim), ‘de engelen’: de twee bezoekers die in 18:22 naar Sodom gingen.

Het woord mal’ak betekent ‘gezant’.

בְּשַׁעַר (bash’ar), ‘in de poort’: bij de stadspoort werd recht gesproken en zaken gedaan (zie Deut. 21:19).

Aanvullend

Jasher 19:46–47 vertelt dat de engelen na de maaltijd bij Abraham ’s avonds Sodom bereikten en dat Lot hen in huis nam.

2Hij zei: „Zie toch, mijn heren, kom toch binnen in het huis van uw dienaar. Blijf er slapen en was uw voeten. Dan kunt u morgenvroeg weer verder gaan.” Maar zij zeiden: „Nee, wij blijven de nacht op het plein.”
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֶּ֣ה
(hine)
zie
נָּא
(na)
toch
אֲדֹנַ֗י
(adonay)
mijn heren
ס֣וּרוּ
(suru)
wijkt af
נָ֠א
(na)
toch
אֶל
(el)
naar
בֵּ֨ית
(beit)
huis van
עַבְדְּכֶ֤ם
(avdekhem)
uw dienaar
וְלִ֨ינוּ֙
(velinu)
en overnacht
וְרַחֲצ֣וּ
(verachatsu)
en wast
רַגְלֵיכֶ֔ם
(ragleikhem)
uw voeten
וְהִשְׁכַּמְתֶּ֖ם
(vehishkamtem)
en staat vroeg op
וַהֲלַכְתֶּ֣ם
(vahalakhtem)
en gaat
לְדַרְכְּכֶ֑ם
(ledarkekhem)
uw weg
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
לֹּ֔א
(lo)
nee
כִּ֥י
(ki)
maar
בָרְח֖וֹב
(barechov)
op het plein
נָלִֽין
(nalin)
wij zullen overnachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנַי (adonay), ‘mijn heren’: de gewone meervoudsvorm, uitgesproken met een a.

Lot spreekt hen aan als gasten.

In vers 18 staat een andere vorm (zie 19:18).

בָרְחוֹב (birchov), ‘op het plein’: de open ruimte bij de poort, waar reizigers overnachtten als niemand hen opnam (zie Richt. 19:15).

3Lot drong sterk bij hen aan. Ze gingen met hem mee en kwamen in zijn huis. Hij maakte een maaltijd voor hen klaar en bakte ongezuurde broden, en zij aten.
וַיִּפְצַר
(vayiftsar)
en hij drong aan
בָּ֣ם
(bam)
bij hen
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַיָּסֻ֣רוּ
(vayasuru)
en ze weken af
אֵלָ֔יו
(elav)
naar hem
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
אֶל
(el)
naar
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
מִשְׁתֶּ֔ה
(mishte)
maaltijd
וּמַצּ֥וֹת
(umatsot)
en ongezuurde broden
אָפָ֖ה
(afa)
hij bakte
וַיֹּאכֵֽלוּ
(vayokhelu)
en ze aten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּמַצּוֹת (matsot), ‘ongezuurde broden’: brood zonder zuurdeeg, dat snel gebakken is (zie Ex. 12:39).

4Ze waren nog niet gaan slapen, of de mannen van de stad, de mannen van Sodom, omringden het huis, van jong tot oud, het hele volk, van alle kanten.
טֶרֶם֮
(terem)
nog niet
יִשְׁכָּבוּ֒
(yishkavu)
ze gingen liggen
וְאַנְשֵׁ֨י
(veanshei)
en de mannen van
הָעִ֜יר
(hair)
de stad
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
סְדֹם֙
(sedom)
Sodom
נָסַ֣בּוּ
(nasabu)
omringden
עַל
(al)
rond
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
מִנַּ֖עַר
(minaar)
van jong
וְעַד
(vead)
tot
זָקֵ֑ן
(zaqen)
oud
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מִקָּצֶֽה
(miqatse)
van de uiterste rand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

מִקָּצֶה (miqtseh), ‘van de uiterste rand’: de mannen kwamen van alle kanten, uit heel de stad.

Aanvullend

Jasher 19:44 noemt de zonden van Sodom.

Jubileeën 16:6 noemt de onreinheid van Sodom.

5Ze riepen Lot en zeiden tegen hem: „Waar zijn de mannen die vannacht bij je gekomen zijn? Breng ze naar buiten, naar ons toe, dan hebben wij gemeenschap met hen.”
וַיִּקְרְא֤וּ
(vayiqreu)
en ze riepen
אֶל
(el)
naar
לוֹט֙
(lot)
Lot
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en ze zeiden
ל֔וֹ
(lo)
tegen hem
אַיֵּ֧ה
(aye)
waar
הָאֲנָשִׁ֛ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֥אוּ
(bau)
kwamen
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
naar jou
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
vannacht
הוֹצִיאֵ֣ם
(hotsiem)
breng ze naar buiten
אֵלֵ֔ינוּ
(eleinu)
naar ons
וְנֵדְעָ֖ה
(venedea)
opdat we kennen
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנֵדְעָה (venede’ah), ‘dan kunnen wij hen kennen’: yada, ‘kennen’, betekent hier geslachtsgemeenschap, zoals in 4:1.

Hier vertaald als ‘gemeenschap hebben met’.

De mannen willen de gasten seksueel geweld aandoen.

Ezech. 16:49–50 noemt als zonde van Sodom hoogmoed, overvloed en geen hulp aan de arme en behoeftige; Judas 1:7 noemt hun ontucht.

6Lot ging naar buiten, naar hen toe, bij de ingang, en sloot de deur achter zich.
וַיֵּצֵ֧א
(vayetse)
en hij ging naar buiten
אֲלֵהֶ֛ם
(alehem)
naar hen
ל֖וֹט
(lot)
Lot
הַפֶּ֑תְחָה
(hapetcha)
naar de ingang
וְהַדֶּ֖לֶת
(vehadelet)
en de deur
סָגַ֥ר
(sagar)
sloot hij
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookRe 19:23
7Hij zei: „Mijn broeders, doe toch geen kwaad.
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
אַל
(al)
nee
נָ֥א
(na)
toch
אַחַ֖י
(achay)
mijn broeders
תָּרֵֽעוּ
(tareu)
doe kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zie toch, ik heb twee dochters die nog nooit gemeenschap met een man gehad hebben. Laat mij hen naar buiten brengen, naar u toe. Doe met hen wat goed is in uw ogen. Maar doe deze mannen niets, want zij zijn onder de schaduw van mijn dak gekomen.”
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֨א
(na)
toch
לִ֜י
(li)
voor mij
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
בָנ֗וֹת
(banot)
dochters
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָדְעוּ֙
(yadeu)
hebben gekend
אִ֔ישׁ
(ish)
man
אוֹצִֽיאָה
(otsia)
laat mij naar buiten brengen
נָּ֤א
(na)
toch
אֶתְהֶן֙
(ethen)
hen
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
naar u
וַעֲשׂ֣וּ
(vaasu)
en doe
לָהֶ֔ן
(lahen)
met hen
כַּטּ֖וֹב
(katov)
zoals het goed is
בְּעֵינֵיכֶ֑ם
(beeineikhem)
in uw ogen
רַ֠ק
(raq)
alleen
לָֽאֲנָשִׁ֤ים
(laanashim)
aan de mannen
הָאֵל֙
(hael)
deze
אַל
(al)
niet
תַּעֲשׂ֣וּ
(taasu)
doe
דָבָ֔ר
(davar)
iets
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
daarom
כֵּ֥ן
(ken)
daarom
בָּ֖אוּ
(bau)
zijn gekomen
בְּצֵ֥ל
(betsel)
in de schaduw van
קֹרָתִֽי
(qorati)
mijn dak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָדְעוּ (yade’u), ‘zij hebben gekend’: hier ook geslachtsgemeenschap, vertaald als ‘gemeenschap gehad hebben’ (zie 19:5).

בְּצֵל קֹרָתִי (betsel qorati), ‘in de schaduw van mijn balken’: wie onder iemands dak is, staat onder zijn bescherming.

Lot biedt zijn dochters aan; de tekst oordeelt hier niet over.

Een vergelijkbaar verhaal staat in Richt. 19:22–25.

9Maar ze zeiden: „Ga opzij!” En ze zeiden: „Die ene is hier als vreemdeling komen wonen, en nu wil hij rechter zijn! Nu zullen wij jou meer kwaad doen dan hun.” Ze drongen hard op tegen Lot en kwamen dichterbij om de deur te breken.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
גֶּשׁ
(gesh)
kom naar voren
הָ֗לְאָה
(halea)
verder weg
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en ze zeiden
הָאֶחָ֤ד
(haechad)
die ene
בָּֽא
(ba)
kwam
לָגוּר֙
(lagur)
om te verblijven
וַיִּשְׁפֹּ֣ט
(vayishpot)
en hij oordeelt
שָׁפ֔וֹט
(shafot)
oordelend
עַתָּ֕ה
(ata)
nu
נָרַ֥ע
(nara)
zullen we kwaad doen
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
מֵהֶ֑ם
(mehem)
dan aan hen
וַיִּפְצְר֨וּ
(vayiftseru)
en ze drongen aan
בָאִ֤ישׁ
(baish)
op de man
בְּלוֹט֙
(belot)
op Lot
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַֽיִּגְּשׁ֖וּ
(vayigeshu)
en ze kwamen dichterbij
לִשְׁבֹּ֥ר
(lishbor)
om te breken
הַדָּֽלֶת
(hadalet)
de deur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּשְׁפֹּט שָׁפוֹט (vayyishpot shafot), ‘en hij oordeelt, oordelend’: een nadrukkelijke vorm.

De mannen verwijten Lot, de vreemdeling (לָגוּר, lagur), dat hij hen de les leest.

Lot kwam in Sodom wonen in 13:12 (zie 13:12).

10Maar de mannen in het huis strekten hun hand uit, trokken Lot bij zich naar binnen en sloten de deur.
וַיִּשְׁלְח֤וּ
(vayishlechu)
en ze strekten uit
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יָדָ֔ם
(yadam)
hun hand
וַיָּבִ֧יאוּ
(vayaviu)
en ze brachten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
ל֛וֹט
(lot)
Lot
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
naar hen
הַבָּ֑יְתָה
(habayeta)
het huis in
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַדֶּ֖לֶת
(hadelet)
de deur
סָגָֽרוּ
(sagaru)
ze sloten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zij sloegen de mannen die voor de ingang van het huis stonden met verblinding, van klein tot groot. Die mannen werden moe van het zoeken naar de ingang.
וְֽאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָאֲנָשִׁ֞ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
פֶּ֣תַח
(petach)
ingang van
הַבַּ֗יִת
(habayit)
het huis
הִכּוּ֙
(hiku)
ze sloegen
בַּסַּנְוֵרִ֔ים
(basanverim)
met verblinding
מִקָּטֹ֖ן
(miqaton)
van klein
וְעַד
(vead)
tot
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
וַיִּלְא֖וּ
(vayilu)
en ze werden moe
לִמְצֹ֥א
(limtso)
om te vinden
הַפָּֽתַח
(hapatach)
de ingang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּסַּנְוֵרִים (basanverim), ‘met verblinding’: een zeldzaam woord, dat ook voorkomt in 2 Koningen 6:18 voor het leger van Aram.

Het gaat niet om volledige blindheid: de mannen blijven de ingang zoeken.

De vlucht uit Sodom

12De mannen zeiden tegen Lot: „Wie heb je hier nog meer? Een schoonzoon, je zonen, je dochters, iedereen die van jou is in de stad: breng hen weg van deze plaats.
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en ze zeiden
הָאֲנָשִׁ֜ים
(haanashim)
de mannen
אֶל
(el)
tot
ל֗וֹט
(lot)
Lot
עֹ֚ד
(od)
nog
מִֽי
(mi)
wie
לְךָ֣
(lekha)
voor jou
פֹ֔ה
(po)
hier
חָתָן֙
(chatan)
schoonzoon
וּבָנֶ֣יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
וּבְנֹתֶ֔יךָ
(uvenoteikha)
en je dochters
וְכֹ֥ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
בָּעִ֑יר
(bair)
in de stad
הוֹצֵ֖א
(hotse)
breng weg
מִן
(min)
van
הַמָּקֽוֹם
(hamaqom)
de plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Want wij gaan deze plaats vernietigen. Hun noodkreet is groot geworden voor het aangezicht van Yahweh, en Yahweh heeft ons gezonden om haar te vernietigen.”
כִּֽי
(ki)
want
מַשְׁחִתִ֣ים
(mashchitim)
vernietigers
אֲנַ֔חְנוּ
(anachnu)
wij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּֽי
(ki)
want
גָֽדְלָ֤ה
(gadela)
is groot geworden
צַעֲקָתָם֙
(tsaaqatam)
hun noodkreet
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְשַׁלְּחֵ֥נוּ
(vayshalechenu)
en heeft ons gezonden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְשַׁחֲתָֽהּ
(leshachatah)
om te vernietigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צַעֲקָתָם (tsa’aqatam), ‘hun noodkreet’: de roep van wie onrecht lijdt, zoals in 18:20–21 (zie 18:20).

מַשְׁחִתִים (mashchitim), ‘vernietigers’: het werkwoord shachat is hetzelfde als in 6:13 en 6:17.

14Lot ging naar buiten en sprak met zijn schoonzoons, die zijn dochters zouden nemen. Hij zei: „Sta op, ga weg van deze plaats, want Yahweh gaat de stad vernietigen!” Maar in de ogen van zijn schoonzoons leek hij te grappen.
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en hij ging naar buiten
ל֜וֹט
(lot)
Lot
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֶל
(el)
tot
חֲתָנָ֣יו
(chatanav)
zijn schoonzonen
לֹקְחֵ֣י
(loqechei)
die namen van
בְנֹתָ֗יו
(benotav)
zijn dochters
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
ק֤וּמוּ
(qumu)
sta op
צְּאוּ֙
(tseu)
ga weg
מִן
(min)
uit
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּֽי
(ki)
want
מַשְׁחִ֥ית
(mashchit)
vernietigend is
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en hij was
כִמְצַחֵ֖ק
(kimtsacheq)
als een grappenmaker
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
חֲתָנָֽיו
(chatanav)
zijn schoonzonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹקְחֵי בְנֹתָיו (loqchei benotav), ‘die zijn dochters zouden nemen’: loqchei is een deelwoord.

Anderen lezen ‘die zijn dochters genomen hadden’; dan zouden dit twee andere dochters zijn.

כִמְצַחֵק (kimtsacheq), ‘als een grappenmaker’, heeft dezelfde stam als tsachaq in 18:12 (zie 18:12).

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘die zijn dochters zouden nemen’ (verloofd), omdat de dochters volgens vers 8 nog geen man gekend hebben.

15Toen de dageraad aanbrak, drongen de engelen bij Lot aan: „Sta op, neem je vrouw en je twee dochters die hier zijn, anders word je weggevaagd in de schuld van de stad.”
וּכְמוֹ֙
(ukhemo)
en zoals
הַשַּׁ֣חַר
(hashachar)
de dageraad
עָלָ֔ה
(ala)
opkwam
וַיָּאִ֥יצוּ
(vayaitsu)
en ze drongen aan
הַמַּלְאָכִ֖ים
(hamalakhim)
de engelen
בְּל֣וֹט
(belot)
op Lot
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
קוּם֩
(qum)
sta op
קַ֨ח
(qach)
neem
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִשְׁתְּךָ֜
(ishtekha)
je vrouw
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
שְׁתֵּ֤י
(shetei)
twee van
בְנֹתֶ֨יךָ֙
(benoteikha)
je dochters
הַנִּמְצָאֹ֔ת
(hanimtsaot)
de aanwezige
פֶּן
(pen)
anders
תִּסָּפֶ֖ה
(tisafe)
word je weggevaagd
בַּעֲוֺ֥ן
(baavon)
in de schuld van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּעֲוֺן הָעִיר (ba’avon ha’ir), ‘in de schuld van de stad’: avon is ‘schuld’ en ook ‘de straf voor schuld’.

Wie bleef, zou meegesleept worden in het oordeel.

16Hij talmde. Toen namen de mannen hem bij de hand, en ook zijn vrouw en zijn twee dochters, omdat Yahweh medelijden met hem had. Ze brachten hem naar buiten en lieten hem buiten de stad achter.
וַֽיִּתְמַהְמָ֓הּ
(vayitmahmah)
en hij talmde
וַיַּחֲזִ֨קוּ
(vayachaziqu)
en ze grepen
הָאֲנָשִׁ֜ים
(haanashim)
de mannen
בְּיָד֣וֹ
(beyado)
bij zijn hand
וּבְיַד
(uveyad)
en bij de hand van
אִשְׁתּ֗וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וּבְיַד֙
(uveyad)
en bij de hand van
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee van
בְנֹתָ֔יו
(benotav)
zijn dochters
בְּחֶמְלַ֥ת
(bechemlat)
in het medelijden van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלָ֑יו
(alav)
met hem
וַיֹּצִאֻ֥הוּ
(vayotsiuhu)
en ze brachten hem naar buiten
וַיַּנִּחֻ֖הוּ
(vayanichuhu)
en ze lieten hem rusten
מִח֥וּץ
(michuts)
buiten
לָעִֽיר
(lair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּחֶמְלַת יְהוָה עָלָיו (bechemlat Yahweh alav), ‘in het medelijden van Yahweh met hem’: chemlah, ‘medelijden’, komt in het Oude Testament maar twee keer voor (ook Jes. 63:9).

Aanvullend

Jasher 19:48–50 vertelt dat de engelen Lot en zijn gezin bij de hand namen en buiten de steden zetten.

17Toen ze hen naar buiten hadden gebracht, zei een van hen: „Red je leven! Kijk niet achter je en blijf nergens in de vlakte staan. Vlucht naar het gebergte, anders word je weggevaagd.”
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כְהוֹצִיאָ֨ם
(kehotsiam)
toen ze naar buiten brachten
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
הַח֗וּצָה
(hachutsa)
naar buiten
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הִמָּלֵ֣ט
(himalet)
red
עַל
(al)
om
נַפְשֶׁ֔ךָ
(nafshekha)
je leven
אַל
(al)
niet
תַּבִּ֣יט
(tabit)
kijk
אַחֲרֶ֔יךָ
(achareikha)
achter je
וְאַֽל
(veal)
en niet
תַּעֲמֹ֖ד
(taamod)
blijf staan
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הַכִּכָּ֑ר
(hakikar)
de vlakte
הָהָ֥רָה
(hahara)
naar het gebergte
הִמָּלֵ֖ט
(himalet)
red je
פֶּן
(pen)
anders
תִּסָּפֶֽה
(tisafe)
word je weggevaagd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

הַכִּכָּר (hakikkar), ‘de vlakte’: de vlakte van de Jordaan (zie 13:10).

Uitleg

וַיֹּאמֶר (vayomer), ‘hij zei’: het werkwoord staat in het enkelvoud; één van de twee spreekt.

18Lot zei tegen hen: „Nee, mijn Heer, toch niet.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֖וֹט
(lot)
Lot
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
אַל
(al)
nee
נָ֖א
(na)
toch
אֲדֹנָֽי
(adonay)
mijn Heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (adonay), ‘mijn Heer’: hier met de klinkers van de goddelijke aanspreekvorm Adonai, anders dan ‘mijn heren’ in vers 2.

Lot spreekt nu in het enkelvoud.

Hij richt zich tot degene die namens Yahweh spreekt (zie 18:3).

19Zie toch, Uw dienaar heeft gunst in Uw ogen gevonden. U hebt mij grote trouw bewezen door mijn leven te sparen. Maar ik kan niet naar het gebergte vluchten. Het onheil zou mij achterhalen en dan sterf ik.
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֠א
(na)
toch
מָצָ֨א
(matsa)
heeft gevonden
עַבְדְּךָ֣
(avdekha)
Uw dienaar
חֵן֮
(chen)
gunst
בְּעֵינֶיךָ֒
(beeineikha)
in Uw ogen
וַתַּגְדֵּ֣ל
(vatagdel)
en U hebt groot gemaakt
חַסְדְּךָ֗
(chasdekha)
Uw trouw
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
עָשִׂ֨יתָ֙
(asita)
U hebt gedaan
עִמָּדִ֔י
(imadi)
met mij
לְהַחֲי֖וֹת
(lehachayot)
om in leven te houden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn leven
וְאָנֹכִ֗י
(veanokhi)
en ik
לֹ֤א
(lo)
niet
אוּכַל֙
(ukhal)
kan
לְהִמָּלֵ֣ט
(lehimalet)
om te ontkomen
הָהָ֔רָה
(hahara)
naar het gebergte
פֶּן
(pen)
anders
תִּדְבָּקַ֥נִי
(tidbaqani)
achterhaalt mij
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het onheil
וָמַֽתִּי
(vamati)
en ik sterf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַסְדְּךָ (chasdeka), ‘Uw trouw’: chesed is trouw die uit liefde voortkomt.

Hier vertaald als ‘trouw’.

Lot erkent dat zijn leven gespaard is.

20Zie toch, die stad is dichtbij om daarheen te vluchten, en ze is klein. Laat mij daarheen ontkomen. Is ze niet klein? Dan blijf ik leven.”
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֠א
(na)
toch
הָעִ֨יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֧את
(hazot)
deze
קְרֹבָ֛ה
(qerova)
dichtbij
לָנ֥וּס
(lanus)
om te vluchten
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
וְהִ֣יא
(vehi)
en zij
מִצְעָ֑ר
(mitsar)
klein
אִמָּלְטָ֨ה
(imaleta)
laat mij ontkomen
נָּ֜א
(na)
toch
שָׁ֗מָּה
(shama)
daarheen
הֲלֹ֥א
(halo)
is niet
מִצְעָ֛ר
(mitsar)
klein
הִ֖וא
(hi)
zij
וּתְחִ֥י
(utechi)
dan leeft
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het ligt dicht bij Sodom, want Lot kan er heen vluchten.

Uitleg

מִצְעָר (mitsar), ‘klein’: het woord klinkt als de naam Zoar (tsoar) in vers 22.

Waar het lag, is onzeker.

21Hij zei tegen hem: „Zie, ook in dit opzicht neem ik je verzoek aan: ik zal de stad waarover je sprak niet omkeren.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
הִנֵּה֙
(hine)
zie
נָשָׂ֣אתִי
(nasati)
ik heb aangenomen
פָנֶ֔יךָ
(paneikha)
jouw gezicht
גַּ֖ם
(gam)
ook
לַדָּבָ֣ר
(ladavar)
in het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
לְבִלְתִּ֛י
(levilti)
opdat niet
הָפְכִּ֥י
(hafki)
ik omkeer
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarover
דִּבַּֽרְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Haast je, red je daarheen, want ik kan niets doen voordat je daar aankomt.” Daarom noemde men de naam van de stad Zoar.
מַהֵר֙
(maher)
haast je
הִמָּלֵ֣ט
(himalet)
red je
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
אוּכַל֙
(ukhal)
ik kan
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
דָּבָ֔ר
(davar)
iets
עַד
(ad)
totdat
בֹּאֲךָ֖
(boakha)
jouw komst
שָׁ֑מָּה
(shama)
daarheen
עַל
(al)
daarom
כֵּ֛ן
(ken)
daarom
קָרָ֥א
(qara)
hij noemde
שֵׁם
(shem)
naam van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
צֽוֹעַר
(tsoar)
Zoar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Eerder heette de plaats Bela (14:2; zie 14:2).

Uitleg

צוֹעַר (tso’ar), ‘Zoar’: de naam is afgeleid van mitsar, ‘klein’ (vers 20).

23De zon kwam op over het land toen Lot in Zoar aankwam.
הַשֶּׁ֖מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
יָצָ֣א
(yatsa)
ging uit
עַל
(al)
over
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְל֖וֹט
(velot)
en Lot
בָּ֥א
(ba)
kwam
צֹֽעֲרָה
(tsoara)
naar Zoar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht.

Sodom en Gomorra worden vernietigd

24Toen liet Yahweh zwavel en vuur regenen over Sodom en over Gomorra, van Yahweh, uit de hemel.
וַֽיהוָ֗ה
(vaYahweh)
en Yahweh
הִמְטִ֧יר
(himtir)
liet regenen
עַל
(al)
over
סְדֹ֛ם
(sedom)
Sodom
וְעַל
(veal)
en over
עֲמֹרָ֖ה
(amora)
Gomorra
גָּפְרִ֣ית
(gaferit)
zwavel
וָאֵ֑שׁ
(vaesh)
en vuur
מֵאֵ֥ת
(meet)
van bij
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Aanvullend

Jubileeën 16:5–6 vertelt dat Yahweh dit oordeel in dezelfde maand uitvoerde waarin de engelen Abraham bezochten.

Jasher 19:51–52 vertelt dat Yahweh zwavel en vuur uit de hemel liet regenen.

25Hij keerde deze steden om, heel de vlakte, alle bewoners van de steden en wat er op de grond groeide.
וַֽיַּהֲפֹךְ֙
(vayahafokh)
en Hij keerde om
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הֶעָרִ֣ים
(hearim)
de steden
הָאֵ֔ל
(hael)
deze
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
הַכִּכָּ֑ר
(hakikar)
de vlakte
וְאֵת֙
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
הֶעָרִ֔ים
(hearim)
de steden
וְצֶ֖מַח
(vetsemach)
en het groeiende
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
van de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּהֲפֹךְ (vayahafokh), ‘en hij keerde om’: het werkwoord haphakh, ‘omkeren’, staat ook in vers 21 en 29 (zie 19:21; 19:29).

26Zijn vrouw keek achterom, vanachter hem, en ze werd een zoutpilaar.
וַתַּבֵּ֥ט
(vatabet)
en ze keek
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
מֵאַחֲרָ֑יו
(meacharav)
van achter hem
וַתְּהִ֖י
(vatehi)
en ze werd
נְצִ֥יב
(netsiv)
pilaar van
מֶֽלַח
(melach)
zout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַתַּבֵּט (vattabet), ‘zij keek’: het werkwoord ‘kijken’ met de betekenis ‘omkijken’.

Zie ook Luc. 17:32.

Aanvullend

Jasher 19:52–53 vertelt dat zij omkeek uit medelijden met haar dochters en dat de zoutpilaar er nog staat.

27Abraham stond 's morgens vroeg op en ging naar de plaats waar hij voor Yahweh had gestaan.
וַיַּשְׁכֵּ֥ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
בַּבֹּ֑קֶר
(baboqer)
in de morgen
אֶל
(el)
naar
הַ֨מָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
עָ֥מַד
(amad)
hij had gestaan
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 19:56 vertelt dat Abraham de rook van de steden zag opstijgen als de rook van een oven.

28Hij keek uit over Sodom en Gomorra en over heel de vlakte, en zie: er steeg rook op van het land, als de rook van een smeltoven.
וַיַּשְׁקֵ֗ף
(vayashqef)
en hij keek neer
עַל
(al)
over
פְּנֵ֤י
(penei)
het aangezicht van
סְדֹם֙
(sedom)
Sodom
וַעֲמֹרָ֔ה
(vaamora)
en Gomorra
וְעַֽל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
heel
פְּנֵ֖י
(penei)
het aangezicht van
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
הַכִּכָּ֑ר
(hakikar)
de vlakte
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
עָלָה֙
(ala)
opsteeg
קִיטֹ֣ר
(qitor)
rook van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
כְּקִיטֹ֖ר
(keqitor)
als rook van
הַכִּבְשָֽׁן
(hakivshan)
de smeltoven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

קִיטֹר הָאָרֶץ כְּקִיטֹר הַכִּבְשָׁן (qitor ha’arets keqitor hakkivshan), ‘de rook van het land als de rook van een smeltoven’: rook van een kalkoven of smeltoven, zwaar en zwart.

Ex. 19:18 gebruikt hetzelfde beeld voor de berg Sinaï.

29Toen Elohim de steden van de vlakte vernietigde, dacht Elohim aan Abraham. Hij zond Lot uit het midden van de omkering weg, toen Hij de steden omkeerde waarin Lot woonde.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בְּשַׁחֵ֤ת
(beshachet)
bij het vernietigen van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
הַכִּכָּ֔ר
(hakikar)
de vlakte
וַיִּזְכֹּ֥ר
(vayizkor)
en Hij dacht aan
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיְשַׁלַּ֤ח
(vayshalach)
en Hij zond
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
לוֹט֙
(lot)
Lot
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הַהֲפֵכָ֔ה
(hahafekha)
de omkering
בַּהֲפֹךְ֙
(bahafokh)
bij het omkeren van
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הֶ֣עָרִ֔ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָשַׁ֥ב
(yashav)
woonde
בָּהֵ֖ן
(bahen)
in hen
לֽוֹט
(lot)
Lot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַהֲפֵכָה (hahafekhah), ‘de omkering’: het hele gebeuren wordt zo genoemd (zie 19:25).

Dat Elohim ‘aan Abraham dacht’ (zie 8:1) betekent dat Hij Lot spaarde om Abrahams wil.

Lot en zijn dochters

30Lot trok van Zoar omhoog en ging in het gebergte wonen, met zijn twee dochters, want hij was bang om in Zoar te wonen. Hij woonde in een grot, hij en zijn twee dochters.
וַיַּעַל֩
(vayaal)
en hij ging omhoog
ל֨וֹט
(lot)
Lot
מִצּ֜וֹעַר
(mitsoar)
uit Zoar
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
בָּהָ֗ר
(bahar)
in het gebergte
וּשְׁתֵּ֤י
(ushtei)
en twee van
בְנֹתָיו֙
(benotav)
zijn dochters
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
כִּ֥י
(ki)
want
יָרֵ֖א
(yare)
hij was bang
לָשֶׁ֣בֶת
(lashevet)
om te wonen
בְּצ֑וֹעַר
(betsoar)
in Zoar
וַיֵּ֨שֶׁב֙
(vayeshev)
en hij woonde
בַּמְּעָרָ֔ה
(bameara)
in de grot
ה֖וּא
(hu)
hij
וּשְׁתֵּ֥י
(ushtei)
en twee van
בְנֹתָֽיו
(benotav)
zijn dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht.

Uitleg

בַּמְּעָרָה (bamme’arah), ‘in de grot’: Jasher 19:55 noemt dit de grot van Adullam.

Aanvullend

Jasher 19:57–59 vertelt het verhaal van Lots dochters en de afkomst van Moab en Ammon.

Jubileeën 16:8–9 oordeelt hard over wat daar gebeurde.

31De oudste zei tegen de jongste: „Onze vader is oud, en er is geen man in het land om bij ons te komen, zoals overal op aarde gebruikelijk is.
וַתֹּ֧אמֶר
(vatomer)
en ze zei
הַבְּכִירָ֛ה
(habekhira)
de oudste
אֶל
(el)
tegen
הַצְּעִירָ֖ה
(hatseira)
de jongste
אָבִ֣ינוּ
(avinu)
onze vader
זָקֵ֑ן
(zaqen)
is oud
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en man
אֵ֤ין
(ein)
er is niet
בָּאָ֨רֶץ֙
(baarets)
in het land
לָב֣וֹא
(lavo)
om binnen te gaan
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
bij ons
כְּדֶ֖רֶךְ
(kederekh)
naar de gewoonte van
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Kom, laten wij onze vader wijn te drinken geven en bij hem slapen. Zo houden wij door onze vader nageslacht in leven.”
לְכָ֨ה
(lekha)
kom
נַשְׁקֶ֧ה
(nashqe)
laten we te drinken geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֛ינוּ
(avinu)
onze vader
יַ֖יִן
(yayin)
wijn
וְנִשְׁכְּבָ֣ה
(venishkeva)
en laten we liggen
עִמּ֑וֹ
(imo)
met hem
וּנְחַיֶּ֥ה
(unechaye)
en laten we in leven houden
מֵאָבִ֖ינוּ
(meavinu)
uit onze vader
זָֽרַע
(zara)
nageslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָרַע (zera), ‘nageslacht’, letterlijk ‘zaad’.

De dochters denken dat er in het land geen man meer is.

Daarom zorgen zij zelf voor nageslacht, anders sterft de familie uit.

33Die nacht gaven ze hun vader wijn te drinken. De oudste ging naar binnen en sliep bij haar vader. Hij merkte niet wanneer ze ging liggen en wanneer ze opstond.
וַתַּשְׁקֶ֧יןָ
(vatashqeina)
en ze gaven te drinken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲבִיהֶ֛ן
(avihen)
hun vader
יַ֖יִן
(yayin)
wijn
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
ה֑וּא
(hu)
die
וַתָּבֹ֤א
(vatavo)
en ze kwam
הַבְּכִירָה֙
(habekhira)
de oudste
וַתִּשְׁכַּ֣ב
(vatishkav)
en ze lag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֔יהָ
(aviha)
haar vader
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָדַ֥ע
(yada)
hij wist
בְּשִׁכְבָ֖הּ
(beshikhvah)
bij haar liggen
וּבְקׄוּמָֽהּ
(uvequmah)
en bij haar opstaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְלֹא יָדַע (velo yada), ‘en hij wist niet’: Lot was door de wijn niet bij bewustzijn.

De tekst zegt niet dat hij schuldig is.

34De volgende dag zei de oudste tegen de jongste: „Zie, gisteravond heb ik bij mijn vader geslapen. Laten we hem ook vannacht wijn te drinken geven. Ga dan naar binnen en slaap bij hem. Zo houden wij door onze vader nageslacht in leven.”
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en ze zei
הַבְּכִירָה֙
(habekhira)
de oudste
אֶל
(el)
tegen
הַצְּעִירָ֔ה
(hatseira)
de jongste
הֵן
(hen)
zie
שָׁכַ֥בְתִּי
(shakhavti)
ik lag
אֶ֖מֶשׁ
(emesh)
gisteravond
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
נַשְׁקֶ֨נּוּ
(nashqenu)
laten we hem te drinken geven
יַ֜יִן
(yayin)
wijn
גַּם
(gam)
ook
הַלַּ֗יְלָה
(halayla)
vannacht
וּבֹ֨אִי֙
(uvoi)
en kom
שִׁכְבִ֣י
(shikhvi)
lig
עִמּ֔וֹ
(imo)
bij hem
וּנְחַיֶּ֥ה
(unechaye)
en laten we in leven houden
מֵאָבִ֖ינוּ
(meavinu)
uit onze vader
זָֽרַע
(zara)
nageslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Ook die nacht gaven ze hun vader wijn te drinken. De jongste stond op en sliep bij hem. Hij merkte niet wanneer ze ging liggen en wanneer ze opstond.
וַתַּשְׁקֶ֜יןָ
(vatashqeina)
en ze gaven te drinken
גַּ֣ם
(gam)
ook
בַּלַּ֧יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֛וּא
(hahu)
die
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲבִיהֶ֖ן
(avihen)
hun vader
יָ֑יִן
(yayin)
wijn
וַתָּ֤קָם
(vataqam)
en ze stond op
הַצְּעִירָה֙
(hatseira)
de jongste
וַתִּשְׁכַּ֣ב
(vatishkav)
en ze lag
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָדַ֥ע
(yada)
hij wist
בְּשִׁכְבָ֖הּ
(beshikhvah)
bij haar liggen
וּבְקֻמָֽהּ
(uvequmah)
en bij haar opstaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Zo werden de twee dochters van Lot zwanger van hun vader.
וַֽתַּהֲרֶ֛יןָ
(vatahareina)
en ze werden zwanger
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee van
בְנֽוֹת
(benot)
dochters van
ל֖וֹט
(lot)
Lot
מֵאֲבִיהֶֽן
(meavihen)
van hun vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37De oudste beviel van een zoon en noemde hem Moab. Hij is de vader van de Moabieten tot op deze dag.
וַתֵּ֤לֶד
(vateled)
en ze baarde
הַבְּכִירָה֙
(habekhira)
de oudste
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
ה֥וּא
(hu)
hij
אֲבִֽי
(avi)
vader van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
עַד
(ad)
tot
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Moab woonde ten oosten van de Dode Zee (zie Deut. 2:9).

Uitleg

מוֹאָב (Mo’av), ‘Moab’, klinkt als me’av, ‘van de vader’; de volksetymologie stelt dat de naam dit betekent.

Aanvullend

Jasher 19:58 zegt dat zij de naam gaf omdat zij van haar vader zwanger was.

38De jongste beviel ook van een zoon en noemde hem Ben-Ammi. Hij is de vader van de Ammonieten tot op deze dag.
וְהַצְּעִירָ֤ה
(vehatseira)
en de jongste
גַם
(gam)
ook
הִוא֙
(hi)
zij
יָ֣לְדָה
(yaleda)
baarde
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
בֶּן
(ben)
Ben
עַמִּ֑י
(ami)
Ammi
ה֛וּא
(hu)
hij
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עַמּ֖וֹן
(amon)
Ammon
עַד
(ad)
tot
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ammon woonde ten oosten van de Jordaan, bij de bovenloop van de Jabbok (zie Deut. 2:19).

Uitleg

בֶּן עַמִּי (Ben-Ammi), ‘zoon van mijn volk’ of ‘zoon van mijn verwant’.

Aanvullend

Jasher 19:59 noemt hem de vader van de Ammonieten.